← België

Arrest 165416 - - 30/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.416 Rolnummer: A. 160791/XIV-22024 Zaak: Arrest 165416 - - 30/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-22 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 10:45 Fiche Arrest nr 165.416 van 30 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.416 van 30 november 2006 in de zaak A. 160.791/XIV-22.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat G. KLAPWIJK, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Overwinningstraat 71 A tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Macedonische nationaliteit, op 14 maart 2005 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van 1 december 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hen als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 29 maart 2005 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 18 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 november 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-22.024-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. KLAPWIJK, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  5. Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren: “Enig middel - schending van de artikelen 57/22 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, schending van artikel 1 A

(2)van het Verdrag van Genève betreffende het Statuut van Vluchteling van 1951; Dat verwerende partij in de bestreden beslissing stelt dat aan eerste verzoeker de hoedanigheid van politiek vluchteling niet kan worden toegekend omwille van de volgende redenen: (...) Doordat verwerende partij in de eerste bestreden beslissing stelt dat aan de verklarin- gen van verzoeker geen geloof kan worden gehecht daar zij niet coherent zijn en niet met de werkelijkheid zouden overeenstemmen zoals weergegeven in door verwerende partij aangehaalde rapporten en informatiebronnen; Terwijl - dat de verklaringen van verzoeker hoe dan ook niet van aard zijn diens asielmotieven te ondermijnen; Dat de verklaringen van verzoeker omtrent de feiten en zijn asielmotieven coherent, nauwkeurig en geloofwaardig voorkomen; Dat de bewijslast in beginsel rust op de appellant en hij in de mate van het mogelijke bewijzen moet aanbrengen van de feiten de hij aanhaalt, dat het vervolgens de taak is van de persoon die de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling moet onderzoe- ken om de waarde van de bewijselementen en de geloofwaardigheid van de verklarin- gen van betrokkene te beoordelen (zie onder meer UNHCR, Guide des procédures et critères á appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, september 1995, 53) Dat de verklaringen van een asielzoeker een voldoende bewijs kunnen zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijke plausibel en oprecht zijn; Dat de verklaringen van een asielzoeker coherent moeten zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten; Dat de verklaringen en argumenten van verzoeker, zoals op zeer gefundeerde wijze geformuleerd in zijn verzoekschrift tot beroep bij verwerende partij, beantwoorden aan de hierboven vernoemde criteria; Dat de bronnen die verwerende partij aanhaalt betreffende de situatie in de betrokken regio niet alleen eenzijdig zijn en enkel maar een bepaalde versie van de feiten weergeven doch vooral dateren van 2001; Dat het opvallend is dat verwerende partij geen enkele melding maakt van recente rapporten omtrent deze problematiek; Dat de gegrondheid van een aanvraag tot politiek asiel in hoofde van de aanvrager dient te worden beoordeeld op het moment dat de betreffende asielautoriteit een beslissing neemt en dus niet op grond van feiten die gekend waren op het moment dat de aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling werd ingediend; Dat volgens een rapport van verschenen op de website van International Crisisgroup (www.icg.org) "Macedonia: Not out of the Woods Yet dd 25 februari moet blijken dat aan de etnische spanningen in dit land zeker nog geen einde is gekomen en de XIV-22.024-2/6 implementatie van de Ohrid - akkoorden heden nog geen feit is; dat dit rapport immers veronderstel stelt dat de vrede in die streek nog niet bereikt is; ( stuk 3) Dat zo het rapport stelt da ten gevolge van het falen van het referendum gehouden op 7 november 2004 "local elections were postponed, Prime Minister Hari Kostov resigned and a successor was appointed - the legislative details (i.e. de implementatie van Ohrid akkoorden) are still receiving dangerously inadequate attention. Tensions stirred up by the campaign have yet to evaporate, and the countries various nationalist elements remain poised to exploit any opportunities. (Vrij vertaald: locale verkiezingen