id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.470 Rolnummer: A. 178826/XIV-31904 Zaak: Arrest 165470 - Dienst Vreemdelingenzaken - 01/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-04 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 10:49 Fiche Arrest nr 165.470 van 1 december 2006 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 165.470 van 1 december 2006 in de zaak A. 178.826/VII-36.755 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. BENKHELIFA, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 55 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 24 november 2006 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 november 2006 tot weigering van in overwegingname van een vluchtelingenverklaring en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde; Gelet op de beschikking van 29 november 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 27 november 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 29 november 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-36.755-1/9 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. SCHOUTEN, die, loco advocaat S. BENKHELIFA, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat S. DE VRIEZE, die, loco advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten. 1.
- Verzoeker is op 23 december 2004 België binnengekomen en heeft zich de volgende dag een eerste maal vluchteling verklaard. 1.
- Op 13 mei 2005 werd de eerste asielprocedure van verzoeker afgesloten door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Verzoeker heeft tegen deze beslissing een beroep tot schorsing en nietigverklaring bij de Raad van State ingediend, bekend onder de referentie A. 163.303/XIV-22.790, dat nog steeds hangende is. 1.
- Op 23 oktober 2006 dient verzoeker een tweede asielaanvraag in, waarbij hij verklaarde niet naar zijn land van herkomst te zijn teruggekeerd. 1.
- Op 22 november 2006 wordt een beslissing houdende weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring genomen door de minister van Binnenlandse Zaken. Dit is de eerste bestreden beslissing. Deze is letterlijk als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat betrokkene op 24/12/2004 een eerste asielaanvraag indiende, die op 13/05/2005 door het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd afgesloten omdat zijn asielaanvraag bedrieglijk werd verklaard; betrokkene op 23/10/2006 een tweede asielaanvraag indiende, waarbij hij verklaarde niet naar zijn land van herkomst te zijn teruggekeerd; betrokkene bij zijn huidige asielaanvraag verklaart dat hij tijdens zijn eerste asielaanvraag niet al zijn problemen heeft verteld; hij verklaarde dat hij deze problemen niet had verteld omdat hij schrik had als een crimineel te worden beschouwd omdat hij vier personen had vermoord; deze uitleg niet als afdoende kan worden beschouwd; betrokkene geen nieuwe gegevens aanbrengt met betrekking tot feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de vorige asielprocedure waarin hij ze had kunnen aanbrengen dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Dat betrokkenes asielaanvraag voorts niet gebaseerd is op elementen die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van de subsidiaire bescherming zoals bepaald in VII-36.755-2/9 artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980; de door betrokkene voorgelegde brief met betrekking tot de nieuwe elementen, die door de XXX kandidaat-vluchtelingen worden aangehaald, van algemene aard is; betrokkene zich hierbij beroept op de algemene situatie in zijn land van herkomst; de algemene situatie in zijn land niet als een nieuw element kan beschouwd worden; de subsidiaire bescherming pas toegekend wordt indien er sprake is van een reëel risico en betrokkene dit risico op concrete wijze moet aantonen; betrokkene op geen enkel ogenblik concrete elementen opgegeven heeft die aantonen dat hij persoonlijk een reëel risico op ernstige schade aan zijn fysieke integriteit of zijn leven, zoals gedefinieerd in artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980, zou lopen”. Tevens heeft de verwerende partij op 22 november 2006 een bevel om het grondgebied te verlaten genomen, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde. Dit is de tweede bestreden beslissing.
- De ontvankelijkheid. In zoverre het beroep gericht is tegen de maatregel van vrijheidsberoving is het onontvankelijk. Uit artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) blijkt dat tegen beslissingen genomen met toepassing van deze bepaling enkel een beroep tot nietigverklaring open staat. In het arrest van het Arbitragehof nr. 61/94 van 14 juli 1994 in verband met artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet (oorspronkelijk artikel 50, derde en vierde lid van voornoemde wet) wordt gesteld dat de Raad van State, “alvorens de vordering tot schorsing niet ontvankelijk te verklaren, zal (...) nagaan of de voorwaarden met betrekking tot die grond van niet-ontvankelijkheid zijn vervuld”. De Raad van State is derhalve slechts bevoegd om van voorliggende vordering tot schorsing kennis te nemen zo hij van oordeel is dat de nieuwe vluchtelingenverklaring op nieuwe gegevens in de zin van artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet is gesteund. Verzoeker wijst er in zijn eerste middel op dat de verwerende partij de door hem aangebrachte elementen (namelijk zijn nota over de toestand in XXX en de ernstige bedreiging voor zijn leven of zijn persoon als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een gewapend conflict) in overweging heeft genomen. Verzoeker stelt niet over het bewijs te beschikken dat de nota door de verwerende partij werd toegevoegd aan het administratief dossier, doch dat de verwerende partij zelf tijdens het beantwoorden van een parlementaire vraag heeft toegegeven dat de XXX onderdanen zich allemaal aangeboden hadden met in hun bezit een identiek document. VII-36.755-3/9 Uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt inderdaad dat de minister van Binnenlandse Zaken kennis heeft genomen van de door betrokkene voorgelegde brief met betrekking tot de nieuwe elementen, die door de XXX kandidaat- vluchtelingen worden aangehaald. Uit het administratief dossier blijkt bovendien dat er sprake is van een “document aanvraag subsidiaire bescherming” en van een “mondelinge aangifte” van een “ander document”, afgegeven op 9 november
- Er is dus wel degelijk sprake van nieuwe gegevens, zodat de Raad van State van voorliggende vordering tot schorsing kennis kan nemen.
