id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.664 Rolnummer: A. 103436/VII-23473 Zaak: Arrest 165664 - Milieuvergunningen - 07/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-18 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 11:14 Fiche Arrest nr 165.664 van 7 december 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.664 van 7 december 2006 in de zaak A. 103.436/VII-23.473 In zake : de b.v.b.a. BELGICAPLANT, die woonplaats kiest bij advocaten J. SURMONT en P.TEERLINCK, kantoor houdende te TURNHOUT, de Merodelei 112 tegen : Het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering dat woonplaats kiest bij advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE, J. COLPAERT en F. VINCKE, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg 82 tussenkomende partij : Theo VANDERHALLEN, die woonplaats kiest bij advocaat M. VAN PASSEL, kantoor houdende te ANTWERPEN, Frankrijklei 146. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. BELGICAPLANT op 17 april 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 20 februari 2001 waarbij haar beroep aangetekend tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincie- raad van Antwerpen van 3 augustus 2000 houdende weigering van de vergunning om een glastuinbedrijf, gelegen te Hoogstraten, Loenhoutsesteenweg, te exploiteren, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 99.923 van 18 oktober 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; VII-23.473-1/27 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 4 april 2002 ingediend door Theo VANDERHALLEN; Gelet op de beschikking van 11 april 2002 die de tussenkomst van Theo VANDERHALLEN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 31 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 november 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. SURMONT, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat I. DE TANDT, die verschijnt voor de verwerende partij en van advocaat M. VAN PASSEL, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-23.473-2/27 1. De rechtspleging Overwegende dat na de neerlegging van het auditoraatsverslag het buurtcomité "Geen glas maar gras" een nota heeft ingediend; dat dit comité geen partij is in het geding; dat alleen reeds om die reden haar nota uit de debatten moet worden geweerd; 2. De feiten Overwegende dat de feitelijke toedracht van de zaak als volgt kan worden samengevat: 2.1. De verzoekende partij wil aan de Loenhoutsesteenweg te Hoogstraten een glastuinbouwbedrijf exploiteren. Op 25 november 1999, vervolle- digd op 7 januari 2000 en op 31 januari 2000, dient zij hiertoe een milieuvergunnings- aanvraag in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. 2.2. Voor dit project bekwam de verzoekende partij op 11 augustus 2000 vanwege het college van burgemeester en schepenen van Hoogstraten een stedenbouwkundige vergunning, onder bepaalde voorwaarden. De bouwaanvraag heeft betrekking op het slopen van een serre, het vellen van bomen, en het bouwen van serres en een waterreservoir, dit voor een nieuw op te richten tuinbouwbedrijf. In het advies van de gemachtigde ambtenaar staat onder meer te lezen dat het bedrijf specifiek gericht is op de kweek van plantgoed, wat een grondgebonden activiteit is en volledig in overeenstemming met de bestemming op het gewestplan. De inplanting van de serre gebeurt volledig aansluitend aan het woongebied en is gesitueerd tussen twee gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, waardoor het open agrarisch gebied zo min mogelijk wordt aangetast. Zowel de dienst Waterbeleid van de provincie, voor wat betreft de ligging aan de waterlopen, als PIDPA, de drinkwatermaatschappij, voor wat betreft de ligging in het waterwing- ebied, geven te kennen dat zij geen bezwaren hebben tegen de aanvraag wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden die zij in hun advies hebben gesteld. Blijkens de aanhef van de bouwvergunning wordt het bezwaar van de omwonenden betreffende de impact op de aanwezige fauna en flora gegrond bevonden, doch er worden door de afdeling Natuur enkele voorwaarden gesteld met VII-23.473-3/27 het oog op het beschermen van de natuurwaarden. In bijlage bij de vergunning zit het advies van de afdeling Natuur. In dit advies staat onder meer vermeld: "De inplantingsplaats is daarnaast ook gelegen in een belangrijk gebied voor weidevogels, speciaal voor Grutto en Limosa Limosa. Het gebied is opgenomen als beheersgebied voor weidevogels in het Ministerieel Besluit betreffende het sluiten van beheersovereenkomsten ter uitvoering van de EEG-Verordening nr. 2078/92 van de Raad van 30 juni 1992. (...) Gezien het belang van het gebied voor weidevogels, is de voorziene ingreep vrij ingrijpend. Daarom kan enkel met de voorgestelde werken worden ingestemd indien compenserende maatregelen worden getroffen om de schade aan de natuurwaarden (speciaal voor de weidevogels) te beperken. (...) Aangezien in de bijgevoegde vergunning geen maatregelen zijn opgenomen om aan de zorgplicht te voldoen en dit specifiek voor de aanwezige weidevo- gels, wordt ongunstig advies verstrekt". 2.3. Met een besluit van 3 augustus 2000 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gevraagde milieuvergunning. 2.4. De verzoekende partij stelt beroep in tegen dit weigeringsbesluit. 2.5. In het kader van de beroepsprocedure wordt een aantal adviezen uitgebracht: (
- a)de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert principieel gunstig; (
- b)de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert principieel gunstig; (
- c)de afdeling Natuur adviseert gunstig, zij het onder voorwaarden: "De aanvraag behelst de oprichting van een zeer groot serrecomplex (15
- ha)in agrarisch gebied, zone voor gemeenschapsvoorzieningen en waterwinningsge- bied. De aanvraag is bovendien gesitueerd in een gebied dat in Vlaanderen aangeduid is als weidevogelgebied in uitvoering van de Europese verordening 2078/92. Op de betrokken percelen broeden momenteel effectief weidevogels onder meer 3 koppels Grutto, één van de aandachtssoorten binnen de beheers- pakketten voor weidevogels. De nieuwe serre zal een enorme ruimtelijke impact hebben op het gebied. Een belangrijke oppervlakte van het broed en foerageergebied van de weidevogels zal verloren gaan. Bovendien zal de bedrijvigheid rond de serre de rust in de omgeving verstoren. De afdeling Natuur kan enkel instemmen met de uitvoering van het voorgestelde project indien compenserende maatregelen worden getroffen om de schade aan de natuurwaarden (speciaal de weidevogels) te beperken. Ik verwijs hierbij specifiek naar de artikels 8, 14 en 16 van het 'Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu' van 21.10.97. Artikel 8 betreft het standstill-principe, dat een verdere kwalitatieve en kwantitatieve achteruitgang van milieu en natuur wil voorkomen. VII-23.473-4/27 Artike1 14 (zorgplicht) wijst op de noodzaak om alle maatregelen te treffen die nodig zijn om schade aan natuurelementen te voorkomen. Artikel 16 legt de overheid expliciet op er voor te zorgen dat natuurschade vermeden wordt door vergunningen te weigeren of aan voorwaarden te onderwerpen. De afdeling Natuur geeft gunstig advies voor deze mi1ieuvergunningsaan- vraag op voorwaarde dat de aanvrager van de milieuvergunning aan de zorgplicht voldoet. Concreet worden 2 opties voorgesteld waaruit de aanvrager kan kiezen: l. De aankoop van 5 ha grond gelegen in een weidevogelgebied of vogel- richtlijngebied in de nabije omgeving van het bouwperceel en de duurzame inrichting en het beheer ervan in functie van weidevogels. De aankoop dient te gebeuren binnen een periode van 1 jaar na het bekomen van de nodige vergunning. Na de inrichting van de gronden (met b.v. plas-drassituaties en/of weidevogelpoelen) kan het beheer indien gewenst kosteloos worden overgedragen aan een erkende terreinbeherende natuurvereniging die daarvoor een beheerssubsidie kan ontvangen, of aan de afdeling Natuur van AMINAL. De kwaliteitsverhoging van het biotoop moet het oppervlaktever- lies compenseren. 2. Het beheer van 15 ha weiland aansluitend bij het te bouwen serrecomplex in functie van weidevogels en dit overeenkomstig de Europese verordening 2078/92. Voor dit beheer kunnen eventueel beheersovereenkomsten worden afgesloten met de Vlaamse Landmaatschappij (voor periodes van 5 jaar) indien de aanvrager deze gronden laat beheren door beroepslandbouwers. Dit beheer dient van start te gaan binnen 1 jaar na het bekomen van de nodige vergunningen. Mocht dit beheer na een aantal jaren om één of andere reden (b.v. de uitbreiding van het bedrijf) worden stopgezet dan moet de aanvrager alsnog de optie 1 realiseren. Voor de concrete inrichting of het concreet beheer van de verworven gronden dient de aanvrager overleg te plegen met de afdeling Natuur. N.B. Dezelfde voorwaarden werden door de afdeling Natuur ook opgelegd bij de advisering van de bouwvergunningsaanvraag"; (
- d)de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL adviseert gunstig; (
