id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.469 Rolnummer: A. 178825/XIV-27705 Zaak: Arrest 165469 - Dienst Vreemdelingenzaken - 01/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-04 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 10:49 Fiche Arrest nr 165.469 van 1 december 2006 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 165.469 van 1 december 2006 in de zaak A. 178.825/VII-36.754 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. ROBERT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 25 november 2006 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 november 2006 tot weigering van in overwegingname van een vluchtelingenverklaring en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde; Gelet op de beschikking van 29 november 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 27 november 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 29 november 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-36.754-1/9 Gehoord de opmerkingen van advocaten M. DENYS en P. ROBERT, die verschijnen voor de verzoekende partij en van advocaat S. DE VRIEZE, die, loco advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Verzoeker verklaart ter terechtzitting dat hij zich, wat betreft zijn vraag om de zaak te verwijzen naar een kamer samengesteld uit drie staatsraden, gedraagt naar de wijsheid van de zetel.
- De feiten. 1.
- Verzoeker is op 8 januari 2003 België binnengekomen en heeft zich de volgende dag een eerste maal vluchteling verklaard. 1.
- Op 3 juli 2003 werd de eerste asielprocedure van verzoeker afgesloten door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. 1.
- Op 19 september 2005 verwierp de Raad van State bij het arrest met nr. 149.066 het beroep tot nietigverklaring tegen de bevestigende beslissing van weigering van verblijf van de commissaris-generaal van 3 juli
- 1.
- Op 27 februari 2006 diende verzoeker een tweede asielaanvraag in. 1.
- Op 11 september 2006 werd de tweede asielprocedure van verzoeker afgesloten door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. 1.
- Op 23 oktober 2006 dient verzoeker een derde asielaanvraag in. 1.
- Op 21 november 2006 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van in overwegingname van een vluchtelingenverklaring. Dit is de eerste bestreden beslissing. Deze is letterlijk als volgt gemotiveerd: VII-36.754-2/9 “Overwegende dat betrokkene op in het verleden twee keer een asielaanvraag indiende bij de Dienst Vreemdelingenzaken, respectievelijk op 09/01/2003 en 27/02/2006; deze asielaanvragen telkens met een bevestigende beslissing van ‘weigering van verblijf’ werden afgesloten door het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen, respectievelijk op 10/07/2003 en 12/09/2006; betrokkene een brief voorlegt van de Afghaanse veiligheidsdienst; betrokkene voornoemd document reeds bij zijn vorige asielaanvraag heeft aangebracht en toen reeds werd besloten dat de authenticiteit ervan niet kan getoetst worden gezien het een kopie betreft en zodoende het bedrieglijk karakter van zijn eerste asielaanvraag niet kan weerleggen; betrokkene zijn Taskara voorlegt, doch hij deze reeds bij zijn vorige asielaanvragen heeft aangehaald; dergelijk identiteitsdocument evenmin de voorgaande beslissingen kan wijzigen; betrokkene voorts verwijst naar zijn deelname aan de hongerstaking in 2003; voornoemde actie van betrokkene reeds werd besproken bij zijn vorige asielaanvraag en betrokkene geenszins aannemelijk kan maken dat de Afghaanse autoriteiten hiervan effectief op de hoogte zijn; betrokkene op geen enkele manier kan hardmaken dat hij als gevolg van zijn hongerstaking geenszins kan terugkeren naar zijn land; de door betrokkene voorgelegde brief - die door de Afghaanse kandidaat-vluchtelingen wordt aangebracht ter staving van hun nieuwe asielaanvraag - de algemene situatie in Afghanistan schetst; de algemene situatie niet als nieuw element kan worden beschouwd; de Commissaris-Generaal in de bevestigende beslissing dd. 09/01/2003 en 27/02/2006 stelde dat de betrokkene kan worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij is ontvlucht en waar volgens betrokkene's verklaringen zijn leven, zijn vrijheid of zijn fysieke integriteit in gevaar zou verkeren; subsidiaire bescherming pas wordt toegekend indien er sprake is van een persoonlijk en reëel risico op ernstige schade zoals omschreven in art. 4814 van de vreemdelingenwet en de kandidaat-vluchteling dit risico concreet kan bewijzen; betrokkene geen concrete elementen opgeeft waaruit blijkt dat hij dergelijk risico loopt bij een eventuele terugkeer; betrokkene geen nieuwe elementen aanbrengt met betrekking tot de feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de vorige asielprocedure waarin hij die had kunnen voorleggen en waaruit blijkt dat hij een gegronde vrees voor vervolging kan laten gelden of een reëel risico op ernstige schade loopt. De bovenvermelde verklaring wordt niet in overweging genomen.“. Tevens wordt door de minister van Binnenlandse Zaken op 21 november 2006 een bevel om het grondgebied te verlaten genomen, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde. Dit is de tweede bestreden beslissing.
