← België

Arrest 165667 - Milieuvergunningen - 07/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.667 Rolnummer: A. 85632/VII-18935 Zaak: Arrest 165667 - Milieuvergunningen - 07/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-09 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 11:15 Fiche Arrest nr 165.667 van 7 december 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.667 van 7 december 2006 in de zaak A. 85.632/VII-18.

  1. In zake : de b.v.b.a. DE DECKER - VAN RIET, die woonplaats kiest bij advocaat C. SERVAIS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Generaal Lemanstraat 55 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat D. DE GREEF, kantoor houdende te ZELLIK, Noorderlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. DE DECKER- VAN RIET op 22 juli 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 21 mei 1999 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstel- ling waarbij haar beroep tegen de in het besluit van 12 november 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant vervatte weigering van de vergunning om een bestaand transportbedrijf, gelegen aan de Kouterbaan 40 te Londerzeel, te veranderen door uitbreiding met een stalplaats voor 17 tankwagens gevuld met giftige stoffen, zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare en ontvlambare vloeistoffen, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON ; Gelet op de beschikking van 18 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; VII-18.935-1/13 Gelet op de beschikking van 28 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS ; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. NEUTS die, loco advocaat C. SERVAIS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat L. VANDERSPIEGEL die, loco advocaat D. DE GREEF verschijnt voor de verweren- de partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON ; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Feiten Overwegende dat de feiten als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  4. De verzoekende partij exploiteert een transportfirma aan de Kouterbaan 40 te Londerzeel. Haar hoofdactiviteiten bestaan in het vervoer voor derden van vloeibare chemicaliën en de exploitatie van gepachte lijnen voor de openbare vervoersmaatschappij “De Lijn”. Ter plaatse bevinden zich ook een aantal complementaire installaties zoals een car-wash, een tankcleaningsinstallatie, een onderhoudswerkplaats, twee tankstations,... 1.
  5. Op 2 juli 1998 dient de verzoekende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een aanvraag in om de vergunde inrichting te veranderen door : - de uitbreiding met een tankcleaninginstallatie; - de vervanging van vier ondergrondse enkelwandige houders voor de opslag van gasolie door drie nieuwe bovengrondse houders met een inhoud van in totaal 40.000 liter; - de uitbreiding met een opslagplaats voor 10.000 liter afvalolie; - de verplaatsing van de standplaats voor lege tankwagens en autobussen; - het stallen in een loods van 17 tankwagens gevuld met giftige stoffen, zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare en ontvlambare vloeistoffen; VII-18.935-2/13 - de vervanging van de bestaande opslagtanks voor 828.000 liter gasolie door twee nieuwe houders met een waterinhoudsvermogen van elk 300.000 liter. 1.
  6. Bij besluit van 12 november 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant wordt de aanvraag gedeeltelijk ingewilligd. De vergunning wordt verleend voor de exploitatie van een reinigingsinstallatie voor tanks die producten met een hoge geurwaarnemingsdrempel hebben bevat, de vernieuwing van de houders voor de opslag van 40.000 liter gasolie, de opslag van 10.000 liter afvalolie en de verplaatsing van de standplaatsen voor lege tankwagens en autobus- sen. De vergunning wordt evenwel geweigerd voor het reinigen van tanks die producten met een lage geurwaarnemingsdrempel hebben bevat, de vervanging van de bestaande houders voor 828.000 liter gasolie door twee nieuwe houders met een waterinhoudvermogen van elk 300.000 liter en voor het stallen in een loods van 17 gevulde tankwagens. 1.