- e)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig. De exploitant werd door de commissie gehoord en diende een nota in. 2.6. In een faxbericht van 19 februari 2001, gericht aan het kabinet van de Vlaamse minister voor Leefmilieu, stelt de PIDPA onder meer wat volgt: "Het betrokken gebied geldt, gezien de aanwezigheid van de kleien van de Formatie van de Kempen, niet als infiltratiegebied voor de watervoerende lagen. Wel dient het hemelwater zoveel mogelijk opgevangen". 2.7. Op 20 februari 2001 wordt het thans bestreden besluit genomen: het beroep wordt ongegrond verklaard en het weigeringsbesluit van de bestendige deputatie wordt bevestigd. VII-23.473-5/27 Het bestreden besluit is in essentie als volgt gemotiveerd: - 1) door de grootte van het bedrijf (15
- ha)zal de thans bestaande open ruimte zeker aangetast worden; het is aangewezen deze bestaande open ruimte optimaal te vrijwaren; bij het aansnijden van de open ruimte dient deze bij voorrang aan grondgebonden landbouwbedrijven te worden toegewezen; in casu is het bedrijf niet grondgebonden; - 2) een groot aantal thans aanwezige natuurlijke elementen dienen te worden gewijzigd; - 3) de aanvraag is gesitueerd in weidevogelgebied in uitvoering van de Europese verordening 2078/92; een belangrijke oppervlakte van het broed- en foerageergebied van de weidevogels zal verloren gaan; de noodzakelijke rust zal worden verstoord; - 4) artikel 13 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (natuurbehouddecreet) machtigt de Vlaamse regering om alle maatregelen te nemen voor het natuurbehoud, ten behoeve van de bestaande natuur; - 5) artikel 16, §1, van hetzelfde decreet legt aan de overheid de verplichting op om er voor te zorgen dat natuurschade wordt vermeden door ofwel vergunningen te weigeren, ofwel door voor deze vergunningen aangepaste voorwaarden op te leggen die natuurschade kunnen verhinderen; de door de afdeling Natuur voorgestelde maatregelen kunnen de natuurschade niet beperken; er zijn ook geen "andere compenserende maatregelen voorhanden"; compenserende maatregelen kunnen nooit het kwantitatieve verlies aan open ruimte, voorzien als weidevogelgebied, goedma- ken; door het ontbreken van hydrogeologische gegevens kan geen inschatting gemaakt worden van de effecten op de waterhuishouding van de aanpalende weidevogelgebieden, die zullen worden aangekocht of beheerd in uitvoering van het akkoord tussen de afdeling Natuur van Aminal en de exploitant; - 6) de inrichting bevindt zich grotendeels in de beschermingszone III van de PIDPA-grondwaterwinning; door de verharding zal een grote hoeveelheid hemelwa- ter niet meer kunnen infiltreren in het ondiepere grondwater; de grondwaterhuishou- ding zal lokaal wijzigen, hetgeen een impact kan hebben op de flora van de stroomafwaartse gebieden; het aanvraagdossier laat evenwel niet toe de exacte plaatselijke invloed van de verharding op de verdroging na te gaan; de exploitant maakte geen hydrogeologische gegevens van de ondergrond kenbaar; het MINA-plan kaart verdroging als een belangrijk thema aan; de bepalingen van het MINA-plan zijn indicatief, behoudens de bepalingen van het actieplan die door de Vlaamse regering als bindend zijn aangeduid en die bindend zijn voor de diensten van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap; het MINA 2-plan somt diverse actieplannen op te bestrijding van de verdroging; daaronder valt "actie 72", die er op gericht is infiltratie VII-23.473-6/27 en lokale berging te stimuleren en waterafvoer af te remmen; deze maatregelen hebben onder meer betrekking op het terugdringen van verharde oppervlaktes; - 7) het is onduidelijk welke capaciteit de bassins voor de opvang van het hemelwater hebben; bij langdurige zware regenval zal de neerslag geconcentreerd via enkele beken moeten worden afgevoerd, wat plaatselijk voor wateroverlast kan zorgen; - 8) het project staat op gespannen voet met een aantal bepalingen uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen; 3. De gegrondheid van het beroep 3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel het volgende uiteenzet: "1. Eerste middel Genomen uit schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 3 en 4 van het Milieuvergun- ningsdecreet, van artikel 52, 3/, b van de titel I van VLAREM, uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, juncto artikel 11 van het besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp gewestplannen en de gewestplannen, van artikel 13 en 16 van het Natuurbehoudsdecreet, van artikel 18 en 19, §5 van het decreet houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de bindende bepalingen van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. Doordat, eerste onderdeel, de vergunning wordt geweigerd op grond van een reeks motieven, geput uit hetzij feitelijk onjuiste, hetzij rechtens irrelevante beschouwingen omtrent het serrencomplex, Terwijl, de overheid die over een milieuvergunningsaanvraag uitspraak doet, er toe gehouden is deze aanvraag zorgvuldig en in alle redelijkheid te beoorde- len, de beslissing omtrent deze aanvraag uitdrukkelijk en afdoende te motiveren, waarbij deze overheid er rekening mee dient te houden dat haar beoordeling beperkt is tot de inrichtingen waarvoor de vergunning aangevraagd is zodat de overheid niet vermag om een milieuvergunning voor een beperkt aantal inrichtingen die bij een groter project horen te weigeren, tegen alle adviezen in, zonder over bijzonder doorslaggevende argumenten te beschikken, eigen aan de inrichtingen waarvoor een milieuvergunning wordt gevraagd; En doordat, tweede onderdeel, de milieuvergunningsaanvraag door de vergunningverlenende overheid, in strijd met de geleverde adviezen, onverenig- baar wordt geacht met de goede ruimtelijke ordening, omdat het zou gaan om een niet aan de grondgebonden bedrijf, Terwijl het al dan niet grondgebonden karakter van het bedrijf voor het beoordelen van de aanvraag om milieuvergunning, niet ter zake doet. En doordat, derde onderdeel, de milieuvergunningsaanvraag door de vergunningverlenende overheid ongunstig wordt beoordeeld gelet op de artikelen 13 en 16, §1 van het decreet op het natuurbehoud dat de verplichting oplegt om milieuschade te vermijden, en milieuschade in deze niet vermeden zou kunnen worden, zelfs niet met inachtneming van de compenserende maatregelen, opgelegd door het advies van de afdeling Natuur van AMINAL. VII-23.473-7/27 Terwijl artikel 13 van het decreet op het natuurbehoud een grondslag is voor het nemen van reglementaire besluiten, maar geen grondslag is voor de beoordeling van vergunningsaanvragen, en artikel 16, §1 een inspanningsver- plichting oplegt voor de overheid om er voor te zorgen dat, indien milieuschade kan worden vermeden, dit ook daadwerkelijk gebeurt, doch niet om er voor te zorgen dat onvermijdbare milieuschade wordt voorkomen En doordat, vierde onderdeel, de milieuvergunningsaanvraag door de milieuvergunningverlenende overheid ongunstig wordt beoordeeld, gelet op een door haar in extremis uitgevoerde beoordeling op basis van sterk gesimplifieerde en niet onderbouwde gegevens en in strijd met de afgeleverde adviezen Terwijl, de milieuvergunningverlenende overheid niet vermag om op basis van overduidelijk gesimplifieerde gegevens een vergunning ongunstig te beoordelen, indien de diverse adviesverlenende instanties, die over correctere en meer geschikte gegevens beschikken of konden beschikken, een gunstig advies hebben verleend. En doordat, vijfde onderdeel, de milieuvergunningsaanvraag door de milieuvergunningverlenende overheid ongunstig wordt beoordeeld, gelet op de onduidelijkheid in verband met de capaciteit van de waterspaarbekkens Terwijl de waterspaarbekkens geen milieuvergunningsplichtige inrichting zijn, en de mogelijke gegevens hieromtrent lang op voorhand konden worden gevraagd door de adviesverlenende instanties, bijvoorbeeld naar aanleiding van de hoorzitting door de milieuvergunningscommissie, zodat het onzorgvuldig is van de overheid om in extremis op te werpen dat er over dit aspect geen gegevens beschikbaar zijn, zodat 'kan aangenomen worden' dat bij 'langdurige zware regenval', 'plaatselijk' wateroverlast 'kan' ontstaan, en de capaciteit van de waterbekkens door een eenvoudige formule konden worden berekend. En doordat, zesde onderdeel, de milieuvergunningsaanvraag door de vergunningverlenende overheid ongunstig wordt beoordeeld, gelet op 'enkele bepalingen uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen' Terwijl een structuurplan geen beoordelingsgrond vormt voor vergunningen, maar enkel een beleidsdocument is, en dat, zelfs als men er ter illustratie uit citeert, ertoe gehouden is geen bepalingen te citeren die niet ter zake doen of los van andere bepalingen die het aangevraagde project juist ondersteunen"; Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichting stelt dat het middel in essentie gesteund is op een gebrekkige motivering, en dat geen van de aangevoerde motieven dienstig zijn; dat zij vervolgens overgaat tot een bekritisering van de motieven; dat zij, wat betreft het motief dat het gaat om een zeer groot serrecomplex, stelt dat het project reeds vanuit het oogpunt van de goede ruimtelijke ordening gunstig werd beoordeeld door de bevoegde overheid, dat het serrecomplex zelf niet milieuvergunningsplichtig is, doch enkel een aantal bij dit complex horende inrichtingen, dat de vergunningsaanvraag door alle instanties gunstig beoordeeld werd, dat de vergunningsaanvraag uitsluitend mocht worden beoordeeld rekening houdend met de inrichtingen die werkelijk vergunningsplichtig zijn, dat het serrecomplex als zodanig niet vergunningsplichtig is, terwijl de motivering evenwel uitsluitend