id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.665 Rolnummer: A. 88074/VII-19910 Zaak: Arrest 165665 - Milieu bescherming - Reglementen - 07/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-18 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 11:14 Fiche Arrest nr 165.665 van 7 december 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieu bescherming - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.665 van 7 december 2006 in de zaak A. 88.074/VII-19.
- In zake :
- Lambertus LEENMAN,
- Jacobus OMTZIGT (overleden), rechtsgeding hervat door :
- Maria VAN der MEER,
- Yvette OMTZIGT,
- Michiel OMTZIGT,
- de b.v. EUROTRANS, vennootschap naar Nederlands recht, die woonplaats kiezen bij advocaat R. RYMENANS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Britselei 47-
- tegen : de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM), die woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Lambertus LEENMAN, Jacobus OMTZIGT en de b.v. EUROTRANS op 24 november 1999 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de besluiten van 24 september 1999 en 7 oktober 1999 van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest waarbij wordt besloten tot de ambtshalve verwijdering -op kosten van de verzoekende partijen- van afvalstoffen met betrekking tot het terrein gelegen te Rijkevorsel, kadastraal gekend 2e afdeling, sectie F, nr. 132 M 3; Gelet op het arrest nr. 85.447 van 21 februari 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 157.783 van 20 april 2006 waarbij de debatten worden heropend en een aanvullend onderzoek van de zaak wordt bevolen; VII-19.910-1/8 Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 29 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van dat verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 november 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. BRUSSELEERS die, loco advocaat R. RYMENANS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat F. TEMMERMAN die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de feiten werden weergegeven in het tussenarrest nr. 157.783 van 20 april 2006;
- De gegrondheid van het beroep 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen als eerste middel aanvoeren wat volgt : "Eerste middel, afgeleid uit de schending van art. 97 van de Grondwet en van het algemeen rechtsbeginsel van de Motiveringsverplichting, doordat in de gewraakte beslissing wordt verwezen en wordt gesteund op een vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout dd. 17.4.1985; VII-19.910-2/8 Terwijl, zoals hierboven reeds werd gesteld, door eerste en tweede verzoekers hoger beroep werd aangetekend tegen het vonnis van de Correctio- nele Rechtbank te Turnhout dd. 17.4.1985, ten gevolge waarvan het Hof van Beroep te Antwerpen in haar arrest dd. 21 december 1988 de strafvordering lastens eerst een tweede verzoekers vervallen heeft verklaard ingevolge verjaring"; 2.1.
- Overwegende dat in de memorie van antwoord de verwerende partij betoogt dat artikel 97 van de Grondwet enkel van toepassing is op de rechterlijke, en niet op de uitvoerende macht; dat zij doet gelden dat de verzoekende partijen verkeerdelijk voorhouden dat het bevel tot ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen zou steunen op een vonnis van de correctionele rechtbank te Turnhout van 17 april 1985, dat de verwijzing naar dit vonnis immers een louter informatief gegeven is, dat de motiveringsplicht niet wordt geschonden door datgene vast te stellen wat door niemand wordt ontkend en trouwens afdoende blijkt uit het neergelegde administratief dossier, dat het bestreden besluit aan de betrokkenen een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing verschaft dat zij terdege kunnen beoordelen of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die hen worden verschaft; 2.1.
- Overwegende dat in de memorie van wederantwoord de verzoekende partijen betogen dat door de verwijzing naar het vonnis van de correctionele rechtbank de motiveringsplicht wordt geschonden, dat men immers niet uit het oog mag verliezen dat het Hof van Beroep van Antwerpen op 21 december 1988 eerste en tweede verzoekers vrijsprak, dat men een beslissing niet kan laten steunen op een vonnis dat in graad van beroep werd hervormd, dat dit een miskenning zou inhouden van het gezag van gewijsde van het voormelde arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in de laatste memorie nog betogen dat het in casu niet gaat om het storten van afvalstoffen, maar om de stockage van industriële verbrandingsslakken, met het oog op de verwerking ervan in een industriële vestiging, die er evenwel niet is gekomen; 2.1.
