id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.504 Rolnummer: A. 134658/IX-3748 Zaak: Arrest 165504 - Politie - 04/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-14 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 10:54 Fiche Arrest nr 165.504 van 4 december 2006 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.504 van 4 december 2006 in de zaak A. 134.658/IX-
- In zake : Marnix DUJARDIN, die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt Groep XV - De Geïntegreerde Politie, gevestigd te BRUSSEL, François Sebrechtslaan 61 tegen : de politiezone Roeselare - Izegem - Hooglede, die woonplaats kiest bij advocaat A. COPPENS, kantoor houdende te ROESELARE, Westlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marnix DUJARDIN op 27 maart 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 20 januari 2003 van het politiecollege van de politiezone Roeselare-Izegem-Hooglede waarbij hij tuchtrechtelijk gestraft wordt met een inhouding van 6 % van zijn wedde gedurende twee maanden; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 10 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 november 2006; IX-3748-1/8 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat K. DEMEESTERE die, loco advocaat A. COPPENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politie van de politiezone Roeselare-Izegem-Hooglede (hierna : de politiezone RIHO). 1.
- Op 23 december 2002 beslist het politiecollege van de politiezone RIHO tegen verzoeker een voorstel van zware tuchtstraf uit te spreken, met name inhouding van wedde van 6 % gedurende twee maanden, straf die - indien ze door verzoeker wordt aanvaard - zal kunnen uitgevoerd worden door het verrichten van bijkomende niet bezoldigde prestaties voor een duur van 9 uren per maand. Dat voorstel van zware tuchtstraf - gesteund op het niet-naleven van dienstnota’s door verzoeker - wordt nog dezelfde dag aan hem ter kennis gebracht. In die kennisgeving wordt onder punt 6 vermeld : “Krachtens de artikelen 38sexies en 51bis van (de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten), kan dit voorstel van tuchtstraf het voorwerp uitmaken van een verzoek tot heroverweging bij de tuchtraad. Dit verzoek moet, binnen de tien dagen volgend op de kennisgeving van dit voorstel van tuchtstraf, bij aangetekende brief worden ingediend bij de Tuchtraad, Notelaarstraat 211, vierde verdieping, te 1000 Brussel”. 1.
- Op 17 januari 2003 komt bij de politiezone RIHO een afschrift in van een 26 december 2002 gedateerde aangetekende brief van verzoeker aan de voorzitter van de tuchtraad, waarin hij meedeelt dat hij een verzoek tot IX-3748-2/8 heroverweging indient tegen het voorstel van zware tuchtstraf dat hem op 23 december 2002 ter kennis is gebracht. 1.
- Op 20 januari 2003 - na bij de tuchtraad geïnformeerd te hebben of er al dan niet een verzoek tot heroverweging was ingediend - beslist het politie- college van de politiezone RIHO aan verzoeker de zware tuchtstraf van inhouding van wedde van 6 % gedurende twee maanden op te leggen, straf die - indien zij door verzoeker wordt aanvaard - zal kunnen worden uitgevoerd door het verrichten van bijkomende niet bezoldigde prestaties voor een duur van 9 uur per maand. Onder punt 4 (“Advies van de tuchtraad”) wordt gesteld : “Bij gebrek aan verzoek tot heroverweging, heeft de tuchtraad geen advies verstrekt nopens het voorstel van zware tuchtstraf”. Die beslissing, waarvan verzoeker kennis krijgt op 3 februari 2003, maakt het voorwerp uit van het onderhavige beroep. 1.
