← België

Arrest 165503 - Varia (economische zaken) - 04/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.503 Rolnummer: A. 165654/IX-5025 Zaak: Arrest 165503 - Varia (economische zaken) - 04/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-14 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 10:53 Fiche Arrest nr 165.503 van 4 december 2006 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.503 van 4 december 2006 in de zaak A. 165.654/IX-

  1. In zake : de CVA VR MAASMECHELEN TOURIST OUTLETS, die woonplaats kiest bij advocaat L. SWARTENBROUX, kantoor houdende te BRUSSEL, Brederodestraat 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Werk, die woonplaats kiest bij advocaat A. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de CVA VR MAASMECHELEN TOURIST OUTLETS op 31 augustus 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 4 juli 2005 van de minister van Werk waarbij haar vraag om afwijking van het verbod om werknemers op zondag tewerk te stellen in “Maasmechelen Village”, wordt afgewezen; Gelet op het arrest nr. 152.524 van 12 december 2005 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen en de vordering tot het opleggen van een dwangsom wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 11 januari 2006 door de verwerende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. STEVENS; IX-5025-1/13 Gelet op de beschikking van 8 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. SWARTENBROUX, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. PEETERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1.
  4. Verzoekster stelt dat zij de ontwikkelaar en beheerder is van “Maasmechelen Village”, het eerste “merkendorp” in België, gevestigd op de voormalige mijnterreinen in Eisden. In het merkendorp wordt aan “funshoppen” gedaan. Kwaliteitsmerken bieden hun overstock van vorige seizoenen aan tegen sterk verlaagde prijzen en de bezoekers kunnen winkelen in een locatie die aantrekkelijk is wegens de bijzondere architectuur - nabootsen van een oude mijncité - en de animatie die in het dorp wordt georganiseerd. De winkels in “Maasmechelen Village” werken doorgaans met personeel dat aangeworven wordt met een arbeidsovereenkomst. Verzoekster is als beheerder van het centrum niet zelf de werkgever van dat winkelpersoneel; dat zijn haar handelspartners (de uitbaters van de winkels). IX-5025-2/13 1.1.
  5. Artikel 11 van de arbeidswet van 16 maart 1971 verbiedt de tewerkstelling van werknemers op zondag. In de volgende artikelen worden uitzonderingen op dat verbod vastgesteld. 1.1.
  6. Verzoekster stelt dat, gelet op de unieke vermenging van shopping en toerisme in Maasmechelen Village, de mogelijkheid om op zondag de winkels open te houden zeer belangrijk is voor haarzelf en haar handelspartners : op zondag kan tot 60 % gehaald worden van de weekomzet. 1.
  7. Op 23 januari 2003 dient de gemeente Maasmechelen een aanvraag in tot erkenning van de gemeente als toeristisch centrum in de zin van artikel 14, § 2, van de arbeidswet, maar op 21 mei 2003 beslist de minister van Werkgelegenheid deze erkenning niet toe te staan. De gemeente Maasmechelen heeft tegen dit besluit van 21 mei 2003 een annulatieberoep en een vordering tot schorsing ingediend (zaak G.A. 139.429/IX-3845). Het schorsingsverzoek is verworpen met het arrest nr. 125.361 van 17 november 2003, wegens de ontstentenis van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Het annulatieberoep is nog hangende. 1.
  8. Op 12 december 2003 wordt door “Value Retail Management België NV” aan de federale minister van werk een “verzoek tot tewerkstelling op zondag in ‘Maasmechelen Village’ (Artikel 13 van de arbeidswetgeving van 16 maart 1971)” gericht. De vraag is uitvoerig gemotiveerd. 1.4.
  9. Met een brief van 22 december 2003 vraagt de minister het bevoegde paritair comité om advies aangaande de vraag tot afwijking van de regeling inzake de zondagsrust van de werknemers. 1.4.
  10. Met een schrijven van 27 januari 2004 deelt de voorzitster van het paritair comité nr. 201 - zelfstandige kleinhandel- aan de minister mee dat het comité het niet opportuun acht om een individuele afwijking toe te staan vermits de minister een groot debat heeft aangekondigd over de openingstijden van de winkels. 1.
