id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.509 Rolnummer: A. 73222/IX-1628 Zaak: Arrest 165509 - Tucht (openbaar ambt) - 04/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-20 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-01 10:56 Fiche Arrest nr 165.509 van 4 december 2006 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.509 van 4 december 2006 in de zaak A. 73.222/IX-
- In zake : Martin MULIER, wonende te HOUTHULST, Klerkenstraat 10, tegen : de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, die woonplaats kiest bij advocaten M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te BERINGEN, Scheigoorstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Martin MULIER op 11 februari 1997 heeft ingediend heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 27 september 1996 van de raad van bestuur van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening (hierna V.M.W.), waarbij “de Raad [van Bestuur] de door de Directieraad aan de heer Martin MULIER, Adjunct-Werkmees- ter bij de directie West-Vlaanderen, opgelegde tuchtmaatregel [bevestigt]: Verplaatsing bij tuchtmaatregel naar het waterproductiecentrum De Gavers in Harelbeke”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 24 februari 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-1628-1/7 Gelet op de beschikking van 12 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. DE GROOTE, die loco advocaten M. BOES en W. MERTENS verschijnt voor de verwerende partij ; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- Verzoeker is tewerkgesteld als adjunct-werkmeester (elektriciteit) bij de directie West-Vlaanderen in het waterproductiecentrum De Blankaart in Woumen van de V.M.W. 1.
- Op 22 december 1995 beslist de Directieraad van de V.M.W. aan de verzoeker een tuchtstraf op te leggen tot inhouding van wedde, ten bedrage van 10% gedurende drie maanden, wegens het laten omzetten in een privénummer van een door V.M.W. betaalde telefoonaansluiting met een publiek nummer. Daarenbo- ven verplicht de Directieraad verzoeker om zijn telefoonlijn opnieuw om te schakelen naar een lijn met publiek nummer. 1.
- Met een aangetekend schrijven op datum van 3 januari 1996 tekent verzoeker beroep aan tegen deze beslissing van de Directieraad. 1.
- De Raad van Beroep beslist op 16 februari 1996 gunstig te adviseren voor de op 22 december 1995 uitgesproken tuchtstraf. IX-1628-2/7 1.
- Na het advies van de Raad van Beroep besluit de Raad van Bestuur van de V.M.W. op 22 maart 1996 om tegen verzoeker een tuchtstraf uit te spreken tot inhouding van wedde ten bedrage van 10% gedurende drie maanden en beslist dat verzoeker onverwijld opnieuw een publieke telefoonaansluiting moet aanvragen. 1.
- De Directieraad komt in zijn beslissing van 11 juni 1996 tot de vaststelling dat de feiten voldoende bewijzen dat verzoeker minstens een halsstarrige weigering kan worden toegeschreven inzake de uitvoering van de beslissing van de raad van bestuur van 22 maart 1996 om opnieuw een publiek nummer aan te vragen en aldus opnieuw beschikbaar te zijn voor de uitvoering van zijn normale taken in het kader van de wachtdienst. Na onderzoek van het dossier stelt de Directieraad vast dat, gelet op de moeilijke werkverhoudingen in het waterproductiecentrum De Blankaart, de tewerkstelling van verzoeker in een ander productiecentrum de meest geschikte oplossing is. De Directieraad besluit om aan verzoeker de tuchtstraf op te leggen van overplaatsing bij tuchtmaatregel naar het waterproductiecentrum De Gavers in Harelbeke. 1.
- Verzoeker tekent met een aangetekend schrijven van 26 juni 1996 beroep aan tegen deze beslissing, waarna de Raad van Beroep op 29 september 1996 eenparig adviseert tot behoud van de door de Directieraad uitgesproken tuchtstraf. 1.
- De Raad van Bestuur van de V.M.W. bevestigt op 27 september 1996 de door de Directieraad aan verzoeker opgelegde tuchtmaatregel: “Verplaatsing bij tuchtmaatregel naar het waterproductiecentrum De Gavers in Harelbeke”; dit is de bestreden beslissing. 1.
