id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.666 Rolnummer: A. 93996/VII-22361 Zaak: Arrest 165666 - Milieuvergunningen - 07/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-18 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 11:15 Fiche Arrest nr 165.666 van 7 december 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.666 van 7 december 2006 in de zaak A. 93.996/VII-22.361 In zake : de b.v.b.a. PEDEMA, rechtsgeding hervat door: Bartholomeus VAN DER KLOET, die woonplaats kiest bij advocaat D. VAN DE SIJPE, kantoor houdende te KORTRIJK, Doorniksewijk 66 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. PEDEMA op 26 juli 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 8 juni 2000 waarbij het beroep ingediend door de Vlaamse Landmaatschappij tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels van 30 november 1999, waarbij aan de verzoekende partij vergunning wordt verleend tot het exploiteren van een paardenafrichtcentrum en een stoeterij, gelegen aan de Hoenderweg 3 te Ravels, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd, mits aanpassing van het aantal te stallen paarden van 88 naar 38 paarden; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verzoekschrift tot hervatting van het geding van 5 februari 2001, ingediend door Bartholomeus VAN DER KLOET, rechtsopvolger van de b.v.b.a. PEDEMA; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 5 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-22.361-1/15 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 26 oktober 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VAN DE SIJPE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van bestuurssecretaris S. TAVERNIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feitelijke toedracht van de zaak Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaak luiden als volgt: 1.1. Op 30 november 1999 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels aan de verzoekende partij een milieuvergunning om te Ravels, aan de Hoenderweg nr. 3, een paardenafrichtcentrum en een stoeterij te exploiteren met als voorwerp het stallen van maximum 88 paarden. Tevens wordt akte genomen van een aantal derde klasse-inrichtingen. De beslissing wordt in uitvoering van artikel 36, 5/, b), van Vlarem I op 8 december 1999 verzonden naar (onder meer) de provinciegouverneur van Antwerpen. Uit een attest van 9 december 1999 van de burgemeester van de gemeente Ravels blijkt dat de vergunning wordt aangeplakt en dat een voor eensluidend verklaard afschrift van de vergunning gezonden wordt aan de personen en instanties aangeduid in artikel 36, 5/, b), van Vlarem I. 1.2. Met een schrijven van 7 januari 2000, dezelfde dag aangetekend verzonden, stelt de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) beroep in tegen deze VII-22.361-2/15 beslissing. De VLM is van oordeel dat de verleende vergunning een stijging van de vergunde mestproductie van de inrichting tot gevolg heeft, hetgeen strijdig is met de bepalingen van artikel 2 en 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (vergunningenbesluit). Volgens de VLM moet de verleende vergunning worden opgeheven. 1.3. In een schrijven van 23 februari 2000, gericht aan de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen, doet de raadsman van de verzoeken- de partij zijn repliek kennen op de argumentatie die in het beroepschrift van de VLM was ontwikkeld. Betoogd wordt dat het beroep van de VLM onontvankelijk is wegens laattijdigheid, dat het beroepschrift niet tijdig aan de exploitant werd betekend, en dat het beroep niet gegrond is omdat de mest wordt afgevoerd naar een composteringsbedrijf zodat de gemeentelijke reserve niet negatief zou worden of verder onder nul zou dalen. 1.4. In het kader van de beroepsprocedure wordt een reeks adviezen uitgebracht: S de VLM adviseert ongunstig; S de afdeling Milieuvergunningen adviseert eveneens ongunstig; S de Provinciale Milieuvergunningscommissie opteert voor een termijnverleng- ing, gelet op een aanpassing van het meststoffendecreet en de onduidelijkheid omtrent het aantal dieren dat gehouden werd in 1996, 1997 en 1998. 