  7. Op 22 december 1998 stelt de verzoekende partij bij de Vlaamse minister van Leefmilieu beroep in tegen de weigering voor het stallen van 17 volle tankwagens op haar terrein. In haar beroepschrift verduidelijkt zij dat het tijdelijk stationeren van gevulde tankwagens volledig kadert in de organisatie van haar transportactiviteiten die afhankelijk zijn van een aantal externe factoren zoals de sluitingstijden van laad- en losplaatsen, de verplichte rij- en rusttijden en de in het buitenland geldende transportverboden op bepaalde dagen. Tevens stelt zij dat deze activiteiten niet beschouwd kunnen worden als de opslag van gevaarlijke stoffen in de zin van de Vlarem-reglementering, maar dat in casu de zogenaamde ADR-reglementering geldt waarin niet alleen verplichtingen zijn opgenomen omtrent het stationeren van tankwagens maar ook omtrent de “bouw van tanks, vervoersdo- cumenten, schriftelijke instructies, ADR-opleiding van de chauffeurs, signalisatie en etikettering...”. Daarnaast zou zij als exploitant nog bijkomende maatregelen voorzien die voldoende zijn om de inherente risico’s te beperken (registratie van de tankwa- gens, bedrijfsbrandweer, permanente bewaking en een vloeistofdichte vloer met een opvangsysteem). 1.
  8. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen uitgebracht: a. In haar ongunstig advies van 29 januari 1999 stelt de administratie Gezond- heidszorg dat het stallen van 17 vrachtwagens ter plaatse een reëel veiligheids- en gezondheidsrisico inhoudt voor de omgeving . VII-18.935-3/13 b. Op 5 februari 1999 deelt de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest mee dat het voorwerp van het beroep niet tot haar adviesbevoegdheid behoort. Daarnaast wordt het ongunstig advies gehand- haafd dat tijdens de procedure in eerste aanleg werd uitgebracht. c. De afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen deelt op 23 februari 1999 mee dat de inrichting volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gelegen is in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en K.M.O.’s “volledig omringd door woong- ebied met landelijk karakter, woongebied en woonuitbreidingsgebied” en dat het voorwerp van de aanvraag verenigbaar is met de bestemming van het gebied. d. Het advies van 3 maart 1999 van de afdeling Milieuvergunningen is ongunstig over het beroep. e. Op 5 maart 1999 wordt door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie voorgesteld om het beroep ongegrond te verklaren en de beroepen beslissing te bevestigen. 1.
  9. Met een aan de Vlaamse minister van Leefmilieu gerichte brief van 4 mei 1999 verschaft de verzoekende partij op eigen initiatief nadere toelichting omtrent de tankwagens die zij op het bedrijf wenst te stallen. Zij stelt onder meer dat van de 17 tankwagens er maximaal 12 geladen zullen zijn met gevaarlijke producten, terwijl de overige ongevaarlijke producten zullen bevatten. Bovendien wordt herhaald dat het gaat om zeer kortstondige “stops” tijdens de uitvoering van een transportopdracht, die niet beschouwd kunnen worden als de opslag van gevaarlijke stoffen in de zin van de Vlarem-reglementering. Ten slotte kondigt de verzoekende partij bijkomende risicobeperkende maatregelen aan zoals onder meer het uitsluiten van tankwagens die gevuld zijn met stoffen van een bepaalde gevarenklasse en het respecteren van regels met betrekking tot de opstelling van de gevulde tankwagens. 1.
  10. Met het bestreden besluit van 21 mei 1999 verklaart de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling het beroep ongegrond en bevestigt hij het beroepen besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant van 12 november 1998; VII-18.935-4/13
