id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.644 Rolnummer: A. 166849/XIV-23791 Zaak: Arrest 165644 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 06/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-21 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-01 11:12 Fiche Arrest nr 165.644 van 6 december 2006 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.644 van 6 december 2006 in de zaak A. 166.849/XIV-23.
(2), van het Vluchtelingenverdrag beantwoordt, het niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat de Raad immers geen tweede instantiegerecht is dat de zaak opnieuw ten gronde onderzoekt, en als administratieve cassatierechter enkel de wettigheid van de hem voorgelegde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen mag nagaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat de proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen bij de Verenigde Naties geen juridisch bindend karakter heeft, maar enkel als aanbeveling dient en bijgevolg geen afdwingbare rechtsregels bevat; dat de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen gebaseerd is op de volgende motieven: verzoeker toont zijn reisweg en de periode waarin hij is gevlucht niet aan, wat een negatieve indicatie inhoudt voor de geloofwaardigheid van zijn vluchtrelaas; verzoeker toont niet aan dat hij omwille van religieuze redenen werd ontslagen; tegenstrijdige verklaringen met betrekking tot problemen met A. A. K., M. A. en een politieoptreden dat hiervan het gevolg zou zijn geweest, waardoor de geloofwaardigheid van het relaas in het gedrang wordt gebracht; verzoeker legde ter zitting twee kranten neer van 1 en 2 juli 2004 waarvan hij nooit eerder melding had gemaakt, ondanks zijn regelmatige contacten met zijn echtgenote; hoe XIV-23.791-4/7 dan ook kan geen bewijswaarde worden toegekend aan deze kranten gelet op het feit dat mits betaling dergelijke artikels erin kunnen worden opgenomen; het ontbreken van een geloofwaardige verklaring voor de tegenstrijdigheden vastgesteld in de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, ondanks de belangrijkheid van de feiten waarop deze tegenstrijdigheden slaan waardoor de geloofwaardigheid van het relaas ernstig wordt gehypothekeerd; de loutere hoedanigheid van Ahmadiyya is op zich onvoldoende om een gegrond beroep op het vluchtelingenschap te doen gelden en ieder dossier dient op individuele basis te worden onderzocht; het relaas van verzoeker wordt niet geloofwaardig bevonden en hij toont niet aan dat hij de bescherming van zijn land van herkomst niet kan of wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen of de door hem vastgestelde tegenstrijdighe- den en hiaten in de opeenvolgende verklaringen van betrokkenen dermate belangrijk zijn dat erdoor de geloofwaardigheid van het asielrelaas wordt aangetast, of aan de voorgelegde stukken bewijswaarde kan worden toegekend en of verzoeker in de mogelijkheid was om het bestaan van bepaalde krantenpublicaties met betrekking tot zijn problemen te kennen op het ogenblik van de verhoren waaraan hij in het kader van de asielprocedure werd onderworpen; dat deze beoordelingen door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kunnen worden overgedaan; dat het loutere feit dat het al dan niet aantonen van de gevolgde reisweg bij de ene kandidaat-vluchteling wordt ingeroepen als weigeringsmotief en bij de andere kandidaat-vluchteling niet wordt ingeroepen op zich niet aantoont dat de betrokken rechter niet onbevooroordeeld of niet objectief zou hebben geoordeeld; dat het eerste middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; 1.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “Tweede middel SCHENDING VAN ARTIKEL 10, 1
- d)VAN DE RICHTLIJN 2004/83/EG VAN DE RAAD VAN EUROPA dd. 29.04.2004 "inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft" De genoemde richtlijn geeft in artikel 10 een definitie van de "specifieke sociale groep" zoals beschermd in de Conventie van Genève, en deze definitie is naadloos van toepassing op de Ahmadiyya godsdienstgelovigen uit Pakistan. De definitie is : een groep wordt geacht een specifieke sociale groep te vormen als met name de leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappe- lijke achtergrond delen die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk OF GELOOF delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven. Het Minbuza rapport -geciteerd in de bestreden beslissing- (Minbuza nl - actueel - ambtsberichten Pakistan) beschrijft haarfijn de positie van ahmadiyya's in Pakistan, en rapporteert dat het aantal ahmadiyya's in Pakistan slechts 296.000 zielen bedraagt, waarvan er 40.000 wonen in Rabwah. Hun geloof is specifiek, en maakt deel uit van hun identiteit, zoals niet alleen het minbuza rapport komt te stellen, maar alle internationale rapporten. Hun geloof is identificeerbaar, en tekstueel strafbaar gesteld als blasfemie in artikel 298 van de Pakistaanse strafwet (295 is "algemene" blasfemie die ook tegen christenen of boedhisten kan ingeroepen worden, maar de ahmadiyya-godsdienst word(
- t)woordelijk en specifiek strafbaar gesteld in art. 298) XIV-23.791-5/7 Laatstens stelt de bestreden beslissing zelf dat de situatie van DE Ahmadiyya's zorgwekkend is, dus de bestreden beslissing zelf identificeert de ahmadiyya's eveneens als "groep". De motivering kan niet gevolg worden waar zij stelt dat elk dossier op individuele basis dient onderzocht te worden. Dit is uiteraard zo als het gaat over politiek vluchteling- schap senso stricto, of als het gaat over vervolging op basis van nationaliteit of ras. Die redenering kan niet worden gevolg(
- d)als het gaat over het "lidmaatschap van een groep", want dan kan uiteraard bescherming worden in ingeroepen, enkel en alleen omdat men lid is van de groep. In casu werd dit lidmaatschap nooit ter discussie gesteld. Verzoeker heeft derhalve recht op de erkenning van zijn statuut. De ingeroepen richtlijn heeft overigens directe werking in het Belgische rechtssysteem, nu ze werd toegepast in een principebeslissing van de Vaste Beroepscommissie dd. 02.12.2004, VB 04 - 1680.”; 1.2.2. Overwegende dat artikel 38 van de betrokken richtlijn bepaalt dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 10 oktober 2006 aan deze richtlijn te voldoen; dat op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing de omzettingstermijn van de betrokken richtlijn nog niet was verstreken; dat aldus verzoeker niet dienstig een beroep kon doen op deze richtlijn; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 2. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-23.791-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes december tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-23.791-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.644 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div