← België

Arrest 165722 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 08/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.722 Rolnummer: A. 162213/XIV-22441 Zaak: Arrest 165722 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 08/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-22 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-01 11:17 Fiche Arrest nr 165.722 van 8 december 2006 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.722 van 8 december 2006 in de zaak A. 162.213/XIV-22.441. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. HENDRICKX, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Adolphe Lacomblélaan 59-61, bus 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 3 mei 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 4 april 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij hij wordt uitgesloten van de bescherming van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953; Gelet op de beschikking van 10 mei 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 1 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 november 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-22.441-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HENDRICKX, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Enig middel, genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en uit de schending van de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en uit afwezigheid van rechtens vereiste feitelijke grondslag. Doordat, de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen stelt dat "appellant met toepassing van artikel 1, F (

  1. a)van het voormeld Verdrag van Genève van 28 juli 1951, derhalve uitgesloten wordt van de bescherming van dit Verdrag." “Overwegende dat, in tegenstrijd tot de stelling van appellant dat de misdrijven tegen de menselijkheid begaan, in concrete moeten worden aangetoond en bewezen, de Commissie meent dat door de veelheid van de door de "KHAD" begane folteringen en moorden (zie supra) het niet vereist is -het is haar trouwens ook onmogelijk- uitdrukkelijk de misdrijven te vermelden waaraan appellant hulp en bijstand heeft geboden bij het volbrengen ervan.” "Overwegende dat blijkt dat appellant zich nooit op enigerlei moment tijdens zijn tewerkstelling bij de “KHAD” aan de uitvoering van zijn taken heeft onttrokken of er afstand heeft van willen nemen; dat hij tot de val van het regime van Najubullah in april 1992, lid was van de KHAD” De wetgeving met betrekking tot de motivering strekt er ertoe de formele motivering als een substantiële vormvereiste op te leggen. Het was duidelijk de bedoeling van de wetgever de formele motivering als een substantieel vormvoorschrift op te leggen zonder mogelijkheid deze motiveringsvereiste vervangen te zien door deze of gene motivering die de rechtsonderhorige wel op één of andere wijze bekend zou zijn. De betwiste beslissing voldoet zelf niet aan de motiveringsvereiste omschreven in de formele motiveringswet en in andere rechtsbronnen (Arbeidshof Gent, 14 december 1994, RW, 1995-96, 49). De formele motiveringswet strekt niet alleen tot waarborg voor de burger die op deze wijze kennis kan nemen van al de elementen welke aan de basis liggen van de beslissing en van de draagwijdte ervan. Daarnaast is de formele motiveringsvereiste ook een waarborg voor de goede werking van het gerechtelijk apparaat. Het Internationaal Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen (Verdrag van Genève) is een internationaal instrument met humanitaire doelstellingen. Een soepele interpretatie en een evenwichtige verdeling van de bewijslast dringt zich op. Dit principe werd ook vastgelegd in de «Guide des procédures et critères pour déterminer la qualité de réfugié». (zie § 197, p. 51). De bewijslast moet verdeeld worden. De kandidaat vluchteling moet een duidelijk en gedetailleerd relaas overbrengen. Dit is in onderliggende zaak gebeurd. De ondervrager, in dit geval de rechter, moet de verklaringen van de kandidaat vluchteling beoordelen aan de hand van de bijzondere omstandigheden, eigen aan zijn geval (zie § 199, p. 52). De VBC bevestigt de beslissing van het CGVS als zou verzoeker geen beroep kunnen doen op het Verdrag van Genève. Verzoeker zou een zodanige positie hebben bekleed binnen de KHAD dat er voldoende redenen zijn om te veronderstellen dat verzoeker XIV-22.441-2/5 minstens mee verantwoordelijk kan worden gesteld voor misdrijven tegen de mensheid die binnen het KHAD zijn gepleegd. De VBC bevestigt dat zelfs indien verzoeker geen rechtstreeks deel zou hebben gehad aan sommige van de aan hem ten laste gelegde klachten, zijn persoonlijke verantwoordelijkheid kan worden vastgelegd voor gepleegde misdrijven. De VBC motiveert: “Overwegendé dat de Commissie, in het licht van wat voorafgaat, van