1.5. Met een brief van 3 mei 2000 bezorgt de raadsman van de verzoekende partij een aantal bewijsstukken in verband met de effectieve en daadwerkelijke exploitatie in de jaren 1996, 1997 en 1998. Ook de exploitant bezorgt deze bijkomende gegevens. Met een brief van 16 mei 2000 deelt de raadsman van de exploitant nogmaals bijkomende gegevens mee. 1.6. Nadat de Provinciale Milieuvergunningscommissie beslist heeft tot een termijnverlenging, en nog steeds in het kader van de beroepsprocedure, worden bijkomende adviezen uitgebracht: S de VLM verleent slechts een gunstig advies voor de gevraagde verandering van de vergunning voor de exploitatie van een stal voor 38 paarden; S de afdeling Milieuvergunningen brengt een gunstig advies uit (enkel voor de opslag van stookolie is het advies ongunstig); VII-22.361-3/15 S de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig voor het stallen van 38 paarden. 1.7. Op 8 juni 2000 wordt het thans bestreden besluit genomen, waarvan de motivering luidt als volgt: "Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de deels gunstige - deels ongunstige adviezen na termijn- verlenging van de AMV, de VLM en de PMVC in aanmerking worden genomen; Overwegende dat de opslag van 4.500 1 lichte stookolie een meldingsplichti- ge activiteit van de 3de klasse is en in principe niet kan verboden worden; Overwegende dat voor de evaluatie van de elementen aangebracht door de aanvrager/de beroeper, gehoord door de PMVC, verwezen wordt naar de deels gunstige-deels ongunstige adviezen van de AMV, de VLM en de PMVC; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieuvergunningsvoor- waarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat in het decreet van 03.03.2000 houdende wijziging van het decreet van 23.01.1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen in artikel 19 tot wijziging van artikel 36, onder paragraaf 6 bepaald is dat 'milieuvergunningen voor paardenstallen behorende bij manèges en paardenfokkerijen die in 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren, kunnen verleend worden in zoverre de milieuvergunning vóór 1 december 2000 wordt aangevraagd'. Deze regularisatie is enkel mogelijk voor de bestaande stallen en niet voor de beoogde uitbreiding; Overwegende dat de bvba Pedema een vergunning wenst te bekomen voor 88 standplaatsen voor paarden. Echter een gedeelte van deze standplaatsen dienen nog gebouwd te worden. Aangezien de aanvraag dus tevens een uitbreiding inhoudt, kan de volledige aanvraag, met name 88 standplaatsen, niet worden goedgekeurd. Over het aantal bestaande standplaatsen is discussie. Op plan staan 39 standplaatsen getekend, terwijl de exploitant beweert in bijkomen- de informatie dat het aantal 45 is. Echter tijdens het plaatsbezoek door de VLM werd vastgesteld dat er slechts 38 bestaande standplaatsen zijn; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat 38 standplaatsen als bestaand en te vergunnen aan te nemen; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de gevraagde vergun- ning deels te weigeren - deels te vergunnen"; 2. De gegrondheid van het beroep 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij haar eerste middel als VII-22.361-4/15 volgt ontwikkelt: "1. Schending van de wet - artikel 23 § 3 van het decreet van 28 juni 1985 en artikel 49 § 2 van het executievebesluit van 6 februari 1991 (vlarem I) De bestreden beslissing heeft gesteld dat het beroep van de Vlaamse Landmaatschappij tijdig zou zijn geweest. Het beroepsschrift van de Vlaamse Landmaatschappij draagt de datum van 7.1.2000 en werd door het provinciebestuur ontvangen op 10.1.2000. Artikel 49 § 2 van Vlarem I vereist dat het beroep uitgaande van de adviesverlenende instanties moet ingediend worden binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de dag van verzending of afgifte van het voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing overeenkomstig artikel 36,5/ Vlarem I. Blijkens het beroepsschrift dateert de verzending van 8 december 1999. Het beroepsschrift draagt de datum van 7 januari hetgeen, ervan uitgaande dat de dies a quo 8 december voor de berekening niet zou meetellen, doet besluiten dat 7 januari de dertigste kalenderdag uitmaakt. Het beroep blijkt echter pas ingediend op 10 januari 2000, hetgeen de drieëndertigste dag na de betekening