id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.486 Rolnummer: A. 136631/XIV-15101 Zaak: Arrest 165486 - Dienst Vreemdelingenzaken - 04/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-22 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 10:51 Fiche Arrest nr 165.486 van 4 december 2006 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.486 van 4 december 2006 in de zaak A. 136.631/XIV-15.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. LAUWERS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Waversesteenweg 214 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Roemeense nationaliteit, op 24 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 maart 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 20 mei 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 20 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 november 2006; XIV-15.101-1/6 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. LAUWERS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van Roemeense nationaliteit, komt op 3 juni 2000 in België binnen waar zij zich op 5 juni 2000 een eerste maal vluchteling verklaart. Verzoekster eerste asielaanvraag wordt op 10 oktober 2000 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen afgesloten met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. 1.
- Verzoekster komt België opnieuw binnen op 25 maart 2001 en verklaart zich een tweede maal vluchteling op 22 mei
- Verzoeksters tweede asielaanvraag wordt op 14 december 2001 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen afgesloten met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. 1.
- Op 21 december 2001 dient verzoekster een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) in bij de burgemeester van Tongeren. 1.
- Op 20 december 2002 dient verzoekster opnieuw een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet in bij de burgemeester van Schaarbeek. 1.
- Op 18 maart 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot onontvankelijkverklaring van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf. Dit is de bestreden beslissing. Zij berust op de volgende overwegingen: XIV-15.101-2/6 “Reden(en) : er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. De problemen in het land van herkomst hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de twee asielaanvragen. De laatste aanvraag werd afgewezen binnen een redelijke termijn door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 14/12/2001 en ter kennis gegeven op 18/12/
- De aangehaalde problemen kunnen derhalve niet meer aanvaard worden als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de wet in België in te dienen. Het feit dat betrokkene reeds de Franse taal machtig is, dat ze Nederlandse taallessen gaat volgen, dat ze zich volledig wenst te integreren in de Belgische maatschappij en dat ze al haar sociale, fiscale en huurdersverplichtingen nakomt, vormt op zich geen buitengewone omstandigheid die het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf in België verantwoordt. De elementen met betrekking tot de integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform art. 9, alinea 2 van de wet van 15/12/
- Niets verhindert betrokkene zich te schikken naar de in voege zijnde wetten met betrekking tot de toegang, het verblijf en de vestiging op het Belgisch grondgebied, te weten: de vereiste vragen bij de diplomatieke overheden bevoegd voor het verblijf. Betrokkene heeft nooit de officiële toestemming gekregen om op het Belgisch grondgebied betaalde arbeid te verrichten; betrokkene dient te weten, dat zij niet kon werken, zolang haar asielaanvraag niet ontvankelijk verklaard was.”. 1.
- Verzoekster zou, volgens de nota van de verwerende partij, een derde aanvraag tot machtiging tot voorlopig verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet hebben ingediend.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “MOYENS Violation sur la logique élémentaire (pétition de principe), violation de l'article 9.3 de la loi du 15.12.1980, erreurs manifestes d'appréciation, violation de l'art. 3 de la Convention Européenne des Droits de l'Homme. C'est l'impossibilité de retour qui est en jeu dans le présent dossier, et l'office des étrangers fait une pétition de principe en exigeant que les personnes retournent dans leur pays afin de pouvoir se faire valoir la dite impossibilité (en introduisant une requête sur pied de l'article 9.2). Il a été décidé que des circonstances exceptionnelles peuvent faire que la demande est recevable, si elle est faite à partir de la Belgique même. En décidant qu'il n'existe pas des circonstances exceptionnelles, l'Office des Etrangers rends tout le débat quant à l'impossibilité de retour stérile puisque c'est une opinion qui permet de ne jamais entamer le fond de l'affaire. Le moyen employé est déloyal car si madame XXX devrait essayer de retourner dans son pays pour faire la demande sur pied de l'article 9.2, elle prouverait NE PAS se trouver dans l'impossibilité de retour, et ce qui motiverait le rejet de sa demande. De plus, dans sa motivation, l'office des Etrangers ne tient pas compte du désavantage important de devoir retourner dans son pays pour introduire la demande et ce qui est en soi une circonstance exceptionnelle, alors qu'il existe des liens étroits avec la Belgique. Dans le cas d'espèce, madame XXX a un fils qui est né à Tongres le 07.08.
- XIV-15.101-3/6 De surcroît, l'office des Etrangers ignore que les circonstances exceptionnelles ne peuvent pas être confondues avec des situations de force majeure. (Conseil d'état, 09.04.1998, n/ 73.025, RDE n/ 97, p. 71). Il est également impossible d'évaluer l'impossibilité de retour en se basant sur la relative gravité des faits du passé pour évaluer l'importance des problèmes futurs, puisque c'est toujours pour éviter des plus gros problèmes que l'on quitte son pays. (Conseil d'Etat, 17.03.2003, n/ 117.095, non publié). L'expulsion, l'extradition ou le refoulement d'un individu peuvent se révéler contraire à la CEDH, notamment à son article 3, lorsqu'il y a des raisons de croire qu'il sera soumis, dans l'état vers lequel il doit être dirigé, à des traitements prohibés par ce dernier article. C'est exactement ça, ce qui est invoqué par madame XXX. C'est exactement ça, ce qui n'a pas obtenu de réponse.”; 2.2.
- Overwegende dat in een enig middel verzoekster zich beroept op de schending van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, van artikel 3 van het E.V.R.M. en op een appreciatiefout; dat zij tevens de Minister van Binnenlandse Zaken verwijt een cirkelredenering (“petition de principe”) te maken; 2.2.
