← België

Arrest 165499 - Arbeids- en beroepskaarten - 04/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.499 Rolnummer: A. 176203/IX-5410 Zaak: Arrest 165499 - Arbeids- en beroepskaarten - 04/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-15 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 10:52 Fiche Arrest nr 165.499 van 4 december 2006 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.499 van 4 december 2006 in de zaak A. 176.203/IX-

  1. In zake : Farid ZOUHRI, wonende te LEUVEN, Blijde Inkomststraat 166/101 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Tasson-Snelstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Farid ZOUHRI op 25 augustus 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 19 juni 2006 van de afgevaardigde van de minister van Middenstand, waarbij zijn aanvraag tot het verkrijgen van een beroepskaart voor vreemdelingen verworpen wordt; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 10 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5410-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. GOETHALS die, loco advocaat P. MASUREEL verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J.-F. DE BOCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1.
  4. Krachtens artikel 1, eerste lid, van de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen (hierna : de wet van 19 februari 1965) moet elke vreemdeling die op het grondgebied van het Rijk een zelfstandige activiteit -dit is elke activiteit die niet onder de toepassing valt van de regeling betreffende de tewerkstelling van werknemers van vreemde nationaliteit- uitoefent in het bezit zijn van een beroepskaart. De beroepskaart wordt krachtens artikel 3 van de wet van 19 februari 1965, zoals die bepaling gold ten tijde van de bestreden beslissing, afgegeven door de minister van Middenstand of de door hem aangewezen ambtenaar en bepaalt nauwkeurig de activiteit door de titularis uitgeoefend of uit te oefenen en, eventueel, de voorwaarden waaraan dit onderworpen is. De geldigheidsduur van de beroepskaart mag vijf jaar niet te boven gaan. De beroepskaart mag slechts worden afgegeven aan een vreemdeling die een vergunning verkregen heeft om in België te verblijven of er zich te vestigen. (art. 4 § 1). Krachtens artikel 6 van de wet, zoals die bepaling gold ten tijde van de bestreden beslissing, oordeelt de minister van Middenstand of de door hem aangewezen gemachtigde of de aanvraag over de verkrijging van de beroepskaart voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden. De ontvankelijkheidsvoorwaarden zijn nader bepaald in het koninklijk besluit van 2 augustus 1985 tot uitvoering van de wet van 19 februari
  5. Ontvankelijke aanvragen kunnen slechts verworpen worden nadat het advies van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen werd ingewonnen. De aanvrager moet door de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen worden gehoord of minstens opgeroepen. IX-5410-2/11 1.1.
  6. Het koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende uitvoering van de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen (hierna : het koninklijk besluit van 2 augustus 1985), regelt de wijze van indiening van de aanvragen en de ontvankelijkheidsvoorwaarden, alsook de wijze van toekenning van de machtiging. 1.
  7. Verzoeker, geboren op 3 mei 1965, bezit de Marokkaanse nationaliteit en verblijft sinds 19 november 2002 in België. Op 12 december 2002 wordt hem een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister afgeleverd. Dat bewijs wordt verlengd tot 31 oktober 2005 en vermeldt als beroep “student”. Volgens het verzoekschrift behaalde verzoeker het diploma van licentiaat geologie aan de universiteit van Oudja in Marokko en wou hij verder studeren aan de ULB met de bedoeling een doctoraat te halen in het vak hydrologie wat echter niet is gelukt. 1.