betrekking heeft op het serrecomplex; VII-23.473-8/27 Overwegende dat de verzoekende partij, aangaande het motief dat het gaat om een complex dat geen grondgebonden karakter heeft, stelt dat agrarische gebieden bestemd zijn voor landbouw in de ruime zin en dat een serrecomplex daaronder valt, dat het koninklijk besluit van 28 december 1972 nergens bepaalt dat er een voorkeur moet worden gegeven aan grondgebonden bedrijven; Overwegende dat, wat betreft het motief dat het vergunnen van het complex strijdig zou zijn met de artikelen 13 en 16, §1, van het natuurbehouddecreet en de ligging van het complex in weidevogelgebied, de verzoekende partij stelt dat het niet correct is dat de bedrijvigheid rond het serrecomplex de rust zal verstoren, dat enkel aan de zijde van de druk bereden gewestweg bedrijvigheid kan worden verwacht, dat de overheid nergens motiveert welke de rechtsgrond is om op grond van de ligging in een weidevogelgebied de vergunning te weigeren, dat artikel 13 van het natuurbehouddecreet enkel een grondslag vormt voor het nemen van maatregelen van algemene, verordenende aard, en dat het geenszins een grondslag is om individuele aanvragen te beoordelen, dat artikel 16, §1, van het natuurbehouddecreet bepaalt dat, indien schade aan de natuur kan worden vermeden, de overheid er toe gehouden is deze schade ook daadwerkelijk te vermijden, hetzij via het opleggen van voorwaarden, hetzij door de vergunning te weigeren, dat, indien de schade niet kan worden vermeden, en dus onvermijdbaar is, deze paragraaf niet van toepassing is, dat enkel wanneer de activiteit die aan een vergunning onderworpen is gelegen is in een VEN gebied (quod non in casu), er een algemene verplichting bestaat om de vergunning te weigeren indien de schade "onvermijdbaar en onherstelbaar" is (artikel 16, §3), dat het duidelijk is dat, indien artikel 16, §1, een algemene verplichting zou inhouden om zelfs onvermijdbare schade te voorkomen, artikel 16, §3, geen nut zou hebben, dat ofwel de natuurschade onvermijdbaar is, en in dat geval de overheid artikel 16, §1, niet kon toepassen, ofwel de natuurschade vermijdbaar is, bijvoorbeeld door compenserende maatregelen, maar de overheid dan toch dient aan te geven hoe de schade dan wel moet worden vermeden, indien zij het niet eens is met de voorwaarden gesteld door de afdeling Natuur, dat overigens moet worden opgemerkt dat artikel 16, §5, van het natuurbehouddecreet een uitdrukkelijke motiveringsplicht oplegt in verband met de "vermijdbare of onherstelbare schade", dat aan deze motiveringsplicht niet wordt voldaan, nu niet kan worden uitgemaakt of de overheid in deze van mening was of de schade onvermijdbaar was of juist vermijdbaar, maar dat in dit laatste geval men niet leest hoe de schade kon worden vermeden; Overwegende dat, aangaande het motief dat de inrichting gelegen is in een beschermingszone III van de PIDPA en er een risico is voor een negatieve VII-23.473-9/27 beïnvloeding van de waterhuishouding, de verzoekende partij betoogt dat het effect op de waterhuishouding niets te maken heeft met de milieuvergunningsplichtige inrichtingen, dat de effecten op de waterhuishouding de overheid niet bekend zijn, ook al heeft zij in de loop van de procedure de mogelijkheid gehad om deze effecten te bestuderen, hetzij door aan de aanvrager, hetzij door een van de adviesverlenende instanties om informatie te vragen, dat de verwerende partij in extremis informatie vraagt aan de PIDPA, die antwoordt dat er zich in het geheel geen probleem voordoet, dat de verwerende partij er dan niets beters op vindt dan het advies van de PIDPA, die nochtans over expertise beschikt, op basis van een berekening met overgesimplifieerde uitgangspunten, te gaan weerleggen, dat de evaporatietranspiratie het overgrote deel van het water wegleidt, dat als met deze evaporatietranspiratie geen rekening wordt gehouden, niets zinnigs kan worden gezegd over de infiltratie, dat er werkelijk niet kan worden ingezien hoe deze verminderde infiltratie een invloed kan hebben op de omliggende gronden omdat deze omliggende gronden evenveel neerslag te verwerken krijgen als de nu verharde gronden, dat het meedelen van hydrogeologische gegevens bij de aanvraag niet verplicht was, dat het studiebureau Geologica tot de conclusie komt dat de aanwezigheid van de serres geen barrière vormt voor de grondwaterstroming, dat het regenwater wordt opgevangen in bassins en hergebruikt voor het besproeien van de planten, dat op basis van de plannen de capaciteit van de bassins kon worden berekend, dat de veronderstellingen over wateroverlast puur hypothetisch zijn; Overwegende dat, wat ten slotte het motief betreft dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen bepalingen bevat die zich tegen het project keren, de verzoekende partij doet gelden dat artikel 19, §6, van het decreet houdende organisatie van de ruimtelijke ordening stelt dat een ruimtelijk structuurplan geen beoordelingsgrond vormt voor een stedenbouwkundige vergunning, en evenmin voor een milieuvergunning, dat, bovendien, indien de overheid dit Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen zou wensen in te roepen, zij zich natuurlijk niet kan beperken tot het citeren van een aantal vage algemene principes, terwijl er in het structuurplan andere principes staan opgenomen die zeer concreet kunnen worden betrokken op het huidige project, dat de overheid in deze niet ontkent dat de gemeente Hoogstraten staat aangegeven als een centrum voor glastuinbouw, dat dit element echter wordt weerlegd door te stellen dat de bestaande serrecomplexen zich situeren ten noorden van de woonkern van Hoogstraten, dat als dit al zo zou zijn, dit dan niet terzake doet, nu een structuurplan juist een aanduiding is van de "gewenste ruimtelijke structuur", en niet van de bestaande, dat er bovendien op de betrokken locatie reeds een serrecomplex staat, zodat ook deze beoordeling foutief is; VII-23.473-10/27 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord vooreerst een algemene opmerking maakt over de middelen; dat zij met name de essentiële dragende elementen van het bestreden besluit onderstreept, te weten: - juridische onderbouw: artikel 16 van het natuurbehouddecreet; - feitelijke onderbouw: de grote ruimtelijke impact als aanslag op de bestaande open ruimte en de natuur; dat zij stelt dat het bestreden besluit overeind blijft op basis van artikel 16 van het natuurbehouddecreet, dat dit artikel een zogenaamde ingreeprege- ling is, die tegemoet komt aan het feit dat de bevoegdheid tot het nemen van beslissingen, die een nadelige invloed kunnen hebben op de natuur en het landschap (bv. inzake milieuvergunningen), vaak in handen ligt van andere bestuursorganen of overheden dan diegene die bevoegd zijn voor de uitvoering van de natuurbehoudwet- geving, dat met de inschrijving van een ingreepregeling men tracht te bekomen dat meer rekening wordt gehouden met de belangen verbonden met het behoud van natuur- en landschapswaarden, dat een ingreepregeling vrij nauwkeurig aangegeven verplichtingen bevat die gelden bij ingrepen in natuur en landschap, dat artikel 16 van het natuurbehouddecreet onder meer van toepassing is op iedere milieuvergunning, dat de grote lijnen van de Vlaamse ingreepregeling onder meer inhouden dat de overheid de vergunning of toestemming moet weigeren als een ingreep tot vermijdbare schade aan de natuur zou leiden, dat het bestreden besluit dus wettelijk voldoende is onderbouwd als verwezen wordt naar artikel 16 van het natuurbehoud- decreet, wat het geval is, en als het gaat om een ingreep die tot vermijdbare schade aan de natuur zou leiden, dat dit ook het geval is, aangezien kennelijk niet betwist kan worden dat het bouwen van 15 hectaren serres van 7 meter hoog in de open ruimte een wezenlijke aanslag betekent op deze open ruimte, dat de in het auditoraatsverslag in het kader van de vordering tot schorsing ontwikkelde redenering in verband met de vermijdbare schade niet klopt, want dat het vermijden van de schade er precies in kan bestaan om op een andere locatie de exploitatie in te richten, dat als de inrichting een te grote impact heeft op de open vlakte in deze omgeving, uitgeweken moet worden naar een plaats waar de open ruimte reeds is aangetast, dat als op deze plaats de bescherming als weidevogelgebied geldt, uitgeweken moet worden naar een plaats waar dit niet het geval is, dat, in tegenstelling tot wat in het voormelde auditoraats- verslag wordt betoogd, de minister niet heeft overwogen dat het om onvermijdbare schade gaat, maar precies om vermijdbare schade en artikel 16, §1, dus terecht toegepast is, dat, nu het bestreden besluit door deze argumentatie, hoe summier ook, reeds voldoende onderbouwd is, de overige argumenten slechts als bijkomstig gelden, zodat, zelfs indien deze argumenten onwettig of onjuist gemotiveerd zouden zijn, het bestreden besluit in elk geval geldig blijft; VII-23.473-11/27 Overwegende dat de verwerende partij meer specifiek aangaande het eerste middel als volgt betoogt: "Eerste middel: geen schending van de diverse genoemde wettelijke bepalingen en beginselen: Eerste onderdeel: Het is niet duidelijk waarin precies de verzoekende partij 'feitelijk onjuiste' en 'rechtens irrelevante' beschouwingen ziet en hoe in casu de overheid in haar beoordeling rekening zou gehouden hebben met een