id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.505 Rolnummer: Zaak: Arrest 165505 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 04/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-14 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 10:54 Fiche Arrest nr 165.505 van 4 december 2006 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.505 van 4 december 2006 in de zaak A. 65.584/IX-1158 66.006/IX-
- In zake : I. + II. Raymond VANDYCK, wonende te LUMMEN, Pastorijstraat 12 tegen : I. + II. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Raymond VANDYCK op 8 september 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 23 maart 1995 ter benoeming van de majoors van het vliegwezen van de Luchtmacht, korps van het niet-varend personeel, R. LALLEMAN, R. WIELS, C. LASSOIE, W. VAN HULLEBUSCH, E. HUNGENAERT, V. PARDOEN, R. JENNES, R. CAZAERCK, P. SEGERS en M. VERSCHOORE, tot de graad van luitenant-kolonel van het vliegwezen (A. 65.584/IX-1158); Gezien het verzoekschrift dat Raymond VANDYCK op 14 oktober 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de ministeriële beslissing van 17 augustus 1995 waarbij hem de toegang werd geweigerd tot bepaalde documenten (A. 66.006/IX-1223); Gelet op het arrest nr. 58.655 van 18 maart 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het tweede bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord in beide zaken; IX-1158-1/7 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikking van 2 juli 1998 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van 2 juli 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 27 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van luitenant-kolonel militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak samengevat kunnen worden als volgt : 1.
- Verzoeker is in 1960 in dienst getreden van de Krijgsmacht. Hij is op 16 december 1976 benoemd tot kapitein-commandant van het vliegwezen. Bij koninklijk besluit van 13 december 1979 wordt hij benoemd tot majoor van het vliegwezen. IX-1158-2/7 1.
- Tussen 1984 en 1987 wordt de kandidatuur van verzoeker voor de graad van luitenant-kolonel verschillende keren onderzocht. Hij wordt evenwel nooit batig gerangschikt. 1.
- Op vraag van verzoeker vernietigt de Raad van State met het arrest nr. 51.144 van 16 januari 1995 het koninklijk besluit van 18 maart 1987 waarbij de majoors van het vliegwezen R. LALLEMAN, R. WIELS, C. LASSOIE, W. VAN HULLEBUSCH, E. HUNGENAERT, V. PARDOEN, R. JENNES, R. CAZAERCK, P. SEGERS en M. VERSCHOORE benoemd worden tot luitenant- kolonel. 1.
- Bij koninklijk besluit nr. 596 van 30 november 1994 wordt verzoeker gepensioneerd op 1 juli 1995 met toepassing van artikel 3, littera A, 4/, der samengeordende wetten op de militaire pensioenen. Dit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 januari
- 1.
- Op 16 maart 1995 houdt het bevorderingscomité van de Luchtmacht zitting om de kandidaturen te onderzoeken voor de graad van luitenant- kolonel in uitvoering van het arrest nr. 51.
- Op grond van de voordracht wordt op 23 maart 1995 een nieuw koninklijk besluit getroffen waarbij de officieren R. LALLEMAN, R. WIELS, C. LASSOIE, W. VAN HULLEBUSCH, E. HUNGENAERT, V. PARDOEN, R. JENNES, R. CAZAERCK, P. SEGERS en M. VERSCHOORE tot de graad van luitenant-kolonel in het korps van het niet- varend personeel worden benoemd. Dit is de bestreden beslissing in de eerste zaak. 1.
- Met een brief van 31 maart 1995 vraagt verzoeker aan de minister van Landsverdediging, met toepassing van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur (hierna: de wet van 11 april 1994), inzonderheid de artikelen 1 en 4, inzage en kopie van alle bestuursdocumenten voorgelegd aan, gebezigd door of tot stand gebracht door het bevorderingscomité om de voor hem nadelige beslissing om hem niet voor bevordering aan te bevelen, tot stand te brengen. Dit verzoek wordt geweigerd met een brief van 2 mei
- IX-1158-3/7 1.