- Overwegende dat de bestreden beslissingen tot ambtshalve verwijdering van afvalstoffen zijn gesteund op het motief dat op het terrein kadastraal gekend als Rijkevorsel, 2de afdeling sectie F nr. 132 M 3 "zonder vergunning afvalstoffen werden gestort" en dat die vaststelling het wezenlijk motief vormt van de bestreden beslissingen; dat uit verschillende vaststellingen blijkt dat op het bewuste VII-19.910-3/8 terrein gelegen aan de Nijverheidsweg te Rijkevorsel verbrandingsassen (verbran- dingsslakken) werden gestort; dat niet wordt betwist dat verbrandingsassen afvalstoffen zijn, en dat voor het storten van afvalstoffen een vergunning nodig is; dat in casu een dergelijke vergunning niet blijkt te zijn afgeleverd; dat in hun verzoek- schrift de verzoekende partijen zelf aangeven dat zij nooit een vergunning bekwamen voor een verwerkingsinstallatie van verbrandingsslakken, waarvan de stortplaats voor deze verbrandingsslakken dan deel zou moeten uitmaken; dat het feit dat de afvalstoffen worden opgeslagen met het oog op een eventuele latere verwerking, waaromtrent zelfs niet de minste zekerheid bestaat, aan die stoffen niet het karakter van afvalstoffen ontneemt; dat dienvolgens de overweging in de bestreden beslissing- en dat zonder vergunningen afvalstoffen werden gestort correct is; dat de overweging in de bestreden beslissingen "dat dit ondermeer blijkt uit het vonnis van de rechtbank van eerste Aanleg te Turnhout dd. 17.04.85" als een bijkomstig bewijs van dat vaststaand feit te beschouwen is; dat de verzoekende partijen er ten onrechte van uitgaan dat het Hof van Beroep wat dat gegeven betreft, anders zou hebben geoordeeld; dat immers in het arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen van 21 december 1988 nergens wordt gesteld dat de feitelijke vaststellingen in het vonnis van 17 april 1985 -waarin na een omstandige uiteenzetting van de essentiële gegevens van een reeks P.V.’s wordt gesteld : "Het staat vast dat beklaagden afval hebben gestort zonder vergunning"- niet correct zijn; dat het inderdaad zo is dat er tegen dit vonnis hoger beroep werd ingesteld, en dat het arrest gewoon stelt dat de strafvordering vervallen is door verjaring; dat dan ook niet valt in te zien hoe dit arrest op enigerlei wijze afbreuk zou kunnen doen aan het motief dat afvalstoffen werden gestort zonder vergunning, noch waarom de verwijzing in de bestreden beslissingen naar het vonnis van 17 april 1985 onwettig zou zijn, vermits de inhoud van dit vonnis in geen enkel opzicht wordt aangetast door het arrest van het Hof van Beroep; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in het verzoekschrift het tweede middel als volgt uiteenzetten : "Tweede middel, afgeleid uit de schending van het algemeen rechtsbeginsel 'non bis in idem' doordat in de gewraakte beslissing verwezen wordt naar, en gesteund wordt op het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Turnhout dd. 17.4.1985, waarbij eerste en tweede verzoekers ieder werden veroordeeld tot een geldboete van 100 BEF en bovendien werden veroordeeld tot het verwijde- ren van de afvalstoffen binnen een termijn van drie maanden nadat het gevelde vonnis in kracht van gewijsde zou zijn getreden, en in geval van niet-uitvoering ervan door eerste en tweede verzoekers binnen de gestelde termijn, veroordeelt hetzelfde vonnis van de Correctionele Rechtbank hen solidair tot terugbetaling VII-19.910-4/8 van de kosten van het verwijderen ervan door de gemeente Rijkevorsel of door de Afvalstoffenmaatschappij; Terwijl, zoals hierboven reeds werd gesteld, door eerste en tweede verzoekers hoger beroep werd aangetekend tegen dit vonnis van de Correctione- le Rechtbank te Turnhout ten gevolge waarvan het Hof van Beroep te Antwerpen middels een arrest van 21 december 1988 