- Met een brief van 10 februari 2003 deelt de tuchtverdediger van verzoeker aan de voorzitter van de tuchtraad mee wat volgt : “Op 26.12.2002 werd door ons een verzoek tot heroverweging ingesteld inzake het voorstel tot zware straf lastens INP DUJARDIN Marnix, Pol. zone RIHO. Op heden word ik ervan verwittigd dat dit verzoek niet bij de tuchtraad zou zijn toegekomen, hoewel betrokkene beweert dat dit aangetekend werd verstuurd. Gelieve hierbij een copy van desbetreffend verzoek te willen vinden. Ondertussen zal ik het nodige doen teneinde te weten waar er iets is misgelopen”. Nog dezelfde dag antwoordt de voorzitter dat het 26 december 2002 gedateerd verzoek tot heroverweging niet werd ontvangen en dat de brief van 10 februari 2003 wordt geregistreerd als een verzoek tot heroverweging. Met een brief van 24 februari 2003 deelt de tuchtverdediger van verzoeker aan de voorzitter van de tuchtraad mee dat uit de door hem gevoerde opzoekingen is gebleken dat verzoeker de aangetekende brief met zijn verzoek tot heroverweging verkeerdelijk heeft opgestuurd aan de zetel van het VSOA in plaats van aan de tuchtraad. IX-3748-3/8 1.
- Op 17 maart 2003 worden de afgevaardigde van de hogere tucht- overheid, twee tuchtverdedigers die verzoeker vertegenwoordigen en de afgevaardigde van de inspecteur-generaal van de federale en lokale politie door de tuchtraad gehoord. De verdediging is akkoord dat de aan het VSOA verstuurde aangetekende zending door die vereniging nooit werd overgemaakt aan de tuchtraad. 1.
- Op 21 maart 2003 geeft de tuchtraad zijn advies. Hij stelt vast dat hij op datum van 20 januari 2003 (zijnde de datum waarop het politiecollege de definitieve tuchtstraf oplegde) niet gevat was door een verzoek tot heroverweging, dat het politiecollege op deze datum dan ook rechtsgeldig een tuchtsanctie heeft kunnen uitspreken en dat het op 10 februari 2003 ingediend verzoek tot herover- weging derhalve zonder voorwerp is. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie een “nieuwe exceptie van ontvankelijkheid” ontwikkelt; dat zij betoogt dat het “niet zeker is of het verzoekschrift ondertekend was door de verzoeker zelf (aangezien) de handtekening onleesbaar is”, dat het verzoekschrift zijn naam en voornaam nog wel voluit vermeldt maar dat zulks niet het geval is voor de memorie van wederantwoord en de laatste memorie; dat zij besluit dat, indien zou blijken dat de handtekening niet afkomstig is van verzoeker zelf, de desbetreffende proceshandelingen uitgaan van een daartoe niet bevoegd persoon en dat, wegens de ongeldigheid van het verzoek tot voortzetting van het geding, de afstand van geding bevolen moet worden; 2.
- Overwegende dat, daargelaten de vraag of de exceptie niet laattijdig geformuleerd is in de mate de verwerende partij de regelmatigheid van het verzoekschrift lijkt te betwisten, vastgesteld wordt dat alle processtukken in de onderhavige zaak dezelfde handtekening dragen, die inderdaad onleesbaar is maar die de verwerende partij niet kan betwisten aangezien zij de door verzoeker ondertekende procedurestukken niet van valsheid beticht heeft; dat overigens uit het administratief dossier blijkt dat de onleesbare handtekening niet verschilt van de handtekening die verzoeker tijdens de besluitvorming geplaatst heeft bij de notificatie van een aantal stukken; dat de exceptie verworpen wordt; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij de ontvankelijkheid van het beroep betwist; dat zij betoogt dat verzoeker nagelaten heeft overeenkomstig artikel 51bis van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet) een verzoek tot heroverweging bij de IX-3748-4/8 tuchtraad in te stellen, terwijl dergelijk verzoek de tuchtraad in staat kon stellen een advies te verlenen aangaande de voorgestelde zware tuchtstraf waartegen dan een annulatieberoep bij de Raad van State ingesteld kan worden; 3.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat de procedure bij de tuchtraad uitloopt op een advies zodat er niet van een georganiseerd administratief beroep gesproken kan worden; dat hij zijn stelling staaft met verwijzingen naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 31 mei 2001 tot wijziging van de tuchtwet, meer bepaald naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State; dat hij nog aanstipt dat tegen het advies van de tuchtraad geen annulatieberoep ingediend kan worden; 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog benadrukt dat tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 31 mei 2001 duidelijk uiteengezet is dat de procedure bij de tuchtraad een “verzoek tot heroverweging (is)” en “geen echt beroep, maar alleen een adviesprocedure” en dat ook de rechtspraak dat standpunt inneemt; dat volgens hem de parlementaire voorbereiding van een wet wel degelijk een waarde heeft bij de uitlegging van een bepaling, terwijl de rechtspraak die met betrekking tot deze problematiek reeds tot stand gekomen is, gewezen is in het kader van een schorsingsprocedure; 3.4.