  8. Op 20 oktober 2005 dient verzoeker bij de stad Leuven een aanvraag in voor het verkrijgen van een beroepskaart teneinde een zelfstandige activiteit uit te oefenen als werkend vennoot in de bestaande onderneming BVBA ORCA FISH met zetel te Leuven, Tiensestraat
  9. De aanvraag wordt op 26 oktober 2005 doorgezonden aan de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie. De BVBA ORCA FISH is een vennootschap die op 14 april 2005 werd opgericht door de oom van verzoeker Amar ZOUHRI en waarvan het maatschappelijk doel in de aanvraag wordt omschreven als “groot- en kleinhandel in vis- en schelpdieren zowel verswaren als diepgevroren, verkoop van vlees, gevogelte, dranken, sausen en kruiden, alsmede allerhande toebehoren en klein materiaal, alle andere activiteiten die behoren tot de horecasector, alsmede de vervaardiging en verkoop van klaargemaakte gerechten, het organiseren van allerhande feestelijkheden en recepties, traiteurdienst”. De vennootschap is opgericht met een maatschappelijk kapitaal van 30 000 euro dat vertegenwoordigd is door 30 aandelen die volledig volstort zijn door inbreng in natura van een bestaande handelszaak. Uit het aandelenregister blijkt dat Amar ZOUHRI bij oprichting alle aandelen bezat en op 7 mei 2005 15 aandelen aan verzoeker heeft overgedragen voor een totaal bedrag van 15 000 euro. IX-5410-3/11 1.4.
  10. Uit het dossier blijkt dat verzoeker zich op 21 juni 2005 met ingang van 1 juli 2005 als werkend vennoot in hoofdberoep heeft aangesloten bij het sociaal verzekeringsfonds ACERTA. 1.4.
  11. Omdat hij zijn statuut diende te wijzigen van student naar zelfstandige diende verzoeker per aangetekend schrijven van 29 oktober 2005 bij de stad Leuven een aanvraag in tot machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden op basis van artikel
  12. 3 van de wet van 15 december
  13. 1.4.
  14. Naar eigen zeggen oefent hij sinds 31 oktober 2005 geen activiteit als zelfstandige meer uit, datum ook vermeld in verklaringen aan ACERTA. 1.
  15. Het advies van de gemeentelijke overheid betreffende de wenselijkheid de aanvraag goed te keuren of te weigeren, vermeld op de aanvraag, luidt als volgt “Betrokkene heeft een machtiging tot verblijf gekregen in het kader van zijn studies. Het studieattest dat betrokkene voor dit academiejaar heeft voorgelegd (groep T - ACE) volstaat echter niet om zijn verblijfsvergunning te verlengen. DVZ beschouwt dit studieprogramma niet als volwaardige studies”. 1.
  16. In antwoord op een vraag om inlichtingen van de bevoegde dienst van de FOD Economie van 16 november 2005, antwoordt de politie van de stad Leuven, op 6 januari 2006, dat het pand gelegen in de Tiensestraat 260 een traiteur met specialiteit vis betreft die zijn produkten tevens levert aan restaurants, dat deze zaak in een winkelstraat ligt (50 m voor de Tiensevest), dat in de Tiensestraat enkel deze handelszaak met als specialiteit vis is gelegen en dat de zaak daar al 7 jaar en 14 dagen gelegen is en wordt beheerd door Amar ZOUHRI en voldoet aan zijn eisen. 1.
  17. Op 16 november 2005 vraagt de bevoegde dienst van de FOD Economie bijkomende documenten en inlichtingen aan verzoeker, met name een overzicht van zijn studies in België met het behaalde resultaat, een overzicht van zijn CV met vermelding van zijn diploma’s en beroepservaring, de reden waarom België en BVBA FISH ORCA werd gekozen voor de uitoefening van zijn beroepsactiviteiten, zijn functie (taakomschrijving) binnen die firma, de volledige omzetcijfers van 2003 en 2004, afschriften van de BTW-aangiften van de laatste 2 jaar en de handelshuurovereenkomst of eigendomsakte van de plaats van uitbating. IX-5410-4/11 Volgens het verzoekschrift werden alle gevraagde documenten en gegevens overgemaakt. 1.