is. Verzoekster meent immers dat onder indiening bij ter post aangetekende zending het ogenblik dient te worden verstaan dat het beroep daadwerkelijk ter kennis van de bestemmeling wordt gebracht, niet het ogenblik dat het ter post afgegeven wordt. Het beroep was dus laattijdig en derhalve had de Bestendige Deputatie, zulks vaststellende, dienen te beslissen dat de vergunning definitief was. De bestreden beslissing schendt, door dit niet te doen, aldus de voormelde bepalingen"; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord in essentie betoogt dat het beroep de poststempel van 7 januari 2000 draagt en tijdig is, dat, gelet op ‘s Raads arrest nr. 62.905, Vyvarco, van 31 oktober 1996, de beroepstermijn ingaat vanaf de dag waarop kennis wordt genomen van de beslissing in eerste aanleg, in casu op 9 december 1999, dat dit ook blijkt uit het attest van aanplakking, dat de VLM tot 8 januari 2000 beroep kon indienen, en dat in casu het beroepschrift met een aangetekend schrijven van 7 januari 2000 werd verzonden; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord niet meer ingaat op het middel; 2.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij ook in de laatste memorie niet nader ingaat op het middel; 2.1.5. Overwegende dat artikel 23, §3, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (milieuvergunningsdecreet) als volgt bepaalt: VII-22.361-5/15 "Het beroep bedoeld in §1 en §2 moet worden ingediend bij aangetekend schrijven binnen een termijn van dertig dagen na de bekendmaking van de bestreden beslissing"; dat artikel 49, §2, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I ) onder meer bepaalt: "Het in §1 bedoeld beroep dient bij de Bestendige Deputatie van de provincieraad ingediend bij ter post aangetekend schrijven binnen een termijn van dertig kalenderdagen: 1/ voor de in §1, 1/, 2/, 3/ vermelde personen en overheden, na de dag van verzending of afgifte van het voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing overeenkomstig het bepaalde in artikel 36, 5/"; Overwegende dat het beroep moet worden ingediend binnen een termijn van dertig dagen na de bekendmaking van de beslissing die in eerste aanleg werd genomen, hetgeen in geval van betekening van de beslissing neerkomt op de dag waarop de betrokkene individueel kennis krijgt van de beslissing; dat in casu uit een attest van de burgemeester van de gemeente Ravels van 9 december 1999 blijkt dat de vergunning aangeplakt werd en dat een voor eensluidend verklaard afschrift werd verzonden aan de personen en instanties vermeld in artikel 36, 5/, b), van Vlarem I, waartoe ook de adviesverlenende overheidsorganen behoren; dat uit het administra- tief dossier ook blijkt dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels op 8 december 1999 een brief stuurde naar de provinciegouverneur van Antwerpen, eveneens in uitvoering van artikel 36, 5/, b), van Vlarem I; dat mag worden aangenomen dat op 8 december 1999 ook aan de VLM een kopie van het vergunningsbesluit in eerste aanleg verzonden werd; dat alleszins niets op het tegendeel wijst; Overwegende dat als het vergunningsbesluit van de gemeente op woensdag 8 december 1999 werd toegezonden aan de VLM, aangenomen wordt dat zij het ten vroegste op 9 december 1999 ontving; dat het administratief beroep werd ingediend met een aangetekend schrijven van vrijdag 7 januari 2000; dat dit binnen de termijn voorgeschreven in artikel 23, §3, van het milieuvergunningsdecreet is; dat het eerste middel bijgevolg niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: "2. Schending van de wet-artikel 50, 1/c van het executievebesluit van 6 februari 1991 (Vlarem I) VII-22.361-6/15 Deze bepaling schrijft voor dat de exploitant binnen de veertien dagen na het verstrijken van de periode van bekendmaking bedoeld in artikel 31 per ter post aangetekend schrijven in kennis gesteld wordt van het ontvankelijk bevonden beroep. Het attest dateert van 9 december 1999 zodat de bekendmakingstermijn aanving op 10 december en verstreek op 8 januari 2000. Verzoekster werd evenwel pas in kennis gesteld van het ontvankelijk bevonden beroep bij aangetekende brief gedateerd 4 februari 2000, aangeboden op 7 februari 2000. Het tijdig meedelen aan de exploitant