id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.769 Rolnummer: A. 177056/IX-5434 Zaak: Arrest 165769 - Commissie voor bank- financie- en verzekeringswezen - 11/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-18 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 11:24 Fiche Arrest nr 165.769 van 11 december 2006 Economische zaken - Commissie voor bank- financie- en verzekeringswezen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.769 van 11 december 2006 in de zaak A. 177.056/IX-
- In zake : de BVBA GOOSSENS ASSURANCE & FINANCE, gevestigd te MAASEIK, Stationsstraat 47 tegen : de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, die woonplaats kiest bij advocaten D. LINDEMANS en A. WIRTGEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA GOOSSENS Assurance & Finance op 25 augustus 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen van 11 juli 2006 waarbij akte genomen wordt van het verval van rechtswege van de inschrijving van de verzoekende partij in het register van de verzekeringstussenpersonen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 16 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. WIRTGEN die in eigen naam en loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verwerende partij; IX-5434-1/7 Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij was ingeschreven in het register van de verzekeringstussenpersonen bedoeld in artikel 5 van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen. 1.
- Met een brief van 31 december 2003 deelt de Controledienst voor de Verzekeringen aan de verzoekende partij mee dat het inschrijvingsrecht voor het boekjaar 2003, 58,50 euro bedraagt en dat dit bedrag binnen de dertig dagen moet worden betaald. Er wordt tevens op gewezen dat bij gebreke van betaling voor die datum de inschrijving in het register voor de verzekeringstussenpersonen kan worden geschrapt. Met een brief van 17 december 2004 deelt de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (hierna: C.B.F.A.) aan de verzoekende partij mee dat het inschrijvingsrecht voor het boekjaar 2004, 111,03 euro bedraagt en dat dit bedrag binnen de dertig dagen moet worden betaald. Er wordt aan herinnerd dat bij gebreke van betaling voor die datum de inschrijving in het register van de verzekeringstussenpersonen kan worden geschrapt overeenkomstig artikel 9, alinea 6 van de wet van 27 maart
- Met een aangetekende brief van 3 oktober 2005 herinnert de C.B.F.A. de verzoekende partij aan haar bovenvermelde brieven van 31 december 2003 en 17 december
- Zij meldt voorts, onder meer, dat zij de betalingen nog niet ontvangen heeft en maant de verzoekende partij aan de verschuldigde inschrij- vingsrechten te betalen. Met een brief van 23 december 2005 deelt de C.B.F.A. aan de verzoekende partij mee dat voor het dienstjaar 2005 een bedrag verschuldigd is van 162,79 euro en dat dit bedrag binnen de dertig dagen moet worden betaald. Opnieuw IX-5434-2/7 wordt er op gewezen dat bij gebreke van betaling binnen die termijn de inschrijving in het register van de verzekeringstussenpersonen kan worden geschrapt overeen- komstig artikel 9, alinea 6, van de wet van 27 maart
- 1.
- Met een aangetekende brief van 4 mei 2006 herinnert de C.B.F.A. er de verzoekende partij nogmaals aan dat de verschuldigde inschrijvingsrechten voor de dienstjaren 2003, 2004 en 2005 nog altijd niet betaald werden. Zij maant de verzoekende partij aan de verschuldigde bedragen binnen de maand te betalen en wijst er op dat overeenkomstig art. l3bis, § 2, van de voornoemde wet van 27 maart 1995 de inschrijving in het register van de verzekeringstussenpersonen van rechtswege vervalt indien binnen die termijn de tekortkoming niet is verholpen. 1.
