← België

Arrest 165784 - Gerechtsdeurwaarders - 12/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.784 Rolnummer: A. 126710/IX-3491 Zaak: Arrest 165784 - Gerechtsdeurwaarders - 12/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-26 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-01 11:29 Fiche Arrest nr 165.784 van 12 december 2006 Justitie - Gerechtsdeurwaarders Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.784 van 12 december 2006 in de zaak A. 126.710/IX-3491. In zake : Dorine DEVLAMYNCK, die woonplaats kiest bij advocaat I. OPDEBEEK, kantoor houdende te AARTSELAAR, Karel van de Woestijnelaan 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat P. LUYPAERS, kantoor houdende te HEVERLEE, IJzerenmolenstraat 105 tussenkomende partij : Olivier LAMBILOTTE, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Dorine DEVLAMYNCK op 12 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het koninklijk besluit van 7 juli 2002 waarbij Olivier LAMBILOTTE wordt benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Brugge; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 3 december 2002, ingediend door Olivier LAMBILOTTE; Gelet op de beschikking van 10 december 2002, die de tussen- komst van Olivier LAMBILOTTE toelaat; IX-3491-1/12 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de laatste memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 29 september 2005 die de neer- legging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 16 oktober 2006, waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 november 2006, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de openbare terechtzitting van 27 november 2006, datum waarop de zaak wordt behandeld en in beraad wordt genomen; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. OPDEBEEK, die verschijnt voor verzoekster, van advocaat K. VAN HERCK, die loco advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : IX-3491-2/12 1.1. Blijkens bericht in het Belgisch Staatsblad van 15 juni 2001 wordt een betrekking van gerechtsdeurwaarder in het arrondissement Brugge vacant verklaard. 1.2. Voor die betrekking stellen zich tweeënveertig personen kandidaat, waaronder de verzoekende en de tussenkomende partij. 1.3. Op 6 augustus 2001 brengt de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders van Brugge over de kandidatuur van verzoekster het volgend advies uit : "zeer gunstig met speciale aanbeveling". Dit advies luidt als volgt : "(...) Betreffende de kandidatuur van: DEVLAMYNCK Dorine, geboren te Veurne op 25 december 1967, wonende te 8490 Jabbeke-Varsenare, Gistelsteenweg 95, voor het ambt van gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Brugge, ingevolge de vacature, verschenen in het Belgische Staatsblad van 15 juni 2001; Gelet op artikel 512 van het Gerechtelijk Wetboek; Gelet op het verzoek van de Heer Minister van Justitie van 24 juli 2001; Aangezien de kandidaat voldoet aan alle benoemingsvoorwaarden gesteld in het Gerechtelijk Wetboek, o.a. wat de stage betreft, welke gehomologeerd werd op 17 maart 1994; Gezien de zeer positieve referenties; Gezien de kandidaat gedurende ruim 7 jaar verschillende plaatsvervangingen heeft gedaan in het kantoor van gerechtsdeurwaarder Verleyen te Brugge en dit op een constante en exclusieve wijze; dat zij gedruende (gedurende) al die jaren medewerker is geweest in de associatie van gerechtsdeurwaarders Verleyen - Heinken (+) - Verhaeghe te Brugge en Fischer te Oostende, zodat zij ten volle vertrouwd is met de werking van het kantoor en van de bestaande associatie; Gezien de kandidaat geen enkele tuchtstraf heeft opgelopen en dat er geen klachten bekend zijn omtrent deze kandidaat; Gelet op het vorige unanieme advies van de raad ten aanzien van deze kandidaat; Om deze redenen: verleent de Raad unaniem het volgend advies: ZEER GUNSTIG met speciale aanbeveling. (...)". 1.4. Op 6 augustus 2001 brengt de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders van Brugge over de kandidatuur van de tussenkomende partij een "zeer gunstig" advies uit. Dit advies luidt als volgt: "(...) Betreffende de kandidatuur van: LAMBILOTTE Olivier, geboren te Brugge op 3 juni 1969, wonende te 8200 Brugge-Sint Michiels, Platanendreef 6, voor het ambt van gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Brugge, ingevolge de vacature, verschenen in het Belgische Staatsblad van 15 juni 2001; IX-3491-3/12 Gelet op artikel 512 van het Gerechtelijk Wetboek; Gelet op het verzoek van de Heer Minister van Justitie van 24 juli 2001; Aangezien de kandidaat voldoet aan alle benoemingsvoorwaarden gesteld in het Gerechtelijk Wetboek, o.a. wat de stage betreft, welke gehomologeerd werd op 27 maart 1998; Gezien de kandidaat in 1994 het diploma van licentiaat in de rechten heeft behaald en dit op voldoende wijze; dat hij in 1995 het diploma heeft behaald van licentiaat in het notariaat en dit op voldoende wijze; Gezien de positieve referenties; Gezien de kandidaat sedert het behalen van het getuigschrift van kandidaat- gerechtsdeurwaarder diverse plaatsvervangingen heeft gedaan, dit tot ieders voldoening; Gezien de kandidaat geen enkele tuchtstraf heeft opgelopen en dat er geen klachten bekend zijn omtrent deze kandidaat; Gelet op het vorige advies van de raad ten aanzien van deze kandidaat; Om deze redenen: verleent de Raad unaniem het volgend advies: ZEER GUNSTIG. (...)". 