- Overwegende dat voor de onderhavige zaak de volgende bepalingen van de tuchtwet van belang zijn : - artikel 38sexies : “Op grond van het volledige dossier en van het verweer, deelt de hogere tuchtoverheid haar beslissing mede door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven. De beslissing kan zijn, ofwel dat zij beslist heeft geen tuchtstraf uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft een voorstel van één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. De beslissing wordt aan het betrokken personeelslid medegedeeld, uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen en vermeldt het recht van de betrokkene om tegen het voorstel van zware tuchtstraf bij de tuchtraad overeenkomstig artikel 51bis een verzoek tot heroverweging in te stellen. Wanneer geen verzoek tot heroverweging ingesteld wordt overeenkomstig artikel 51bis, bevestigt en deelt met een ter post aangetekend schrijven of door kennisgeving tegen een ontvangstbewijs, de hogere tuchtoverheid haar definitieve beslissing mede aan het betrokken personeelslid, zonder het voorstel tot zware tuchtstraf te kunnen wijzigen.(...)”; - artikel 51bis : IX-3748-5/8 “Het personeelslid aan wie een zware tuchtstraf wordt voorgesteld, kan tegen deze beslissing een verzoek tot heroverweging instellen bij een ter post aangetekend schrijven gericht aan de tuchtraad binnen tien dagen na de in artikel 38sexies, eerste lid, bedoelde kennisgeving. Een kopie wordt door de tuchtraad aan de betrokken hogere tuchtoverheid toegezonden.”; - artikel 51ter : “De procedure van verzoek tot heroverweging schorst de uitvoering van de beslissing medegedeeld overeenkomstig artikel 38sexies, eerste lid.”; - artikel 52 : “De tuchtraad verstrekt zijn advies bij meerderheid van zijn leden. Dit met redenen omkleed advies omvat : 1/ de uiteenzetting van de feiten en de toerekening ervan aan het betrokken personeelslid; 2/ het antwoord op de vraag of de feiten een tuchtvergrijp in de zin van artikel 3 uitmaken voorzover zij bewezen worden geacht; 3/ het voorstel af te zien van een straf, het voorstel om een zware straf op te leggen of het voorstel om een lichte straf op te leggen. De tuchtraad kan hierbij een andere kwalificatie van de feiten voorstellen dan die in het inleidend verslag is opgenomen, alsook een andere straf voorstellen dan die welke oorspronkelijk door de hogere tuchtoverheid werd voorgesteld.”; - artikel 53 : “Het advies van de tuchtraad wordt binnen de dertig dagen na het sluiten van de debatten ter kennis gebracht van het betrokken personeelslid en van de hogere tuchtoverheid.”; - artikel 54 : “Wanneer de hogere tuchtoverheid beoogt af te wijken van het advies, dan moet zij de redenen hiertoe aangeven en ze, samen met de voorgenomen straf, ter kennis brengen van de betrokkene. Deze kan een schriftelijk verweer indienen binnen de tien dagen na de kennisgeving, op straffe van verval.”; - artikel 55 : “De hogere tuchtoverheid deelt, bij afgifte tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief, aan het betrokken personeelslid haar uitspraak mee binnen de dertig dagen nadat haar, overeenkomstig artikel 53, het advies van de tuchtraad werd toegestuurd, of nadat zij, overeenkomstig artikel 54, het laatste schriftelijk verweer heeft ontvangen.”; IX-3748-6/8 3.4.