- In een aangetekende brief van 13 juli 2006 deelt de C.B.F.A. aan de verzoekende partij mee dat het directiecomité van de C.B.F.A. op 11 juli 2006 akte genomen heeft van het verval van rechtswege van haar inschrijving in het register van de verzekeringstussenpersonen. In die brief van 13 juli 2006 wordt onder meer het volgende gesteld: “Om in het register van de verzekeringstussenpersonen te worden ingeschreven en die inschrijving te behouden moet een verzekeringstussenper- soon voldoen aan alle voorwaarden van artikel 10 van de Wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzeke- ringen. Krachtens artikel 10, eerste lid, 7/ van de wet van 27 maart 1995 moet elke verzekeringstussenpersoon, om in het register te worden ingeschre- ven en die inschrijving te behouden, een jaarlijks inschrijvingsrecht betalen. Artikel l3bis, § 2 van de wet van 27 maart 1995 bepaalt dat wanneer de CBFA vaststelt dat een verzekerings- of herverzekeringstussen- persoon het bepaalde in artikel 10, eerste lid, 7/ niet nakomt, zij deze aanmaant aan deze tekortkoming te verhelpen binnen een maand na de aanmaning. Indien na deze termijn de tekortkoming niet is verholpen, vervalt de inschrijving van de verzekerings- of herverzekeringstussenpersoon in het register van rechtswege. Bij aangetekende brief van 4/05/2006 werd U door de CBFA aangemaand om binnen een termijn van dertig dagen uw toestand te regulariseren en over te gaan tot betaling van de door u verschuldigde i i inschrijvingsrechten, zijnde 58,5 voor het boekjaar 2003, 111, 03 voor het boekjaar 2004 en 162,79 i voor het boekjaar
- U werd er eveneens van op de hoogte gesteld dat indien U niet reageerde binnen de door de CBFA gestelde termijn, deze niet anders kon dan vaststellen dat U geen inzage wenst te nemen in uw dossier en dat U afziet van uw recht om uw verweermiddelen voor te leggen en dat in dat geval uw dossier zou worden voorgelegd aan het Directiecomité van de IX-5434-3/7 CBFA dat het verval van rechtswege van uw inschrijving in het register van verzekeringstussenpersonen zou acteren. Gelet op het feit dat U niet binnen de in deze aanmaning gestelde termijn overging tot betaling van de door u verschuldigde inschrijvingsrechten en gelet op het feit dat U het bepaalde in artikel 10, eerste lid, 7/ van de wet van 27 maart 1995 niet nakomt, heeft het Directiecomité in zijn zitting van 11juli 2006 acte genomen van het verval van rechtswege van uw inschrijving in het register van verzekeringstussenpersonen overeenkomstig artikel 13 bis, § 2 van dezelfde wet.” 1.
- Met een fax-bericht van 14 juli 2005 vraagt de verzoekende partij aan de C.B.F.A. “nota te willen nemen van de betaling van de nog openstaande inschrijvingsrechten” voor de boekjaren 2003, 2004 en
- 1.
- In een aangetekende brief van 26 juli 2006 vraagt de verzoekende partij aan de C.B.F.A. om “de beslissing tot acteren van het verval van rechtswege van onze inschrijving in het register van verzekeringstussenpersonen in te trekken”. 1.
- Bij aangetekende brief van 31 juli 2006 nodigt de C.B.F.A. de verzoekende partij uit voor een hoorzitting op 7 augustus 2006 tijdens dewelke zij haar verweermiddelen en dossierstukken kan voorleggen. Tijdens een onderhoud in de kantoren van de C.B.F.A. op 7 augustus 2006 voert P. GOOSSENS, zaakvoerder van de verzoekende partij, verweermiddelen aan en legt hij een rekeninguittreksel neer waaruit blijkt dat de betalingen op 14 juli 2006 werden uitgevoerd. 1.
- Met een aangetekende brief van 18 augustus 2006 deelt de C.B.F.A. aan de verzoekende partij mee dat het directiecomité van de C.B.F.A. op 17 augustus 2006 beslist heeft de beslissing van 11 juli 2006 tot akteren van het verval van rechtswege van haar inschrijving in het register van de verzekeringstussen- personen, te handhaven. Gesteld wordt dat niet werd aangetoond dat voldaan werd aan de voorwaarde om de inschrijving in het register te kunnen behouden zoals bepaald in artikel 10, alinea 1, 7/, van de voornoemde wet van 27 maart 1995 en het bewijs niet geleverd werd dat de inschrijvingsrechten voor de boekjaren 2003, 2004 en 2005 betaald waren binnen de maand na datum van de aanmaning die aangetekend verstuurd werd op 4 mei
- IX-5434-4/7 1.