- Beoordeling. 3.
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.
- De uiterst dringende procedure tot schorsing heeft een uitzonderlijk en ongewoon karakter vermits erdoor de rechten van verdediging van de verwerende partij tot een minimum worden beperkt en het normaal verloop van de rechtspleging voor de Raad van State wordt verstoord. Verzoeker dient dan ook duidelijke feiten en gegevens aan te brengen die het direct aannemelijk maken dat de schorsing onmiddellijk moet worden bevolen. Verzoeker verblijft in het Centrum 127 bis te Steenokkerzeel. Er werd dus een dwangmaatregel genomen met het oog op de daadwerkelijke verwijdering van het grondgebied. De verwerende partij betwist de hoogdringendheid niet. Aan de voorwaarde met betrekking tot de urgentie is dus voldaan. 3.
- In zijn middelen voert verzoeker ondermeer de schending aan van de artikelen 48/4, 51/8 en 62 van de Vreemdelingenwet en van artikel 77 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. VII-36.755-4/9 Verzoeker wijst er op dat de verwerende partij de door hem aangebrachte elementen (namelijk zijn nota over de toestand in XXX en de ernstige bedreiging voor zijn leven of zijn persoon als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een gewapend conflict) in overweging heeft genomen. Verzoeker stelt niet over het bewijs te beschikken dat de nota door de verwerende partij werd toegevoegd aan het administratief dossier, doch dat de verwerende partij zelf tijdens het beantwoorden van een parlementaire vraag heeft toegegeven dat de XXX onderdanen zich allemaal aangeboden hadden met in hun bezit een identiek document. Uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt inderdaad dat de verwerende partij kennis moet hebben genomen van de door betrokkene voorgelegde brief, die door de XXX kandidaat-vluchtelingen wordt aangehaald en waarbij verzoeker zich beroept op de algemene situatie in het land van herkomst. Artikel 77, §2 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen luidt als volgt: “Indien de asielprocedure van een vreemdeling afgesloten werd voor de in §1 bepaalde datum, kan Richtlijn 2004/83/EG alsmede de omzetting van deze richtlijn naar Belgisch recht, niet als een nieuw element, in de zin van artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980, ingeroepen worden door de betrokken vreemdeling, tenzij de aanvraag gebaseerd is op elementen die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus zoals voorzien in artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980.”. De Memorie van Toelichting (Parl.St., Kamer, Doc 51 2478/001, 126) stelt het volgende over paragraaf 2 van voornoemd artikel 77: “Verder wordt specifiek voorzien dat vreemdelingen wier asielaanvraag werd afgewezen voordat de bepalingen betreffende de subsidiaire bescherming in werking treden via een koninklijk besluit, de richtlijn of de omzetting van de richtlijn 2004/83/EG naar Belgisch recht op zich niet als een nieuw element, in de zin van artikel 51/8, kunnen inroepen om hun asielaanvraag opnieuw te laten behandelen. Indien deze vreemdelingen echter elementen inroepen die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus, dan kunnen deze elementen beschouwd worden als nieuwe elementen in de zin van artikel 51/8.”. Met de in paragraaf 1 bepaalde datum wordt 10 oktober 2006 bedoeld (artikel 1 koninklijk besluit van 3 oktober 2006 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van artikel 77 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en tot vaststelling van de data bedoeld in dit artikel 77 en in artikel 235, §1, tweede lid, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor VII-36.755-5/9 Vreemdelingenbetwistingen, B.S. van 6 oktober 2006, p. 53.563). Uit het administratief dossier blijkt dat verzoekers voorgaande asielaanvraag werd afgesloten met een beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, genomen op 13 mei
- Verzoeker blijkt, op basis van het administratief dossier, het Belgisch grondgebied niet te hebben verlaten sindsdien. Verzoeker heeft er op gewezen dat de door hem aangebrachte nota over de toestand in XXX en de ernstige bedreiging voor zijn leven of zijn persoon als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een gewapend conflict, door de verwerende partij in overweging werd genomen in de bestreden beslissing. Hij heeft met andere woorden elementen ingeroepen die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus, met name zoals in de bestreden beslissing wordt gesteld de door betrokkene voorgelegde brief met betrekking tot de nieuwe elementen, die door de XXX kandidaat-vluchtelingen wordt aangehaald. Zoals uit de Memorie van Toelichting (Parl.St., Kamer, Doc 51 2478/001, 126) in verband met paragraaf 2 van voornoemd artikel 77 blijkt, kan dit element worden beschouwd als zijnde een nieuw element in de zin van artikel 51/
- Deze vaststelling klemt des te meer nu blijkt, indien inderdaad door de verwerende partij wordt gerefereerd naar het document dat verzoeker in bijlage bij het verzoekschrift neerlegt met betrekking tot de toestand in het land van herkomst, dat dit document verwijst naar een rapport van Amnesty International van 2006, terwijl verzoekers eerste asielaanvraag werd afgesloten in mei
- Artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet vereist dat de vreemdeling een reëel risico op ernstige schade aantoont, zoals bedoeld in paragraaf 2 van deze bepaling. Uit paragraaf 2, c) blijkt dat een ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger, als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict, volstaat. De Belgische wetgever blijkt hier met toepassing van artikel 3 van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 een iets ruimere marge te hebben gecreëerd om de subsidiaire rechtsbescherming toe te kennen. Uit de Memorie van Toelichting bij de wet van 15 september 2006 blijkt dat bij artikel 26 (dat artikel 48/4 invoegt) het volgende wordt vermeld bij paragraaf 2, c): “Indien subsidiaire bescherming wordt toegekend, moeten de verzoekers echter aantonen dat hun leven of hun persoon ernstig worden bedreigd omwille van een willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Ook wanneer de gronden voor deze vrees niet specifiek zijn voor het individu, moet iedere verzoeker aantonen dat hij geconfronteerd wordt met een situatie waarin de vrees voor zijn persoon of zijn leven aantoonbaar is.”. Hieruit lijkt te moeten worden afgeleid dat het aantonen van een algemene situatie, die bedreigend is voor de bevolking van een land of regio, voldoende kan zijn om tot de subsidiaire bescherming te kunnen besluiten. VII-36.755-6/9 In het kader van de summiere beoordeling, eigen aan de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wegens uiterst dringende noodzakelijkheid, zijn het eerste en het tweede middel, samengelezen, niet op het eerste gezicht ongegrond, en dus ernstig. 3.
- Verzoeker voert als moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan hetgeen volgt: “Conform het arrest 83/94 van het Arbitragehof van 1 december 1994 is de bestreden beslissing vatbaar voor schorsing op voorwaarde dat de voorwaarden met betrekking tot de niet in overwegingname niet vervuld zijn. De bestreden beslissing is begeleid van een bevel om het grondgebied te verlaten, samen met een beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde. De bestreden beslissing heeft als gevolg een risico op een gedwongen terugkeer naar XXX, terwijl in dit land het leven en de veiligheid van verzoeker in gevaar zijn. Dit aspect wordt onder andere versterkt door de humanitaire clausule die toegevoegd werd aan de bevestigende beslissing van weigering van verblijf. De tegenpartij houdt geen rekening met de humanitaire clausule. XXX is een land in oorlog. Dat de tegenpartij op de hoogte is van deze moeilijke situatie. De bestreden beslissing heeft ook als gevolg een gedwongen terugkeer van verzoeker naar een land die in staat van oorlog zijn en waarvan internationale organisaties, zoals het UNHCR, zeggen dat men geen personen mag terugsturen naar deze gebieden en dat men deze personen bescherming moet toekennen. Met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat aan een kandidaat vluchteling door een bevestigende beslissing van weigering van verblijf berokkend werd, heeft in toepassing van art. 92 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de algemene vergadering in een arrest nummer 67.236 van 30 juni 1997 besloten dat “indien het middel ernstig is, wordt meteen aangenomen dat de tweede voorwaarde om een schorsing te bekomen, namelijk het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, ook aanwezig is daar uit de omstandigheden dat het middel ernstig is ook afgeleid kan worden dat betrokkene een vluchteling is en dat bijgevolg de uitvoering van de verwijderingsmaatregel als gevolg kan hebben dat betrokkene naar zijn land van herkomst moet teruggaan waar hem, daar zijn hoedanigheid van vluchteling niet uitgesloten is, ernstige problemen kunnen te wachten staan”. Dezelfde redenering moet voor een kandidaat voor de subsidiaire bescherming gelden.”. Het verzoekschrift bevat aldus een uiteenzetting van het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Uit deze uiteenzetting kan worden besloten dat verzoekers leven en veiligheid in zijn land van herkomst in gevaar kunnen zijn, hetgeen immers lijkt te worden bevestigd door de humanitaire clausule die werd uiteengezet in de bevestigende beslissing van weigering van verblijf van de commissaris-generaal van 13 mei
- Deze uiteenzetting met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel overtuigt. Verzoeker maakt aldus aannemelijk dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VII-36.755-7/9 Aan de voorwaarde met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is dus voldaan,
- Er is dus voldaan aan de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden. De schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kan bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden bevolen, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 november 2006 tot weigering van in overwegingname van een vluchtelingenverklaring en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Artikel
- Bevolen wordt de onmiddellijke tenuitvoerlegging van dit arrest. VII-36.755-8/9 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op een december tweeduizend en zes, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. VII-36.755-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.470 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div