- Ontvankelijkheid. In zoverre het beroep gericht is tegen de maatregel van vrijheidsberoving is het onontvankelijk. Uit artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) blijkt dat tegen beslissingen, genomen met toepassing van deze bepaling, enkel een beroep tot nietigverklaring open staat. In het arrest van het Arbitragehof nr. 61/94 van 14 juli 1994 in verband met artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet (oorspronkelijk artikel 50, derde en vierde lid VII-36.754-3/9 van voornoemde wet) wordt gesteld dat de Raad van State, “alvorens de vordering tot schorsing niet ontvankelijk te verklaren, zal (...) nagaan of de voorwaarden met betrekking tot die grond van niet-ontvankelijkheid zijn vervuld”. De Raad van State is dus slechts bevoegd om van voorliggende vordering tot schorsing kennis te nemen zo hij van oordeel is dat de nieuwe vluchtelingenverklaring op nieuwe gegevens, in de zin van artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet, is gesteund. Verzoeker wijst er in zijn eerste middel op dat de verwerende partij de door hem aangebrachte elementen (namelijk zijn nota over de toestand in Afghanistan en de ernstige bedreiging voor zijn leven of zijn persoon als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een gewapend conflict) in overweging heeft genomen. Uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt inderdaad dat de verwerende partij kennis heeft genomen van de inhoud van de door betrokkene voorgelegde brief met betrekking tot de huidige algemene situatie in het land van herkomst. Er is dus wel degelijk sprake van nieuwe gegevens, zodat de Raad van State van voorliggende vordering tot schorsing kennis kan nemen.
- Beoordeling. 3.
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.
- Verzoeker verblijft in het Centrum 127 bis te Steenokkerzeel. Er werd dus een dwangmaatregel genomen met het oog op de daadwerkelijke verwijdering van het grondgebied. De verwerende partij betwist de hoogdringendheid niet. Aan de voorwaarde met betrekking tot de uiterst dringende noodzakelijkheid is derhalve voldaan. 3.