werden uitgesteld,, de Eerste Minister Hari Kostov nam ontslag en een opvolger werd benoemd - de wetgevende uitwerkingen verliezen op en gevaarlijke wijze de aandacht. De spanningen die in het leven werden geroepen door de campagne moeten nog luwen, en de verschillende nationalistische elementen staan klaar om elke gelegenheid uit te buiten.) Dat in die zin kan worden verwezen naar het standpunt van de Albanses minderheid in Macedonië zoals-weergegeven in het rapport "Southern Serbia's fragile Peace" van 9 december 2003, 5 - 6, Europe Report n/ 152, Belgrade - Brussels, 26 blz.,; Dat op grond van deze informatie waarover verzoeker nu beschikt van dien aard is dat het in zijn in hoofde het bestaan van een gegronde vrees tot vervolging kunnen aantoont; Dat de redenering die verwerende partij op pagina 5 van haar beslissing uiteenzet dan ook met de nodige voorzichtigheid dient te worden beschouwd aangezien zij ervan uit gaat dat de Ohrid akkoorden ("Ohrid Framework Agreements for Peace" dat de decentralisatie van het land dient te bewerkstelligen) in de praktijk werden uitgevoerd en nageleefd; Dat echter moet blijken dat zulk tot op heden niet altijd of volledig het geval is geweest en dat de toenmalige implementatie zeker niet als voldaan kan worden beschouwd; Dat zelf als men voort zou gaan op de informatie zoals weergegeven in de aangehaalde algemene -rapporten van verwerende partij , niet kan worden uitgesloten dat de gebeurtenissen, meer bepaald met betrekking tot zijn arrestaties door leden van de Macedonische politie o.l.v. inspecteur Spasovski, het een onbetwistbaar feit is dat verzoeker het voorwerp heeft uitgemaakt van het machtsmisbruik van voornoemde inspecteur; Dat het in dat opzicht geen twijfel kan over bestaan dat verzoeker door inspecteur Spasovski werd vervolg omwille van etnische afkomst (ras), lidmaatschap van een Albanese minderheid (sociale groep) , verleende steun aan leden van het UCK (politieke overtuigingen). Dat uit de definitie van vluchteling (artikel 1 A,
(2)van het Vluchtelingenverdrag) blijkt dat het element vrees in de subjectieve zin verwijst naar de persoonlijke, psychologische toestand van de vluchteling; dat de verklaring dat hij zal worden vermoord of vervolgd bij zijn terugkeer aldus dient de worden begrepen als een "vrees" te worden vervolgd zonder dat dit gegeven kan worden afgedaan als een louter vermoeden; (R.v.St. 22 februari 2000, n/ 85.470); Dat de gewelddadige interpellaties door de Macedonische politie, waarvan verzoeker diverse malen het slachtoffer is geweest, zo ernstig zijn geweest dat zij, zelfs een in sfeer van gematigde etnische spanningen, hun relevantie behouden en van aard zijn een gegronde vrees tot vervolgingen in hoofde van verzoeker te schragen; Dat het (
  1. is)niet is omdat een internationale organisatie, zoals in casu OSCE en Nato Task Force -Troepen, aanwezig zijn in een land en daar een deel van het staatsgezag uitoefenen, dat om die reden elke inwoner van dat land - die zich omwille van zijn etnische geaardheid in zijn bestaan bedreigd voelt -toegang heeft tot deze instellingen om hen zijn grieven kenbaar te maken; Dat de redenering dat verzoeker geen problemen zou hebben gehad omdat hij nagelaten heeft "aan advocaat onder de arm te nemen" minstens hypocriet doch zeker pervers, gevaarlijk en kortzichtig voorkomt en zeker niet van toepassing kan zijn op een land waar er van een rechtstaat, en zeker niet in 2001, enige sprake kan zijn; Dat een dergelijke redenering er immers op neerkomt te veronderstellen dat iedereen zomaar toegang heeft tot de diensten van een advocaat en zou toelaten aan te nemen dat degene die geen beroep doet op een advocaat ook geen problemen kan hebben van de aard omschreven en ondergaan door verzoeker. XIV-22.024-3/6 Dat men dus degenen die problemen hebben en dit willen aantonen verplicht beroep te doen op een advocaat; dat men derhalve in se geen politiek vluchteling kan zijn als men niet eerst beroep heeft gedaan op een advocaat! Dat we hier de waanzin nabij zijn! Dat op grond va(
  2. n)hetgeen werd uiteengezet moet blijken dat de verklaringen van verzoeker mogelijk geloofwaardig en eerlijk zijn en een voldoende bewijs uitmaken van zijn hoedanigheid van vluchteling in de zin van de Geneefse Vluchtelingenconventie van 28 juli 1951; Dat het enig middel in zijn geheel genomen ernstig voorkomt; Zodat de bestreden beslissingen op dit punt niet voldoende zijn gemotiveerd; Dat artikel 57/22 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en artikel 1 A
(2)van het Verdrag van Genève betreffende het Statuut van Vluchteling van 1951 werd geschonden; Dat de bestreden beslissingen derhalve nietig dienen te worden verklaard.”; 1.