  18. Met een brief van 4 januari 2006 maakt de bevoegde dienst van de FOD Economie het aanvraagdossier van verzoeker, in toepassing van artikel 6 van de wet van 19 februari 1965, voor advies over aan de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen met vermelding dat het gaat om een eerste aanvraag, dat volgens de stad Leuven het studieattest van verzoeker niet volstaat om zijn verbijfsvergunning te verlengen zodat hij zijn statuut dient te wijzigen van student naar zelfstandige en dat verzoeker werkend vennoot en aandeelhouder (15 aandelen op 30) is van de BVBA ORCA FISH op 14 april 2005 opgericht met een kapitaal van 30 000 euro en met activiteit groot- en kleinhandel vis, voedings- waren en traiteur. De activiteit wordt in de adviesaanvraag gekwalificeerd als een “verzadigde sector”, er wordt ook vermeld dat er geen concrete bedrijfsresultaten zijn nu de vennootschap “nog niet lang is opgericht”, dat het bestuur niet beschikt over een jaarrekening van de eenmanszaak die werd ingebracht maar dat uit de BTW- aangiften afgeleid kan worden dat “de omzetcijfers relatief gunstig zijn voor de betrokken periode en een vrij normaal patroon kennen zonder echte uitschieters”, terwijl “het dossier geen verdere gegevens bevat die op een economische meerwaarde duiden”. 1.
  19. Op 10 maart 2006 geeft de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen, na verzoeker en zijn advocaat gehoord te hebben, een ongunstig advies. Het luidt als volgt : “(...) Overwegende dat aanvrager de beroepskaart wenst te bekomen om bedrijvig te zijn als werkend vennoot van de B.V.B.A. FISCH ORCA, gevestigd te 3000 LEUVEN, Tiensestraat 260 voor de groot- en kleinhandel in vis, voedingswaren en de uitbating van een traiteurdienst; Overwegende dat dit dossier voor advies aan de Raad werd overgemaakt om de volgende redenen : - defpro na studies; - verzadigde sector; - economisch nut niet bewezen. Overwegende dat aanvrager sedert 19.11.2002 in België verblijft als student wiens laatste BIVR geldig was tot 31.10.2005; dat hij in het kader van zijn aangevatte studies geen vruchtbare resultaten kan voorleggen; dat de Raad hierover trouwens niet verwonderd is omdat uit de beschikbare gegevens blijkt dat zijn uitwijking naar België als student eerder een voorwendsel is geweest om zijn familie hier te kunnen vervoegen; IX-5410-5/11 Overwegende dat de betrokkene, volgens een voorliggende verklaring d.d. 21.06.2005, sedert 01.07.2005 als zelfstandige in hoofdberoep is aangesloten bij een Sociaal Verzekeringsfonds voor Zelfstandigen; dat hij derhalve zijn statuut van student heeft misbruikt om met een voltijdse zelfstandige activiteit te starten; Overwegende dat de Raad van oordeel is dat de betrokkene, van zodra zijn statuut van student is afgelopen, het grondgebied moet verlaten vooral als men er eveneens mee rekening houdt dat hij geen noemenswaardig studieresultaat kan voorleggen; Overwegende nog dat de Raad, in de vaststelling dat aanvrager voor 15 000 EUR heeft gespendeerd in maatschappelijk kapitaal van de onder- neming, zich toch vragen stelt over de oorsprong van het bedrag; Overwegende ten slotte dat de Raad, gelet op de context van dit dossier, ten deze suggereert om een controle ter plaatse te laten plaatsvinden ten einde eventuele misbruiken op te sporen. (...)”. 1.