  11. Ten gronde 2.
  12. Standpunten van de partijen 2.1.
  13. Overwegende dat het enig middel luidt als volgt : "Enig middel: genomen uit machtsoverschrijding en schending van de motiveringsplicht Toelichting:
  14. Verzoekster beschikt over een vergunning die ondermeer inhoudt dat zij 50 autobussen en 90 tankwagens kan stallen. Bij de aanvraag tot uitbreiding van de bestaande exploitatie wordt in de aanvraag volledigheidshalve meegedeeld dat de stalling van tankwagens betrekking heeft op 90 lege tankwagens en 17 gevulde tankwagens, waarvan maximaal 12 met giftige stoffen, zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare en ontvlambare vloeistoffen. De overheid bevoegd in eerste aanleg om te beslissen over de milieuvergun- ningsaanvraag, de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Vlaams-Brabant, oordeelt dat het stallen van gevulde tankwagens neerkomt op een vergunningsplichtige activiteit waarop de voorwaarden uit titel II van het Vlarem van toepassing zijn : 'Overwegende dat de stalling gedurende ongeveer 50 % van een etmaal kan beschouwd worden als een opslag van gevaarlijke producten zodat de afstandsregels van bijlage 5.17.1.van Vlarem I I van toepassing zijn; dat in toepassing van artikel 7 van Vlarem I (het nemen van bijzondere veilig- heidsmaatregelen of het opstellen van een veiligheidsrapport) in toepassing van afdeling 5.17.2., de opslag van giftige stoffen, van zeer licht ontvlam- bare, licht ontvlambare en ontvlambare vloeistoffen in de loods dient geweigerd te worden; dat de tankwagens die andere 'ongevaarlijke' producten bevatten wel in de loods kunnen gestald worden; ...'
  15. In het beroep dat verzoekster instelt bij verwerende partij, motiveert verzoekster uitvoerig waarom haar inziens het stallen van de gevulde tankwa- gens niet kan beschouwd worden als opslag. Verzoekster voegt bij haar beroep een schrijven van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur dd. 21.12.1998 waarin gesteld wordt : 'In antwoord op uw bovenvermeld schrijven kan ik u meedelen dat het stationeren van voertuigen die gevaarlijke goederen vervoeren geregeld wordt door randnummer 10321 van het ADR - Verdrag : 'voertuigen, die de gevaarlijke goederen opgegeven in de overeenkomstige randnummers van deel II vervoeren en dit in hoeveelheden die ten minste gelijk zijn aan de aldaar vermelde minima, moeten bewaakt worden; zonder toezicht mogen zij enkel stationeren in een veilig depot of op een veilig fabriekster- rein. Indien deze mogelijkheden voor het stationeren niet bestaan...' Hieruit blijkt duidelijk dat het stationeren van voertuigen die geladen zijn met gevaarlijke goederen door de geldende transportreglementering uitdrukkelijk wordt toegestaan in een afgesloten en bewaakt depot. Dit stationeren kan evenwel niet los gezien worden van het geheel van het transportoperatie, waarvan het deel moet uitmaken. Het oponthoud dient bovendien omwille van niet te vermijden uitwendige factoren noodzakelijk te zijn (rij- en rusttijden, rijverboden, e.d.) VII-18.935-5/13 Een maximale tijdsduur wordt niet opgelegd, maar het stationeren mag vanzelfsprekend niet langer duren dan noodzakelijk omwille van voor- noemde uitwendige factoren.'
  16. Verwerende partij gaat in het bestreden besluit uiteindelijk over tot aanvaarding van het standpunt van verzoekster, namelijk dat de activiteit niet valt onder de opslagnormen van de VLAREM, maar valt onder toepassing van de ADR - reglementering, reglementering die onder de bevoegdheid valt van de minister van verkeer en infrastructuur. Bij deze vaststelling zou het bestreden besluit dan ook moeten eindigen; het beroep zou ontvankelijk en gegrond moeten zijn verklaard. Het bestreden besluit gaat echter verder, na voormelde vaststelling te hebben gemaakt, door te overwegen : 'dat dit evenwel niet betekent dat een stalplaats voor gevulde tankwagens geen enkel risico zou inhouden voor de omgeving; dat de risico's die de gestalde tankwagens met zich mee brengen vergelijkbaar zijn met de risico's welke inherent zijn aan de opslag en verplaatsbare recipi- enten; dat de gevaren hierbij niet verwaarloosbaar zijn en ten gronde dienen geëvalueerd;' Hoewel de minister enerzijds aanvaardt geen verbod/gebod te kunnen opleggen inzake het stationeren van gevulde tankwagens, grijpt hij terug naar het bestaan van 'vermeende risico's' om zich bevoegd te maken en hanteert hij de afstandsbepalingen zoals voorzien in titel II van het Vlarem om de tijdelijke stalling van de gevulde tankwagens te verbieden. Bovendien is het duidelijk dat het feit dat verzoekster zelf als exploitant bepaalde maatregelen toepast als zorgvuldig en veilig handelend ondernemer, tegen haar wordt gebruikt : 'dat de exploitant zelf maatregelen voorziet (inkuiping, afstand tussen de tanks) waaruit blijkt dat de exploitatie van dergelijke stalplaats niet zonder gevaar is; ...' De minister gebruikt hier dus een omgekeerde redenering: omdat veiligheidsmaatregelen genomen worden is de activiteit niet zonder gevaar, in plaats van te stellen dat zonder veiligheidsmaatregelen te nemen, de activiteit gevaarlijk kan zijn.
