id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.339 Rolnummer: A. 161357/XIV-22199 Zaak: Arrest 165339 - - 30/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-15 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-01 10:42 Fiche Arrest nr 165.339 van 30 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.339 van 30 november 2006 in de zaak A. 161.357/XIV-22.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat W. NG, kantoor houdende te 2170 MERKSEM, Ringlaan 138 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 24 maart 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 februari 2005 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 november 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 14 april 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 10 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-22.199-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat W. NG, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 12 oktober 2001 en zich op 28 oktober 2004 de derde maal vluchteling verklaart; dat op 8 november 2004 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 18 februari 2005 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaarde de Iraanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van Varamin. U zou actief zijn geweest voor de PEYKAR en in dat verband in de periode 1359 – 1361 (Perzische kalender, komt overeen met maart 1980 – maart 1982) tweemaal hebben vastgezeten. Op 31.06.1380 (22 september 2001) zou u, in het huis van uw (ex)schoonmoeder, een onbekende hebben verzorgd die tijdens rellen in het been was geschoten. Toen de autoriteiten aankwamen zouden u, uw (ex)schoonmoeder en (ex)schoonbroer zijn gevlucht uit vrees te worden opgepakt omdat u hulp had geboden aan een politieke activist. Enkele dagen later zouden jullie samen het land verlaten hebben en naar België zijn gekomen. Betreffende uw eerst asielaanvraag ontving u van ons een bevestigende beslissing van weigering tot verblijf wegens de kennelijke ongegrondheid van uw aanvraag, wat door de Raad van State werd bevestigd in haar arrest van 28 oktober
- Vervolgens hebt u een tweede keer asiel aangevraagd op 24 december 2002 omdat u toen vernomen zou hebben dat de autoriteiten u nog tweemaal waren komen zoeken. Bovendien zou het huis van uw (ex)schoonmoeder geconfisqueerd zijn en zouden zij en haar zoon bij terugkeer naar Iran op de luchthaven kort zijn vastgehouden en nadien nog zijn ondervraagd. Ook toen werd besloten dat u onvoldoende nieuwe elementen aanbracht om te kunnen besluiten tot de gegrondheid van uw vrees. Tegen die bevestigende beslissing van weigering tot verblijf van het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen, diende u opnieuw een beroep in bij de Raad van State, die in haar arrest van 31 augustus 2004 besloot de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring te verwerpen. U zou niet zijn teruggekeerd naar Iran en tot slot op 28 oktober 2004 een derde asielaanvraag hebben ingediend omdat er in tussentijd een aantal documenten van het gerecht op uw naam zou zijn toegekomen. Bovendien zouden de ordediensten nog steeds bij uw (ex)schoonmoeder langs gaan op zoek naar u. B. Motivering De nieuwe elementen die u in het kader van uw derde asielaanvraag hebt aangebracht zijn niet van die aard dat zij de eerder vastgestelde kennelijke ongegrondheid van uw aanvraag zouden kunnen wijzigen. Ze zijn namelijk weinig geloofwaardig waardoor zij uw aanvraag niet verder kunnen ondersteunen. Uit de verklaringen van uw gehoor in dringend beroep blijkt dat er op ongeveer een jaar tijd vier documenten door de ordediensten bij u thuis werden afgeleverd (verslag DB, p.1-2). Het eerste zou ergens tijdens de eerste helft van 2003 op uw adres zijn afgegeven, en het laatste – het document waarvan u een fax voorgelegde – draagt als afgiftedatum 04.05.1383 (4 augustus 2004). Alle documenten zouden naar uw adres zijn gestuurd en vervolgens aan uw broer zijn bezorgd die echter enkel dat laatste zou hebben gevonden. Hij zou het document per post naar u hebben verzonden (wat u nooit zou hebben ontvangen) alsook per fax hebben doorgestuurd. Tijdens uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) hebt u daarentegen slechts over 2 documenten gesproken die beiden in het bezit van uw broer zouden zijn geweest. Hij zou u zelfs gezegd hebben dat er niet veel uitleg instond, enkel dat u zich moest aanmelden (verslag DVZ, p.13). Daarenboven beweerde u dat het laatste document – dat wat u voorgelegd XIV-22.199-2/5 hebt - een