  20. Met verwijzing naar dit ongunstig advies van de Raad voor Economisch Onderzoek en met de overweging dat ook de dienst zelf de verstrekte gegevens onderzocht heeft, weigert de gevolmachtigde ambtenaar op 19 juni 2006 de aanvraag. Dit is de thans bestreden beslissing. Zij luidt als volgt : “(...) Gelet op het ongunstig advies van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen, uitgebracht ter zitting van 10/03/2006; Overwegende dat aanvrager in persoon verschijnt en bijgestaan wordt door Meester Patrick MASUREEL, advocaat met kantoor te 1030 Brussel, Wijnheuvelenstraat 227; Overwegende dat aanvrager de beroepskaart wenst te bekomen om bedrijvig te zijn als werkend vennoot van de BVBA FISH ORCA, gevestigd te 3000 Leuven, Tiensestraat 260 voor de groot- en kleinhandel in vis en voedingswaren en de uitbating van een traiteurdienst; Overwegende dat dit dossier voor advies aan de Raad werd overgemaakt om de volgende redenen : - defpro na studies; - verzadigde sector; - economisch nut niet bewezen. Overwegende dat aanvrager sedert 19/11/2002 in België verblijft als student; dat zijn laatste BIVR geldig was tot 31/10/2005; dat hij in het kader van zijn aangevatte studies geen resultaten kan voorleggen; Overwegende dat de betrokkene, volgens een voorliggende verklaring dd. 21/06/2005, sedert 01/07/2005 aangesloten is bij een Sociaal Verzekeringsfonds voor Zelfstandigen als zelfstandige in hoofdberoep; dat hij zijn statuut van student gebuikt heeft om een voltijdse zelfstandige activiteit te starten; Overwegende dat de Raad van oordeel is dat de aanvrager het grondgebied moet verlaten zodra zijn statuut van student is afgelopen, temeer hij geen noemenswaardig studieresultaat kan voorleggen; Overwegende dat ook de Dienst Economische Vergunningen de verstrekte gegevens onderzocht heeft; dat het dossier geen elementen bevat die een afwijking van het negatief advies van de Raad kunnen motiveren; IX-5410-6/11 Om deze redenen wordt beslist de beroepskaart te weigeren aan de heer ZOUHRI Farid. (...)”. 1.
  21. Met een brief van 19 juni 2006 aan de burgemeester van Leuven vraagt de Dienst Economische Vergunning de beslissing aan de belanghebbende te overhandigen. Het dossier bevat geen door verzoeker ondertekend en gedagtekend ontvangstbewijs. Volgens het verzoekschrift werd de bestreden beslissing op 27 juni 2006 ter kennis van verzoeker gebracht.
  22. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  23. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de wet van 29 juli 1991), van de materiële motiveringsverplichting, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de verplichting om de “omstandigheden van het dossier” ernstig en volledig te onderzoeken; dat hij van oordeel is dat de verwerende partij “een manifeste beoordelingsfout” begaan heeft “met betrekking tot de toepassing van de wet van 19 februari 1965"; dat hij, sterk samengevat, het middel als volgt toelicht: verzoeker heeft op ontvankelijke wijze bij de stad Leuven een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een beroepskaart; hij voldeed toen aan de verblijfsvoorwaarde die artikel 7 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1985 als een ontvankelijkheidsvoorwaarde vooropstelt en het bestuur heeft dat aanvaard, aangezien het zijn aanvraag aan de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen voorgelegd heeft; de adviesaanvraag vermeldde drie elementen (verzoeker beschikt als student over een bewijs van inschrijving in het Vreemdelingenregister tot 31 oktober 2005 en zal zijn statuut moeten wijzigen om als zelfstandige te werken; de sector is verzadigd; het economisch nut is niet bewezen), maar het advies en de bestreden beslissing gaan enkel in op het verblijfsstatuut van verzoeker en zijn van oordeel dat verzoeker het grondgebied moet verlaten zodra zijn statuut van student afloopt, zonder te onderzoeken of de IX-5410-7/11 uitoefening van de aangevraagde zelfstandige beroepsactiviteit “economisch nut oplevert” en of de sector verzadigd is, hetgeen nochtans het doorslaggevend element moet zijn voor het toekennen van een beroepskaart; daarbij komt dat de minister van Middenstand niet bevoegd is om te stellen dat verzoeker het grondgebied moet verlaten “zodra zijn statuut van student afgelopen is”, aangezien het de Dienst Vreemdelingenzaken is die oordeelt over het afleveren van een verblijfsvergunning; door zelf te dien aanzien standpunt in te nemen, misbruikt de minister van Middenstand de wet van 19 februari 1965 om een immigratiestop in te stellen en begaat hij kennelijk een beoordelingsfout inzake de toepassing van die wet; in ieder geval blijkt uit de voorgelegde stukken dat de onderneming waarvoor verzoeker wil werken beantwoordt aan “een lokale maar reële behoefte” en dat “de zaken goed gaan”; 3.