van een ontvankelijk bevonden beroep is een substantiële vormvereiste. In casu werd ze niet nageleefd, zodat de verleende vergunning als definitief had moeten worden beschouwd. De bestreden beslissing kon niet zonder voormelde bepaling te schenden uitspraak doen over het beroep"; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat de bekendmakingstermijn aanving op 10 december 1999 en verstreek op 8 januari 2000, dat de bestendige deputatie tot en met 22 januari 2000 de tijd had om het beroep ter kennis van de exploitant te brengen, dat dit in casu reeds gebeurde op 14 januari 2000, dat het provinciebestuur de brief evenwel op 3 februari 2000 terug ontving omdat hij niet was afgehaald, en dat hij op 4 februari 2000 opnieuw werd verstuurd; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord een repliek geeft op het tweede en het derde middel samen; dat zij er op wijst dat zij niet heeft nagelaten de aangetekende zending van 14 januari 2000 af te halen, daar die zending haar nooit is aangeboden en de post ook geen bericht heeft achtergelaten; 2.2.4. Overwegende dat de verzoekende partij in de laatste memorie niet nader ingaat op het middel; 2.2.5. Overwegende dat artikel 50, 1/, c), van Vlarem I als volgt bepaalt: "wordt het beroep ontvankelijk bevonden, dan wordt de indiener van het beroep door de Bestendige Deputatie van de provincieraad of de in sub
- a)vermelde gemachtigde ambtenaar binnen veertien kalenderdagen na het verstrijken van de periode van bekendmaking bedoeld in artikel 31 hiervan per ter post aangetekend schrijven in kennis gesteld; in zoverre het beroep niet door de exploitant is ingediend, wordt deze laatste binnen dezelfde termijn door de voormelde Deputatie of gemachtigde ambtenaar per ter post aangetekend schrijven kennis gegeven van het ontvankelijk beroep"; Overwegende dat in casu uit een attest van 9 december 1999 blijkt dat de beslissing werd bekendgemaakt; dat de verwerende partij betoogt dat uit de VII-22.361-7/15 stukken van het dossier blijkt dat de exploitant met een brief van 14 januari 2000 in kennis werd gesteld van het beroep; dat dit stuk zich evenwel niet in het administra- tief dossier bevindt; Overwegende dat de termijn voor het betekenen van het beroep aan de exploitant geen vervaltermijn is; dat de overschrijding van die termijn niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden indien de exploitant geen belangenschade heeft geleden; Overwegende dat de verzoekende partij in casu zelf aangeeft dat zij van het beroepschrift in kennis werd gesteld met een aangetekende brief van 4 februari 2000, aangeboden op 7 februari 2000; dat in die omstandigheden bezwaarlijk staande kan worden gehouden dat zij in haar belangen is aangetast op het vlak van exploitatie, investeringen, enz...; dat de verzoekende partij ook de kans kreeg om nog nuttig te repliceren op de inhoud van het beroepschrift, hetgeen zij ook deed met haar brief van 23 februari 2000; dat het tweede middel bijgevolg niet gegrond is; 2.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel als volgt uiteenzet: "3. Schending van de formele en/of materiële motiveringsverplichting De bestreden beslissing heeft ook op geen enkele wijze het onder het tweede middel uiteengezette argument van verzoekster, namelijk dat de kennisgeving van het ontvankelijk bevonden beroep laattijdig zou zijn geweest, ontmoet of weerlegd. Verzoekster had dit al opgeworpen in haar aangetekende brief van 23.2.2000 in reactie op het beroep. De overheid die in beroep dient te beslissen, dient niet alleen te antwoorden op de middelen van de adviesverlenende instantie die in beroep is gegaan, doch ook op de verweermiddelen die de exploitant in beroep deed gelden. Op dit punt is dit niet gebeurd, zodat de bestreden beslissing is aangetast door een vormgebrek. Zij is niet gemotiveerd op dit essentieel punt"; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat niet elk bezwaar afzonderlijk moet worden beantwoord, dat het bestreden besluit vermeldt dat het beroep op 14 januari 2000 ontvankelijk en volledig werd verklaard, en dat er niet verder is ingegaan op de tijdigheid van het beroep vermits die duidelijk was, dat een motivering hieromtrent overbodig zou zijn; VII-22.361-8/15 