  11. Op 2 februari 2004 vraagt de raadsman van verzoekster aan de minister om spoedig te beslissen over de aanvraag tot afwijking van het verbod op zondagsarbeid. IX-5025-3/13 1.
  12. Met een brief van 22 maart 2004, gericht aan de voorzitter en de secretaris van de Nationale Arbeidsraad (hierna : NAR), deelt de minister mee dat op de Ministerraad te Gembloux van 16 januari 2004 de regering beslist heeft om “inzake openingstijden en zondagsrust een overleg op te starten met de betrokken actoren in de sector van de distributie, met de vertegenwoordigers van steden en gemeenten en met de Gewestministers van toerisme” met het oog op het onderzoek van eventuele aanpassingen die aan de wetgeving betreffende onder meer het werken op zondag kunnen worden gebracht “om een antwoord te bieden op de sociaal- economische ontwikkeling van onze samenleving”. Aan de NAR wordt gevraagd de problematiek voor te leggen aan de sociale partners. Het ligt naar zijn zeggen in de bedoeling om vóór de zomer 2004 concrete voorstellen aan de ministerraad voor te leggen. 1.
  13. Met een aangetekend schrijven van 13 mei 2004 laat verzoekster aan de minister weten wat volgt : “Op 12 december 2003 werd een aanvraag ingediend om de toelating te verkrijgen om personeel tewerk te stellen op zondag in Maasmechelen Village, op grond van artikel 13 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 (zie bijlage). Tot op heden werd nog geen beslissing genomen over deze aanvraag. Talloze telefonische en schriftelijke herinneringen hebben u niet kunnen vermurwen tot het nemen van een beslissing. Met deze brief manen wij u andermaal aan om de tewerkstelling van werknemers op zondagen toe te staan in Maasmechelen Village. Deze brief geldt als aanmaning in de zin van artikel 14, § 3 van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State. Bij gebreke aan een beslissing binnen de wettelijke termijn, zullen wij onmiddellijk de nodige procedures opstarten”. 1.
  14. Op 4 juni 2004 deelt de minister aan de directeur van Value Retail Maasmechelen Tourist Outlets mee dat het bevoegde paritair comité het niet opportuun vindt dat een eventuele afwijking zou worden toegestaan “aan de vooravond van een aangekondigd ruim debat over de winkelopeningstijden”. De minister besluit het schrijven als volgt : “In navolging van het eenparig advies van het paritair comité acht ik het derhalve momenteel niet wenselijk om nu reeds een beslissing tot afwijking te nemen. Ik blijf dit dossier evenwel met bijzondere aandacht volgen”. 1.9.
  15. Met een brief van 25 juni 2004 vraagt Value Retail Management Belgium aan de minster van werk “te willen overwegen om een sectorale afwijking toe te staan voor de ‘factory outlet’-sector”, die zich van andere winkelcentra onderscheidt “door de specificiteit van de aangeboden produkten : (...) enkel IX-5025-4/13 merkartikelen (...) en bovendien is het gamma beperkt tot onverkochte artikelen uit een vorig seizoen en artikelen met een productiefout”. Volgens de brief zijn er in België slechts twee echte “factory outlets” : Maasmechelen Village en Messancy Outlet Center (provincie Luxemburg); de sector waarvan sprake is dan ook een zeer kleine sector, die vooral dagjesmensen aantrekt voor wie het bezoek aan de factory outlet deel uitmaakt van een grotere toeristische uitstap; op zondag wordt de grootste omzet gerealiseerd; een grote concurrentie gaat uit van gelijkaardige centra in het buitenland, die wel op zondag mogen tewerkstellen. Er wordt ook voorgesteld om een duidelijke en werkbare definitie uit te werken van de “factory outlet”-sector, en een en ander over te maken voor advies van het bevoegde paritair comité. Het schrijven besluit als volgt : “Dit voorstel doet geen afbreuk aan onze oorspronkelijke aanvraag van 12 december 2003 om tewerkstelling op zondag toe te staan in Maasmechelen Village. Moest er evenwel sneller een bevredigende afwijking kunnen verkregen worden op sectorale basis, zullen wij uiteraard afstand doen van de aanvraag om een individuele afwijking.” 1.9.