- In het eerste middel voert verzoeker een schending aan van de artikelen 48/4, 51/8 en 62 van de Vreemdelingenwet, van artikel 77 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet en van de artikelen 1, 2, 3, 4 en 15 van de richtlijn VII-36.754-4/9 2004/83/EG van 29 april
- In het tweede middel voert verzoeker een schending aan van de artikelen 48/4 en 62 van de Vreemdelingenwet en eveneens van artikel 77 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Verzoeker wijst er in zijn eerste middel op dat de verwerende partij de door hem aangebrachte elementen (namelijk zijn brief met titel “demande d’octroi de la protection subsidiaire” over de toestand in Afghanistan, met name het gewapend conflict en de ernstige bedreigingen als gevolg van willekeurig geweld) in overweging heeft genomen. Hij stelt dat uit de lezing van de bestreden beslissing inderdaad blijkt dat de verwerende partij kennis heeft genomen van de inhoud van de door betrokkene voorgelegde brief met betrekking tot de huidige algemene situatie in het land van herkomst. Artikel 77 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in werking getreden op 10 oktober 2006, luidt als volgt : “§
- Vanaf de datum vast te leggen bij koninklijk besluit, zijn de bepalingen inzake de subsidiaire beschermingsstatus van toepassing op alle asielverzoeken die in behandeling zijn of ingediend worden bij de minister of zijn gemachtigde en de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, met dien verstande dat deze asielverzoeken behandeld worden volgens de procedure die van toepassing is voor de inwerkingtreding van deze wet. Indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vaststelt dat de voorwaarden vervuld zijn aangaande de subsidiaire beschermingsstatus zoals bedoeld in artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980, kent hij deze status toe. §
- Indien de asielprocedure van een vreemdeling afgesloten werd voor de in § 1 bepaalde datum, kan Richtlijn 2004/83/EG alsmede de omzetting van deze richtlijn naar Belgisch recht, niet als een nieuw element, in de zin van artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980, ingeroepen worden door de betrokken vreemdeling, tenzij de aanvraag gebaseerd is op elementen die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus zoals voorzien in artikel 48/3 van de wet van 15 december
- (...)”; De Memorie van Toelichting (Parl. St., Kamer, Doc 51 2478/001, 126) stelt hierover het volgende: “Verder wordt specifiek voorzien dat vreemdelingen wier asielaanvraag werd afgewezen voordat de bepalingen betreffende de subsidiaire bescherming in werking treden via een koninklijk besluit, de richtlijn of de omzetting van de richtlijn 2004/83/EG naar Belgisch recht op zich niet als een nieuw element, in de zin van artikel 51/8, kunnen inroepen om hun asielaanvraag opnieuw te laten behandelen. Indien deze vreemdelingen echter elementen inroepen die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus, dan kunnen deze elementen beschouwd worden als nieuwe elementen in de zin van artikel 51/8.”. VII-36.754-5/9 Op 11 september 2006 werd de tweede asielprocedure van verzoeker afgesloten door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Op 23 oktober 2006 verklaarde verzoeker zich opnieuw vluchteling. Deze asielaanvraag dateert van na de inwerkingtreding op 10 oktober 2006 van artikel 77 van voornoemde wet van 15 september 2006 en de bepalingen betreffende de subsidiaire beschermingsstatus. Artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “§
- De subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling, die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel 9ter, en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen en niet onder de uitsluitingsgronden zoals bepaald in artikel 55/4, valt. §
- Ernstige schade bestaat uit : a) doodstraf of executie; of, b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of, c) ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.”. Verzoeker voegde bij deze nieuwe asielaanvraag een brief met titel “demande d’octroi de la protection subsidiaire”. Uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij kennis heeft genomen van de door betrokkene voorgelegde brief met betrekking tot de nieuwe elementen, die door de Afghaanse kandidaat-vluchtelingen worden aangehaald. Verzoeker heeft in deze brief de omzetting naar Belgisch recht van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 ingeroepen als nieuw element. Daarnaast heeft verzoeker in deze brief elementen aangehaald omtrent de toestand in Afghanistan. Zo wijst hij op het bestaan van een gewapend conflict en op de ernstige bedreigingen als gevolg van willekeurig geweld. Verzoeker heeft met andere woorden elementen ingeroepen die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. Zoals uit de Memorie van Toelichting (Parl.St., Kamer, Doc 51 2478/001, 126) in verband met paragraaf 2 van voornoemd artikel 77 blijkt, kunnen deze elementen op het eerste zicht worden beschouwd als zijnde nieuwe elementen in de zin van artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet. VII-36.754-6/9 In het kader van de summiere beoordeling, eigen aan de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wegens uiterst dringende noodzakelijkheid, zijn het eerste en het tweede middel, samengelezen, niet op het eerste gezicht ongegrond, en dus ernstig. 3.