- Overwegende dat dient opgemerkt dat verzoeksters stelling dat de Minister van Binnenlandse Zaken een cirkelredenering maakt, niet kan worden bijgevallen; dat verzoekster er verkeerdelijk vanuit lijkt te gaan dat, wanneer in het land van herkomst een aanvraag conform artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet wordt gedaan, het bestaan van buitengewone omstandigheden dient te worden bewezen; dat artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet evenwel bepaalt dat in “buitengewone omstandigheden” het hem wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat wanneer een vreemdeling een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven aanvraagt bij de Belgische diplomatieke of consulaire post in zijn land van herkomst, enkel uitspraak wordt gedaan of er reden is de vreemdeling te machtigen om langer dan drie maanden in het Rijk te laten verblijven; dat verzoekster de Minister van Binnenlandse Zaken ten grieve duidt geen rekening te houden met de nadelen die het aanvragen van de machtiging tot verblijf in het land van herkomst met zich meebrengen; dat verzoekster wijst op de nauwe band met België (door de geboorte van haar zoon in België), wat een uitzonderlijke omstandigheid op zich is; dat in haar eerste aanvraag verzoekster zich beriep op het feit dat haar zoontje (pasgeborene) te jong was om te reizen; dat in haar tweede aanvraag verzoekster aanvoert dat zij moeder is van een kind dat België als zijn vaderland beschouwt; dat dient aangestipt dat het de omstandigheid dat verzoeksters zoon België als zijn vaderland beschouwt niet als dusdanig als een buitengewone omstandigheid door verzoekster in haar aanvraag werd geformuleerd en door verzoekster werd aangevoerd om verblijfsmachtiging te bekomen; dat de Minister van Binnenlandse Zaken aldus niet op dit element van verzoeksters aanvraag hoefde in te gaan; dat de jonge leeftijd van verzoeksters zoontje om te reizen, door XIV-15.101-4/6 verzoekster aangevoerd in haar eerste aanvraag, de Minister van Binnenlandse Zaken redelijkerwijze buiten beschouwing kon laten, gelet op het feit dat verzoekster een tweede aanvraag om machtiging tot verblijf heeft ingediend waar zij de jonge leeftijd van haar zoontje niet meer als buitengewone omstandigheid heeft ingeroepen en gelet op de omstandigheid dat op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen verzoeksters zoontje geen pasgeboren baby meer is; dat door het indienen van een tweede aanvraag verzoekster aangeeft dat de omstandigheden waarom zij een aanvraag om machtiging tot verblijf in België wil indienen, sedert haar eerste aanvraag, gewijzigd zijn; dat ten slotte verzoekster kritiek aanvoert ten aanzien van de overweging waarbij de Minister van Binnenlandse Zaken omtrent de problemen in het land van herkomst verwijst naar de bevestigende beslissing van weigering van verblijf die door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd genomen in het kader van verzoeksters asielaanvraag; dat verzoekster aanvoert “il est également impossible d’évaluer l’impossibilité de retour en se basant sur la relative gravité des faits du passé pour évaluer l’importance des problèmes futurs, puisque c’est toujours pour éviter des plus gros problémes que l’on quitte son pays”; dat in verzoeksters eerste aanvraag verzoekster stelt dat zij haar aanvraag niet kan doen in het land van herkomst, omdat zij de bescherming van de Vluchtelingenconventie vraagt en omdat de asielprocedure in België niet is afgerond; dat zij verwijst naar een nog hangende procedure bij de Raad van State; dat dienaangaande dient opgemerkt dat niet blijkt dat verzoekster een beroep tegen de bevestigende beslissing van weigering van verblijf van 14 december 2001 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft ingediend en dat aldus de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen definitief is geworden; dat enkel door haar echtgenoot een beroep bij de Raad van State werd ingediend hetwelk bij arrest nr. 114.981 van 24 januari 2003 werd verworpen; dat in haar tweede aanvraag verzoekster zich beperkte tot het stellen dat “zigeuners in Roemenië sterk discriminatoir (worden) behandeld, zodat men zelfs kan spreken van een vervolging in de zin van het Verdrag van Genève” en dat “goede rechtsorde dan ook (gebiedt) dat (verzoekster) omwille van deze discriminatie een kans krijgt om zich te vestigen”; dat de problematiek van discriminatie waarvan verzoekster in haar tweede aanvraag gewag maakt aldus eerder wordt aangevoerd als een element om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat de Minister van Binnenlandse Zaken in wezen niet gehouden was nader in te gaan op de elementen die werden aangevoerd om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat aangezien uit het administratief dossier blijkt dat haar asielaanvraag kennelijk ongegrond is bevonden, omdat ten aanzien van haar echtgenoot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen omwille van de kennelijke ongegrondheid van zijn aanvraag (omwille van talrijke en ernstige tegenstrijdigheden), en zij zich op de door haar echtgenoot ingeroepen feiten (problemen met de politie omwille van hun etnische origine) beriep, de Minister van Binnenlandse Zaken, ter beoordeling van de door verzoekster in haar aanvragen om machtiging tot verblijf aangehaalde problemen van discriminatie, in alle redelijkheid kon verwijzen naar de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen genomen bevestigende beslissing van weigering van XIV-15.101-5/6 verblijf; dat de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. niet kan worden aangenomen; dat de bestreden beslissing zich enkel uitspreekt over de ontvankelijkheid van verzoeksters aanvraag en niet over haar verwijdering van het grondgebied; dat de loutere verwijzing naar artikel 3 van het E.V.R.M. niet volstaat om de schending van het artikel aan te tonen; dat het enig middel niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier december tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.101-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.486 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.