  16. Op 16 juli 2004 deelt de minister aan Value Retail Management Belgium mee dat het verzoek om een sectorale afwijking voor de “factory-outlet”- sector werd overgemaakt aan de bevoegde diensten voor advies. De minister wijst op het breder debat dat moet worden gevoerd en dat nog niet afgerond werd. 1.10.
  17. In een brief van 6 september 2004 aan de federale minister van Werk, schrijft Value Retail Management Belgium NV namens Maasmechelen Village dat er negen maanden na haar aanvraag nog steeds geen antwoord is. In de brief wordt het belang van het project in de verf gezet en er wordt besloten : “Ik wens er nog op te wijzen dat de termijn om over de aanvraag een beslissing te nemen, in toepassing van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, binnenkort zal verstrijken.” 1.10.
  18. Bij arrest nr. 143.267 van 18 april 2005 schorst de Raad van State de stilzwijgend tot stand gekomen weigering van de aanvraag van verzoekster en bij arrest nr. 150.532 van 24 oktober 2005 wordt deze beslissing vernietigd met toepassing van artikel 17, § 4bis, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 1.
  19. Op 9 december 2004 maakt de minister van Werk de vraag van 25 juni 2004 van het Value Retail Management voor het verlenen van een sectorale IX-5025-5/13 afwijking op het tewerkstellingsverbod voor advies over aan het paritair comité nr.
  20. Dit comité brengt op 13 januari 2005 een negatief advies uit. Het luidt als volgt : “(...) Het paritair comité heeft in zijn vergadering van 13 januari 2005 unaniem een negatief advies uitgebracht over deze vraag. Het is van mening dat het algemeen beginsel het verbod op zondagarbeid is en dat, in dat kader, de gelijkheid van behandeling tussen werkgevers dient in acht te worden genomen. Het is van mening dat er geen reden is om factory outlets andere tewerk-stellingstijden van de werknemers toe te staan dan aan de overige winkels. Het paritair comité motiveert zijn advies als volgt : de handelaars-werk- gevers en hun werknemers verwachten een gelijke behandeling voor de Wet. Naar de mening van het paritair comité zijn er geen objectieve gronden voorhanden om een afwijkende behandeling in te stellen voor factory outlets die, volgens het paritair comité, geen eigensoortige activiteit uitoefenen. De argumenten van de aanvragers worden als volgt weerlegd : - De in factory outlets aangeboden producten zijn dezelfde als die welke in de overige commerciële circuits aangeboden worden. Er wordt in de praktijk zelfs stelselmatig naar de prijzen in de andere winkels verwezen. - De verkoop van onverkochte artikelen uit een vorig seizoen of de verkoop van artikelen met een productiefout beperkt zich niet tot de twee geciteerde winkelcentra. Er bestaan tal van andere fabriekswinkels of outlets. - Er is geen reden denkbaar waarom onverkochte artikelen uit een vorig seizoen of artikelen met een productiefout wel op zondag verkocht zouden worden en andere niet. Dat criterium is irrelevant tegenover de winkel- openingstijden. - Het argument dat factory outlets dagjesmensen kunnen aantrekken in het kader van een grotere toeristische uitstap gaat op voor de meeste winkels of winkelcentra en is bijgevolg helemaal niet specifiek. Dat geldt eveneens voor het argument van de internationale concurrentie. In dit verband wijst het paritair comité erop dat het begrip ‘commercieel toerisme’ geen erkend begrip is in de huidige zondagrustreglementering en dat het ook niet wenselijk is dat het in de toekomst zal zijn. - Het argument dat factory outlets geen concurrentie zouden aandoen aan normale kleinhandelszaken is irrelevant. Uit wat voorafgaat blijkt dat die concurrentie wel degelijk bestaat. Het paritair comité doet opmerken dat concurrentie uiteraard kan, mits ze aan dezelfde regels onderworpen is.” Op 9 maart 2005 deelt de minister aan verzoekster mede dat zij zich aansluit bij het advies en dat zij aldus de vraag naar een sectorale afwijking op het verbod op zondagsarbeid afwijst. 1.