1.5. De bij artikel 512, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven adviezen van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent en van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brugge zijn zowel voor de verzoekende als voor de tussenkomende partij gunstig. 1.6. Bij koninklijk besluit van 7 juli 2002 wordt de tussenkomende partij benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Brugge. Dit besluit, dat de thans bestreden beslissing uitmaakt, luidt als volgt : "(...) Gelet op het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid op artikel 510; Overwegende dat de heer Lambilotte Olivier op 22 september 1994 het diploma behaalde van licentiaat in de rechten en op 28 september 1995 het diploma van licentiaat in het notariaat; Overwegende dat hij zijn stage van 6 februari 1996 tot en met 29 februari 1998 volbracht in Oostende, waar hij nog steeds werkzaam is; Overwegende dat zijn stage werd gehomologeerd op 27 maart 1998; Overwegende dat betrokkene bijgevolg de wettelijke benoemingsvoor- waarden vervult; Overwegende dat hij probleemloos in diverse vervangingen heeft voorzien, en woonachtig is te Brugge, waardoor hij vertrouwd is met de streek waar hij zijn ambt moet uitoefenen; Gelet op het gunstig advies van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent, betekend aan betrokkene op 9 november 2001; Gelet op het gunstig advies van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, betekend aan betrokkene op 8 augustus 2001; Gelet op het unaniem zeer gunstig advies van de Raad van de arron- dissementskamer van de gerechtsdeurwaarders van Brugge, betekend aan betrokkene op 14 augustus 2001, Op de voordracht van Onze Minister van Justitie, HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ : IX-3491-4/12 Artikel 1. De heer Lambilotte Olivier Constant Maria Jan, licentiaat in de rechten, wordt benoemd tot gerechtsdeurwaarder, ter vervanging van de heer Declercq, ontslagnemer. Art. 2. Hij zal in het gerechtelijk arrondissement Brugge zijn ambt uitoefenen en er moeten verblijven. Art. 3. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit. (...)". 1.7. Op 19 juli 2002 wordt voormeld benoemingsbesluit bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. 1.8. Bij ministerieel besluit van 7 juli 2002 wordt bepaald dat het kantoor van de tussenkomende partij wordt gevestigd te Brugge. 2. Over de grond van de zaak. 2.1. Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.1.1. Overwegende dat verzoekster in een eerste onderdeel van het enig middel stelt "dat de motivering (...) niet afdoende (is), daar noch uit het bestreden besluit, noch uit enig ander stuk van het administratief dossier blijkt dat een vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten heeft plaatsgevonden en nergens wordt vermeld waarom de benoemde de voorkeur verdient boven de andere kandidaten"; dat verzoekster stelt dat de bestreden beslissing "positief, noch negatief, een passus (bevat) waarin de benoemde (...) expliciet of impliciet wordt vergeleken met de andere kandidaten"; dat verzoekster uiteenzet dat de vier eerste overwegingen van de bestreden beslissing enkel vermelden dat de tussenkomende partij het vereiste diploma behaalde, dat zijn stage werd volbracht, dat zijn stage werd gehomologeerd en dat hij bijgevolg de wettelijke benoemingsvoorwaarden vervult; dat verzoekster stelt dat deze overwegingen de bestreden beslissing niet kunnen schragen, vermits het ondenkbaar is dat de overheid iemand zou benoemen die niet aan de benoemingsvoorwaarden voldoet; dat verzoekster betoogt dat ook zij aan de benoemingsvoorwaarden voldoet, zodat dit op zich geen argument kan zijn om de voorkeur te geven aan de tussenkomende partij; dat verzoekster aanvoert dat er in de motivering van de bestreden beslissing voor het overige enkel wordt gewezen op het feit dat de tussenkomende partij probleemloos in diverse vervangingen heeft voorzien en woonachtig is te Brugge waardoor hij vertrouwd is met de streek, dat IX-3491-5/12 hij een gunstig advies bekwam van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent en van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, en dat hij een unaniem zeer gunstig advies bekwam van de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders; dat verzoekster stelt dat deze overwegingen de keuze voor de tussenkomende partij niet kunnen verantwoorden, aangezien ook zij probleemloos in diverse vervangingen heeft voorzien - en veel meer en sinds veel langere tijd dan de benoemde - en vertrouwd is met de streek waar het ambt moet worden uitgeoefend, dat ook zij een gunstig advies bekwam van de procureur-generaal en van de procureur des Konings, en dat zij bovendien niet alleen een zeer gunstig advies, maar een zeer gunstig advies met speciale aanbeveling bekwam van de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders; dat verzoekster tenslotte aanvoert dat ook uit andere stukken van het dossier niet kan worden afgeleid dat enige vergelijking van de kandidaten