groter of omvangrijker project, terwijl slechts voor een klein deel ervan de milieuvergun- ning wordt aangevraagd. Dit middel is in feite en in rechte ongegrond doordat het onder de toepassing van artikel 16 Natuurbehouddecreet helemaal niet zo is dat enkel en alleen zou mogen gelet worden op de eigenlijke vergunningplichtige onderdelen, terwijl van het feit dat het om een serrecomplex van 15 ha gaat helemaal abstractie zou moeten gemaakt worden. Het is, zoals hiervoor uiteengezet, precies de bedoeling van artikel 16 Natuurbehouddecreet dat de Minister die het Natuurbehoud onder zijn of haar bevoegdheid heeft (in casu de Minister bevoegd voor Leefmilieu) heel specifiek motieven van Natuurbehoud in overweging kan nemen (en dus aan belangenaf- weging doen) in het kader van beslissingen binnen een andere subtak van het recht, met name het Milieuvergunningenrecht (dat tevens tot de bevoegdheid van dezelfde minister behoort). Tweede onderdeel: Het feit dat de Minister overweegt dat het serrecomplex geen grondgebonden karakter heeft, is -zoals hiervoor uiteengezet- uiteindelijk niet van wezenlijk belang voor de bestreden beslissing. Ook zonder deze overweging is het bestreden besluit immers voldoende gemotiveerd. Volledigheidshalve moet evenwel gesteld worden dat de Minister wel goed motiveert waarom er effectief geen grondgebondenheid is. De grond wordt immers integraal bedekt, deels met beton en deels met ondoorlatende folie, en wordt dus geenszins gebruikt. Het valt redelijkerwijze niet in te zien hoe men kan stellen dat een bedrijvigheid grondgebonden zou zijn, als er helemaal geen enkele vierkante meter grond wordt gebruikt voor de bedrijvigheid. Verzoekende partij stelt terecht dat het Inrichtingsbesluit van 28.12.1972 niet voorziet dat in agrarisch gebied voorkeur moet gegeven worden aan grondge- bonden bedrijven. De overwegingen in verband met de grondgebondenheid moet echter samen gelezen worden met de overwegingen in verband met het eerder industriële karakter van de te vergunnen inrichting. Serres zijn gebouwen en in principe worden geen gebouwen in agrarisch gebied geduld, tenzij het om agrarische of para-agrarische bedrijven gaat. Dit betekent dat de bedrijvigheid rechtstreeks of onrechtstreeks moet te maken hebben met de landbouw of, in geval van groenten en planten, dat de bedrijvig- heid dus rechtstreeks of onrechtstreeks moet verbonden zijn met de grond. Als de serres noodzakelijkerwijze verbonden zijn met de grond, dan horen ze thuis in agrarisch gebied. Als de serres niet verbonden zijn met de grond, dan kunnen ze elders ingeplant worden en kan de schade door te bouwen in het agrarisch gebied dus vermeden worden (cfr. toelichting bij artikel 16 Natuurbe- houddecreet). VII-23.473-12/27 Derde onderdeel: Met betrekking tot artikel 13 Natuurbehouddecreet De artikelen 13 en 16 behoren tot het vierde hoofdstuk van het decreet, met als hoofding 'algemene maatregelen ter bevordering van het natuurbehoud'. Ten onrechte leidt de verzoekende partij hieruit af dat op basis van artikel 13 de overheid enkel reglementaire besluiten zou kunnen nemen en niet zou kunnen tussenkomen in individuele gevallen. Het begrip 'algemeen' mag immers niet beschouwd worden als synoniem van 'reglementair', maar moet daarentegen geïnterpreteerd worden in de zin van 'algemeen toepasselijk' (lees: ongeacht de concrete ligging of bestemmingsplannen) in tegenstelling tot specifieke toepassingsgevallen, die dan in hoofdstuk 5 aan bod komen: met name het 'gebiedsgericht beleid' naar VEN, IVON en natuurreservaten. Op het eerste gezicht lijkt het erop dat artikel 13 Natuurbehouddecreet de rechtsbasis is voor reglementaire besluiten. Dit zou men bijvoorbeeld kunnen afleiden uit § 3 van het artikel 13 dat stelt dat de Vlaamse regering nadere regels dient te bepalen voor het verkrijgen van een vergunning om bepaalde activiteiten te mogen uitvoeren. Een op zich voldoende duidelijke regel behoeft echter niet noodzakelijk een uitvoeringsbesluit om toegepast te kunnen worden, als de wet of het decreet de noodzaak van een uitvoeringsbesluit niet uitdrukkelijk voorschrijft. Artikel 13, § 1 is op zich voldoende duidelijk om uitgevoerd te worden: 'De Vlaamse regering kan alle nodige maatregelen nemen voor het natuurbehoud, ten behoeve van de bestaande natuur ongeacht de bestemming van het betrokken gebied, ... en meer bepaald voor: 3/ de bescherming ... van de wilde inheemse fauna en flora ... 5/ de bescherming ... van de natuur in de bebouwde omgeving.' § 2 van hetzelfde artikel stelt dat deze maatregelen kunnen gericht zijn op het stimuleren van natuurbeheer, onderhoud e.d. Nergens wordt echter bepaald dat deze maatregelen niet zouden kunnen bestaan uit het weigeren van een vergunning. Met betrekking tot artikel 16 Natuurbehouddecreet Ontegensprekelijk gaat het in deze om de individuele toepassing. En hier kan de overheid niet alleen bepaalde natuurbelangen afwegen tegen andere belangen, de overheid moet dit zelfs doen. 'Het betekent dat in andere beleidssectoren steeds rekening moet worden gehouden met de natuur, dit in de individuele besluitvorming, namelijk wanneer de overheid een vergunning of toestemming verleent voor een activiteit, evenals bij een beslissing naar aanleiding van een melding of een kennisgeving. De Vlaamse regeling heeft het in zich om een grote invloed uit te oefenen op het vlak van onder meer de beoordeling van milieu- en bouwvergunningaanvragen.' Het is niet in te zien in welke zin de verzoekende partij gelijk zou hebben met haar stelling dat artikel 16, § 1 slechts een 'inspanningsverbintenis' zou zijn. De regel is eigenlijk duidelijk en bindend: als de schade vermeden kan worden, dan moet de vergunning geweigerd worden. Precies door de vergunning te weigeren en de realisatie van een gigantisch serrecomplex te vermijden, wordt heel wat schade aan de natuur en het landschap vermeden. De Minister heeft dus terecht de vergunning geweigerd. De beweerde ongelijke behandeling die de verzoekende partij ziet in de ongelijkheid tussen enerzijds ingrepen in de natuur, waarvoor geen enkele vergunning of kennisgeving noodzakelijk is en waarvoor dus nooit een weigering zou kunnen opgelegd worden op grond van artikel 16 Natuurbehouddecreet, en anderzijds ingrepen die gepaard gaan met een of andere melding of vergunning, vindt haar basis in artikel 16, § 1 Natuurbehouddecreet. Indien Uw raad zou twijfelen over de grondwettelijkheid van deze bepaling, dan zal Uw raad dienaangaande een prejudiciële vraag dienen te richten aan het Arbitragehof. VII-23.473-13/27 Het valt echter niet in te zien hoe een decretale bepaling die de overheid oplegt om natuurbelangen in overweging te nemen telkens deze overheid over een vergunning dient uitspraak te doen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou kunnen schenden. Vierde onderdeel: Er kan in alle objectiviteit inderdaad gesteld worden dat de motivering van het bestreden besluit eenvoudig of 'simpel' is: 15 hectaren overbouwen met 7 meter hoge serres is een verregaande aantasting van de open ruimte, die grotendeels weidevogelgebied is. Dit 'eenvoudige' gegeven is niet 'gesimplifieerd' en daardoor oncorrect in tegenstelling tot 'correctere en meer geschikte gegevens' zoals opgenomen in de voorafgaande adviezen. Zoals onder de feiten uiteengezet, heeft de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen in haar advies enkel en alleen onderzocht of serres konden gebouwd worden op basis van de planologische voorschriften. De verenigbaar- heid met de goede ruimtelijke ordening is in het advies niet in concreto onderzocht. In die zin beweert de verzoekende partij ten onrechte dat de goede ruimtelijke ordening reeds gunstig werd beoordeeld. Reeds de Bestendige Deputatie had terecht overwogen dat op de concrete bezwaren dat de serres een ernstige aantasting van de open ruimte met zich mee zouden brengen, door de adviezen niet werd geantwoord. Om tot een goed gemotiveerde beslissing te komen moest men deze bezwaren dus uitdrukkelijk weerleggen of, wat in casu dus uiteindelijk gebeurd is, zich deze bezwaren eigen maken. Dit laatste kon gebeuren op grond van artikel 16 Natuurbehouddecreet. Op basis van artikel 16 Natuurbehouddecreet beschikt de overheid over een behoorlijk ruime discretionaire bevoegdheid om ofwel compenserende maatregelen op te leggen, ofwel - zoals in casu - een vergunning te weigeren. Binnen de discretionaire bevoegdheid kan men dus perfect wettelijk de vergunning toekennen zonder meer, toekennen mits bijzondere voorwaarden of weigeren. Elk van deze beslissingen is wettelijk, mits voldoende gemotiveerd. Het is niet omdat men goede argumenten kan aanbrengen om de vergunning toe te staan mits bepaalde voorwaarden, dat men niet evenzeer ook goede argumenten kan aanbrengen om de vergunning te weigeren. Vijfde onderdeel: Het argument in verband met de waterspaarbekkens is een bijkomstig argument dat op zich de beslissing niet schraagt en dat dus, zelfs indien het onwettig zou zijn, de onwettigheid van de eindbeslissing niet met zich meebrengt. Zesde onderdeel: De verzoekende partij stelt terecht dat de ruimtelijke structuurplannen geen wettelijke beoordelingsgrond vormen voor vergunning- en, maar enkel een beleidsdocument zijn. Het is precies bij de concrete invulling van de hiervoor vermelde discretionaire bevoegdheid dat met dergelijke