  21. Op 31 mei 2005 brengt verzoekster haar aanvraag van 12 december 2003 bij de minister in herinnering. Met het thans bestreden besluit, opgenomen in een brief van 4 juli 2005 aan verzoekster, wijst de minister van Werk deze aanvraag van 12 december 2003 af. De argumenten voor de weigering worden in de brief als volgt verwoord : IX-5025-6/13 “(...) De redenen die het paritair comité (...) aanhaalde om een gezamenlijke afwijking voor Uw onderneming en de onderneming Messancy Outlet Center af te wijzen, gelden des te meer t.a.v. een individuele afwijking voor één van de beide ondernemingen. In elk geval bevat Uw huidige schrijven geen nieuwe elementen die mij zouden toelaten te besluiten dat Uw onderneming zich thans in een andere situatie zou bevinden, dan die welke bestond op het ogenblik van het voormelde advies van het paritair comité nr.
  22. Het uitgangspunt van het paritair comité is dat, bij het toestaan van uitzonderingen op het algemeen verbod van zondagsarbeid, het beginsel van gelijke behandeling tussen werkgevers moet worden in acht genomen. In dit verband is het paritair comité van oordeel dat er geen reden bestaat om aan een factory outlet, zoals Uw onderneming, andere tewerkstellingstijden van de werknemers toe te staan dan aan de overige winkels. Met name meent het paritair comité dat er geen objectieve gronden voorhanden zijn om een voorkeursbehandeling toe te kennen aan factory outlets die, volgens het paritair comité, geen eigensoortige activiteit uitoefenen. Daarbij kan worden verwezen naar de volgende argumenten: - De producten die in een factory outlet worden aangeboden, zijn dezelfde als die welke in de overige commerciële circuits worden aangeboden. Er wordt in de praktijk zelfs stelselmatig naar de prijzen in de andere winkels verwezen, - De verkoop van onverkochte artikelen uit een vorig seizoen of de verkoop van artikelen met een productiefout, beperkt zich niet tot Uw winkelcentrum alleen. Er bestaan in België tal van andere fabriekswinkels of outlets. - Er is geen reden denkbaar waarom onverkochte artikelen uit een vorig seizoen of artikelen met een productiefout wel op zondag verkocht zouden moeten worden, en andere niet. Dit criterium is irrelevant tegenover de winkelopeningstijden. - Het argument dat factory outlets dagjesmensen kunnen aantrekken in het kader van een grotere toeristische uitstap, gaat op voor de meeste winkels of winkelcentra en is bijgevolg helemaal niet specifiek. Dat geldt eveneens voor het argument van de internationale concurrentie. In dit verband wijst het paritair comité erop dat het begrip ‘commercieel toerisme’ geen erkend begrip is in de huidige zondagsrustreglementering. - Het argument dat factory outlets geen concurrentie zouden aandoen aan normale kleinhandelszaken is irrelevant met het oog op de eventuele toekenning van een afwijking op het verbod van zondagsarbeid. Het paritair comité merkt op dat er geen probleem is met concurrentie tussen winkels, op voorwaarde dat alle concurrenten aan dezelfde regels onderworpen zijn. Het toekennen van een individuele afwijking aan Uw onderneming zou deze gelijke behandeling juist in het gedrang brengen. (...)”.
  23. Overwegende dat in het arrest nr. 152.524 van 12 december 2005 aangenomen is dat het bestreden besluit genomen werd met miskenning van artikel 47 van de arbeidswet, doordat het advies waarop het bestreden besluit steunt, geen rechtsgeldige basis kan vormen voor de weigering van een aanvraag tot individuele afwijking van het verbod op terwerkstelling van personeel op zondag; dat de Raad van State het onderzoek van de zaak ten gronde dan ook toespitst op het middel waarin die problematiek aan de orde gesteld wordt; IX-5025-7/13 2.