2.3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord een globale repliek geeft op het tweede en het derde middel die hoger reeds werd aangehaald; 2.3.4. Overwegende dat de verzoekende partij in de laatste memorie niet nader ingaat op het middel; 2.3.5. Overwegende dat de formele motiveringsplicht niet inhoudt dat de beroepsinstantie in haar uitspraak over het beroep het vervuld zijn van de ontvank- elijkheidsvoorwaarden dient te vermelden; dat overigens door het niet expliciet vermelden in de bestreden beslissing waarom het beroepschrift wel ontvankelijk werd geacht, de verzoekende partij niet werd gehinderd om met kennis van zaken op te komen tegen het ontvankelijk bevinden van dat beroepschrift; dat het derde middel niet gegrond is; 2.4.1. Overwegende dat de verzoekende partij als vierde middel het volgende betoogt: "4. Schending van de wet - artikel 19,6/ van het decreet van 3 maart 2000 houdende wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen - onwettigheid ten aanzien van de motieven Voormeld artikel bepaalt: milieuvergunningen voor paardenstallen behorende bij maneges en paardenfokkerijen die in 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren, kunnen worden verleend in zoverre de milieuvergunning voor 1 december 2000 wordt aangevraagd. De inhoud van deze bepaling geeft aan dat 2 voorwaarden dienen vervuld te zijn opdat een milieuvergunning voor het stallen van paarden kan worden toegekend: S zij moet worden aangevraagd voor 1 december 2000. S het moet gaan om maneges of fokkerijen die in 1996, 1997 1998 en 1999 in exploitatie waren. In verzoeksters geval kan niet betwist worden dat aan die voorwaarden voldaan werd. Dit blijkt uit de bestreden beslissing zelf. Door echter te beslissen dat de aangevraagde vergunning enkel mogelijk zou zijn voor de (op het ogenblik van het plaatsbezoek) bestaande aanwezige stallen en niet voor de 'uitbreiding', ttz. de door de aanvrager beoogde aantallen, voegt de bestreden beslissing een voorwaarde toe die niet in de wet is vermeld. Derhalve wordt deze wetsbepaling geschonden. Minstens wordt de bestreden beslissing hierbij door onwettige motieven gedragen. Bovendien ontsnapt de motivering op dit punt aldus niet aan een nefast effect, doordat aldus geredeneerd de exploitant er belang zou bij hebben om eerst het gewenste aantal stalplaatsen op te richten, alvorens de vergunning voor de gewenste aantallen aan te vragen. Dit kan bezwaarlijk de bedoeling zijn geweest van de decreetgever. Uit niets blijkt dat er een beperking op het aantal vergunde stalplaatsen in de geciteerde wetsbepaling zou zijn ingeschreven. VII-22.361-9/15 In het milieuvergunningendecreet of haar uitvoeringsbesluiten staat een dergelijke beperking evenmin ingeschreven. De aangevraagde rubriek (9.4.3.c.1/ bijlage I, Vlarem I) beslaat in elk geval 20 tot 200 stalplaatsen. Enig ander wettig motief voor de vermindering van de aantallen tot 38 stalplaatsen valt in de bestreden beslissing niet te ontwaren"; 2.4.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: "Nu, op de betrokken inrichting is enkel volgende vergunningsbeslissing bekend, nl. een besluit van de bestendige deputatie van 2 september 1993 houdende een vergunning voor parkeerplaatsen voor 13 autovoertuigen, inrichtingen voor het wassen van minder dan 10 voertuigen per dag, opslag van gasolie (16.000 l), elektromotoren (25,7 kW). De vergunning werd geweigerd voor het stallen van 700 grote zoogdieren, de opslag 3.920 m³ mest, de opslag van 4.560 m³ groenvoeders en 171 m³ droogvoeders, een verdeelpunt voor vloeibare koolwaterstoffen. Uitgaande van deze bestaande vergunningsbeslissing kan niet anders geconcludeerd worden dat op het betrokken exploitatie-adres geen paarden vergund zijn. Verzoeker kon echter ingevolge het Decreet van 3 maart 2000 houdende wijziging van het Meststoffendecreet van 23 januari 1991 toch in aanmerking komen voor een vergunning: 'milieuvergunningen voor paardenstallen behorende bij manèges en paardenfokkerijen die in 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren, kunnen worden verleend in zoverre de milieuvergunning vóór 1 december 2000 wordt aangevraagd;(...)'