beleidsdocumenten wel degelijk rekening dient gehouden te worden. In casu wordt de vergunning niet geweigerd omdat ze niet kadert in het structuurplan, maar wordt ze geweigerd op basis van de wettelijke discretionaire bevoegdheid van artikel 16 Natuurbehouddecreet, in concreto ingevuld aan de hand van onder andere het structuurplan"; 3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederant- woord nog betoogt dat de verwerende partij de vergunning poogde te weigeren op grond van een zo omvangrijk mogelijke motivering, en verder stelt: "In de memorie van antwoord geeft de verwerende partij zelf aan dat een aantal van de motieven de beslissing niet schragen. Op de argumenten tegen deze motieven wordt niet eens geantwoord, zodat duidelijk is dat deze motieven op niets slaan. Het gaat dan in het bijzonder over het motief van de waterspaar- VII-23.473-14/27 bekkens en zelfs over het motief van de verdroging. De verwerende partij gaat niet in op de kritiek die de verzoekende partij tegen deze motieven heeft ingebracht. Aangezien de verwerende partij niet verder op deze motieven ingaat, beperkt de verzoekende partij zich hiervoor tot een verwijzing naar haar verzoekschrift tot nietigverklaring. Het verweer tegen het onderdeel van het middel waarin aan de motivering wordt verweten dat deze gesteund is op een ruimtelijk structuurplan beperkt zich eigenlijk tot de stelling dat een ruimtelijk structuurplan wel invulling kan geven aan een beleid, en op die manier als basis kan dienen voor een discretio- naire beoordeling, bijvoorbeeld in het licht van artikel 16 van het Natuurbe- houdsdecreet. Los van de vaststelling dat, zoals ook beaamd door het auditoraatsverslag, het ruimtelijk structuurplan, zowel het Vlaamse, als het provinciaal, ook argumenten bevat die het project ondersteunen, kan hierop worden geantwoord dat de band met artikel 16 van het Natuurbehoudsdecreet in het bestreden besluit nergens wordt gemaakt. Integendeel: de bestreden beslissing stelt het volgende: 'Overwegende dat de inrichting, cfr. het advies van de afdeling Stedenbouw- kundige Vergunningen, planologisch verenigbaar is met de omgeving; dat het echter toch nuttig is te wijzen op enkele bepalingen uit het Ruimtelijk Structuur- plan Vlaanderen (verder RSVgenoemd);' Het Ruimtelijk Structuurplan wordt zo - als het ware - op gelijke voet geplaatst met de planologische voorschriften. De planologische voorschriften worden opzij geschoven omwille van het Ruimtelijk Structuurplan. Vervolgens kan een beleid wel invulling geven aan een discretionaire bevoegdheid, zonder evenwel uit het oog te verliezen dat de bevoegde overheid nog steeds zelf een afweging in concreto dient te maken (R.v.St., Van Schel, nr. 97.860 van 13 juli 2001). Dit is hier niet gebeurd. De minister heeft gewoonweg een aantal principes uit het Ruimtelijk Structuurplan geïsoleerd, om die als motief van de beslissing te vermelden. De Minister gebruikt het ruimtelijk structuurplan niet als een element dat zij betrekt bij haar discretionaire beoordeling maar wel als een argument om de vergunning te weigeren. Het verweer tegen het onderdeel van het middel waarin kritiek wordt geuit op het feit dat aan het geplande project wordt verweten dat het gaat om niet-grondgebonden landbouw, komt neer op een kromme redenering. Het is helemaal niet zo dat 'in principe geen gebouwen in agrarisch gebied (worden) geduld, tenzij het om agrarische of para-agrarische bedrijven gaat.' Luidens artikel 11.4. l. van het Inrichtingsbesluit zijn de 'agrarische gebieden bestemd voor de landbouw in de ruime zin'. Zij mogen 'de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen bevatten'. Agrarische gebieden zijn helemaal geen gebieden waar een principieel bouwverbod geldt. Wel zijn het gebieden waar enkel 'voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen' mogen aanwezig zijn. De verwerende partij kan gevolgd worden waar deze stelt dat 'de bedrijvigheid rechtstreeks of onrechtstreeks moet te maken hebben met de landbouw', maar er valt niet in te zien hoe zij daar in één adem uit kan afleiden 'in geval van groenten en planten, dat de bedrijvigheid dus rechtstreeks of onrechtstreeks moet verbonden zijn met de grond'. Glastuinbouw is landbouw, en hoort dus thuis in een agrarisch gebied. Het al dan niet grondgebonden karakter is enkel relevant ten aanzien van de afstandsregel die in artikel 11.4.1. van het Inrichtingsbesluit vervat zit, en die in deze wordt gerespecteerd. Ook het verweer inzake artikel 13 van het Natuurbehoudsdecreet houdt geen steek. Artikel 13 van het Natuurbehoudsdecreet is overduidelijk geen vrijbrief om vergunningen te weigeren, maar een volmacht - aan de Vlaamse Regering, en niet aan de minister - om uitvoeringsmaatregelen te nemen. De stelling als zou artikel 13 kunnen worden ingeroepen telkens de minister over een VII-23.473-15/27 vergunning moet uitspraak doen, moet overigens ook in strijd komen met artikel 10 en 11 van de Grondwet, omdat het de aanvrager ongelijk behandeld naar gelang zijn vergunningsaanvraag behandeld wordt voor de minister (klasse I inrichting, behandeld in beroep) of voor de bestendige deputatie (klasse I inrichting in eerste aanleg, klasse II inrichting in beroep) of voor het College van Burgemeester en Schepenen (klasse II inrichting in eerste aanleg). Het kan niet zijn dat de Minister de vergunningsaanvraag aan andere regels moet toetsen dan de Bestendige Deputatie of desgevallend het College van Burgemeester en Schepenen. Deze stelling houdt alleen al daarom geen stand. Wat rest is dus de motivering in verband met artikel 16 van het Natuurbe- houdsdecreet. Enkel met betrekking tot deze motieven doet de verwerende partij nog een minimale poging om enig verweer naar voren te schuiven. Alvorens dit verweer te weerleggen, moet evenwel nogmaals benadrukt worden dat de milieuvergunning aangevraagd werd, niet voor het bouwen van een serrecomplex, maar wel, naast een aantal meldingsplichtige inrichtingen, voor een aantal milieuvergunningsplichtige inrichtingen binnen dit serrecomplex, met name: -een stoomgenerator -opslag van salpeterzuur, fosforzuur, chloorbeekloog en kalisalpeter -opslag van houten paletten -opslag van kunststof bakken en bloempotten -gasgestookte verwarmingsinstallaties. De verzoekende partij heeft in haar verzoekschrift tot nietigverklaring uiteengezet dat het standpunt van de verwerende partij, als zou een beoordeling van deze milieuvergunningsplichtige inrichtingen meteen met zich meebrengen dat de hele inrichting, met name een serrecomplex van 15 ha, op haar milieu- technische kwaliteiten moet worden beoordeeld, in strijd komt met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Dit ingevolge de leer van de arresten B.V.B.A. Garage Weyten en Zoon, R.v.St., nr. 42.817 van 6 mei 1993 (schorsing) en nr. 45.331 van 16 december 1993 (vernietiging). Het enige verweer van de verwerende partij op dit punt is dat artikel 16 van het Natuurbehoudsdecreet de minister die het natuurbehoud onder haar bevoegdheid heeft, de bevoegdheid geeft om motieven van natuurbehoud in overweging te nemen in het kader van een milieuvergunnings- aanvraag. Los van het feit dat dit nog geen reden is om bij de beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag elementen te gaan betrekken die niet begrepen zijn in de milieuvergunningsaanvraag, gaat dit verweer uit van de premisse dat artikel 16 van het Natuurbehoudsdecreet voorrang heeft op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Quod non. Alleen al daarom moet de hele argumentatie op basis van artikel 16 van het Natuurbehoudsdecreet falen. Immers deze argumentatie is gesteund op de premisse dat het aangevraagde project, omdat het gaat om een serrecomplex van 15 hectaren, een aanslag is op de open ruimte, hetgeen niet correct is, daar er enkel rekening kan worden gehouden met de milieuvergunningsplichtige onderdelen, en niet met die onderdelen die enkel bouwvergunningsplichtig zijn. Er is echter meer. In het verzoekschrift tot nietigverklaring had de verzoekende partij gesteld dat artikel 16, § 1 van het Natuurbehoudsdecreet enkel een grondslag kan zijn om, via het opleggen van voorwaarden en desnoods via het weigeren van de vergunning vermijdbare schade te vermijden (artikel 16, §l). Indien de schade onvermijdbaar is, moet de vergunning enkel geweigerd worden als er sprake is van een VEN-gebied, quod in casu non (artikel 16, §3). Het Natuurbehoudsde- creet spreekt zich evenwel niet uit over onvermijdbare schade buiten een VEN- gebied. VII-23.473-16/27 Aan de bestreden beslissing werd verweten dat deze niet echt duidelijk maakte waarop de beslissing gegrond was. Ging het om onvermijdbare schade? De auditeur stelt in zijn verslag in de schorsingszaak dat de bestreden beslissing de mening lijkt te zijn toegedaan dat dit het geval is. Maar dan is artikel 16 helemaal niet van toepassing. Ging het om vermijdbare schade? Dan had de beslissing minstens in de eerste plaats voorwaarden moeten opleggen, zoals voorgesteld door de adviesverle- nende instanties. In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat het zou gaan om vermijdbare schade. De schade is immers vermijdbaar door project op een andere locatie te voorzien, zodat de open ruimte niet zou worden aangetast. De verwerende partij meent voor een dergelijke redenering steun te vinden in het werk van de heer VAN HOORICK, die het volgende schrijft: 'Zo begrepen is alle schade vermijdbaar, want te vermijden door het nalaten (of ergens anders uitvoeren) van de activiteit. Aangezien de Vlaamse ingreepre- geling niet gekoppeld is aan het overschrijden van een drempel (aanzienlijke of blijvende nadelige beïnvloeding), kan zij aldus gebruikt worden om iedere vergunning of toestemming te weigeren.' Er kan reeds gesteld worden dat de verwerende partij dit werk onvolledig citeert. Zij laat bewust een - belangrijk - woord weg. De eigenlijke tekst van deze passage is de volgende: 'Zo begrepen is alle schade vermijdbaar, want te vermijden door het nalaten (of ergens anders uitvoeren) van de activiteit. Aangezien de Vlaamse ingreepregeling niet gekoppeld is aan het overschrijden van een drempel (aanzienlijke of blijvende nadelige beïnvloeding), kan zij aldus gebruikt (misbruikt) worden om iedere vergunning of toestemming te weigeren.'