  24. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 13 en 47 van de arbeidswet, van het gezag van het schorsingsarrest nr. 143.267 en van het zorgvuldigheidsbeginsel doordat -eerste onderdeel- artikel 13 van de arbeidswet de Koning toelaat afwijkingen op het verbod van zondagsarbeid toe te laten in de bedrijven of voor werken die hij aanwijst maar dat Hij daarvoor het advies moet inwinnen van het bevoegde paritair comité, terwijl in dit geval de minister de aanvraag van de verzoekende partij om als bedrijf een individuele afwijking te verkrijgen, afgewezen heeft op grond van een advies dat het paritair comité had uitgebracht met betrekking tot een aanvraag tot sectorale afwijking, een ander dossier en doordat -tweede onderdeel- het paritair comité nr. 201 op 22 januari 2004 reeds een advies uitgebracht had over de individuele aanvraag van verzoekster maar dat daarin alleen maar gesteld was dat een advies op dat ogenblik niet opportuun werd geacht, terwijl de Raad van State in het schorsings- arrest nr. 143.267 van 18 april 2005 erop gewezen heeft dat de minister zijn beslissing over de aanvraag niet om opportuniteitsredenen mocht uitstellen, zodat hij een nieuw advies aan het paritair comité had moeten vragen en hij derhalve niet anders dan onregelmatig kon verwijzen naar het advies van 13 januari 2005; 2.
  25. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt wat volgt: de artikelen 13 en 47 van de arbeidswet schrijven niet voor dat elke aanvraag om een afwijking te verkrijgen van het verbod op zondagsarbeid voor advies voorgelegd moet worden aan het paritair comité, dit is enkel het geval wanneer de Koning, gebruik makend van de hem verleende bevoegdheid, daadwerkelijk een afwijking wenst te verlenen; zulks is te dezen niet het geval en dus diende het paritair comité niet om advies te worden gevraagd, temeer daar de distributiesector reeds een sectorale afwijking bezit krachtens het koninklijk besluit van 3 december 1987; ook in het kader van de vereiste behoorlijke motivering van afwijzingsbeslissingen is het advies van het paritair comité niet nodig en zeker niet wanneer er opeen-volgende aanvragen zijn, omdat zulks het systeem van het paritair overleg dreigt te overbelas- ten; in ieder geval kan de minister desgewenst het advies van het paritair comité inwinnen op grond van artikel 38 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten, dat de paritaire comités toelaat aan de regering adviezen te geven over de aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren; van schending van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 152.524 van 12 december 2005 kan geen sprake zijn aangezien de Raad van State daar enkel uitspraak -en dan nog maar voorlopig, want in een schorsingszaak- heeft gedaan over de impliciete weigering van de minister om een afwijking te verlenen; IX-5025-8/13 2.
  26. Overwegende dat verzoekster daarop repliceert wat volgt: krachtens de beginselen van behoorlijk bestuur is de verwerende partij verplicht te antwoorden op een aanvraag zoals die door verzoekster was ingediend op 12 december 2003; krachtens artikel 47 van de arbeidswet moet de Koning voor elke beslissing die hij ter uitvoering van de wet neemt het paritair comité raadplegen; uiteraard moet dat advies betrekking hebben op de aanvraag die aan de Koning is voorgelegd; in het arrest nr. 143.267 heeft de Raad van State gesteld dat het advies dat het paritair comité op 13 januari 2005 verleende, niet deugdelijk was omdat dit comité zijn opdracht niet terdege was nagekomen door enkel vast te stellen dat een advies op dat ogenblik niet opportuun was; als gevolg van dat arrest, en minstens uit het oogpunt van zorgvuldigheid -wat niet gelijk te stellen is met de naleving van het gezag van gewijsde van een arrest- diende de minister na de schorsing van de stilzwijgende afwijzende beslissing een nieuw advies van het paritair comité in te winnen opdat het zijn “ondeugdelijk advies zou kunnen vervangen door een deugdelijk advies”; 2.