- De bestreden beslissing wordt bij aangetekende brief van 1 oktober 1996 aan verzoeker toegezonden en door hem ontvangen op 3 oktober
- In deze brief wordt overeenkomstig artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, vermeld dat verzoeker binnen een termijn van zestig dagen tegen de voormelde beslissing beroep kan instellen bij de Raad van State. 1.
- Bij brief van 10 oktober 1996 dient verzoeker tegen voormelde beslissing bezwaar in bij de Vlaamse Minister voor Leefmilieu en Tewerkstelling. IX-1628-3/7 1.
- Bij brief van 2 januari 1997 heeft de minister geantwoord dat hij niet bevoegd is om in deze zaak op te treden en dat alle middelen op administratief vlak uitgeput waren.
- Over de ontvankelijkheid. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord opwerpt dat het beroep van verzoeker laattijdig en derhalve onontvan- kelijk is; dat zij hierbij uiteenzet wat volgt: “De Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening is een gedecentraliseerde instelling van het type B in de zin van de wet van 16 maart 1954 (zie artikel 1 wet). Wat betreft beslissingen, zoals thans is bestreden, is er geen andere vorm van bestuurlijk toezicht in de wet van 16 maart 1954 opgenomen, behalve hetgeen vermeld staat onder de artikels 9 en 10 van deze wet. Verzoekende partij behoorde derhalve te weten dat de termijn waarbinnen de regeringscommissaris een beroep had kunnen instellen tegen de beslissing van de Raad van Bestuur, een termijn van vier vrije dagen was en dat aangenomen dat een dergelijk besluit was ingesteld-, de minister dan diende te beslissen uiterlijk binnen een termijn van 20 vrije dagen (zie artikels 9 en 10 van deze wet). De verzoekende partij geeft toe reeds op 3 oktober kennis te hebben gekregen van het bestreden besluit. Haar brief naar de Minister Kelchtermans van 10 oktober 1996 is in ieder geval laattijdig, dit rekening houdend met de toepassing van de wet van 16 maart 1954"; dat de verwerende partij verder meent dat onder die omstandighe- den moet worden vastgesteld, vooreerst, dat de verzoekende partij niet op nuttige wijze gebruik heeft gemaakt van het systeem van bestuurlijk toezicht dat geldt ten aanzien van de verwerende partij en ten tweede dat in ieder geval de termijn van 60 dagen waarover zij beschikte om een beroep tot nietigverklaring in te kunnen stellen, ruim overschreden is; dat het feit dat de minister slechts zou geantwoord hebben met een brief van 2 januari 1997 aan voorafgaande vaststellingen geen afbreuk doet; dat verzoeker hoe dan ook behoorde te weten dat de termijn waarbinnen de minister kon optreden maximaal twintig dagen was, dit in de veronderstelling dat er een schorsend beroep zou zijn ingesteld door de regerings- commissaris, zodat verzoeker rustig kon wachten op een eventueel antwoord van de minister die zelfs niet verplicht was te antwoorden, om pas dan de termijn van zestig dagen te laten ingaan; 2.