  17. De minister is echter onbevoegd ratione materiae. De bevoegdheid van om het even welk administratief orgaan moet, rechtstreeks of onrechtstreeks haar oorsprong vinden, hetzij in de grondwet, hetzij in de wet. Gaat zijn bevoegdheid te buiten en pleegt machtsoverschrijding, het administratief orgaan dat handelt wanneer het daartoe niet rechtstreeks of onrechtstreeks door de grondwet of door de wet is gemachtigd, of nog dat een gebied betreedt dat aan zijn bemoeiïng niet is overgelaten. Begaat a fortiori een machtsoverschrijding, het administratief orgaan dat zich de bevoegdheid aanmatigt die de wet aan een ander overheidsorgaan heeft opgedragen (MAST, A., Overzicht van het Belgisch Administratief Recht, 1996, Kluwer, Deurne, nr. 791).
  18. Verwerende partij erkent uitdrukkelijk in het bestreden besluit dat niet de milieuwetgeving van toepassing is op de 'opslag' activiteiten, doch wel de ADR - reglementering. De ADR - reglementering is een zeer strenge reglementering , van toepassing op alle activiteiten van verzoekster. Zo specifieert de ADR - reglementering verplichtingen inzake bouw van tanks, vervoerdocumenten, schriftelijke instructies, ADR - opleiding van de chauffeurs, signalisatie en etikettering, ... VII-18.935-6/13 De tankwagens moeten een jaarlijkse ADR-controle ondergaan en een ADR-keuringsdocument is verplicht. De producten die in het voertuig mogen vervoerd worden, moeten op een keuringsdocument worden vermeld. Alle verplichtingen, waarop stationeren, opgelegd in de ADR - reglementering worden nauw opgevolgd door verzoekster en nog versterkt door bijkomende maatregelen, maatregelen die eveneens werden meegedeeld aan de Bestendige Deputatie en de minister.
  19. Het ADR - Verdrag, ondertekend te Genève op 30.9.1957, werd door de wet van 10.8.1960 goedgekeurd. Het ADR wordt toegepast via het K.B. van 12.11.1998 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, met uitzondering van ontplofbare en radio-actieve stoffen. Het ADR - Verdrag is van toepassing op elk internationaal vervoer over de weg van gevaarlijke goederen, opgesomd in bijlage van het Verdrag. Het K.B. van 12.11.1998 bevestigt de principes van het ADR, maar voegt eraan toe, dat de vereisten van het ADR - Verdrag eveneens gelden voor het nationaal vervoer van gevaarlijke goederen en enkele afwijkingen. Wie is bevoegd verklaard inzake de toepassing van het ADR - Verdrag, toezicht en opsporing? - Het ministerie van Verkeerswezen is bevoegd voor de toepassing van het ADR, met uitzondering van de ontplofbare stoffen, de controle van druktanks of drukflessen en radio-actieve stoffen. - De minister van Economische Zaken is uitsluitend bevoegd voor het vervoer van ontplofbare stoffen. - De nationale minister, die het leefmilieu in zijn bevoegdheid heeft, is bevoegd voor het vervoer van radio-actieve stoffen. Dit gebeurt evenwel in het kader van de toepassing van de wet op de bescherming van de bevolking tegen ioniserende stralingen. - De minister van Tewerkstelling en Arbeid is bevoegd voor het toezicht op de druktanks en drukflessen. - De officieren van gerechtelijke politie zijn bevoegd voor het opsporen van misdrijven in het algemeen. - De ambtenaren van het bestuur van de verkeersreglementering en van de infrastructuur, rijkswacht officieren en agenten van plaatselijke politie zijn bevoegd, 'wanneer het gaat om parkeren langs de openbare weg, laden of losen op een openbare plaats of langdurig stoppen voor de behoeften van de dienst nabij bewoonde plaatsen, of plaatsen van grote toeloop' - De automobielinspectie houden eveneens toezicht op de toepassing van het ADR, wat de werking en uitrusting van de voertuigen betreft. (DE PUE, E., Milieuzakboekje, editie 1999, Kluwer, Deurne, p. 411) De Vlaamse Minister van Leefmilieu en Tewerkstelling heeft dienaangaande geen enkele bevoegdheid.