  27. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nogmaals benadrukt dat de verplichting om voor elke aanvraag tot afwijking van het verbod op de tewerkstelling op zondag het advies van het paritair comité in te winnen, zal leiden tot de verlamming van het “systeem van paritair overleg en tot miskenning van de van oudsher geldende administratieve praktijk”, zoals die ook inzake andere sociale wetten wordt toegepast en dat de aanvraag van 25 juni 2004 -de vraag om een sectorale afwijking te verkrijgen- wel degelijk te begrijpen is als een officiële tweede aanvraag tot afwijking van het wettelijk verbod overeenkomstig artikel 13 van de arbeidswet; 2.5.
  28. Overwegende dat verzoekster op 12 december 2003 een aanvraag ingediend heeft om een individuele afwijking te verkrijgen op het verbod om op zondag personeel tewerk te stellen; dat artikel 47 van de arbeidswet de Koning de verplichting oplegt om, wanneer hij gebruik maakt van de bevoegdheden die deze wet hem toekent, het advies van het bevoegde paritair comité in te winnen; dat de arbeidswet deze adviesverplichting oplegt telkens de Koning gebruik maakt van de bevoegdheden die de wet hem toekent, wat ook het geval is wanneer hij besluit niet in te gaan op een aanvraag die hem in het kader van deze wet wordt voorgelegd of, als te dezen, wanneer de minister besluit geen voorstel van positieve beslissing aan het staatshoofd voor te leggen; dat de vraag of die uitlegging van de wet het IX-5025-9/13 bestaande systeem misschien wel onwerkzaam kan maken, een opportuniteitsbemerking is die de Raad van State niet toelaat de wet buiten werking te stellen; dat, nu de verzoekende partij nooit gesteld heeft dat zij deel uitmaakt van de distributiesector, niet wordt ingezien hoe de omstandigheid dat de distributiesector reeds over een afwijking beschikt, voor gevolg zou kunnen hebben dat de aanvraag van de verzoekende partij niet meer aan het bevoegde paritair comité voorgelegd zou moeten worden; dat de omstandigheid dat de administratie ook in een aantal andere aangelegenheden voor het treffen van een negatieve beslissing geen advies van het paritair comité inwint de wettigheid van de praktijk niet aantoont; Overwegende aldus dat de verwerende partij er wel degelijk toe gehouden was om de aanvraag van de verzoekende partij van 12 december 2003 voor advies aan het bevoegd paritair comité voor te leggen; 2.5.
  29. Overwegende dat de minister van Werk daadwerkelijk de aanvraag van 12 december 2003 op 22 december 2003 voor advies toegezonden heeft aan het bevoegde paritair comité van de zelfstandige kleinhandel -comité nr. 201-; dat de voorzitster van dat comité de minister op 27 januari 2004 heeft laten weten dat het comité het niet opportuun achtte om een advies te verlenen, afgaande op het aangekondigde grote debat over de openingstijden van de winkels; Overwegende dat, omdat dergelijk advies de aanvraag niet inhoudelijk behandelt, de minister er zich niet op vermocht te steunen om de aanvraag tot afwijking te verwerpen of in te willigen; dat hij zulks ook niet gedaan heeft, nu hij de verzoekende partij er op 4 juni 2004 enkel van verwittigd heeft het niet wenselijk te vinden op dat ogenblik reeds over de aanvraag te beslissen wegens het op touw gezette algemeen debat over de openingstijden van de winkels; dat hij toen dus enkel een nieuwe en definitieve beslissing in het vooruitzicht stelde; 2.5.