mening is dat door appellant's regelmatige bevorderingen, hij ontegensprekelijk blijk heeft gegeven zijn taken binnen de “KHAD” overeenkomstig de vereisten van de dienst en tot voldoening van zijn meerderen uit te oefenen, ...” Verzoeker volhardt niet verantwoordelijk te zijn voor enig misdrijf tegen de mensheid. Verzoeker bevestigt dat zijn relaas verkeerd werd begrepen, en dat bijgevolg zijn rol binnen de KHAD verkeerdelijk is geïnterpreteerd. Verzoeker stelt dat de VBC haar motiveringsplicht schendt onder meer door het feit dat de VBC nergens een concreet feit aanhaalt waaruit de betrokkenheid van verzoeker kan blijken bij misdrijven tegen de mensheid. De VBC blijft inderdaad zeer algemeen in haar motivering voor wat betreft de beweerdelijke misdrijven tegen de mensheid, als voor wat betreft de persoonlijke betrokkenheid van verzoeker bij deze beweerdelijke misdrijven. Zodat, de motivering van de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen niet afdoend is. Terwijl, de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen grondig gemotiveerd moet zijn en dit zowel in rechten als in feiten, en dat deze motieven in de beslissing zelf moeten worden weergegeven, en die weergegeven motieven concreet moeten zijn en van die aard om de gewezen beslissing te dragen. Conclusie: de bestreden beslissing is niet afdoende gemotiveerd en schendt als dusdanig de materiële motiveringsplicht. Aangezien dit enig middel ontvankelijk en gegrond is gelet op de omstandigheden van de zaak en bijgevolg tot vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden, is het enig middel ernstig in al zijn onderdelen.”; 1.2. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat verzoeker niet in het minst verduidelijkt in welke zin “zijn rol binnen de KHAD verkeerdelijk is geïnterpreteerd”, doch er zich toe beperkt te volharden “niet verantwoorde- lijk te zijn voor enig misdrijf tegen de mensheid”; dat, als administratieve cassatierechter het de Raad van State niet toekomt zelf een onderzoek in te stellen naar de juiste draagwijdte van verzoekers functies binnen de KHAD; dat zo artikel 1, F (
  2. a)van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 met de grootste omzichtigheid moet worden toegepast, voor de toepassing ervan evenwel niet is vereist dat formeel wordt bewezen dat de betrokkene zich aan een misdrijf heeft schuldig gemaakt, doch het luidens de tekst van voormeld verdrag volstaat dat “er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij een (dergelijk) misdrijf heeft begaan”; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dan ook terecht kon vaststellen “dat door de veelheid van de door de “KHAD” begane folteringen en moorden (...) het niet vereist is (...) uitdrukkelijk de misdrijven te vermelden waaraan appellant hulp en bijstand heeft geboden bij het volbrengen ervan”; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker beweert, de motivering van de bestreden beslissing overigens geenszins “zeer algemeen” is, doch de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in de ruim zeven pagina’s tellende beslissing genoegzaam aangeeft waarom zij met toepassing van artikel 1, F (a), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 verzoeker uitsluit van de bescherming van dit verdrag; dat dit besluit, onder meer, steunt op de vaststelling verzoeker door zijn regelmatige bevorderingen XIV-22.441-3/5 (hij trad in dienst in 1986 als luitenant, promoveerde in 1987 tot kapitein, in 1989 tot hoger kapitein en in 1991 tot majoor, dit is amper twee graden verwijderd van de toprang van generaal) ontegensprekelijk blijk heeft gegeven zijn taken binnen de “Khad” uit te oefenen overeenkomstig de vereisten van de dienst en tot voldoening van zijn meerderen, waardoor in zijnen hoofde zowel de “knowing participation” als de “personal participation” aanwezig zijn, op de vaststelling dat zijn beweringen over de blijkbaar automatische bevorderingen, over zijn zuiver administratieve bevoegdheden en over zijn quasi-onwetendheid over de doelstellingen van de “KHAD” en over de gebruikte “methodes” in strijd zijn met de informatie waarover de Commissie beschikt en op de vaststelling dat hij tot de val van het regime van Najubullah in april 1992 lid was van de “KHAD” zonder zich ooit op enigerlei moment tijdens zijn tewerkstelling bij de “KHAD” aan de uitvoering van zijn taken te hebben onttrokken of er afstand van te hebben willen nemen; dat de besteden beslissing derhalve afdoende met redenen is omkleed; dat het enig middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-22.441-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht december tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-22.441-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.722 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.