- Met een aangetekende brief van 25 augustus 2006 wordt namens de verzoekende partij tegelijkertijd de schorsing en de nietigverklaring gevorderd van de bovenvermelde beslissing van de C.B.F.A. van 11juli 2006 waarbij akte genomen werd van het verval van rechtswege van haar inschrijving in het register van de verzekeringstussenpersonen.
- Over de ontvankelijk van de vordering tot schorsing. Overwegende dat het inleidend verzoekschrift van 25 augustus 2006 van de verzoekende partij als volgt luidt: “Geachte, Betreft: Beslissing tot intrekking betreffende de verzekerings- en herverzeke- ringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen door CBFA. Naar aanleiding van een beslissing op 11 juli 2006, omwille van een laattijdige betaling, werd verval van rechtswege van inschrijving in het register van verzekeringstussenpersonen ingesteld. Overeenkomst het Koninklijk Besluit van 15 mei 2003 verzoeken wij tot nietigverklaring van genoemde beslissing, alsook tot schorsing van de betrokken beslissing. Wij hebben de betaling ingevolge overmacht over het hoofd gezien. Tevens zit er tussen de datum van beslissing 11 juli en de datum van betaling 14 juli, drie dagen verschil. Inmiddels verblijvende aanvaardt onze oprechte dank voor een welwillende behandeling. Hoogachtend Theo pascal Goossens. Zaakvoerder”; Overwegende dat uit wat voorafgaat onomstotelijk blijkt dat namens de verzoekende partij zowel de nietigverklaring als de schorsing van de tenuitvoerlegging wordt gevorderd in eenzelfde verzoekschrift van 25 augustus 2006; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State als volgt luidt : "§
- De vordering tot schorsing wordt ingesteld bij een afzonderlijke akte die geen deel uitmaakt van het verzoekschrift tot nietigverklaring en uiterlijk samen met dat verzoekschrift. Zij bevat een uiteenzetting van de middelen en de feiten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing of, in voorkomend geval, van voorlopige maatregelen rechtvaardigen. De schorsing en de andere voorlopige maatregelen die zouden zijn bevolen vóór het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring van de akte of het reglement worden door de voorzitter van de kamer of door de staatsraad die hij IX-5434-5/7 aanwijst die ze heeft uitgesproken onmiddellijk opgeheven als hij vaststelt dat binnen de in de procedureregeling vastgestelde termijn geen enkel verzoekschrift tot nietigverklaring is ingediend waarin de middelen worden aangevoerd die ze gerechtvaardigd hadden"; Overwegende dat uit het eerste lid van deze bepaling voortvloeit dat de wetgever op procedureel vlak de schorsingsprocedure nadrukkelijk heeft willen scheiden van de vernietigingsprocedure; dat aldus door die scheiding een duidelijk verloop van de rechtsstrijd wordt beoogd; dat het voorwerp van de schorsingsprocedure aldus verschilt van dat van de vernietigingsprocedure aangezien een verzoeker in die eerste procedure, naast het bestaan van het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, de ernst van de door hem aangevoerde middelen moet aantonen, terwijl hij in de vernietigingsprocedure de gegrondheid van die middelen moet aantonen; dat aangezien een vordering tot schorsing een accessorium is van de vordering tot vernietiging de voorliggende vordering bijgevolg niet anders kan worden opgevat dan als een vordering tot vernietiging; dat een vordering tot schorsing, ingediend in de vordering tot vernietiging derhalve niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5434-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf december 2000 en zes, door : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-5434-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.769 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.713 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.