. Met andere woorden, bestaande manèges en paardenfokkerijen, voor zover ze kunnen aantonen dat ze in 1996, 1997,1998 en 1999 in exploitatie waren, komen toch in aanmerking voor een milieuvergunning mits het indienen van de aanvraag voor een bepaalde datum. De VLM beschikt over volgende aangiftegegevens bij de Mestbank: in 1997 30 paarden voor 100 standplaatsen, in 1998 30 paarden voor 40 standplaatsen en in 1999 25 paarden voor 30 standplaatsen. Uit documenten, die verzoeker op 3 mei 2000 in het kader van de termijnver- lenging die door de bestendige deputatie was beslist voor de behandeling van onderhavig beroepsdossier, overmaakte aan de bestendige deputatie kan men het volgende afleiden: * De inrichting is volgens formulieren 'Land- en tuinbouwtelling' van de Ministeries van Middenstand en Landbouw, van Economische Zaken en van het Nationaal Instituut voor de statistiek inderdaad in exploitatie voor de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999. * Volgende cijfers m.b.t. het aantal getelde paarden kan men daaruit afleiden: voor 1996 30 paarden, voor 1997 35 paarden, voor 1998 35 paarden en voor 1999 35 paarden. Dit alles brengt onduidelijkheid teweeg m.b.t. het juiste aantal te vergunnen stalplaatsen voor paarden. Immers, op het bijgevoegde plan bij de milieuvergun- ningsaanvraag stonden 39 plaatsen aangeduid, terwijl de raadsman van de verzoeker in een schrijven van 16 mei 2000 laat weten dat 'effectief 45 standplaatsen ingevuld waren'. Vermits de VLM op 4 mei 2000 een plaatsbezoek heeft uitgevoerd en heeft vastgesteld dat er op de betrokken inrichting standplaatsen voorzien zijn voor 38 paarden, kon de bestendige deputatie redelijkerwijze besluiten dat de als bestaande te beschouwen inrichting wel degelijk 38 standplaatsen heeft. Dit VII-22.361-10/15 komt overeen met een vergunde mestproduktie van 2.470 kg N en 1.140 kg P2O5. Welnu, de milieuvergunningsaanvraag beoogde een vergunning voor 88 paarden. Artikel 33ter, §l, 1/,
- c)van het Meststoffendecreet van 23 januari 1991 is hier echter formeel: 'Met betrekking tot de exploitatie van veeteeltinrichtingen gelden de volgende regels: l/ gedurende de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2004: (...) kan met betrekking tot de diersoorten, bedoeld in artikel 5 (o.a. paarden), geen milieuvergunning worden verleend voor nieuwe veeteeltinrichtingen, noch voor veranderingen van bestaande veeteeltinrichtingen die een verhoging van de vergunde mestproduktie van de bestaande veeteeltinrichting tot gevolg hebben, behoudens wanneer het gaat om een herlocalisatie van een bestaande veeteeltin- richting voortvloeiende uit ruilverkavelingen, landinrichting, natuurinrichting en/of onteigeningen om openbaar nut en de nieuwe of bijkomende mestproduktie niet hoger is dan deze van de definitief stopgezette bestaande veeteeltinrich- ting;(...)' Meteen is hier de rechtsbasis weergegeven op grond waarvan de bestendige deputatie terecht in haar beslissing wel de bestaande 38 standplaatsen voor paarden heeft vergund, maar niet de gevraagde 88 paarden. Het middel is derhalve ongegrond"; 2.4.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog als volgt betoogt: "Verweerster zegt dat er van uitgegaan moet worden dat er op de betrokken inrichting geen paarden zijn vergund. Echter, ter zelfde tijd beweert ze dat niettemin 'ervan moet worden uitgegaan' dat de 'als bestaande te beschouwen inrichting' een vergunde mestproductie heeft van 2.470 kg N en 1. 140 kg P2O5. Ofschoon ze dus eensdeels oordeelt dat er geen vergunde dieren zouden zijn, zegt ze wel dat er een - eenzijdig bepaalde - vergunde mestproductie zou zijn.... Hoe die twee standpunten met elkaar te rijmen vallen is verzoeker volstrekt onduidelijk. Verder moet in dat verband opgemerkt worden dat het bestreden besluit zelf op pagina 4 eerst nog stelde dat 'het duidelijk is dat er geen vergunde mestpro- ductie is' terwijl onmiddellijk daarop aansluitend erkend werd dat de overgangs- regeling voor paardenfokkerijen kan toegepast worden, ondanks het feit dus dat er geen vergunde mestproductie was. De onduidelijkheid, zelfs tegenspraak, en gebrek aan consequentie in de motivering is hier duidelijk. Die - dan blijkbaar toch - vergunde mestproductie neemt verweerster dan als uitgangspunt om