  20. Het ontbreekt het bestreden besluit aan motivering waarom de minister bevoegd is, terwijl hij zelf stelt dat de bepalingen van VLAREM niet van toepassing zijn (rubriek 17). Het ontbreekt het bestreden besluit aan motivering waarom het stallen van alle 17 gevulde tankwagens geweigerd wordt, terwijl duidelijk uit de aanvraag blijkt dat slechts 12 van de 17 tankwagens gevuld zijn met giftige stoffen, zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare en ontvlambare vloeistoffen. Ten gevolge hiervan worden er een kleiner aantal liters van die gevaarlijke stoffen opgeslagen, iets wat de minister echter niet in aanmerking neemt. Waarom niet is onduidelijk. Het ontbreekt het bestreden besluit verder aan een draagkrachtige motivering waarom de minister niet kan volstaan met - als hij dan toch bevoegd zou zijn - het opleggen van bijzondere voorwaarden. VII-18.935-7/13 Hij baseert zich bovendien op verkeerde premissen om te oordelen dat er teveel gevaren zijn. Zo gaat hij er vanuit dat er een inkuiping is en een loods, terwijl uit de stukken blijkt dat verzoekster afzag van de inkuiping en de vrachtwagens niet in loods gestald worden. Ook stelt hij zonder meer dat er sprake is van misleiding (p. 11 - 12) m.b.t. de gevarenklasse 1 ontplofbare stoffen en voorwerpen, terwijl uitleg over dit punt gewoonweg werd vergeten. Verantwoordt een vergetelheid zulke sanctie, nl. de weigering? Stuk 6 bevat desbetreffend een uittreksel uit het boek Chemiekaarten. Het gevaarsidentificatienummer (GEVI-nummer) is een code die bij het vervoer van gevaarlijke stoffen moet worden gebruikt. Verzoekster baseerde zich op deze nummers om aan te geven welke stoffen zich wel en welke stoffen zich niet in de volle tankwagens zouden bevinden. Uit pagina 51 van dit boek blijkt dat m.b.t. het hoofdgevaar enkel de gevarenklasse 2 t.e.m. 9 wordt opgesomd en dat gevarenklasse 1 niet voorkomt. Gevarenklasse 1 als hoofdgevaar wordt dus niet vervoerd en dit verklaart waarom klasse 1 niet werd vermeld. Het is dus duidelijk dat de minister zich op een verkeerde premisse steunt om ook op dit punt de vergunning te weigeren. Hij haalt daartoe juridisch onaanvaardbare en feitelijk onjuiste motieven voor aan. Een andere verkeerde premisse is dat tankwagens moeten vergeleken worden met verplaatsbare recipiënten, terwijl buiten de grondige reglementering in de VLAREM inzake verplaatsbare recipiënten er hierover geen reglementering bestaat. Bij tankwagens is de situatie net omgekeerd: er bestaat een grondige reglementering, nl. ADR-reglementering welke zo omvattend is m.b.t. de beheersing van risico’s dat de regelgeving inzake verplaatsbare recipiënten zeker niet moet toegepast worden. Trouwens transportvoertuigen worden uitdrukkelijk uitgesloten!”; 2.1.