  30. Overwegende dat de verwerende partij niet betwist dat zij, alvorens een definitieve beslissing over de aanvraag van verzoekster te treffen, over een inhoudelijk advies van het paritair comité betreffende de aanvraag van verzoekster diende te beschikken; dat zij wel van oordeel is dat zij met het advies van 13 januari 2005 aan de wettelijke voorwaarde voldeed; Overwegende dat dit advies gegeven werd naar aanleiding van de vraag van de verzoekende partij om -desnoods en voor zover zulks het toekennen IX-5025-10/13 van een afwijking zou kunnen bespoedigen of vergemakkelijken- ook oog te hebben voor de mogelijkheid om voor de gehele sector van de “factory-outlet” een afwijking te verkrijgen op het verbod van tewerkstelling van personeel op zondag; dat het paritair comité deze vraag als een aanvraag tot sectorale afwijking behandeld heeft, zonder daarbij aandacht te besteden aan de op dat ogenblik bij het bestuur nog hangende vraag van verzoekster om een individuele afwijking te verkrijgen; 2.5.
  31. Overwegende dat een aanvraag voor een sectorale afwijking niet gelijk te stellen is met een aanvraag tot individuele afwijking; dat aldus in het schorsingsarrest nr. 152.524 gesteld is dat de Raad van State op dat ogenblik over te weinig gegevens beschikte om uit te maken of de aanvraag tot sectorale afwijking en de aanvraag tot individuele afwijking een identieke beoordeling vanwege het paritair comité vereiste en dat er redenen bedacht konden worden om eerder het tegendeel aan te nemen; dat de verwerende partij in haar latere procedurestukken terzake geen duidelijkheid gebracht heeft; dat dan ook de vaststelling blijft dat de verwerende partij het bestreden besluit getroffen heeft op basis van een advies waarbij het paritair comité enkel de problematiek van de sectorale afwijking onderzocht heeft; 2.5.
  32. Overwegende gewis, dat het bestreden besluit er zich toe beperkt het advies van 13 januari 2005 van het paritair comité over de sectorale afwijking te transponeren naar de oorspronkelijke aanvraag van verzoekster, in die zin dat de minister vindt dat de redenering van het paritair comité -die bijna woordelijk wordt overgenomen- “des te meer” geldt ten aanzien van een individuele afwijking voor één van de twee ondernemingen waaruit -volgens de eigen stelling van verzoekster- de “factory-outlet”-sector toen bestond; dat, aangezien het advies als basisoptie aanneemt dat de ondernemingen van deze sector “geen eigensoortige activiteit uitoefenen” en het paritair comité die basisoptie verantwoordt door de argumenten vermeld in de brief van 25 juni 2004 te weerleggen, de minister geredelijk die argumentatie kon overnemen om zijn beslissing tot afwijzing van de individuele afwijkingsaanvraag van verzoekster te motiveren, zeker nu zonder veel moeite in de redenering van het paritair comité ook een antwoord gelezen kan worden op de argumenten die verzoekster in haar aanvraag van 12 december 2003 had uiteenzet; dat evenwel, hoe logisch de minister uit het advies aangaande een sectorale afwijking ook heeft kunnen afleiden dat de individuele aanvraag geweigerd diende te worden, de algemeen gestelde adviesverplichting van artikel 47, eerste lid, hem verbiedt die deductie te maken, op gevaar af de adviesbevoegdheid van het paritair comité, zoals IX-5025-11/13 de verwerende partij die onderkent, te miskennen; dat het paritair comité niet de gelegenheid gehad heeft om zich over de individuele aanvraag van verzoekster uit te spreken; dat het middel, in zijn eerste onderdeel gegrond is; 2.5.
  33. Overwegende dat het bestreden besluit tot stand gekomen is met miskenning van de adviesverplichting opgelegd door artikel 47 van de arbeidswet, BESLUIT: Artikel
  34. Vernietigd wordt de beslissing van 4 juli 2005 van de minister van Werk waarbij de vraag van de CVA VR MAASMECHELEN TOURIST OUTLETS om afwijking van het verbod om werknemers op zondag tewerk te stellen in “Maasmechelen Village”, wordt afgewezen. Artikel
  35. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verwerende partij. IX-5025-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier december 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-5025-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.503 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.524 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.