de strafvordering lastens eerste en tweede verzoekers vervallen verklaarde ingevolge verjaring en hen heeft ontslaan van de door de Eerste Rechter tegen hen uitgesproken veroorde- lingen; Dat thans door de gewraakte beslissing aan verzoekers een identieke veroordeling werd opgelegd tot verwijdering van de afvalstoffen op hun kosten; Dat verzoekers, na in eerste instantie hiertoe veroordeeld te zijn geweest door de Correctionele Rechtbank te Turnhout, van deze veroordeling werd ontslaan door het Hof van Beroep te Antwerpen; Dat de gewraakte beslissing van de Openbare afvalstoffenmaatschappij gebaseerd is op dezelfde feiten en dezelfde tenlasteleggingen als diegene waarvoor verzoekers eerder werden vervolgd en uiteindelijk van alle vervolging- en werden ontslaan ingevolge het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 21 december 1988; Dat huidige beslissing van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij dan ook manifest strijdig is met het algemeen rechtsbeginsel dat niemand voor een tweede maal kan worden vervolgd en/of veroordeeld voor de identieke feiten, met name non bis in idem"; 2.2.
- Overwegende dat in de memorie van antwoord de verwerende partij betoogt dat er geen sprake is van de schending van het rechtsbeginsel "non bis in idem" vermits het huidig bevel tot ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen een louter administratieve procedure betreft die volledig los staat van de strafvervolging, dat niets haar belette vast te stellen dat op de bewuste site afvalstoffen worden opgeslagen waarvan is vastgesteld dat deze een gevaar inhouden voor de gezondheid van de mens of het leefmilieu en dat OVAM de taak had voor de verwijdering daarvan te zorgen; 2.2.
- Overwegende dat in de memorie van wederantwoord de verzoekende partijen herhalen wat zij reeds in het verzoekschrift hadden gesteld; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie volharden in hun argumentatie; dat zij er nog aan toevoegen dat de sanctie van OVAM gebaseerd is op een door haarzelf aangesteld studiebureau, met name BETECH, die geen objectieve derde is en die bovendien de door OVAM gehuldigde visie niet bijtreedt; dat zij nog opmerken dat door het Ministerie van Volksgezond- heid en Gezin voor een aangrenzend perceel wel een vergunning voor een stortplaats voor verbrandingsslakken werd toegekend; VII-19.910-5/8 2.2.
- Overwegende dat het "non bis in idem"-beginsel niet belet dat maatregelen of sancties van verschillende orde worden opgelegd voor dezelfde feiten; dat bovendien niet mag worden voorbijgegaan aan het feit dat de verzoekende partijen door het Hof van Beroep enkel werden vrijgesproken wegens verjaring van de strafvordering, niet omdat de feiten - die er op neerkomen dat zonder vergunning- en afvalstoffen werden gestort- niet bewezen zouden zijn; dat de bijkomende argumenten van de verzoekende partijen in hun laatste memorie volkomen losstaan van het in het verzoekschrift aangevoerd middel en in wezen nieuwe middelen uitmaken die, niet van openbare orde zijnde, niet voor het eerst op ontvankelijke wijze in de laatste memorie kunnen worden aangevoerd; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen als derde middel aanvoeren wat volgt : "Derde middel, afgeleid uit de schending van art. 37 van het Decreet van de Vlaamse Raad van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, doordat de bestreden beslissing eveneens werd genomen lastens derde verzoekster, terwijl derde verzoekster, weliswaar eigenaar van de desbetreffende gronden te Rijkevorsel, niet als overtreder kan worden beschouwd nu de gronden werden verhuurd aan de PVBA Bouwstoffen De Kempen en art. 37 van het Afvalstoffendecreet voorziet dat de ambtshalve verwijdering plaatsvindt op kosten van de overtreder"; 2.3.