  21. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord citeert uit de overwegingen van het bestreden besluit om te concluderen dat het besluit uitvoerig en afdoende gemotiveerd is, deze motivering steun vindt in de uitgebrachte adviezen en de ADR-reglementering niet uitsluit dat de vergunningverlenende overheid bijkomende bijzondere voorwaarden oplegt voor het exploiteren van een stalplaats voor gevulde tankwagens met het oog op het beperken van de met de gevraagde activiteit gepaard gaande risico’s voor de mens en het leefmilieu; 2.1.
  22. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord nog het volgende doet gelden : "Verwerende partij beperkt zich er toe opnieuw het bestreden besluit te citeren en gaat niet in op de verschillende onderdelen van het enig middel dat verzoekster opwerpt. Met name wordt door verwerende partij inzake de machtsoverschrijding en onbevoegdheid niets anders geargumenteerd dan dat verwerende partij bevoegd is. Nochtans haalt verzoekster in haar verzoekschrift verschillende argumenten aan waarom verwerende partij onbevoegd is, zo onder meer een schrijven aan van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur dd. 21.12.1998 waarin gesteld wordt: VII-18.935-8/13 'In antwoord op uw bovenvermeld schrijven kan ik u meedelen dat het stationeren van voertuigen die gevaarlijke goederen vervoeren geregeld wordt door randnummer 10321 van het ADR - Verdrag: ‘voertuigen, die de gevaarlijke goederen opgegeven in de overeenkomstige randnummers van deel II vervoeren en dit in hoeveelheden die ten minste gelijk zijn aan de aldaar vermelde minima, moeten bewaakt worden; zonder toezicht mogen zij enkel stationeren in een veilig depot of op een veilig fabrieksterrein. Indien deze mogelijkheden voor het stationeren niet bestaan ...’ Hieruit blijkt duidelijk dat het stationeren van voertuigen die geladen zijn met gevaarlijke goederen door de geldende transportreglementering uitdrukkelijk wordt toegestaan in een afgesloten en bewaakt depot. Dit stationeren kan evenwel niet los gezien worden van het geheel van het transportoperatie, waarvan het deel moet uitmaken. Het oponthoud dient bovendien omwille van niet te vermijden uitwendige factoren noodzakelijk te zijn (rij- en rusttijden, rijverboden, e.d.) Een maximale tijdsduur wordt niet opgelegd, maar het stationeren mag vanzelfsprekend niet langer duren dan noodzakelijk omwille van voornoemde uitwendige factoren.' Verwerende partij gaat in het bestreden besluit trouwens over tot aanvaarding van het standpunt van verzoekster, namelijk dat de activiteit niet valt onder de opslagnormen van de VLAREM, maar valt onder toepassing van de ADR - reglementering, reglementering die onder de bevoegdheid valt van de minister van verkeer en infrastructuur. Hoewel de minister enerzijds aanvaardt geen verbod/gebod te kunnen opleggen inzake het stationeren van gevulde tankwagens, grijpt hij terug naar het bestaan van 'vermeende risico's ' om zich bevoegd te maken en hanteert hij de afstandsbepalingen zoals voorzien in titel II van het Vlarem om de tijdelijke stalling van de gevulde tankwagens te verbieden. De minister is echter onbevoegd ratione materiae. Verzoekster verwijst desbetreffend naar haar uiteenzetting opgenomen in het verzoekschrift. Het ontbreekt het bestreden besluit verder aan een draagkrachtige motivering waarom de minister niet kan volstaan met - als hij dan toch bevoegd zou zijn - het opleggen van bijzondere voorwaarden. Hij baseert zich bovendien op verkeerde premissen om te oordelen dat er teveel gevaren zijn"; 2.
