← België

Arrest 165508 - Spoorwegen - 04/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.508 Rolnummer: A. 62552/IX-702 Zaak: Arrest 165508 - Spoorwegen - 04/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-21 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 10:56 Fiche Arrest nr 165.508 van 4 december 2006 Economische zaken - Spoorwegen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.508 van 4 december 2006 in de zaak A. 62.552/IX-

  1. In zake : Peter LORREZ, wonende te GERAARDSBERGEN, Waaienberg 105 tegen : de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS), die woonplaats kiest bij advocaat bij het Hof van Cassatie Ph. GERARD en advocaat K. RONSE, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 149/
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Peter LORREZ met een op 20 februari 1995 verzonden aangetekend schrijven heeft ingediend om de nietigver- klaring te vorderen van de beslissing van 1 januari 1995 van de Nationale Maatschap- pij der Belgische Spoorwegen (NMBS) waarbij verzoeker met ingang van diezelfde datum op pensioen wordt gesteld wegens invaliditeit; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 7 november 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; IX-702-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. VAN OUDENHOVE, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat K. RONSE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  4. Verzoeker was werkzaam als vakbediende bij de NMBS. In de loop van 1991 tot 1994 is hij in totaal 360 dagen afwezig wegens ziekte. Op 18 augustus 1994 wordt hij door het Gewestelijk Geneeskundig Centrum (hierna GGC) Brussel ongeschikt verklaard om elke statutaire functie op een volledige, regelmatige en onafgebroken wijze waar te nemen en dit vanaf 18 augustus 1994 tot op onbepaalde datum. 1.
  5. Verzoeker tekent beroep aan bij de bestuursgeneeskundige beroepscommissie die evenwel op 29 september 1994 de eerste beslissing bevestigt. Het proces-verbaal van het onderzoek van verzoeker bevat naast een zuiver medische beschrijving van het letsel waaraan verzoeker lijdt een als volgt verwoorde conclusie: "De beslissing genomen op 18.08.1994 door het GGC Brussel wordt bevestigd. De heer LORREZ Peter is ongeschikt voor elke functie". Deze beslissing wordt aan verzoeker meegedeeld op 6 oktober
  6. 1.
  7. Op 1 december 1994 wordt verzoeker door het GCC Brussel definitief ongeschikt verklaard om elke statutaire functie op een volledige, regelmatige en onafgebroken wijze waar te nemen. Deze beslissing, die is geformali- seerd op een voorgedrukt formulier, luidt: IX-702-2/6 "De bediende is definitief ongeschikt om elke statutaire functie op een volledige, regelmatige en onafgebroken wijze waar te nemen op 1.12.
  8. Oorzaak: ziekte. Blijvende globale invaliditeit die niet 66% bereikt. Te pensioneren op 1/1/
  9. Hij is niet zwaar gehandicapt in de zin van de wet van 26/6/92 en het MB van 30/7/
  10. " Zij wordt aan verzoeker meegedeeld bij brief van dezelfde datum. 1.
  11. Dientengevolge wordt verzoeker bij beslissing van het Directieco- mité op 1 januari 1995 gepensioneerd met ingang van die datum in toepassing van artikel 13 van het Hoofdstuk XVI van het statuut van het NMBS-personeel. Deze beslissing is als volgt verwoord: “De op de bijlage 1 opgenomen personen worden voortijdig gepensioneerd wegens invaliditeit met ingang van 1 januari 1995 bij toepassing van het in hoofding vermeld artikel
  12. (...) LORREZ Peter vakbediende. (...)”. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt hem meegedeeld bij brief van 1 januari 1995 waarin hem wordt bericht: "U werd door het Gewestelijk Geneeskundig Centrum BRUSSEL definitief ongeschikt verklaard om elke statutaire functie op een volledige, regelmatige en onafgebroken wijze waar te nemen. Overeenkomstig de bepalingen van het art. 13 van hoofdstuk XVI van het Statuut van het Personeel, wordt U met ingang van 01.01.1995 vroegtijdig op pensioen gesteld wegens invaliditeit. Het directiecomité heeft op 01.01.1995 uw oppensioenstelling op voormel- de datum bekrachtigd.";
  13. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  14. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel van zijn verzoekschrift aanvoert dat het oordeel volgens hetwelk hij niet meer in de mogelijkheid verkeert eender welke functie waar te nemen manifest onjuist is; dat verzoeker hiervoor verwijst naar een medisch verslag van 22 november 1994 opgesteld door dokter DE WAELE waarin deze besluit: “ALS CONCLUSIE: gezien momenteel geen radiculaire compressieverschijn- selen aanwezig zijn, hoewel een duidelijke hernia gevisualiseerd is op C.T. op L5S1 LI, met anatomische druk op de radix, zouden we momenteel toch een afwachtende houding aanraden, gezien geen echte ischialgie optreedt. IX-702-3/6 Mocht dit wel verschijnen is een microdisectomie L5S1 LI geïndiceerd. Er kan overigens gestart worden met het dragen van een zooltje van 8mmg in de LI schoen, progressief opdrijvend tot 12 mm, naast momenteel nog verder relatieve rust en in het bijzonder stoppen van zware sportactiviteiten. A priori lijken ons hier geen argumenten aanwezig voor stopzetten van niet- rugbelastend werk aanwezig.” dat volgens verzoeker hieruit blijkt dat hij nog zeker in aanmerking komt voor niet rugbelastend werk; 2.1.