. Dat het woord 'misbruik' hier zeker op zijn plaats is, bewijst de huidige zaak. Bovendien wordt de zin uit zijn context gehaald. De bewuste passage haalt de heer VAN HOORICK juist aan om te wijzen op de absurditeit van een letterlijke interpretatie van het woord 'vermijdbaar'. In die interpretatie is alle schade vermijdbaar, want te vermijden door het nalaten (of ergens anders uitvoeren) van de activiteit. Wie de hele paragraaf citeert, zal lezen dat wat de heer VAN HOORICK eigenlijk wil zeggen is dat het woord 'onvermijdbare schade' verkeerd is gekozen. Wat er eigenlijk had moeten staan is 'onvermijdelijk voortvloeiend uit een ingreep'. Alle schade is 'vermijdbaar', maar als men artikel 16 zo leest mag er gewoonweg geen enkele vergunning worden verleend, hetgeen niet de bedoeling kan zijn. Wel is het zo dat men, per project, dient na te gaan of de schade die er uit voortvloeit wel te vermijden is door voorwaarden op te leggen. Met het auditoraatsverslag in de schorsings- zaak kan worden vastgesteld dat de interpretatie die tot gevolg heeft dat alle schade 'vermijdbaar' is in de zin van artikel 16, §1, geen steek kan houden omdat artikel 16 van het Natuurbehoudsdecreet juist een onderscheid maakt tussen vermijdbare schade en onvermijdbare schade. De regeling inzake 'onvermijdbare' schade zou geen zin hebben indien alle schade vermijdbaar is. Dit onderdeel van het middel is alleen al daardoor gegrond. Er is echter meer. Het is fundamenteel verkeerd te stellen dat het 'kwantitatieve verlies aan open ruimte' te vermijden zou zijn door het project elders in te planten. Immers, dit verplaatst het probleem enkel maar, doordat elders open ruimte verloren gaat. Zelfs indien artikel 16, § 1 zou moeten worden geïnterpreteerd zoals de verwerende partij dit doet, dan nog gaat die interpretatie enkel op indien de schade aan de open ruimte op die locatie erger zou zijn dan in oppervlakte even grote schade elders. Er moet evenwel worden vastgesteld dat de bestreden beslissing hieromtrent geen enkele motivering vermeldt, terwijl dergelijke motivering door artikel 16 nochtans verplicht is gesteld. Meer nog, in de VII-23.473-17/27 stedenbouwkundige vergunning wordt uitdrukkelijk ingegaan op dit aspect. De gemachtigde ambtenaar stelt in zijn advies het volgende: 'De inplanting van de serre gebeurt volledig aansluitend aan het woongebied en gesitueerd tussen twee gebieden voor gemeenschaps- en openbare nutsvoor- zieningen, waardoor het open agrarisch gebied zo min mogelijk wordt aangetast.' Bovendien ligt de locatie aan een gewestweg, en zijn er reeds (kleinere) serres aanwezig. Met andere woorden, de gemachtigde ambtenaar stelt in zijn advies inzake de stedenbouwkundige vergunning zelf dat de open ruimte 'zo min mogelijk wordt aangetast'. Hoe de schade aan de open ruimte dan kan worden vermeden door het project elders in te planten, is weerom niet duidelijk. Zelfs in de meest ruime interpretatie van artikel 16, §1 van het Natuurbe- houdsdecreet houdt de motivering niet stand. Aangezien deze motivering, luidens de memorie van antwoord, het 'essentiële dragende element' is, is meteen ook duidelijk dat het middel gegrond is"; 3.4. Overwegende dat de tussenkomende partij zich in haar memorie, wat betreft de kritiek op het argument dat het gaat om een zeer groot serrecomplex, aansluit bij de argumentatie van de verwerende partij, en stelt dat men naar het totaalbeeld van de inrichting moet kijken, dat de cumul van de hinder in zijn globaliteit dient te worden beoordeeld; Overwegende dat de tussenkomende partij, aangaande de kritiek dat het gaat om een complex met een industrieel en niet grondgebonden karakter, betoogt dat de verwerende partij in het bestreden besluit als uitgangspunt stelt dat de nog bestaande open ruimte maximaal gevrijwaard moet worden, dat het met betrekking tot dit uitgangspunt is dat de verwerende partij het element inzake het niet grondgebonden karakter van de exploitatie aanbrengt, dat dit element immers maakt dat de exploitatie gemakkelijk elders kan worden ingeplant, dat in dit licht de verwerende partij dan ook een behoorlijke afweging maakte inzake de mogelijke vrijwaring van de bestaande open ruimte; Overwegende dat, wat betreft de kritiek op het argument dat het exploiteren van het glastuinbouwbedrijf strijdig is met de artikelen 13 en 16, §1, van het natuurbehouddecreet, de tussenkomende partij betoogt dat artikel 13 van dat decreet wel degelijk de mogelijkheid biedt om alle nodige maatregelen te nemen voor het natuurbehoud, niet enkel reglementaire, maar ook individuele, dat dit trouwens expliciet wordt bevestigd door artikel 13, §3, waarin wordt vermeld dat de maatregelen zoals bedoeld in §1 "het uitvoeren van bepaalde activiteiten kunnen verbieden of de activiteiten aan bepaalde voorwaarden kunnen onderwerpen"; dat met betrekking tot artikel 16 van het natuurbehouddecreet zij vooreerst verwijst naar de omzendbrief LNW/98/01 van 10 november 1998 -waaruit zij citeert- en betoogt dat VII-23.473-18/27 op basis van die omzendbrief dient te worden vastgesteld dat de verwerende partij artikel 16, §1, van het natuurbehouddecreet correct heeft toegepast, dat het in casu om vermijdbare schade gaat, daar de inrichting op een alternatieve locatie kan worden gevestigd; Overwegende dat, wat betreft de kritiek van de verzoekende partij op het motief dat de inrichting gelegen is in een beschermingszone III van de PIDPA, de tussenkomende partij betoogt dat men er niet zomaar aan kan voorbijgaan dat de open ruimte waar de serre moet komen, gelegen is in een beschermingszone III van de PIDPA, dat de mogelijk negatieve invloed op de waterhuishouding terecht door de verwerende partij kon worden opgeworpen; dat de tussenkomende partij benadrukt dat het hier om een waterwingebied gaat waarvoor de strengste reglementering geldt, en dat in het licht van artikel 16, §1, van het natuurbehoudde- creet het mogelijks kunnen vermijden van waterschade een belangrijk beoordelings- element is; Overwegende dat, wat ten slotte de kritiek van de verzoekende partij op het motief dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen bepalingen bevat die zich tegen het project keren betreft, de tussenkomende partij betoogt dat de overheid wel degelijk rekening mag houden met beleidsdocumenten, en dat de verwerende partij over een discretionaire bevoegdheid beschikte om de bepaling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen voor haar beleid te interpreteren; 3.5. Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie vooreerst benadrukt dat de overheid een beleid dient te voeren ter vrijwaring van het natuurlijk milieu gericht op de bescherming, de ontwikkeling, het beheer en het herstel van de natuur, op de handhaving en het herstel van de daartoe vereiste milieukwaliteit; dat zij benadrukt dat de bestreden beslissing wettelijk voldoende onderbouwd is wanneer wordt verwezen naar artikel 16 van het natuurbehouddecreet en als het om een ingreep gaat die tot vermijdbare schade aan de natuur kan leiden; dat zij betoogt dat de vermijdbaarheid van de schade er precies kan in bestaan om de exploitatie op een andere locatie in te richten, dat de minister niet heeft overwogen dat het om onvermijdbare schade gaat, maar juist om vermijdbare schade zodat artikel 16, § 1 van het natuurbehouddecreet terecht werd toegepast; 3.6. Overwegende dat de inzet van de procedure niet de bouwvergunning voor het serrecomplex is, die overigens niet werd aangevochten, maar een milieuver- gunning voor een stroomgenerator, de opslag van bepaalde stoffen, de opslag van VII-23.473-19/27 houten paletten, de opslag van kunststof bakken en bloempotten, en gasgestookte verwarmingsinstallaties en dat er daarnaast ook nog de aktename is van bepaalde klasse 3 inrichtingen; Overwegende dat de verwerende partij stelt dat het bestreden besluit voldoende steun vindt in artikel 16 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (natuurbehouddecreet); dat deze bepaling als volgt luidt: "Art 16. § 1. Als voor een activiteit op grond van wetten, decreten of besluiten een vergunning of toestemming van de overheid, dan wel een kennisgeving of melding aan de overheid vereist is, draagt deze overheid er zorg voor door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning of toestemming dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan. § 2. De Vlaamse regering kan voor bepaalde activiteiten of categorieën van activiteiten, voor bepaalde habitats of ecologische processen, of voor bepaalde soortengroepen, richtlijnen geven voor het beoordelen van het vermijdbare en onherstelbare karakter van de activiteit en voor de op te leggen voorwaarden, en voor herstelmaatregelen inzake de schade aan de natuur en compensatiemaat- regelen. Buiten het VEN en in andere dan groengebieden, parkgebieden, buffergebie- den en bosgebieden kan de Vlaamse regering een vergunning verlenen voor verplaatsing van kleine landschapselementen op voorwaarde dat de natuur in kwantiteit en in kwaliteit niet vermindert. Binnen het IVON, in andere dan groengebieden, parkgebieden, buffergebie- den en bosgebieden kan slechts vergunning voor verplaatsing van kleine landschapselementen worden verleend indien het kadert binnen een goedgekeurd natuurrichtplan. § 3. De in § 1 bedoelde overheid weigert de vergunning of toestemming indien de activiteit onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur kan veroorzaken in gebieden van het VEN bepaald overeenkomstig hoofdstuk V. Als voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid geen vergunning of toestemming maar wel een melding of kennisgeving is vereist, dient de aanvrager zich te gedragen naar de code van goede natuurpraktijk. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels inzake deze code van goede natuurpraktijk. De aanvrager of de persoon die de melding of de kennisgeving doet, toont aan dat de activiteit geen vermijdbare of onherstelbare schade aan de natuur zal veroorzaken. § 4. In afwijking op het bepaalde in § 3, kan een activiteit, die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur veroorzaakt in het VEN, worden uitgevoerd om bijzonder gewichtige redenen van algemeen belang. In dit geval worden alle maatregelen genomen om de mogelijke schade te beperken en worden kwantitatieve en/of kwalitatieve compensatiemaatregelen opgelegd aan de aanvrager of de persoon die de melding of de kennisgeving verricht heeft, na advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud. § 5. De beslissing van de overheid omtrent de vermijdbare of onherstelbare schade wordt met redenen omkleed. De overheid deelt haar beslissing mee: 1/ aan de aanvrager, op dezelfde wijze als de beslissing op de aanvraag wordt meegedeeld; VII-23.473-20/27 2/ aan de persoon die de melding of de kennisgeving heeft gedaan, bij ter post aangetekende brief binnen een termijn van dertig dagen na de melding of kennisgeving"; Overwegende dat in de aanhef van het bestreden besluit als volgt wordt overwogen: "dat artikel 16 § 1 van het decreet aan de overheid de verplichting oplegt om er voor te zorgen dat natuurschade wordt vermeden door ofwel vergunningen te weigeren, ofwel door voor deze vergunningen aangepaste voorwaarden op te leggen die natuurschade kunnen verhinderen; dat de door de afdeling Natuur in haar voormeld advies voorgestelde 'compenserende' maatregelen niet van die aard zijn om de natuurschade op deze inplantingsplaats en in haar onmiddellijke omgeving te kunnen beperken; dat ook geen andere compenserende maatregelen voorhanden zijn voor deze grootschalige vestiging; dat compenserende maatregelen daarenboven nooit het kwantitatieve verlies van een aanzienlijk deel van de open ruimte, voorzien als weidevogelgebied, kunnen goedmaken; dat er trouwens door het ontbreken van hydrogeologische gegevens in het aanvraag- dossier ook geen inschatting kan worden gemaakt van de effecten van de grootschalige verharding op de waterhuishouding van de aanpalende weidevo- gelgebieden, die zullen worden aangekocht of beheerd in uitvoering van het akkoord tussen de Afdeling Natuur van AMINAL en de aanvrager"; dat de verwerende partij zich dus op artikel 16, §1, van het natuurbehouddecreet baseert; dat deze bepaling betrekking heeft op het geval van de vermijdbare schade; dat de vermijdbaarheid van de schade afhangt van de aard en inplantingsplaats van de vergunningsplichtige activiteiten en/of het gedrag en de voornemens van de exploitant; dat het argument van de verwerende partij in de laatste memorie dat de vermijdbaarheid van de schade er precies in kan bestaan om de exploitatie op een andere locatie in te richten dan ook niet opgaat; dat, voorts, als de vermijdbaarheid van de schade zou slaan op het weigeren van de vergunning, alle schade vermijdbaar zou zijn, daar alle vergunningen geweigerd kunnen worden; dat deze interpretatie het in artikel 16 gemaakte onderscheid tussen vermijdbare en onvermijdbare schade zinledig maakt; dat de vermijdbare schade waarvan sprake in artikel 16, §1, zo dient te worden opgevat dat het gaat om schade die de exploitant kan vermijden door het aanpassen van zijn exploitatie, door het nemen van bepaalde voorzorgsmaatregelen, en dies meer, die in de praktijk haalbaar zijn en die niet leiden tot de onwerkbaarheid van de exploitatie; dat de vergunningverlenende overheid in dat verband voorwaarden kan stellen -zoals artikel 16, §1, expliciet voorziet-, of de vergunning kan weigeren indien uit het dossier blijkt dat de exploitant niet bereid is maatregelen te nemen om de natuurschade te beperken alhoewel dat goed mogelijk is; dat de overheid er voor moet zorgen dat de schade die vermeden kan worden zich inderdaad niet voordoet, desnoods door het weigeren van de vergunning; VII-23.473-21/27 Overwegende dat onvermijdbare schade daarentegen deze is die zich naar aanleiding van een bepaalde exploitatie op een bepaalde locatie hoe dan ook zal voordoen, welke aanpassingen men aan het project ook doet en welke maatrege- len men ook neemt; dat zulke schade, indien zij bovendien ook nog onherstelbaar is en betrekking heeft op schade aan de natuur in gebieden van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN), in beginsel aanleiding moet geven tot het weigeren van de vergunning (artikel 16, §3); Overwegende dat uit de overwegingen in de aanhef van het bestreden besluit, inzonderheid deze die betrekking hebben op artikel 16, §1, blijkt dat, in tegenstelling tot wat de verwerende partij nog in haar laatste memorie benadrukt, de verwerende partij van oordeel was dat het te dezen een geval van onvermijdbare schade betreft; dat zij immers stelt dat compenserende maatregelen de natuurschade niet kunnen beperken, en dat zij het definitieve verlies van een groot deel van de open ruimte die als weidevogelgebied dient, benadrukt; dat, gelet op de overwegingen die de verwerende partij zelf maakt, zij zich bezwaarlijk op artikel 16, §1, van het natuurbehouddecreet kon beroepen om de vergunning te weigeren; dat zij zich niet stoelt op artikel 16, §3, van het natuurbehouddecreet om de vergunning te weigeren; dat overigens niet is aangetoond en zelfs niet wordt beweerd dat de schade wordt aangebracht in een gebied dat tot het VEN behoort; dat voor de onvermijdbare schade aan niet in een VEN-gebied gelegen geplande inrichting niet in een regeling wordt voorzien; dat artikel 16 van het natuurbehoudde- creet niet gebiedt dat in een geval als het voorliggende de milieuvergunning moet worden geweigerd; dat artikel 16 bijgevolg geen betrekking heeft op het voorliggende geval; dat de verwijzing in de aanhef van het bestreden besluit naar dit meergenoemde artikel 16 dan ook niet dienstig is; dat, voorts, uit de omzendbrief die de tussenk- omende partij citeert geen overtuigend argument gepuurd kan worden; dat een omzendbrief immers geen verordenende waarde heeft en alleszins niet kan primeren op de tekst van het decreet; dat de omzendbrief bovendien niet relevant is in zoverre wordt stilgestaan bij de vermijdbare schade, vermits uit de overwegingen in de aanhef van het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij van oordeel is dat het eigenlijk om onvermijdbare schade gaat; Overwegende dat de verwerende partij zich, blijkens de aanhef van het bestreden besluit, ook beroept op artikel 13 van het natuurbehouddecreet; dat deze bepaling als volgt luidt: VII-23.473-22/27 "Art. 13. § 1. De Vlaamse regering kan alle nodige maatregelen nemen voor het natuurbehoud, ten behoeve van de bestaande natuur ongeacht de bestemming van het betrokken gebied, evenals voor de instandhouding van het natuurlijk milieu binnen de groen-, park-, buffer- en bosgebieden van de uitvoeringsplan- nen, van kracht in de ruimtelijke ordening, en meer bepaald voor: l/ de bescherming, de instandhouding, de ontwikkeling of het herstel van natuurlijke of deels natuurlijke habitats of ecosystemen, met inbegrip van de waterrijke gebieden van internationale betekenis; 2/ de bescherming, de instandhouding en ontwikkeling van natuurlijke of halfnatuurlijke vegetaties; 3/ de bescherming, de instandhouding en de ontwikkeling van de wilde inheemse fauna en flora en van de trekkende wilde diersoorten en hun habitats; 4/ de bescherming, de instandhouding en ontwikkeling van kleine landschaps- elementen; 5/ de bescherming, de instandhouding en ontwikkeling van de natuur in de bebouwde omgeving; 6/ het regelen van de toegang tot en het gebruik van het natuurlijke milieu. § 2. De maatregelen bedoeld in § 1 kunnen gericht zijn op het stimuleren van het natuurbeheer, het onderhoud, de natuurontwikkeling en kunnen, binnen de perken van de begroting, een financiële regeling vaststellen. § 3. De maatregelen bedoeld in § 1 kunnen het uitvoeren van bepaalde activiteiten verbieden of aan voorwaarden onderwerpen. Deze voorwaarden en activiteiten kunnen afhankelijk worden gemaakt van het verkrijgen van een vergunning. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot deze activiteiten of voorwaarden: 1/ de wijze waarop, de omstandigheden waaronder of de plaats waar de activiteit kan worden uitgevoerd; 2/ het verlenen van een voorafgaande, schriftelijke vergunning of toestem- ming door een in het besluit aangewezen overheid; 3/ het voorafgaand, schriftelijk melden of kennisgeven van bepaalde activiteiten aan een bij besluit aangewezen overheid, die binnen een bepaalde termijn de gevolgen van de voorgenomen activiteit beoordeelt; 4/ het herstel in de oorspronkelijke toestand of in een door het besluit aangegeven toestand na de beëindiging van de activiteit"; Overwegende dat artikel 13 betrekking heeft op algemene maatregelen; dat beslissingen over individuele vergunningsaanvragen daar niet onder ressorteren; dat voor zulke beslissingen artikel 16 overigens voorziet in een partiële regeling; dat artikel 13, §3, van het natuurbehouddecreet, naar hetwelk de tussenk- omende partij verwijst, daaraan geen afbreuk doet; dat deze bepaling weliswaar stelt dat de maatregelen bedoeld in paragraaf 1 het uitvoeren van bepaalde activiteiten kunnen verbieden of ze aan voorwaarden onderwerpen, maar dat zulks ook op reglementaire wijze kan, wat in de context van artikel 13 zo is bedoeld; Overwegende dat daarbij komt dat de afdeling Natuur, de gespecialiseerde administratie terzake, een gunstig advies uitbracht, mits de aanvrager zou voldoen aan bepaalde voorwaarden, met name de aankoop van 5 ha grond gelegen in een weidevogelgebied of vogelrichtlijngebied in de nabije omgeving van VII-23.473-23/27 het bouwperceel en de duurzame inrichting en het beheer ervan in functie van weidevogels, of het beheer van 15 ha weiland aansluitend bij het te bouwen serrecomplex in functie van weidevogels en dit overeenkomstig de Europese verordening 2078/92; dat de verzoekende partij bereid was aan deze voorwaarden te voldoen en de nodige initiatieven in dat verband nam; Overwegende dat het tweede weigeringsmotief is gesteund op het gegeven dat het gaat om een groot serrecomplex dat de bestaande open ruimte zal aantasten, dat die open ruimte moet worden gevrijwaard en bij voorrang aan grondgebonden landbouwbedrijven worden voorbehouden; dat de inrichting evenwel in agrarisch gebied ligt, en luidens artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewest- plannen en gewestplannen zulke gebieden bestemd zijn voor "de landbouw in de ruime zin"; dat blijkens die bepaling in zulke gebieden ook "gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter" toegelaten zijn; dat daarbij komt dat voor de inrichting reeds een bouwvergunning werd verleend waarin wordt overwogen dat de inplanting van de serre "volledig aansluitend aan het woongebied" gebeurt en waarin gesteld wordt dat "het open agrarisch gebied zo min mogelijk wordt aangetast"; dat voorts in die vergunning wordt overwogen dat "de aanvraag gelegen is in een agrarisch gebied aansluitend bij de woonkern waardoor de aantasting van de landbouwstructuren tot een minimum wordt beperkt"; dat in het kader van de beroepsprocedure de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen -net als alle andere adviesverlenende instanties- een gunstig advies uitbracht; dat in het advies van de afdeling Milieuvergunningen overwogen wordt "dat de inrichting gelegen is in een agrarisch gebied; dat blijkens de gegevens in het dossier de inrichting eveneens gelegen is in een gebied waarvoor de begrenzing en ordening van dit gebied voor glastuinbouw kan aanvaard worden"; dat deze overweging ook wordt aangetroffen in het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie; dat in die omstandigheden het hier besproken motief de weigeringsbeslissing dan ook niet kan schragen; Overwegende dat in het bestreden besluit voorts wordt overwogen dat de grondwaterhuishouding in de ondieper gelegen watervoerende lagen zal wijzigen, wat een impact kan hebben op de flora van de stroomafwaartse gebieden, gelet op de verdrogende effecten, en dat het aanvraagdossier geen hydrogeologische gegevens bevat die toelaten de invloed van de verharding op de verdroging na te gaan; dat er evenwel geen enkele bepaling is op grond waarvan een hydrogeologische studie bij de vergunningsaanvraag dient te worden gevoegd; dat de verwerende partij VII-23.473-24/27 zo'n bepaling ook niet aanwijst, noch in het bestreden besluit zelf, noch in haar memorie van antwoord; dat datgene waarop de verwerende partij haar overwegingen in verband met het wijzigen van een deel van de grondwaterhuishouding en het risico op verdroging baseert, niet duidelijk is; dat het administratief dossier geen aanwijzing- en in die zin omvat, wel integendeel; dat in een faxbericht van 19 februari 2001 de PIDPA geen melding maakt van bepaalde problemen op dit vlak, en stelt: "Het betrokken gebied geldt, gezien de aanwezigheid van de kleien van de Formatie van de Kempen, niet als infiltratiegebied voor de watervoerende lagen. Wel dient het hemelwater zoveel mogelijk opgevangen"; dat die aanbeveling om het hemelwater zoveel mogelijk op te vangen niet laat vermoeden dat er een probleem van verdroging zou zijn; dat alleszins niets wijst op een probleem voor de grondwaterhuishouding; dat de PIDPA zich overigens niet principieel verzet tegen het serrecomplex, doch wel de naleving van een reeks voorwaarden eist waaronder het gebruik van een vloeistofdichte bodem; dat de verzoekende partij ten slotte nog een hydrologische studie bijbrengt waaruit blijkt dat de serres geen problemen stellen op het vlak van de grondwaterhuishouding; Overwegende dat in het bestreden besluit nog wordt overwogen dat de stockagecapaciteit van de bassins die het regenwater moeten opvangen onduidelijk is, zodat er een risico op wateroverlast bestaat; dat de verzoekende partij evenwel niet wordt tegengesproken waar zij betoogt dat de capaciteit van de bassins gemakkelijk kon worden berekend, nu de lengte, breedte en hoogte ervan waren aangegeven; dat bovendien met de verzoekende partij moet worden vastgesteld dat er gedurende de gehele vergunningsprocedure door geen enkele bestuurlijke instantie opmerkingen werden gemaakt omtrent de (beweerde) onduidelijkheid van de capaciteit van de waterspaarbekkens; Overwegende dat, ten slotte, in het bestreden besluit ook wordt stilgestaan bij enkele passages uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen; dat artikel 19, §6, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening nochtans bepaalt dat de ruimtelijke structuurplannen geen beoordelings- grond vormen voor de werken en handelingen bedoeld in de artikelen 99 en 101 van hetzelfde decreet, met name de stedenbouwkundige vergunning en de verkavelings- vergunning; dat er geen reden is om het voor milieuvergunningen anders te zien; dat, bovendien, zelfs als men het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen zou kunnen betrekken bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag, vastgesteld moet worden dat dit plan evengoed elementen bevat op grond waarvan de vergunning zou kunnen worden toegestaan; dat in de aanhef van het bestreden besluit immers wordt VII-23.473-25/27 overwogen "dat de omgeving van Hoogstraten in het RSV weliswaar is aangeduid als een belangrijke regio voor de glastuinbouw"; dat de verwerende partij dit -nochtans concrete- element niet in aanmerking wil nemen omdat "de bestaande serrecomplexen zich echter situeren ten noorden van de woonkern van Hoogstraten" en omdat "de serres van Belgicaplant gepland zijn ten westen van de woonkern"; dat zij hierdoor voorbijgaat aan het feit dat structuurplannen de gewenste, en niet de bestaande toestand weergeven; dat niet blijkt dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ervoor opteert de serres enkel ten noorden van de woonkern van Hoogstraten te laten uitbouwen; dat de regio Hoogstraten daarenboven in het ontwerp van ruimtelijk structuurplan van de provincie Antwerpen als concentratiege- bied voor serrebouw wordt aangeduid: "De vestiging van nieuwe starters (nieuw- bouw van serrebedrijf) kan worden gestimuleerd in deze concentratiegebieden", "Tuinbouwactiviteiten vinden een plaats in het concentratiegebied van provinciaal niveau in de regio Hoogstraten. Een ruime zonering waar bijkomende serres kunnen worden ingeplant, is mogelijk. Stimulerings- en reservegebieden voor glastuinbouw kunnen worden afgebakend in uitvoeringsplannen"; Overwegende dat uit wat voorafgaat de ondeugdelijkheid van de motivering blijkt; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 20 februari 2001 waarbij het beroep van de b.v.b.a. BELGICAPLANT aangetekend tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 3 augustus 2000 houdende weigering van de vergunning om een glastuinbedrijf, gelegen te Hoogstraten, Loenhoutsesteenweg, te exploiteren, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-23.473-26/27 Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing en van het annulatiebe- roep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven december tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-23.473-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.664 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.99.923 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div