id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.506 Rolnummer: A. 79033/IX-1268 Zaak: Arrest 165506 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 04/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-14 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 10:55 Fiche Arrest nr 165.506 van 4 december 2006 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.506 van 4 december 2006 in de zaak A. 79.033/IX-1268. In zake : de VZW VEZO (in vereffening), vertegenwoordigd door vereffenaar E. VAN PELLICOM, die woonplaats kiest bij advocaat M. HERSSENS, kantoor houdende te GENT, Recollettenlei 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, dat woonplaats kiest bij advocaat A. CELIS, kantoor houdende te LEUVEN, Vital Decosterstraat 46, bus 6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW VERBOND VOOR HET ZELFSTANDIG ONDERNEMEN (VEZO) op 19 juni 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 22 april 1998 van de Vlaamse minister van Tewerkstelling “houdende de stopzetting van een GESCO-project”; Gelet op het arrest nr. 75.947 van 28 september 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 3 november 1998 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; IX-1268-1/6 Gelet op de beschikking van 24 november 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. MARTENS die, loco advocaat M. HERSSENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat K. VANCORENLAND die, loco advocaat A. CELIS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Op 21 oktober 1991 dient verzoekster, de VZW VEZO, een aanvraag in voor de tewerkstelling van gesubsidieerde contractuelen. De aanvraag heeft betrekking op zes voltijds aan te werven personen. 1.2. Op 12 februari 1992 wordt tussen verzoekster en de Gemeenschapsminister van Tewerkstelling een “overeenkomst betreffende de tewerkstelling van gesubsidieerde contractuelen bedoeld in artikel 7, § 5, van het besluit van de Vlaamse Executieve van 3 juli 1991” gesloten. In die overeenkomst waarborgt de aanvrager “dat de gesubsidieerde contractuelen die hij heeft aangeworven, werkzaamheden verrichten in de niet-commerciële sektor, die terzelfdertijd : IX-1268-2/6
- a)van sociaal of openbaar nut of van cultureel belang zijn;
- b)geen winst beogen;
- c)voldoen aan collectieve behoeften waaraan anders niet voldaan had kunnen worden”. Voorts verbindt de aanvrager “er zich toe de gesubsidieerde contractuelen uitsluitend de toegestane werkzaamheden te laten uitvoeren”. De Gemeenschapsminister van Tewerkstelling verbindt er zich zijnerzijds toe de premie bedoeld bij artikel 94, § 1, van de Programmawet van 30 december 1988 toe te kennen op voorwaarde dat de aanvrager de verbintenissen naleeft van de overeenkomst. 1.3. Uit een evaluatieverslag van 20 januari 1997 van de administratie werkgelegenheid van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap blijkt dat er problemen werden vastgesteld aangaande de tewerkstelling van de gesubsidieerde contractuelen : de uitgeoefende activiteiten zouden neerkomen op de organisatie van een afzonderlijke middenstandsorganisatie en beroepsfederatie. 1.4. In een schrijven van 25 maart 1997 aan verzoekster worden die onregelmatigheden uiteengezet. Op grond van het antwoord van verzoekster besluit het bestuur : “Het project mag worden verdergezet mits de werkgever een geactualiseerd takenpakket per gesco-werknemer opmaakt, de taken vorming en preventie faling verder uitbouwt. De gesco-werknemers mogen uitsluitend worden ingezet voor de leden van VEZO”. 1.5. Omdat de verwerende partij voort berichten van onregelmatig- heden bij verzoekster blijft ontvangen, neemt de minister van Tewerkstelling na nieuwe controles door het bestuur op 22 april 1998 het thans bestreden besluit. Het luidt als volgt : “(...) Het project wordt stopgezet op de eerste dag van de maand volgend op de betekening van deze beslissing gelet op volgende elementen : - één van de vroegere werknemers heeft een maand als gesco gewerkt en heeft hierbij hoofdzakelijk opdrachten uitgevoerd voor de BVBA De Alliantie. - één van de werknemers voert nieuwe taken uit op een andere plaats van tewerkstelling zonder goedkeuring van de bevoegde diensten - er worden niet-goedgekeurde taken uitgevoerd : IX-1268-3/6 n.a.v. twee inspectiebezoeken werd oorspronkelijk verklaard dat de gesco’s exclusief voor VEZO werkten met uitzondering van sporadische, korte opdrachten voor de NV ALFINEX. Nadien werd toegegeven dat ook taken worden verricht voor twee andere privé-vennootschappen met name BVBA De Alliantie en NV Deucalion. De door de gesco’s uitgevoerde taken voor deze drie vennootschappen zijn bovendien taken in de commerciële sector tegen betaling. De gesco-premie die voor de periode van 01.07.1997 tot 24.07.1997 werd uitbetaald voor mevrouw Hilde Maes, wordt teruggevorderd. Het ontslag van de werknemers dient conform de wettelijke voorschriften te gebeuren. Motivering : Stopzetting van het project in toepassing van art. 34 §§3b, 4 en 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 oktober 1993 tot veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen.”; 2.