- Overwegende dat in de memorie van antwoord de verwerende partij opmerkt dat dit middel enkel betrekking heeft op de derde verzoekende partij, zodat eerste en tweede verzoekers geen belang hebben bij het middel; dat voorts zij de bepalingen van artikel 37, 12 en 13 van het afvalstoffendecreet citeert en ook wijst op de definitie die artikel 2, 5/ geeft van het begrip "beheer"; dat zij betoogt dat artikel 37 van het afvalstoffendecreet niet handelt over de "exploitant" maar wel over de "overtreder", zijnde hij die in strijd met artikel 12 afvalstoffen achterlaat of verwijdert, dat voor de toepassing van dit artikel dan ook geen economische connotatie dient aangetoond te worden in de zin van artikel 31, §3, van het bodemsaneringsdecreet, dat enkel diende te worden aangetoond dat ook de derde verzoekende partij kon worden beschouwd als "hij die afvalstoffen achterlaat in strijd met de voorschriften van het afvalstoffendecreet of de uitvoeringsbesluiten ervan" en "hij die verzuimt de zich op het terrein bevindende afvalstoffen te beheren", dat de derde verzoekende partij eigenaar was van het perceel op het ogenblik dat de stortactiviteiten aanvatten, dat men kan aannemen dat zij ervan op de hoogte was dat afval werd gestort zonder dat hiervoor de nodige vergunningen waren verleend, dat VII-19.910-6/8 zij wist of behoorde te weten dat haar huurster failliet werd verklaard en op de gehuurde grond schadelijke afvalstoffen had achtergelaten, dat zij er eveneens van op de hoogte was dat ook na de datum van het faillissement de afvalstoffen niet werden verwijderd, dat vanaf dit ogenblik het dan ook de derde verzoekende partij was die de volledige controle en het beheer over deze deponie kreeg, dat in deze hoedanig- heid zij ertoe gehouden was hetzij de nodige vergunningen aan te vragen, hetzij de gestorte afvalstoffen te laten verwijderen, dat zij evenwel geen van beide heeft gedaan; 2.3.
- Overwegende dat in de memorie van wederantwoord nog wordt betoogd dat de derde verzoekende partij volledig buiten haar wil geconfronteerd werd met de toestand waarbij afvalstoffen werden achtergelaten op haar terrein, dat de derde verzoekende partij volledig vreemd is aan de vervuiling, en zij daarom ook niet strafrechtelijk werd vervolgd. 2.3.
- Overwegende dat het middel is gestoeld op de hypothese dat de derde verzoekende partij als eigenaar van de betrokken percelen "volledig vreemd (is) aan deze vervuiling", vermits niet zij maar de vennootschap die de percelen huurde, namelijk de p.v.b.a. BOUWSTOFFEN DE KEMPEN, de kwestieuze afvalstoffen op die percelen heeft opgeslagen; dat evenwel uit de statuten van de derde verzoekende partij blijkt dat eerste en tweede verzoekende partijen de oprichters zijn van de derde verzoekende partij en dat zij beiden ook de eerste directeuren waren; dat eerste en tweede verzoekende partijen eveneens de zaakvoerders waren van de p.v.b.a. BOUWSTOFFEN DE KEMPEN; dat, gelet op de door de eerste en tweede verzoekende partijen opgezette vennootschapsrechtelijke constructies met betrekking tot de p.v.b.a. BOUWSTOFFEN DE KEMPEN en de derde verzoekende partij, de derde verzoekende partij dan ook niet op goede gronden staande kan houden dat zij "volledig vreemd (is) aan deze vervuiling"; dat aangezien het middel is gestoeld op een feitelijk onjuiste hypothese, het niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. VII-19.910-7/8 Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 520,59 euro, komen ten laste van de eerste en derde verzoekende partij, elk voor een derde, en voor een derde ten laste van de nalatenschap van de oorspronkelijke tweede verzoeker. De kosten van het beroep, bepaald op 520,59 euro, komen ten laste van de eerste en derde verzoekende partij, elk voor een derde, en voor een derde ten laste van de nalatenschap van de oorspronkelijke tweede verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven december tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-19.910-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.665 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.85.447 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.783 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div