- Met een brief van 10 mei 1995 meldt verzoeker aan de commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten dat de kabinetschef van de minister van Landsverdediging hem de gevraagde inzage van de genoemde documenten niet wenst te geven "omdat hierdoor de privacy van de andere kandidaten zou worden geschonden". Verzoeker laat weten dat hij inzage van de stukken vraagt "om na te gaan of een nieuw geding bij de Raad van State kan worden ingeleid". 1.
- Met een brief van 30 juni 1995 schrijft de voorzitter van de commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten aan verzoeker, dat volgens de commissie verzoeker recht heeft op inzage van bepaalde stukken. 1.
- Met een brief van 17 augustus 1995 meldt de minister van Landsverdediging aan verzoeker dat hij zich bij het advies van de commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten niet kan aansluiten. Hij motiveert zijn beslissing als volgt : "Me dunkt dat twee fundamentele principes hier met elkaar in strijd komen : enerzijds het recht op informatie betreffende bestuursdaden en anderzijds het recht op privacy en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Naar mijn mening behoren de documenten waarin de appreciatie die een werkgever uit tegenover zijn werknemer onmiskenbaar tot de persoonlijke levenssfeer, zelfs al bevat deze beoordeling essentieel gegevens over de wijze waarop het ambt wordt uitgeoefend. De appreciatie komt immers tot stand onder de waarborg van vertrouwelijkheid, zowel vanuit het standpunt van de werkgever die daardoor vrijelijk zijn appreciatie kan uiten, als vanuit het standpunt van de werknemer, die weet dat minder gunstige, of genuanceerd gunstige beoordelingen, niet aan collega’s of ondergeschikten worden medegedeeld. Het lijkt me niet denkbaar dat in sommige omstandigheden het mededelen van objectieve gegevens, zoals het adres en de gezinssamenstelling, geweigerd dient te worden in het kader van de bescherming van de privacy, en dat anderzijds persoonlijke en gevoelige gegevens op simpele vraag aan derden moeten worden medegedeeld. U zult het ongetwijfeld met me eens zijn dat dit aanleiding kan geven tot misbruiken. Het ministerie van Landsverdediging handhaaft dus de weigering u de gevraagde kopies te bezorgen op grond van artikel 6, Par 2, 1/, van de wet betreffende de openbaarheid van bestuur. U hebt inzage gekregen van uw eigen dossier en van de samenstelling van het bevorderingscomité. Komplete dossiers worden slechts in het kader van een juridisch geschil ter beschikking gesteld van de bevoegde rechter". Dit is de bestreden beslissing in de tweede zaak. IX-1158-4/7 2.
- Overwegende dat met een brief van 15 mei 2006 aan verzoeker gevraagd is of hij nog belangstelling heeft voor de gewone afhandeling van de zaken en desgevallend de redenen mede te delen die hem een actueel belang verlenen bij de vernietiging van de bestreden beslissing; dat verzoeker daar met een brief van 12 juni 2006 op geantwoord heeft dat hij nog steeds belang heeft, “zelfs indien de overheid na nietigverklaring van het bevorderingsbesluit niet verplicht zou zijn mij te bevorderen tot de graad van luitenant-kolonel”, dit om “zijn eventuele rechten op een vordering tot schadevergoeding te vrijwaren, rechten welke hij bij impliciete afstand van geding zou hypothekeren”; 2.
- Overwegende, ambtshalve, dat de beroepen gericht zijn tegen enerzijds het koninklijk besluit waarbij tien majoors van het vliegwezen van de luchtmacht bevorderd worden tot de graad van luitenant-kolonel van het vliegwezen en anderzijds tegen een ministeriële weigeringsbeslissing om verzoeker toegang te verlenen tot bepaalde documenten die hij in het kader van zijn verzet tegen het voormeld benoemingsbesluit kon gebruiken; dat het belang dat verzoeker bij het tweede beroep doet gelden samenvalt met het belang bij de vernietiging van het bevorderingsbesluit; 2.
