id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.697 Rolnummer: A. 173988/X-12890 Zaak: Arrest 165697 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-13 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 11:17 Fiche Arrest nr 165.697 van 7 december 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.697 van 7 december 2006 in de zaak A. 173.988/X-12.
- In zake : Erwin NEIRINCK, die woonplaats kiest bij Advocaat I. VAN HOECKE, kantoor houdende te 9000 GENT, Drabstraat 14 tegen : de gemeente NAZARETH, die woonplaats kiest bij Advocaten B. ROELANDTS en L. PROOT, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan
- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Erwin NEIRINCK op 15 juni 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 18 januari 2006 van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Nazareth waarbij aan Ivan DE MEYER en Greet WATTÉ de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor de "nieuwbouw van een vrijstaande woning met carport, tuinberging en hobbyruimte" te Nazareth, Renbaanstraat 7A, op een perceel kadastraal bekend sectie B, 1ste afdeling, nr. 388y2; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 28 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 oktober 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; X-12.890-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. BEKAERT die loco Advocaat I. VAN HOECKE voor de verzoekende partij verschijnt en van Advocaat L. PROOT die voor de verwerende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat Ivan DE MEYER en Greet WATTÉ op 8 juli 2005 bij het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Nazareth een stedenbouwkundig attest nr. 2 hebben aangevraagd voor de nieuwbouw van een vrijstaande woning met carport, tuinberging en hobbyruimte te Nazareth, Renbaanstraat 7a, op een perceel kadastraal bekend sectie B, nr. 338y2; dat het betrokken perceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde is gelegen in woonuitbreidingsgebied; dat het niet is gelegen binnen het beheersingsgebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling; dat de gemachtigde ambetenaar op 15 september 2005 een gunstig advies heeft uitgebracht; dat het college van burgemeester en schepenen op 28 september 2005 aan Ivan DE MEYER en Greet WATTÉ een stedenbouwkundig attest nr. 2 heeft verleend; dat Ivan DE MEYER en Greet WATTÉ op 25 november 2005 bij het college van burgemeester en schepenen een aanvraag hebben ingediend tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van een vrijstaande woning met carport, tuinberging en hobbyruimte op voormeld perceel; dat de verzoekende partij, die eigenaar is van de woning onmiddellijk palend aan dit perceel, op 12 december 2005 tegen voornoemde aanvraag een bezwaarschrift bij het college van burgemeester en schepenen heeft ingediend; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Nazareth bij het thans bestreden besluit van 18 januari 2006 de gevraagde stedenbouwkundige vergunning heeft verleend; Overwegende dat de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis opwerpt; dat zij stelt dat verzoeker, als waakzaam burger, eerder had moeten informeren naar de stand van zaken van het X-12.890-2/5 dossier en dat het niet ernstig is te beweren dat hij pas op 16 april 2006 kennis heeft genomen van het bestreden besluit; Overwegende dat uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing; dat er in die omstandigheden geen reden is om in de huidige stand van het geding de opgeworpen exceptie te onderzoeken; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde betreft, verzoeker betoogt wat volgt: "Wanneer de bestreden beslissing in afwachting van het verzoek tot nietigverklaring niet zou worden geschorst, bestaat het gevaar dat de nieuwbouw alsnog wordt opgetrokken op basis van de bestreden stedenbouwkundige vergunning en verzoeker zodoende geconfronteerd zal blijven met deze bouw, X-12.890-3/5 nu het helemaal niet vaststaat dat eenmaal het gebouw is opgetrokken het tevens weer kan worden afgebroken. Dit zou natuurlijk alle rechten van verzoeker hypothekeren zodat het onontvankelijk verklaren van de aanvraag een moeilijk te herstellen ernstig nadeel oplevert."; Overwegende dat, om te voldoen aan de tweede door voormeld artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde, verzoeker dient aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten stedenbouwkundige vergunning een "ernstig nadeel" kan berokkenen, én dat dit nadeel moeilijk te herstellen is; dat dient te worden vastgesteld dat verzoekers uiteenzetting geen enkel concreet gegeven bevat omtrent de aard en de omvang van het "ernstig nadeel" dat hij ingevolge de oprichting van de vergunde woning ondergaat of dreigt te ondergaan; dat de omstandigheid dat eenmaal het vergunde gebouw opgericht, de afbraak ervan na een vernietigingsarrest moeilijk te verkrijgen is, geen nadeel is dat voortvloeit uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten stedenbouwkundige vergunning, maar enkel een argument kan zijn ter staving van de moeilijk te herstellen aard van een mogelijk nadeel; dat niet is voldaan aan een van de door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. X-12.890-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven december 2006, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. J. CAMU, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CAMU. J. BOVIN. X-12.890-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.697 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.374 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div