← België

Arrest 165759 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 11/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.759 Rolnummer: A. 64582/X-6666 Zaak: Arrest 165759 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 11/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-20 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 11:20 Fiche Arrest nr 165.759 van 11 december 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.759 van 11 december 2006 in de zaak A. 64.582/X-6666. In zake : Pierre WINCKEL, die woonplaats kiest bij Advocaat M. RAATS, kantoor houdende te 2660 ANTWERPEN, Broydenborglaan 119 tegen : de Bestendige Deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. tussenkomende partijen : 1. Gilbert STUYCK, 2. Bea GOOLAERTS, die woonplaats kiezen bij Advocaat J. PEETERS, kantoor houdende te 2900 SCHOTEN, Kopstraat 50-52. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Pierre WINCKEL op 19 juli 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 15 september 1994 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende eensdeels, inwilliging van het beroep van Gilbert STUYCK en Bea GOOLAERTS tegen het besluit van 13 april 1993 van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten waarbij hun de vergunning is geweigerd voor het uitvoeren van tuinwerken op een perceel gelegen Nachtegalenlei 17 te Schoten, en anderdeels, verlening van de bouwvergunning; Gelet op het arrest nr. 155.617 van 27 februari 2006 waarbij de debatten worden heropend; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door Auditeur A. VAN MINGEROET; X-6666-1/7 Gelet op de beschikking van 18 april 2006 die de neerlegging ter griffie van het aanvullend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 oktober 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. WENDRICKX die loco Advocaat J. PEETERS verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A.VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de tussenkomende partijen op 15 maart 1993 bij het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten een regularisatieaanvraag hebben ingediend voor het uitvoeren van tuinwerken op een perceel gelegen te Schoten, Nachtegalenlei 17; dat het betrokken perceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen is gelegen in een woonpark; dat het niet is gelegen binnen een door de Koning -thans de Vlaamse regering- goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling; dat het gemeentebestuur van Schoten op 17 maart 1993 de verzoekende partij, als buur, op de hoogte heeft gesteld van deze aanvraag; dat de verzoekende partij op 29 maart 1993 een bezwaarschrift heeft ingediend; dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 6 april 1993 is ingegaan op het bezwaarschrift "voor wat de bouw van het houten scherm betreft"; dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 13 april 1993 de regularisatievergun- ning voor het houten scherm heeft geweigerd; dat de tussenkomende partij op 7 juni 1993 beroep heeft ingesteld bij de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen tegen "de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen d.d. X-6666-2/7 6 april 1993 waarbij de afbraak werd gevorderd van het houten scherm dat werd aangebracht naast de perceelscheiding", en heeft gevraagd "toelating te verlenen tot oprichting en behoud van een scherm in gevlochten hout, dienstig voor snelgroeiende klimop en de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen d.d. 6 april 1993 te vernietigen in de mate dat zij de afbraak van het houten scherm oplegt"; dat de bestendige deputatie het beroep van de tussenkomende partijen heeft aanzien als gericht tegen voormeld besluit van het college van burgemeester en schepenen van 13 april 1993 en bij besluit van 15 september 1994 dit beroep heeft ingewilligd en de gevraagde vergunning heeft verleend; Overwegende dat de verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van het veldwetboek en van het evenwicht tussen naburige erven doordat het vergunnen van tuinwerken met inbegrip van grondophogingen en het oprichten van een bouwsel , in casu een houten afschutting van meer