- Overwegende dat de tuchtraad, opgericht bij artikel 39 van de tuchtwet, een permanent orgaan is dat op nationaal niveau ingesteld is om, wanneer een tuchtoverheid tot het besluit komt dat een zware tuchtstraf opgelegd moet worden, als onafhankelijk orgaan het dossier nogmaals te onderzoeken, met inachtneming van “een uitgesponnen tegensprekelijke procedure (die) borg staat voor een correcte behandeling” (Parl. St. Kamer, 1998-1999, 1965/1 p. 16; zie ook Parl. St. Kamer 2000/2001, 1173/1, p. 12-13); dat sinds de wijziging van de tuchtwet door de wet van 31 mei 2001, de tuchtraad niet meer automatisch door het bestuur in het besluitvormingsproces wordt betrokken, maar dat zijn tussenkomst uitsluitend afhangt van een formeel initiatief van het personeelslid; dat met het inschakelen van die beroepsmogelijkheid de wetgever de bedoeling had de ambtenaar voor de keuze te stellen om al dan niet met het voorstel van de tuchtoverheid akkoord te gaan (Parl. St. Senaat, 2000-2001, nr. 729/3, p. 9), waarmee hij verhindert dat het voorstel definitief wordt -er volgt blijkens artikel 38sexies van de tuchtwet nadien nog enkel een “bevestiging”- en waarmee hij verkrijgt dat zijn zaak in al haar aspecten wordt onderzocht door een collegiaal orgaan dat een “hoge onafhankelijkheidsgraad” bezit en dat wegens zijn centrale positie ook uniformiteit in de besluitvorming kan bewerkstelligen; dat, in geval van beroep, de tuchtraad verplicht is om een advies te formuleren en dat de tuchtoverheid bij haar eindbeslissing niet van dat advies kan afwijken zonder uitdrukkelijke verantwoording en nieuw verweer van de betrokkene; 3.4.
- Overwegende dat niet betwist kan worden dat de procedure voor de tuchtraad mede in het voordeel van de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar ingesteld is; dat het beroep aldus, daargelaten de vraag of de wetgever daarmee een georganiseerd administratief beroep in zijn traditionele betekenis ingesteld heeft, voor die ambtenaar een substantiële vorm in het besluitvormingsproces vormt, die hij moet uitputten om zijn recht op het instellen van een annulatieberoep niet te verbeuren; 3.4.
- Overwegende dat verzoeker een argument voor zijn standpunt meent te vinden in het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State bij het wetsontwerp waarbij de tuchtwet gewijzigd werd; dat uit dit advies wel blijkt dat de afdeling wetgeving onderzocht heeft of, nu overeenkomstig artikel 7, § 2, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen noch de federale overheid noch de gewesten toezicht kunnen uitoefenen op beslissingen in tuchtaangelegenheden, het beroep op de tuchtraad niet gezien moest worden als dergelijk beroep bij de toezichthoudende overheid, maar dat die vaststelling niets te maken heeft met de hier besproken vraag of het beroep op de tuchtraad door de wet ingesteld is als een IX-3748-7/8 verplichting die het indienen van een annulatieberoep tegen de eindbeslissing van het bestuur in de weg staat; 3.4.
- Overwegende dat buiten betwisting staat dat verzoeker het door artikel 51bis van de tuchtwet ingestelde verzoek tot heroverweging niet ingediend heeft bij de tuchtraad; dat hij dientengevolge niet ontvankelijk de vernietiging kan vorderen van de beslissing waarbij de tuchtoverheid haar voornemen om een zware tuchtstraf op te leggen bevestigt; dat het beroep niet ontvankelijk is ratione materiae, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier december 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3748-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.504 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div