oproeping was en dat de agent bij afgifte gezegd heeft dat u, indien u niet zou opdagen, bij verstek zou worden veroordeeld (verslag DB, p.2 en verslag DVZ, p.13). Het door u voorgelegde document blijkt echter een arrestatiebevel te zijn volgens hetwelk u naar de betrokken instantie moest worden gebracht. Tevens is het uitermate vreemd dat een arrestatiebevel – een intern document van de betrokken instanties - aan de gezochte persoon zelf zou worden afgeleverd. Deze incoherenties en tegenstrijdigheden ondermijnen de geloofwaardigheid van de nieuwe elementen waarop u uw derde asielaanvraag baseerde. Behalve de fax van het eerder vermelde arrestatiebevel, legde u geen andere documenten voor. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”; 2.1.1 Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van artikel 1, A, 2) van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) opwerpt en aanvoert dat de verwerende partij met de bestreden beslissing haar beoordelingsbevoegdheid in de ontvankelijkheidsfase heeft overschreden en aldus een beoordelingsfout heeft begaan en dat de verzoekende partij heeft aangetoond dat zij wel degelijk redelijke motieven had om de te vrezen voor vervolging of aanslagen op haar leven wegens het behoren tot een maatschappelijke groep in de zin van de Vluchtelingenconventie; 2.1.
- Overwegende dat artikel 1 van de Vluchtelingenconventie op zichzelf niet volstaat om toepasbaar te zijn zonder dat verdere reglementering met het oog op precisering of vervollediging noodzakelijk is; dat die bepaling geen duidelijke en juridisch volledige tekst is die de verdragspartijen of een onthoudingsplicht of een plicht om op een welbepaalde wijze te handelen oplegt; dat die bepaling de verdragsluitende staten enkel de mogelijkheid biedt een regeling uit te werken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan met artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat derhalve een directe werking aan artikel 1 van de Vluchtelingenconventie moet worden ontzegd zodat de verzoekende partij de rechtstreekse schending ervan niet dienstig kan inroepen; dat het eerste middel om die reden niet- ontvankelijk is; XIV-22.199-3/5 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van artikel 33 van de Vluchtelingenconventie inroept en aanvoert dat die bepaling werd genegeerd door de verzoekende partij het bevel te geven om het grondgebied te verlaten, terwijl zij niet mag worden teruggestuurd naar een land waar haar leven of vrijheid worden bedreigd, vermits er werkelijk en buiten elke redelijke twijfel een ernstig risico voor de verzoekende partij bestaat om blootgesteld te worden aan een door de voornoemde verdragsbepaling verboden behandeling; 2.2.
- Overwegende dat, zonder dat moet worden nagegaan of artikel 33 van de Vluchtelingenconventie rechtstreekse werking heeft, uit de bestreden beslissing alleszins blijkt dat de verzoekende partij niet werd erkend als vluchteling en dan ook geen kandidaat-vluchteling meer is; dat hieruit volgt dat de voornoemde verdragsbepaling in casu niet van toepassing en derhalve niet dienstig kan worden aangevoerd; dat het tweede middel om die reden niet-ontvankelijk is; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel aanvoert dat de verwerende partij haar asielaanvraag bedrieglijk heeft verklaard, dat op grond van een algemeen rechtsbeginsel goede trouw wordt vermoed en bedrog moet worden bewezen, dat het mogelijkerwijze niet kunnen voorleggen van een aantal documenten niet op bedrog wijst, gezien de gebrekkige postbedeling en de censuur op de briefwisseling in Iran en dat geen bedrog in hoofde van de verzoekende partij is bewezen; 2.3.
- Overwegende dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op grond van de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet na dringend beroep een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten kan nemen, onder meer op grond van de bedrieglijkheid van de aanvraag; dat in de bestreden beslissing terdege wordt gemotiveerd waarom de asielaanvraag in casu bedrieglijk is bevonden; dat het een feitelijke appreciatiebevoegdheid van de verwerende partij betreft en dat de verzoekende partij wat dat betreft geen bevoegdheidsoverschrijding of geen schending van enig algemeen rechtsbeginsel aannemelijk maakt; dat het derde middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-22.199-4/5 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-22.199-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.339 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.