dan twee meter hoogte op de scheidingslijn, niet alleen de esthetiek en levenskwaliteit van zijn pand aantast met onder andere zonwering over meer dan de helft van de tuinen, roestverschijnse- len, maar ook schade aanricht, niet uitsluitend wat de plantengroei betreft, maar vooral ingevolge wateroverlast; dat het zijn pand geregeld onder water zet; dat hierover op 12 juni 1995 een tegensprekelijk deskundig verslag door een ingenieur werd opgesteld; Overwegende dat de verzoeker in een vijfde middel de schending aanvoert van het veldwetboek en van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van de buren door het toelaten van een bouwsel dat hem sinds twee jaar de zonnestralen op zijn pand ontneemt, gedurende vele uren per dag; Overwegende dat de verzoeker zich in het tweede en het vijfde middel in wezen ertoe beperkt te beweren dat het verlenen van een vergunning voor een tuinscherm begroeid met klimop op het betrokken terrein kennelijk van aard is om overdreven hinder voor de buren te veroorzaken, met andere woorden de maat van de gewone ongemakken tussen buren te overschrijden en bijgevolg het evenwicht tussen de naburige erven op ernstige wijze te verbreken; dat luidens artikel 144 van de Grondwet geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting behoren tot de bevoegdheid van de rechtbanken; dat de vraag of de vergunde constructie kennelijk overdreven hinder voor de buren zou veroorzaken, waardoor de maat van de gewone ongemakken tussen de buren wordt overschreden, en bijgevolg het evenwicht tussen de naburige erven op ernstige wijze wordt verbroken, de mogelijke X-6666-3/7 schending van een burgerlijk recht betreft (art. 544 van het Burgerlijk Wetboek); dat het derhalve niet behoort tot de bevoegdheid van de Raad van State hieromtrent uitspraak te doen; dat het tweede en het vijfde middel ongegrond zijn; Overwegende dat de verzoeker in het derde middel aanvoert dat de algemeen stedenbouwkundige voorschriften en gemeentelijke verordeningen ter plaatse bepalen dat uitsluitend groene hagen of een aanplanting in de open bebouwing zijn toegelaten; dat het bouwwerk dat daar wordt toegelaten en ook de binnen de onbebouwbare zone opgerichte pergola, al dan niet begroeid, aan deze voorschriften zeker niet beantwoorden; dat het in de optiek van het bestreden besluit mogelijk is om het even welke muur met planten te laten overwoekeren om als aanplanting te fungeren ; dat het niet zeker is dat de groene begroeiing dit uitzicht zal behouden zodat slechts een afsluitingsmuur van hout zal overblijven; Overwegende dat de "algemeen geldende voorschriften" voor het betrokken gebied met betrekking tot "erfscheidingen" bepalen wat volgt: "4/ Erfscheidingen. (...)

  1. b)Facultatieve afsluitingsmuren tussen de erven onderling en tussen een erf en de openbare weg. Behoudens andersluidende bepalingen in de volgende artikelen: (...) 3) in de strook voor binnenplaatsen en tuinen: - bij vrijstaande bebouwing: verboden - bij gekoppelde bebouwing en bij kopgebouwen: een afsluitingsmuur in baksteen is toegelaten in het verlengde van de scheidsmuur van het hoofdge- bouw tot een maximumhoogte van 2 m. De uitvoering in betonplaten is toegelaten voor zover de constructie niet vanaf de openbare weg zichtbaar is of althans zal zijn na de volledige bebouwing van het betrokken bouwblok. - bij gegroepeerde of aaneengesloten bebouwing behalve de kopgebouwen: afluitingsmuren in baksteen met een maximumhoogte van 2 m zijn toegelaten op alle perceelsgrenzen. De uitvoering in betonplaten is toegelaten voor zover de constructie niet vanaf de openbare weg zichtbaar is of althans zal zijn na de volledige bebouwing van het betrokken bouwblok"; Overwegende dat het bestreden besluit is gemotiveerd als volgt: "Overwegende dat de algemene stedenbouwkundige normen betreffende vrijstaande bebouwing facultatieve afsluitingsmuren tussen erven onderling, in de strook voor binnenplaatsen en tuinen, verbieden; dat in de voortuinstrook en de zijtuinstrook muren als erfscheidingen toegelaten zijn op voorwaarde dat zij een hoogte van maximum 0,40 m hebben; een vlechtwerk in hout, gebruikt als steun voor