  24. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen betoogt wat volgt: aangezien uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker zeer goed weet waarom zijn aanvraag verworpen is, met name omwille van zijn onwettige verblijfssituatie en het feit dat hij zich niet langer op het statuut van student kan beroepen, kan hij zich niet beroepen op de schending van de formele motiveringsverplichting; het motief met betrekking tot de onwettige verblijfssituatie van verzoeker is ook afdoende aangezien artikel 4 van de wet van 19 februari 1965 bepaalt dat een beroepskaart slechts afgegeven mag worden “aan de vreemdeling die vergunning verkregen heeft om in België te verblijven of er zich te vestigen”; verzoeker stelt ten onrechte dat de verwerende partij de vraag naar het wettig verblijf van verzoeker positief beantwoord heeft op het ogenblik dat zij de ontvankelijkheid van de aanvraag onderzocht en dat zij daar nadien niet meer op kon terugkomen, aangezien de ontvankelijkheid van de aanvraag nog niet tot gevolg heeft dat nadien niet meer nagegaan zou mogen worden of aan de wettelijke voorwaarde van het regelmatig verblijf in het land voldaan is; verzoeker voldoet sinds 31 oktober 2005 niet meer aan de wettelijke verblijfsvoorwaarde en bovendien heeft hij zijn statuut van student ingeroepen om een zelfstandige activiteit te beginnen, heeft hij de wijziging van zijn statuut niet aangevraagd en kan hij geen noemenswaardige studieresultaten voorleggen; ook tijdens zijn verhoor heeft verzoeker geen nieuwe gegevens aan de administratie bezorgd; de verwerende partij kon dan ook terecht besluiten dat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarde van het regelmatig verblijf, dat hij het grondgebied van het Rijk diende te verlaten en dat hij derhalve geen beroepskaart kon verkrijgen; er kan ook geen sprake zijn van de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel omdat er geen onderzoek gebeurd zou zijn naar het IX-5410-8/11 economisch nut van de aflevering van een beroepskaart aan verzoeker en wat dat betreft, heeft de verwerende partij wel degelijk alle elementen van het dossier onderzocht en is zij tot het besluit gekomen dat geen gegevens wezen op een economische meerwaarde; in ieder geval doet de omstandigheid dat de wet van 19 februari 1965 in wezen een economisch oogmerk heeft, niets af aan het feit dat een beroepskaart slechts afgeleverd kan worden wanneer de verblijfsvoorwaarde vervuld is; 3.3.
  25. Overwegende dat het bestreden besluit steunt op de overweging dat verzoeker sedert 19 november 2002 als student in België verblijft, dat zijn inschrijving in het vreemdelingenregister geldig was tot 31 oktober 2005, dat hij zijn statuut van student gebruikt heeft om een zelfstandige activiteit op te starten en dat hij het grondgebied moet verlaten zodra zijn statuut van student afgelopen is; dat aldus de beroepskaart aan verzoeker geweigerd is omdat hij zich niet in een regelmatige verblijfssituatie bevindt; dat verzoeker dat geen pertinent motief vindt zodat de bestreden beslissing volgens hem geen deugdelijke grondslag heeft - schending van de materiële motivering-, zij de wet van 29 juli 1991 -de verplichting tot formele motivering- miskent en onzorgvuldig tot stand gekomen is omdat zij een manifeste beoordelingsfout bevat aangaande de toepassing van de wet van 19 februari 1965 in die zin dat er geen ernstig onderzoek gewijd is aan het economisch nut van de toekenning van de beroepskaart, terwijl deze wet een economisch doel heeft; 3.3.