  1. Overwegende dat, zoals de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, refererend aan J.C. HATHAWAY en de “Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié” van het UNHCR, op goede gronden stelt “de verklaringen van de kandidaat-vluchteling een voldoende bewijs kunnen zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn” en “de afgelegde verklaringen niet in strijd mogen zijn met algemeen bekende feiten”; dat in casu uit de motivering van de eerste bestreden beslissing, waarop de tweede bestreden beslissing is gebaseerd, genoegzaam blijkt dat dit volgens de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet het geval is; dat het daarbij uitsluitend aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchteling- en als feitenrechter toekomt om te oordelen of de verklaringen van verzoekers in casu coherent en geloofwaardig zijn, om te oordelen over de objectiviteit en de actualiteitswaarde van de door haar geraadpleegde informatiebronnen en om te oordelen of de verklaringen, in casu omtrent de beweerde arrestaties, in strijd zijn met voormelde bronnen; dat deze beoordeling niet door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, kan worden overgedaan vermits hij luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State “niet in de beoordeling van de zaak zelf” mag treden; dat met hun verwijzing naar andere, algemene informatiebronnen verzoekers overigens niet aantonen dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de door haar gehanteerde bronnen, die specifiek betrekking hebben op de regio vanwaar zij afkomstig zijn, zou hebben verdraaid of eruit onjuiste gevolgtrekkingen zou hebben gehaald; dat voor zover verzoekers (onder meer aan de hand van de door hen geciteerde informatiebronnen) pogen aan te tonen dat in hunnen hoofde een gegronde vrees voor vervolging aanwezig is, het middel ertoe strekt de beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen door de Raad van State te laten overdoen, hetgeen niet tot zijn bevoegdheid als administratieve cassatierechter behoort; dat de bewering als zou “verzoeker geen problemen (...) hebben gehad omdat hij heeft nagelaten (een) advocaat onder de arm te nemen”, geen steun vindt in de bestreden beslissing; dat in tegenstelling tot hetgeen hij laat uitschijnen, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van de kandidaat-vluchteling (in casu van verzoeker) geenszins eist dat hij een beroep zou doen op een advocaat om zijn problemen aan te tonen, doch verlangt zij enkel van hem dat hij toch een “begin van bewijs bijbrengt tot staving van zijn relaas”, XIV-22.024-4/6 hetgeen in casu niet het geval is; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die als feitenrechter soeverein oordeelt over de mogelijkheid waarin de vreemdeling zich bevindt om stavingsstukken voor te leggen van de door hem aangehaalde feiten, uitvoerig motiveert waarom verzoeker niet enkel niet aannemelijk maakt waarom hij geen beroep deed op een advocaat, maar tevens waarom hij evenmin aannemelijk maakt waarom hij niet (schriftelijk) zijn beklag deed bij de superieuren van inspecteur Spasovski of bij internationale organisaties zoals OSCE, waarom hij niet de hulp heeft ingeroepen van het UCK en waarom hij geen medisch attest neerlegt, zoals blijkt uit de volgende consideransen: “Overwegende dat de Commissie vaststelt dat appellant geen enkel begin van bewijs bijbrengt tot staving van zijn relaas; dat de verklaringen omtrent zijn vier arrestaties loutere beweringen zijn; dat