daarop thans de bepaling van artikel 33ter Mestdecreet toe te passen, hetgeen dan zou inhouden dat gedurende een periode die loopt tot einde 2004 geen milieuvergunning meer zou mogen verleend worden die een verhoging van de voormelde vergunde mestproductie tot gevolg zou hebben. Deze argumentatie, die verre van gelijklopend is met die in de bestreden beslissing zelf, is echter onterecht: S enerzijds daar verweerster dus zelf in de vergunningsprocedure heeft aangegeven dat de vergunning voor paarden verleend kan worden ook als er geen vergunde mestproductie is (beginnende van nul, is er immers altijd sprake van een verhoging) VII-22.361-11/15 S anderzijds daar het nieuwe artikel 36, 6/ precies bepaalt dat bij wijze van overgangsbepalingen afwijkende regels gelden: (...) onder meer dus dat voor paardenstallen nog wel milieuvergunningen kunnen worden verleend. Het door artikel 19 van MAP 2bis gewijzigde artikel 36 is een van de algemene regelen afwijkende bepaling (onder meer van de door verweerster nu aangeduide rechtsbasis van het bestreden besluit) die uiteraard primeert op de algemene regelen (lex specialis derogat generalibus). In artikel 36, 6/zijn geen beperkingen op het aantal te vergunnen dieren aangegeven en wordt ook niet verwezen naar een beperking van een of ander quotum aan vergunde mestproductie. De enige voorwaarden die in de decreetsbepaling zijn opgenomen, zijn enerzijds dat het bedrijf in kwestie gedurende een aantal jaren in exploitatie moet zijn geweest en anderzijds dat de vergunning vóór 1.12.2000 moest aangevraagd worden. Aan beide voorwaarden voldoet de aanvraag. Verzoeker herhaalt ten overvloede ook dat de door verweerster (middels tussenkomst van de VLM) gehanteerde vaststellingswijze, namelijk een controlerend plaatsbezoek voorafgaand aan de beslissing tot vergunningverle- ning waarbij nagegaan wordt hoeveel stallen al zijn geplaatst, geenszins wettig, in rechte relevant of beslissend kan zijn om te oordelen in welke mate en tot welk aantal dieren de aanvraag zou kunnen worden ingewilligd. In voorkomend geval zou het al te gemakkelijk zijn eerst het gewenste aantal stallen in te richten alvorens de aanvraag in te dienen! Dat een aantal van de aangevraagde stallen nog niet zou zijn opgericht op het moment van de aanvraag cq. plaatsbezoek, is dus niet relevant om gewag te kunnen maken van een verhoging van de (al dan niet vergunde) mestproductie. Tenslotte wenst verzoeker, wat de ingeroepen rechtsgrond aangaat, de Raad erop te wijzen dat het bestreden besluit nergens blijkt te hebben verwezen naar het nu in de memorie ingeroepen artikel 33ter van het Meststoffendecreet... Integendeel, op pag. 5 verwees men naar artikel 36, 6/, niet naar artikel 33ter waar de Bestendige Deputatie zich thans in haar memorie op baseert. Verweerster springt een beetje van de hak op de tak Kortom, het besluit schendt artikel 36, 6/ van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het Meststoffendecreet van 23.1.1991. Een aantal van de doorslaggevende motieven der bestreden beslissing is ook niet in rechte aanvaardbaar"; 2.4.4. Overwegende dat de verzoekende partij in de laatste memorie nog stelt dat de wet noch het bestreden besluit zelf de vereiste van een "wettig vergunde exploitatie" stellen; 2.4.5. Overwegende dat artikel 19, 6/, van het decreet van 3 maart 2000 houdende wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen -dat in casu op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit van toepassing was- als volgt bepaalt: "Artikel 36 van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreini- ging door meststoffen en tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning wordt vervangen door wat volgt: VII-22.361-12/15 'Artikel 36 Bij wijze van overgangsregeling gelden de volgende afwijkende regels: (...) 6/ milieuvergunningen voor paardenstallen behorende bij maneges en paardenfokkerijen die in 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren, kunnen worden verleend in zoverre de milieuvergunning voor 1 december 2000 wordt aangevraagd'"; Overwegende dat dit artikel 19, 6/, zoals de decretale bepaling zelf aangeeft, een afwijkende regel is; dat de regels waarvan wordt afgeweken onder meer deze inzake de mogelijkheden tot het verlenen van de vergunning zijn; dat artikel 33ter van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (meststoffendecreet), ingevoegd door het decreet van 11 mei 1999, onder meer wat volgt bepaalt: "Artikel 33ter. § 1. Met betrekking tot de exploitatie van veeteeltinrichtingen gelden de volgende regels: 1/ gedurende de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2004: (...)