- Overwegende dat verzoeker hierop in zijn memorie van wederant- woord repliceert dat sinds 19 april 1995 het nieuwe personeelsstatuut van de V.M.W. IX-1628-4/7 van toepassing is volgens hetwelk de door de Vlaamse regering voor sommige instellingen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaams Gewest opgerichte Raad van Beroep bevoegd is en de Raad van de V.M.W. in zijn oude -aan het nieuwe personeelsstatuut voorafgaande - samenstelling geen enkele bevoegdheid meer had; dat verzoeker dan ook de voogdijoverheid aanschreef om het standpunt te kennen van die overheid over de geldigheid van de opgelegde tuchtstraf tot overplaatsing en over de geldigheid van samenstelling van de beroepskamer die deze had uitgesproken; dat het antwoord van de betrokken minister op 2 januari 1997 hierover geen uitsluitsel gaf en enkel verwees naar de mogelijkheid van beroep bij de Raad van State maar dat het feit dat tussen de door verzoeker aan de minister gerichte brief en het antwoord van deze laatste ruim vijf maanden verstreken, daar waar de beroeps- termijn van dit rechtscollege slechts twee maanden bedraagt, er overduidelijk op wijst dat de Minister en zijn medewerkers wisten dat die voorziene beroepstermijn werd geschorst door een beroep op de voogdijoverheid door verzoeker; Overwegende dat wat betreft de procedure via beroep door de regeringscommissaris tegen de beslissing van de raad van bestuur verzoeker in zijn memorie van wederantwoord opmerkt dat deze procedure nergens in het nieuw V.M.W.-statuut wordt vermeld noch er naar verwezen wordt en het gaat om de toepassing van de algemene reglementering van de gedecentraliseerde besturen van het type B waarvan moeilijk kan worden verondersteld dat al deze procedurefinesses door verzoeker zouden gekend zijn; dat gelet op de korte termijn van vier vrije dagen na de beslissing van de Raad van bestuur voor de regeringscommissaris om beroep aan te tekenen het zowat materieel onmogelijk is voor verzoeker om, nadat hij over die mogelijkheid was ingelicht, de regeringscommissaris daadwerkelijk te contacte- ren; dat de V.M.W.-administratie bij het opleggen van de tuchtstraf naliet om verzoeker te wijzen op de mogelijkheid tot beroep door de Regeringscommissaris; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie stelt dat het vaste rechtspraak is dat de rechtzoekende zich eerst tot de toezichthoudende overheid dient te wenden alvorens zich tot de Raad van State te wenden en er dan stuiting van de termijn van zestig dagen voor het indienen van een beroep bij de Raad van State kan ingeroepen worden; dat door het schrijven vanwege de voogdijover- heid van 2 januari 1997 hetwelk door verzoeker werd ontvangen op 6 januari 1997 en waarin de voogdijoverheid verklaart onbevoegd te zijn, de termijn van zestig dagen voor het instellen van een beroep bij de Raad van State werd heropend; IX-1628-5/7 3.
- Overwegende dat overeenkomstig de vaste rechtspraak van de Raad van State de termijn voor het instellen van vernietigingsberoep wordt gestuit door een bezwaar bij de toezichthoudende overheid, op voorwaarde dat het bezwaar bij de toezichthoudende overheid wordt ingediend voor het verstrijken van zowel de termijn binnen welke die overheid de betwiste beslissing kan schorsen of vernietigen, als van de termijn voor het indienen van het vernietigingsberoep bij de Raad van State; 3.
- Overwegende dat uit artikel 2 van het decreet van 28 juni 1983 houdende de oprichting van de instelling Vlaamse Maatschappij voor Watervoorzie- ning volgt dat de V.M.W. een instelling van openbaar nut is die is ingedeeld bij de instellingen van categorie B, zoals vermeld in artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut; dat krachtens de artikelen 9 en 10 van de wet van 16 maart 1954 de regeringscommissaris bij de V.M.W. binnen een termijn van vier vrije dagen beroep kan instellen tegen elke beslissing die hij met de wet, de statuten of met het algemeen belang strijdig acht; dat het beroep opschortend is en de beslissing definitief wordt wanneer de minister bij wie het beroep werd ingesteld binnen een termijn van twintig vrije dagen de beslissing niet heeft vernietigd; 3.
- Overwegende dat door de regeringscommissaris tegen de door verzoeker betwiste beslissing geen beroep werd ingesteld, zodat de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling die beslissing niet kon vernietigen; dat bijgevolg het bezwaar dat de verzoeker bij de minister heeft ingediend de termijn voor het indienen van een vernietigingsberoep bij de Raad van State niet heeft gestuit; 3.
- Overwegende dat luidens artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State de vernietigingsberoepen moeten worden ingediend binnen zestig dagen nadat de bestreden beslissing of verordening werd bekendgemaakt of betekend en dat indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden de termijn ingaat met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad; dat de bestreden beslissing op 3 oktober 1996 aan de verzoeker ter kennis werd gebracht en de beroepstermijn derhalve verstreek op 2 december 1996; dat aangezien in deze het beroep werd ingesteld op 11 februari 1997 het wegens laattijdigheid moet worden verworpen, IX-1628-6/7 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier december 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-1628-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.509 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.