- Overwegende dat de auditeur-verslaggever in zijn verslag over de zaak het actueel belang van verzoeker onderzocht heeft; dat hij besloten heeft dat verzoeker, wegens zijn pensionering op 1 juli 1995, reeds op het ogenblik van het indienen van zijn beroep niet meer beschikte over het rechtens vereiste belang, nu de verwerende partij na een vernietigingsarrest de rechtsplicht niet zou hebben om hem met terugwerkende kracht te bevorderen; 2.4.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie vraagt dat de Raad van State met betrekking tot de voorwaarde van het actueel belang aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag zou stellen over de conformiteit van artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, wanneer die bepaling aldus geïnterpreteerd wordt dat bepaalde verzoekers, die op het ogenblik van de benoemingsbeslissing belang hebben bij de vernietiging ervan, wegens het bereiken van de leeftijdsgrens niet over de volledige beroepstermijn kunnen beschikken om de beslissing te bestrijden terwijl anderen dat wel kunnen of, ruimer gesteld, over het ogenblik waarop het belang, bedoeld in artikel 19, “moet ontstaan en bestaan”; IX-1158-5/7 2.4.
- Overwegende dat het Arbitragehof in zijn arrest nr. 117/99 van 10 november 1999 uitspraak gedaan heeft over de conformiteit van artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State met artikel 10 en 11 van de Grondwet wanneer die bepaling aldus gelezen wordt dat een verzoekende partij, in zaken van openbaar ambt, wegens haar op pensioenstelling, haar belang bij het bestrijden van een benoeming verliest wanneer zij niet aantoont dat het bestuur de rechtsplicht heeft om haar na een vernietigingsarrest te benoemen; dat zulks ook de inhoud is van de prejudiciële vraag die verzoeker voorstelt; dat het antwoord van het Arbitragehof dan ook getransponeerd kan worden naar de onderhavige zaak, zonder dat het Hof nogmaals bevraagd moet worden over hetzelfde juridisch probleem; 2.4.
- Overwegende dat het Arbitragehof in het vermelde arrest gesteld heeft dat de voorwaarde van het teloorgaan van het belang bij de vernietiging van een benoemingsbesluit wegens de pensionering van de verzoekende partij het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet miskent, wanneer artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State aldus gelezen wordt dat de pensionering niet noodzakelijk het teloorgaan van het belang impliceert; 2.
- Overwegende dat de vernietiging van het bestreden bevorderingsbesluit niet tot gevolg moet hebben dat verzoekers kandidatuur voor de bevordering tot de graad van luitenant-kolonel opnieuw in aanmerking genomen wordt, aangezien verzoeker sedert 1 juli 1995 met pensioen gegaan is en hij geen bepaling aanwijst die voor de verwerende partij de rechtsplicht zou inhouden om hem alsnog met terugwerkende kracht in die graad te bevorderen; dat uit de bevraging van verzoeker wel blijkt dat hij zijn rechten op schadeloosstelling veilig wil stellen; dat verzoeker ter terechtzitting ook nog wijst op zijn moreel belang bij een vernietiging; 2.
- Overwegende dat de vrijwaring van het recht op schadevergoeding een indirect belang is, aangezien verzoeker er enkel mee beoogt de bestreden benoemingsbeslissing onwettig te horen verklaren, terwijl de finaliteit van het vernietigingscontentieux erin bestaat onwettige rechtshandelingen met terugwerkende kracht uit de rechtsorde te bannen en het ingeroepen belang in relatie dient te staan met die finaliteit; dat dergelijk indirect belang niet voldoet aan artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat, wat het moreel nadeel betreft, er in beginsel aan het mislopen van een bevordering geen moreel nadeel verbonden is aangezien elke kandidaatstelling het risico inhoudt dat de kandidatuur niet wordt IX-1158-6/7 aanvaard en dat in ieder geval verzoeker niet concreet aantoont in welke zin de bestreden benoemingsbeslissing hem moreel gekrenkt heeft; 2.
- Overwegende dat het actueel belang van verzoeker niet aangetoond is, BESLUIT: Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- De kosten van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier december 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-1158-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.505 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.