  23. Beoordeling 2.2.
  24. Overwegende dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat transportvoertuigen “niet als een opslagplaats worden beschouwd en dan ook niet zijn ingedeeld in de rubriek opslag van gevaarlijke stoffen, maar wel in de rubriek voor het stallen van voertuigen”, en dat “een stalplaats voor tankwagens bijgevolg niet van rechtswege onderworpen is aan de voorwaarden van Titel II van het Vlarem voor de opslag van gevaarlijke stoffen”; dat met die overwegingen het standpunt van de verzoekende partij in haar beroepschrift, met name dat in de beroepen deputatiebeslissing er ten onrechte werd van uitgegaan dat het stallen van met chemicaliën gevulde tankwagens beschouwd kan worden als het “opslaan” van VII-18.935-9/13 gevaarlijke producten en derhalve de overeenkomstige voorwaarden van Vlarem II op die activiteit van toepassing zijn, wordt bijgetreden; dat de verwerende partij echter voorts stelt “dat dit evenwel niet betekent dat een stalplaats voor gevulde tankwagens geen enkel risico zou inhouden voor de omgeving; dat de risico’s die de gestalde tankwagens met zich meebrengen vergelijkbaar zijn met de risico’s welke inherent zijn aan de opslag in verplaatsbare recipiënten; dat de gevaren hierbij niet verwaarloosbaar zijn en ten gronde dienen geëvalueerd”; dat de daaropvolgende evaluatie leidt tot de verwerping van het beroep, in essentie omdat aan het “opslaan” van grote hoeveelheden gevaarlijke producten een inherent risico is verbonden voor de onmiddellijke omgeving, de vergunningsaanvraag onduidelijk is over de aard van de stoffen en over de duur dat de tankwagens gestationeerd zullen worden, de exploitant niet aantoont dat de gevulde tankwagens op een voldoende afstand van elkaar zullen worden gestald en de door de exploitant voorgestelde veiligheidsmaatregelen onvoldoende garanties bieden, zodat “er, op basis van de thans beschikbare informatie en mede gelet op de bewoning in de onmiddellijke omgeving, onvoldoende garanties zijn dat de loods met de stalplaats voor de tankwagens op een naar de omgeving toe aanvaardbare en voldoende veilige wijze kan worden uitgebaat”; 2.2.
  25. Overwegende dat, in zoverre de verzoekende partij aanvoert dat de verwerende partij onbevoegd was om de vergunning voor het stallen van gevulde tankwagens te weigeren omdat op dergelijke handeling of activiteit niet de Vlaamse milieuwetgeving van toepassing zou zijn maar enkel de zogenaamde ADR- reglementering, die behoort tot de aangelegenheden inzake vervoer waarvoor de federale overheid bevoegd is, het middel niet gegrond is; dat immers het loutere gegeven dat de transportactiviteiten van de verzoekende partij onderworpen zijn aan de ADR-reglementering, die kadert in het Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, op zich niet impliceert dat de Vlaamse minister van leefmilieu onbevoegd is om de in het geding zijnde milieuvergunningsaanvraag te beoordelen vanuit de invalshoek dat voor het stallen van de bedoelde tankwagens parkeerplaatsen noodzakelijk zijn die als hinderlijke inrichting zijn ingedeeld door de bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) gevoegde indelingslijst (rubriek 15.1.) en dus zijn onderworpen aan de milieuvergunningsplicht; dat het gegeven dat de ADR- reglementering specifieke voorschriften bevat die door de transporteur nageleefd moeten worden bij het stationeren van voertuigen die geladen zijn met gevaarlijke stoffen, daar niets aan afdoet; dat de verzoekende partij overigens niet de wettigheid VII-18.935-10/13 betwist van de desbetreffende indelingsrubriek die haar ertoe heeft gebracht in haar vergunningsaanvraag voor de verandering van de bestaande inrichting “het stallen in een loods van 17 tankwagens gevuld met giftige stoffen, zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare en ontvlambare vloeistoffen” op te nemen; dat de verwerende partij dan ook bevoegd is om de vergunningsaanvraag van de verzoekende partij te beoordelen op grond van motieven die verband houden met de bescherming van het leefmilieu; 2.2.3.
