id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.384 Rolnummer: A. 153353/XIV-20029 Zaak: Arrest 165384 - - 30/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-15 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-01 10:44 Fiche Arrest nr 165.384 van 30 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.384 van 30 november 2006 in de zaak A. 153.353/XIV-20.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat N. DIRICKX, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 213, bus 15 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indiase nationaliteit, op 1 juli 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 mei 2004 waarbij de aanvraag om machtiging van verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zonder voorwerp wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 27 juli 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 28 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 oktober 2006; XIV-20.029-1/4 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. DIRICKX, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat N. LUCAS, die locoadvocaat E. MATTERNE verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken. Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij op 11 januari 2000 een regularisatieaanvraag indient op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regulariesatiewet); dat de minister van Binnenlandse Zaken op 8 april 2002 die aanvraag verwerpt; Overwegende de verzoekende partij op 8 december 2003 een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf indient op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 26 mei 2004 die aanvraag zonder voorwerp verklaart; dat dit de bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “(...) In toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik u mede dat dit verzoek zonder voorwerp is geworden. Betrokkene is ingeschreven bij de Regularisatiecommissie en heeft een negatieve beslissing gekregen inzake de aanvraag tot regularisatie op grond van de wet van 22/12/
- Artikel 16 § 1 van deze wet verbiedt immers, wanneer de Regularisatiecommissie is gevat met een verzoek (wat hier het geval is onder nr 38002000011100012), het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf krachtens art. 9, 3/ van de wet van 15/12/
- Dit verbod geldt niet tot een eventuele verwerping van een verzoek, maar zolang genoemde wet van 22/12/1999 van kracht is.”;
- Overwegende dat in het auditoraatsverslag een exceptie van niet- ontvankelijkheid wordt opgeworpen; Overwegende dat artikel 16 van de Regulariesatiewet als volgt luidt: “De indiening van een aanvraag op grond van artikel 2 verbiedt de aanvrager om een aanvraag in te dienen op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. XIV-20.029-2/4 De indiening, na de inwerkingtreding van deze wet, van een aanvraag op grond van artikel 9, derde lid van voornoemde wet van 15 december 1980 verbiedt de aanvrager om, gelijktijdig of daarna, een aanvraag in te dienen op grond van artikel 2.”; Overwegende dat het Arbitragehof, naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de Raad van State, in het arrest nr. 103/2003 van 22 juli 2003 het volgende overweegt: “Het juist (is) dat de vreemdeling wiens regularisatieaanvraag ingediend op grond van de wet van 22 december 1999 werd verworpen nadien evenmin vermag een nieuwe procedure in te leiden op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980, zelfs wanneer hij meent zich te kunnen beroepen op buitengewone omstandigheden die van aard zijn dat zij kunnen verantwoorden dat hij zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden niet heeft ingediend bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland’ en ‘dat die bepaling evenmin als onevenredig kan worden beschouwd. Enerzijds, verhindert niets de vreemdeling om, met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, een nieuwe verblijfsvergunning in te dienen bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor de verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; anderzijds, indien de vreemdeling onwettig in België verblijft, wordt zijn toestand niet minder onwettig door het feit dat die toestand voortduurt.”; Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat bij een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing de verwerende partij niet anders vermag dan opnieuw dezelfde beslissing te nemen; dat het indienen van een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet ook onmogelijk is nadat een eerdere aanvraag overeenkomstig de Regularisatiewet is verworpen; dat derhalve een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing aan de verzoekende partij geen nut kan opleveren; dat de verzoekende partij geen belang heeft bij de vordering; dat de vordering niet-ontvankelijk is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. XIV-20.029-3/4 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november tweeduizend en zes, door: de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-20.029-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.384 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.