klimopbegroeiing, redelijkerwijze niet als muur doch als haag dient beschouwd te worden, eenmaal het is begroeid; dat uit de foto’s die door de beroeper ter zitting zijn voorgebracht blijkt dat het scherm thans volledig X-6666-4/7 begroeid is; dat uit de voorgebrachte foto’s tevens blijkt dat in de omgeving gelijkaardige begroeide schermen voorkomen; dat de goede aanleg van de plaats derhalve niet in het gedrang wordt gebracht"; Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat de litigieuze erfscheiding bestaat uit een vlechtwerk van hout; dat de verwerende partij de bepaling van de algemeen geldende voorschriften niet schendt door aan te nemen dat een dergelijk vlechtwerk in hout geen "afsluitingsmuur" is in de zin van de ter zake geldende voorschriften zoals hiervoor aangehaald; dat het derde middel niet gegrond is; Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederant- woord in verband met het derde middel voor het eerst nog aanvoert dat "de goede plaatselijke ordening in het gedrang (wordt) gebracht" en dat "de provinciale technische dienst geen betrouwbare elementen (levert) met betrekking tot de houten schutting" en hij zich niet objectief van de plaatselijke toestand kwam vergewissen "daar de gegevens van de oorspronkelijke aanvragers zonder meer werden over- genomen"; dat de verzoeker aldus een nieuw middel formuleert waarvan niet blijkt dat hij het niet reeds in het verzoekschrift had kunnen aanvoeren; dat aangezien dit middel de openbare orde niet raakt, het niet voor het eerst in de memorie van wederantwoord kan worden ingeroepen; dat het niet ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoeker in het vierde middel aanvoert dat het afleveren van een bouwvergunning tot behoud van reeds uitgevoerde bouwwer- ken waarvoor geen regelmatige vergunning was verleend, niet tegen de bestaande administratieve reglementeringen mag indruisen met als doel de overtredingen te regulariseren; dat dit wel wordt gedaan door de bestreden beslissing; dat de oorspronkelijke aanvraag mogelijk misleidend was opgesteld derwijze dat de provinciale overheid niet heeft kunnen beschikken over een volledig en juist dossier; dat de vergunning werd verleend op basis van onbestaande of niet correcte gegevens; Overwegende dat de verzoeker in een zesde middel aanvoert dat door de aanvrager in zijn beroepsschrift bij de bestendige deputatie "allerhande beweringen als argumenten worden aangevoerd die elke wettelijke basis missen (...) waaruit onomstotelijk gededuceerd (moet) worden dat zij worden aangebracht om de desbetreffende heersende wetten en (plaatselijke) verordeningen te overtreden en/of te omzeilen"; X-6666-5/7 Overwegende dat, om ontvankelijk te zijn, een middel een voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop deze regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden dient aan te geven; Overwegende dat, in zoverre de verzoeker aanvoert dat een bouwvergunning niet mag indruisen tegen "bestaande administratieve reglementering- en", er dient te worden vastgesteld dat de verzoeker nalaat aan te geven tegen welke "administratieve reglementering" de vergunning zou indruisen; dat in zoverre verzoeker aanvoert dat de bestreden vergunning mogelijks werd verleend op basis van onbestaande of niet correcte gegevens, hij zich beperkt tot een loutere bewering, die op geen enkele wijze wordt geconcretiseerd; dat, in zoverre de verzoeker aanvoert dat de aanvrager allerhande beweringen heeft aangevoerd, met de bedoeling om de "heersende wetten en (plaatselijke) verordeningen te overtreden en/of te omzeilen", de verzoeker evenmin preciseert om welke wetten en verordeningen het zou gaan; dat het vierde en het zesde middel derhalve niet ontvankelijk zijn; BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 148,74 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor de helft. X-6666-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf december 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-6666-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.759 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.617 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.