  26. Overwegende dat de bestreden beslissing duidelijk aangeeft waarom de beroepskaart aan verzoeker geweigerd wordt; dat de verwerende partij daarmee voldaan heeft aan de verplichting die de wet van 29 juli 1991 haar oplegt; 3.3.
  27. Overwegende dat verzoeker niet betwist dat hij, op het ogenblik dat het bestreden besluit genomen is, niet meer beschikte over een geldige inschrijving in het vreemdelingenregister of over een verblijfsvergunning; Overwegende dat overeenkomstig artikel 4, § 1, van de wet van 19 februari 1965 een beroepskaart “slechts afgegeven (mag worden) aan de vreemdeling die vergunning verkregen heeft om in België te verblijven of er zich te vestigen”; dat het bezit van een verblijfs- of vestigingsvergunning dan ook een grondvoorwaarde is voor het toekennen van een beroepskaart; dat de omstandigheid dat de verwerende partij de aanvraag voor advies overgemaakt heeft aan de Raad IX-5410-9/11 voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen, wat betekent dat zij deze aanvraag overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1985 ontvankelijk achtte en dus oog had voor het feit dat verzoeker -op dat ogenblik- beschikte over een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister, niet betekent dat zij de vraag naar het regelmatig verblijf van verzoeker niet meer in haar besluitvorming zou mogen betrekken; dat integendeel artikel 4, § 1, van de wet haar daar uitdrukkelijk toe verplicht; dat de -terechte- verwijzing naar de omstandigheid dat de wet van 19 februari 1965 een economisch oogmerk heeft niets afdoet aan die verplichting; dat de verwerende partij geen manifeste beoordelingsfout gemaakt heeft bij de toepassing van de wet van 19 februari 1965; dat, zo artikel 4, § 2, van de wet aan de vreemdeling de verplichting oplegt om gelijktijdig een beroepskaart en een vergunning voor verblijf of vestiging aan te vragen, hetgeen dan voor het bestuur de verplichting doet ontstaan om het onderzoek van de aanvraag voor de beroepskaart te koppelen aan het onderzoek van de aanvraag tot verblijf of vestiging, in dit geval vastgesteld moet worden dat verzoeker niet gelijktijdig met zijn aanvraag om een beroepskaart, maar slechts op 29 oktober 2005 een aanvraag tot machtiging tot verblijf ingediend heeft, zodat de verwerende partij die aanvraag dan ook niet in haar besluitvorming diende te betrekken; 3.3.
  28. Overwegende aldus dat de verwerende partij in de verblijfstoestand van verzoeker een deugdelijk motief kon vinden om hem de beroepskaart te weigeren; dat zij dan ook niet hoefde te onderzoeken of de aanvraag voldeed aan een economische noodzaak en of de geplande zelfstandige activiteit in de gemeente verantwoord of gewenst was; dat haar geen onzorgvuldigheid verweten kan worden; dat overigens uit het dossier blijkt dat de verwerende partij inlichtingen ingewonnen heeft bij het stadsbestuur van Leuven en bij verzoeker en dat zij op grond daarvan reeds in haar adviesaanvraag aan de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen erop gewezen heeft dat de aanvraag betrekking had op een verzadigde sector en dat geen economische meerwaarde onderkend werd; dat daaruit blijkt dat de verwerende partij wel degelijk de economische aspecten van de aanvraag onderzocht heeft; 3.3.
  29. Overwegende dat het enig aangevoerd middel niet ernstig is; dat de vordering tot schorsing om die reden verworpen wordt, IX-5410-10/11 BESLUIT: Artikel
  30. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  31. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier december 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5410-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.499 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.954 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.