in redelijkheid mag worden verwacht, dat zo de arrestaties werkelijk zouden hebben plaatsgehad, appellant minstens toch na de tweede of derde arrestatie schriftelijk zijn beklag zou hebben gemaakt bij de superieuren van inspecteur Spasovski - en dit in een periode dat de multi-etnische politiemacht ontplooid werd - of bij internationale organisatie zoals OSCE (zie later); dat ofschoon hij beweert materiële hulp te hebben gegeven aan het UCK ten tijde van het conflict en derhalve ook een aantal UCK - leden moet kennen, hij hen nooit bijstand heeft gevraagd omwille van zijn “problemen” met Spasovski en de politie van Kumanovo; dat niettegenstaande hij blijkbaar na de arrestaties verzorging nodig(e) had (..) hij zich niet wilde laten verzorgen in een ziekenhuis omdat, zoals hij stelt “dit mogelijkerwijze contacten had met de Macedonische politie en overheid”; dat hij stelt dat hij “in dezelfde opvatting ook geen plaatselijke advocaat onder de arm heeft genomen” Overwegende dat de Commissie van oordeel is dat appellants voorgehouden “wantrou- wen” ten aanzien van de politie, de Macedonische autoriteiten en zeker ten aanzien van vertegenwoordigers van een internationale organisatie, te zwak klinkt om het ontbreken van een begin van bewijs uit te leggen; dat appellant niet bij machte was een medisch attest met vermelding van de vastgestelde letsels kort na de beweerde gebeurtenissen voor te leggen; dat zijn uitleg daartoe dat het ziekenhuis eventueel contacten had met de overheid, niet wordt aanvaard; dat moet aangenomen worden dat een dokter de letsels verzorgt, zonder zich in te lichten over de eventuele overheidsstatus van de vermoedelijke daders; dat de opgegeven reden (zie hoger) waarom appellant ook geen beroep deed op een plaatselijk advocaat, geen hout snijdt; dat zo kan worden aangenomen dat hij geen advocaat die de Macedonische zaak genegen is, vraagt om hem te helpen in zijn juridische strijd het voor een gewezen medestander van het UCK niet onoverkomelijk is een advocaat onder de arm te nemen die oog heeft voor de belangen van etnische Albanezen; dat het ontbreken van enig begin van bewijs aan appellant ernstig wordt aangerekend, temeer omdat appellant op de vraag waarom hij zich op 25 juli 2002 een internationale geboorteakte voor zijn dochter B. (geboren op 10 juli 1999 te Kumanovo, zie het verhoorblad van 21 oktober 2002) en op 26 juli 2002 een internationale huwelijksakte liet afleveren, antwoordde (zie het verhoorblad van 17 februari 2003, p. 6/7) : "omdat ik wou vertrekken, ik wist toen al dat ze me niet met rust gingen laten"; dat hij dus niettegenstaande dit voorgevoel, wat betreft het bewijs voor de beweerde feiten nog met lege handen staat; dat het ziekteattest van 14 juni 2003 van Dr. N. LUBI, arts te Schaarbeek, enkel vaststelt "lumbago latéralisée à gauche" op datum van 14 juni 2003, maar verder niet stelt dat, zoals appellant er aan toevoegt (zie conclusie, rubriek III) "ten gevolge van mishandelingen"; dat de Commissie vaststelt dat appellant geen echte bewijzen kan voorbrengen maar aan een doktersattest zelf een bewijswaarde toevoegt: dat deze vaststelling zijn geloofwaar- digheid op de helling zet;”; dat het enig middel in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; XIV-22.024-5/6
  2. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  3. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-22.024-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.416 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.