  15. Overwegende dat de verwerende partij vooreerst wijst op de slechts marginale bevoegheid van de Raad van State om de medische ongeschiktheid van verzoeker te beoordelen; dat volgens haar verzoeker geen elementen aanbrengt die toelaten te stellen dat de beslissing over de definitieve ongeschiktheid van verzoeker gegrond is op kennelijk onjuiste feitelijke motieven; dat uit het verslag van dokter DE WAELE blijkt, zo stelt de verwerende partij, dat de rugpijn van verzoeker ook optreedt bij zittende houding en afneemt bij lighouding en zij zich de vraag stelt welk werk er dan wel voor verzoeker kan worden gevonden indien zelfs zittend werk rugbelastend is; dat de verwerende partij bijgevolg meent dat het verslag van dokter DE WAELE in overeenstemming is met het medisch onderzoek van de geneeskundi- ge diensten van de NMBS; dat bovendien, steeds volgens de verwerende partij, het verslag van dokter DE WAELE werd opgesteld naar aanleiding van een onderzoek dat plaatsvond drie maanden na het begin van de laatste afwezigheid van verzoeker die leidde tot de ongeschiktverklaring, zodat moet worden besloten dat na drie maanden rust de toestand geenszins verbeterd was; dat tenslotte de medische diensten van de NMBS met dat verslag geen rekening konden houden omdat het dateert van na de medische beslissing; 2.1.
  16. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord herhaalt dat er niet wordt aangegeven waarom hij in de onmogelijkheid zou verkeren om eender welke functie waar te nemen; dat aldus men niet kan uitmaken op welke feitelijke elementen de beslissing van de medische diensten van de verwerende partij steunt; dat verzoeker verder stelt dat er toch ook niet rugbelastend werk bestaat en dat het meer dan onwaarschijnlijk is dat de verwerende partij geen aan de ziektetoe- stand van verzoeker aangepaste functie zou kunnen vinden en dat nergens wordt aangegeven waarom het onmogelijk zou zijn om voor een vervangende tewerkstelling te zorgen; IX-702-4/6 2.1.
  17. Overwegende dat dit middel in essentie gericht is tegen de beslissing van de medische diensten van de verwerende partij waarbij verzoeker volledig en definitief ongeschikt wordt verklaard voor elke functie; dat vermits de beslissing waarmee de bevoegde medische dienst verklaart dat een ambtenaar niet meer in staat is zijn ambt of enig ander uit te oefenen een onderdeel is van een procedure die uitmondt in zijn ontslag en dus met de ontslagbeslissing een complexe verrichting uitmaakt, verzoeker zich nog op ontvankelijke wijze kan beroepen op de onregelmatigheid van de beslissing van die medische dienst; dat verzoeker aan die beslissing verwijt dat zij ten onrechte stelt dat hij ongeschikt zou zijn voor elke functie, tenminste dat zij niet aangeeft waarom hij ongeschikt zou zijn voor eender welke functie; dat hij van oordeel is dat hij nog in aanmerking komt voor niet rugbelastend werk; dat het medisch onderzoek dat door de medische diensten van de verwerende partij, in laatste instantie door de bestuursgeneeskundige beroepscom- missie, werd gedaan, tot doel had na te gaan of verzoekers medische situatie hem al dan niet nog geschikt maakte om zijn functie of een andere uit te oefenen en dat de medische diensten bijgevolg twee elementen in ogenschouw moesten nemen met name de medische toestand van de betrokkene en de vereisten van zijn functie of "eender welke functie bij de verwerende partij"; dat, wil hun conclusie voldoende verantwoord zijn, dan niet alleen de medische toestand van de betrokkene moet worden vastgesteld maar ook de gevolgen van die toestand op zijn geschiktheid voor eender welke functie bij de verwerende partij, gevolgen die dan de conclusie zoals geschikt of niet geschikt, volledig of gedeeltelijk moeten verantwoorden; Overwegende dat in geen enkele beslissing van de medische diensten er een spoor te vinden is van de hierboven genoemde gevolgen van verzoekers gezondheidstoestand op zijn geschiktheid en dat het GGC niet verder komt dan het formuleren van de eindconclusie maar zonder enige reden aan te geven die deze conclusie ondersteunt; dat de bestuursgeneeskundige beroepscommissie in haar verslag niet meer heeft gedaan dan de medische toestand van verzoeker te beschrijven, namelijk dat hij lijdt aan een discushernia en dat dan zonder meer het besluit volgt dat hij ongeschikt is voor elke functie; dat zij ook met geen woord rept over de invloed van het letsel dat bij verzoeker wordt vastgesteld op zijn fysieke mogelijkheden, zodat op geen enkele wijze wordt aangegeven hoe de conclusie dat hij volledig en definitief ongeschikt is voor zijn en elke andere functie, voortvloeit uit het bij hem vastgestelde letsel; dat daarbij bezwaarlijk kan worden voorgehouden dat het dermate evident was dat verzoeker onmogelijk nog kon functioneren met het vastgestelde letsel nu een door verzoeker gecontacteerd specialist in een attest van IX-702-5/6 22 november 1994 verklaart, uitgaande van dezelfde medische vaststelling van discushernia, “er a priori [...] geen argumenten aanwezig [zijn] voor [het] stopzetten van niet-rugbelastend werk”; dat een grondige motivering van de medische beslissing die verzoeker volledig en definitief ongeschikt verklaart voor alle werk des te meer vereist is aangezien deze beslissing in feite de oppensioenstelling van de betrokkene meebrengt; dat paragraaf 16 van bundel 570 - Arbeidsongeschiktheid om gezond- heidsredenen - van het ARPS inderdaad bepaalt dat een bediende zijn betrekking moet neerleggen, wanneer hij definitief ongeschikt is bevonden voor elke functie; dat dit middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  18. Vernietigd wordt de beslissing van 1 januari 1995 van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen waarbij Peter LORREZ met ingang van diezelfde datum op pensioen wordt gesteld wegens invaliditeit. Artikel
  19. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier december 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-702-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.508 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.