- Verzoeker voert als moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan hetgeen volgt: “De bestreden beslissing is begeleid van een bevel om het grondgebied te verlaten. Alhoewel de bestreden beslissing een beslissing van weigering tot in overwegingname van een aanvraag tot subsidiaire bescherming is, is die beslissing vatbaar voor schorsing. Het Arbitragehof oordeelde immers in zijn arrest nr. 61/94 van 14 juli 1994 dat "alvorens de vordering tot schorsing niet ontvankelijk te verklaren zal (...) nagaan of de voorwaarden met betrekking tot die grond van niet-ontvankelijkheid zijn vervuld". De ernst van de middelen heeft als gevolg dat het verzoekschrift tot schorsing van verzoeker gegrond kan worden verklaard indien die ook een moeilijk te herstellen nadeel bewijst. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel van verzoeker bestaat erin dat hij in geval van tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing naar Afghanistan zou moeten terugkeren, terwijl het land in oorlog is, zoals uit resolutie 1707 van 12.09.2006 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, blijkt. De terugkeer naar een land in oorlog vermijden was precies de bedoeling van de wet tot subsidiaire bescherming en vormt ontegensprekelijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel (Raad van State, arrest nummer 59.087 van 03.05.2001 voor het geval van Colombia). Verzoeker dreigt het slachtoffer van willekeurig geweld te worden. Omwille van het gewapend conflict in Afghanistan en van de talloze aanslagen die er ook in zijn stad Kaboel gepleegd zijn, zou hij op elk ogenblik het leven kunnen verliezen of ernstig verwond zijn. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel blijkt ook uit de aanbevelingen van Amnesty International, geciteerd in de brief die Amnesty op 16.11.2006 aan tegenpartij richtte (stuk 6). De tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing heeft ook als gevolg dat verzoeker de kans verliest om in België wettelijk te verblijven, terwijl hij volgens de wet een bijlage 26 of in het slechtste geval een bijlage 26bis, in plaats van een bijlage 13quater had moeten krijgen. Hij had in dit geval tenminste de kans gehad om een dringend beroep tegen de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken in te dienen. Met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat we aan een kandidaat-vluchteling door een bevestigende beslissing van weigering van verblijf berokkend werd, heeft in toepassing van art. 92 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de algemene vergadering in een arrest nummer 67.236 van 30 juni 1997 besloten dat "Indien het middel ernstig is, wordt meteen aangenomen dat de tweede voorwaarde om een schorsing te bekomen, namelijk het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, ook aanwezig is daar uit de omstandigheden dat het middel ernstig is ook afgeleid kan worden dat betrokkene een vluchteling is en dat bijgevolg de uitvoering van de verwijderingsmaatregel als gevolg kan hebben dat betrokkene naar zijn land van herkomst moet teruggaan waar hem, daar zijn hoedanigheid van vluchteling niet uitgesloten is, ernstige problemen kunnen te wachten staan". Dezelfde redenering moet voor een kandidaat voor de subsidiaire bescherming gelden.”. Het verzoekschrift bevat aldus een uiteenzetting van het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Uit deze uiteenzetting kan worden besloten dat VII-36.754-7/9 verzoekers leven en veiligheid in zijn land van herkomst in gevaar zijn, hetgeen immers wordt bevestigd door de humanitaire clausules die werden uiteengezet in de bevestigende beslissingen van weigering van verblijf van de Commissaris-generaal van 3 juli 2003 en 11 september
- Deze uiteenzetting met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel overtuigt. Verzoeker maakt aldus aannemelijk dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Aan de voorwaarde met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is dus voldaan,
- Er is dus voldaan aan de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden. De schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kan bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden bevolen, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 november 2006 tot weigering van in overwegingname van een vluchtelingenverklaring en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Artikel
- Bevolen wordt de onmiddellijke tenuitvoerlegging van dit arrest. VII-36.754-8/9 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op een december tweeduizend en zes, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. VII-36.754-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.469 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div