  26. Overwegende dat het middel evenwel gegrond is in de mate dat wordt aangevoerd dat het bestreden besluit vertrekt van de “verkeerde premisse” dat “tankwagens moeten vergeleken worden met verplaatsbare recipiënten”; dat artikel 1.1.
  27. van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II), zoals gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 19 januari 1999 -dat overigens wordt aangehaald in het bestreden besluit- het begrip “opslagplaats” omschrijft als “de ruimten of plaatsen in gebouwen, ondergronds of in open lucht, waarin de in dit reglement bedoelde gevaarlijke producten in vaste houders of in verplaatsbare recipiënten zijn opgeslagen in een hoeveelheid die het dagverbruik (24 uur) overschrijdt”, dat “verplaatsbare recipiënten” in dezelfde bepaling worden gedefinieerd als “houders welke worden gevuld of bijgevuld op een plaats andere dan de plaats van gebruik” en dat “transportvoertuigen” uitdrukkelijk niet als opslagplaats worden beschouwd; dat uit het bovenstaande volgt dat krachtens de geldende regelgeving er een duidelijk onderscheid bestaat tussen de opslag van gevaarlijke producten in “verplaatsbare recipiënten” en de “transportvoertuigen” die dergelijke stoffen bevatten, onderscheid dat onder meer als gevolg heeft dat transportvoertuigen, noch op zich, noch het stallen of parkeren ervan, onderworpen zijn aan de exploitatievoorwaarden die in hoofdstuk 5.17 van Vlarem II gesteld zijn met betrekking tot de opslag van gevaarlijke producten; 2.2.3.
  28. Overwegende dat het bestreden besluit volledig voorbijgaat aan het hierboven gemaakte onderscheid, en enkel stelt dat “de risico’s die de gestalde tankwagens met zich meebrengen vergelijkbaar zijn met de risico’s welke inherent zijn aan de opslag in verplaatsbare recipiënten”, terwijl noch in het besluit zelf, noch in de uitgebrachte adviezen argumenten worden aangevoerd die deze vergelijking kunnen onderbouwen; dat de vergelijking niet alleen strijdt met de uitdrukkelijke tekst van Vlarem II, maar ook niet verenigbaar is met het objectief verschil tussen de opslag in “verplaatsbare recipiënten” en het kortstondig stallen van tankwagens in het kader van een tijdelijke onderbreking van de uitvoering van een transportoperatie, nu de opslag in verplaatsbare recipiënten het op geregelde VII-18.935-11/13 tijdstippen vullen of bijvullen ervan veronderstelt met alle risico’s van dien, terwijl de tankwagens die de verzoekende partij wenst te stallen kennelijk niet worden gevuld of bijgevuld op haar inrichting; dat daarbij nog komt dat de vergunningverlenende overheid, hoewel niet bevoegd inzake de ADR-reglementering, bij de beoordeling van de risico’s die verbonden zijn aan het tijdelijk stallen van tankwagens redelijkerwijze voormelde reglementering niet mag negeren en niet zonder bijzondere motivering mag voorbijgaan aan de relevante risicobeperkende maatregelen die erin zijn opgenomen, inzonderheid wat betreft de technische vereisten van de tankwagens en de veiligheidsvoorschriften die tijdens de transportoperatie moeten nageleefd worden; dat het middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
  29. Vernietigd wordt het besluit van 21 mei 1999 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling waarbij het beroep ingediend door de b.v.b.a. DE DECKER - VAN RIET tegen de in het besluit van 12 november 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant vervatte weigering van de vergunning om een bestaand transportbedrijf, gelegen aan de Kouterbaan 40 te Londerzeel, te veranderen door uitbreiding met een stalplaats voor 17 tankwagens gevuld met giftige stoffen, zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare en ontvlambare vloeistoffen, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Artikel
  30. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-18.935-12/13 Artikel
  31. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven december tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-18.935-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.667 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.