- c)kan met betrekking tot de diersoorten, bedoeld in artikel 5, geen milieuvergunning als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning worden verleend voor nieuwe veeteeltinrichtingen, noch voor veranderingen van bestaande veeteeltinrichtingen die een verhoging van de vergunde mestproductie van de bestaande veeteeltinrichting tot gevolg hebben, behoudens wanneer het gaat om een herlocalisatie van een bestaande veeteeltin- richting voortvloeiende uit ruilverkavelingen, landinrichting, natuurinrichting en/of onteigeningen om openbaar nut en de nieuwe of bijkomende mestproductie niet hoger is dan deze van de definitief stopgezette bestaande veeteeltinrichting"; Overwegende dat van deze regel dus op grond van artikel 19, 6/, van het decreet van 3 maart 2000 kan worden afgeweken onder de voorwaarden
- a)dat het gaat om milieuvergunningen voor paardenstallen behorende bij maneges en paardenfokkerijen,
- b)dat die in 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren, en
- c)dat de aanvraag voor de milieuvergunning is ingediend vóór 1 december 2000; Overwegende dat, wat de bedoeling zij van de uitdrukking "van paardenstallen die in exploitatie waren", uit het bestreden besluit noch uit de memorie van antwoord blijkt dat de verwerende partij een wettig vergunde exploitatie als vereiste stelt; dat het ook niet zo wordt bepaald in artikel 19, 6/; dat dit artikel toelaat dat voor paardenstallen onder meer afgeweken kan worden van het principe dat de vergunde mestproductie niet mag stijgen; dat dit dan ook het geval is als de vergunde mestproductie nul is; dat het bijgevolg zou volstaan dat er de facto in het verleden paardenstallen geëxploiteerd werden opdat een milieuvergunning zou kunnen worden verkregen; VII-22.361-13/15 Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord niet betwist dat de verzoekende partij aan de voorwaarden van artikel 19, 6/ voldoet; dat ook in de aanhef van het bestreden besluit nergens wordt gesteld dat de verzoekende partij niet aan de voorwaarden zou voldoen; dat in de aanhef van het bestreden besluit in essentie staat te lezen dat de regularisatie enkel mogelijk is voor de bestaande stallen, en niet voor de beoogde uitbreiding; dat de verwerende partij daarmee evenwel een beperking invoegt die niet voortvloeit uit de regelgeving, en inzonderheid niet uit artikel 19, 6/, van het decreet van 3 maart 2000; Overwegende dat uit het hierboven geciteerde artikel 33ter, §1, 1/ c), van het meststoffendecreet weliswaar voortvloeit dat er geen milieuvergunning kan worden verleend wanneer er een uitbreiding is van de vergunde meststoffenpro- ductie, maar dat artikel 19, 6/, van het decreet van 3 maart 2000 precies een afwijking toelaat op deze regeling; dat de in de memorie van antwoord ontwikkelde argumenta- tie gebaseerd op artikel 33ter, §1, 1/ c), van het meststoffendecreet, die evenwel niet terug te vinden is in de aanhef van het bestreden besluit zelf, bijgevolg niet overtuigt; Overwegende dat het vierde middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 8 juni 2000 waarbij het beroep ingediend door de Vlaamse Landmaatschappij tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels van 30 november 1999, waarbij aan de b.v.b.a. PEDEMA vergunning wordt verleend tot het exploiteren van een paardenafrichtcen- trum en een stoeterij, gelegen aan de Hoenderweg 3 te Ravels, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd, mits aanpassing van het aantal te stallen paarden van 88 naar 38 paarden. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-22.361-14/15 Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven december tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-22.361-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.666 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div