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie uiteenzet dat de verzoekende partij sinds 31 augustus 1998 in vereffening gesteld is, dat zij sindsdien nog alleen bestaat voor de noodwendigheden van de vereffening maar dat de onderhavige vordering “alleszins niet tot die noodwendigheden behoort”, dat de verzoekende partij na de vernietiging van de bestreden beslissing uiteraard geen gesubsidieerde contractuelen meer in dienst zal kunnen nemen noch het stopgezette GESCO-project zal kunnen voortzetten; dat zij besluit dat de verzoekende partij bijgevolg geen belang meer heeft bij haar beroep; 2.2. Overwegende dat verzoekster niet betwist dat zij in vereffening is; dat haar raadsvrouw ter terechtzitting echter betwist dat daarom haar belang teloorgegaan zou zijn; dat zij erop wijst dat de Raad van State in een aantal arresten aangenomen heeft dat de wijze waarop het bestuur de in een vernietigings-arrest vastgestelde onregelmatigheid zal kunnen herstellen niet nuttig betrokken kan worden bij de beoordeling van het belang; dat zij ook stelt dat het belang van een verzoekende partij in de loop van de procedure kan wijzigen en dat zulks hier het geval is; dat zij te dien aanzien uiteenzet wat volgt: de vereffenaar is betrokken in een gerechtelijke procedure over de verplichtingen van de vzw tegenover de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en het hof van beroep te Gent heeft een uitspraak uitgesteld totdat uitsluitsel is gegeven over het annulatieberoep; de bestuursaan-sprakelijkheid van de vereffenaar houdt ook in dat hij belang heeft bij de vernietiging van het bestreden besluit; 2.3.1. Overwegende dat het belang waarvan een verzoekende partij overeenkomstig artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State blijk moet geven dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het beroep en dat IX-1268-4/6 het ook nog moet bestaan op het ogenblik van de uitspraak, in die zin dat de verzoeker op dat ogenblik moet aantonen dat hij nog een tastbaar voordeel kan halen uit de vernietiging van de bestreden beslissing; 2.3.2. Overwegende dat verzoekster als vereniging in vereffening, nog enkel bestaat voor de noodwendigheden van deze vereffening; dat de vaststelling door de Raad van State, dat een GESCO-project onregelmatig beëindigd werd, die vereffening op geen enkele wijze beïnvloedt; dat, zou verzoekster daarmee beogen een titel te verkrijgen om van de verwerende partij een schadeloosstelling te vorderen, zulks een onrechtstreeks belang vormt dat niet volstaat als grondslag voor het actueel belang in het kader van een objectief beroep; 2.3.3. Overwegende dat de vereffenaar zelf nooit enig initiatief genomen heeft om aan de Raad van State mede te delen dat de vereniging reeds kort na het indienen van het beroep in vereffening gesteld is en evenmin uiteengezet heeft welk belang de in vereffening gestelde vereniging toch nog kon hebben; dat die vaststelling een kritische beoordeling vraagt van de argumenten die de vereniging in vereffening en de vereffenaar persoonlijk, ter terechtzitting doen gelden; 2.3.3.1. Overwegende dat verzoekster nog een belang ziet in de gevolgen van het vernietigingsarrest op een geding dat bij de justitiële rechter aanhangig is met betrekking tot de sociale verzekeringsverplichtingen van de verzoekende partij; dat zij evenwel niet aantoont en dat ook niet valt in te zien op welk vlak een vernietigingsarrest haar te dien aanzien nuttig kan zijn; dat de loutere omstandigheid dat de rechter zijn uitspraak in het bij hem aanhangig geding uitgesteld zou hebben tot na een vernietigingsarrest, op zich dat nut niet bewijst; 2.3.3.2. Overwegende dat verzoekster ook nog verwijst naar de aansprakelijkheid van de vereffenaar als bestuurder van de vereniging; dat dit beweerd belang geen causaal verband vertoont met het voorwerp van het onderhavig beroep en dat in ieder geval ook dat belang onrechtstreeks is, want gerelateerd aan de verantwoordelijkheid van de toenmalige bestuurders en niet aan de nietigverklaring van de eigenlijke beslissing; 2.4. Overwegende dat het beroep bij gebrek aan terdege aangetoond actueel belang, niet ontvankelijk is, IX-1268-5/6 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier december 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-1268-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.506 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.75.947 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div