plaatsvond; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst naar de adviezen van de procureur-generaal, de procureur des Konings en de raad van de arrondissementskamer, en aanvoert dat de keuze voor de tussenkomende partij in de bestreden beslissing wordt gemotiveerd op grond van de overweging dat "hij probleemloos in diverse vervangingen heeft voorzien, en woonachtig is te Brugge, waardoor hij vertrouwd is met de streek waar hij zijn ambt moet uitoefenen."; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekster in haar memorie van wederantwoord aanvoert dat in "de matrix, (...) enkel wordt gewezen op de gunstige adviezen die beide kandidaten (...) kregen van de procureur-generaal en van de procureur des Konings, en dat het advies van de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders voor de benoemde "zeer gunstig" was en voor verzoekster "zeer gunstig met speciale aanbeveling"; dat verzoekster stelt dat "indien deze gegevens echter de objectieve, redelijke en pertinente gegevens waren aan de hand waarvan de vergelijking en de benoeming gebeurde, (...) de verzoekende partij (had) moeten worden benoemd, daar deze van de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders een beter advies had gekregen dan de benoemde."; dat verzoekster tenslotte betoogt dat ook de motivering van de bestreden beslissing de keuze van de overheid niet kan verantwoorden; 2.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar laatste memorie aanvoert dat het bestuur, overeenkomstig de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het materiële motief van de IX-3491-6/12 beslissing moet formaliseren, maar dat zulks niet inhoudt dat in het benoemingsbesluit elke kandidatuur moet worden behandeld, zeker niet nu er tweeënveertig kandidaten waren; dat de tussenkomende partij stelt dat aan de formele motiveringsplicht is voldaan, aangezien verzoekster in staat blijkt de motieven van de benoeming te bekritiseren; dat de tussenkomende partij uiteenzet dat verzoekster ten onrechte voorbijgaat aan de eerste overweging van de bestreden beslissing, waaruit blijkt dat de tussenkomende partij twee juridische universitaire diploma's heeft behaald; dat de tussenkomende partij stelt dat het volstrekt redelijk is dat het bestuur voorrang verleent aan een kandidaat met twee universitaire diploma's boven een kandidaat die één universitair diploma heeft behaald; dat, door te wijzen op de twee diploma's die de tussenkomende partij heeft behaald, met precisie is aangegeven wat het meest doorslaggevend criterium was om de tussenkomende partij te benoemen; 2.1.5. Overwegende dat luidens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alle bestuurshandelingen met individuele strekking uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd; dat luidens artikel 3 van voornoemde wet de motivering de juridische en feitelijke overwegingen dient te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat zij "afdoende" moet zijn; dat de materiële motiveringsplicht inzake benoemingen nauw is verbonden met het beginsel krachtens hetwelk iedere burger gelijke toegang heeft tot de openbare ambten, hetgeen impliceert dat bij benoemingen naar keuze de geschiktheid, de aanspraken en verdiensten van de kandidaten objectief moeten worden onderzocht en vergeleken op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria; dat bij benoemingen in positieve zin moet worden gemotiveerd; dat de benoemende overheid moet vermelden waarom een bepaalde kandidaat wordt benoemd, maar niet waarom de andere kandidaten niet worden benoemd; dat dit nochtans niet betekent dat een benoemingsbesluit enkel zou moeten vermelden dat de benoemde kandidaat de benoemingsvoorwaarden vervult of dat in de motivering van het besluit kan worden volstaan met de vermelding van een aantal kwaliteiten van de benoemde kandidaat; dat een uiteenzetting van de kwaliteiten van de benoemde kandidaat noodzakelijk is, maar niet voldoende; dat de benoemende overheid eveneens de redenen moet aangeven die haar ertoe hebben gebracht een bepaalde kandidaat boven een andere te verkiezen; dat, om afdoende te zijn, de motivering van het benoemingsbesluit duidelijk moet maken welke redenen de benoemende overheid had om de benoemde kandidaat boven de andere(

  1. n)te verkiezen; dat dit niet inhoudt dat de aanspraken van al de andere kandidaten moeten worden besproken; dat de benoemende overheid er op grond van het gelijkheidsbeginsel echter wél toe is gehouden de titels en de verdiensten van de verschillende kandidaten voor een IX-3491-7/12 benoeming met elkaar te vergelijken en, op grond van de formele motiveringsverplichting, neergelegd in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, in het benoemingsbesluit zelf te vermelden op grond van welke criteria zij er uiteindelijk toe is gekomen aan de benoemde de voorkeur te geven, of om er, minstens, concrete gegevens in op te nemen die de teleurgestelde kandidaten toelaten de objectieve, redelijke en pertinente criteria en hun concrete beoordeling in alle duidelijkheid te achterhalen; dat het feit dat er, zoals in casu, een groot aantal kandidaten zijn, de benoemende overheid niet van deze verplichting ontslaat; dat de benoemende overheid immers eerst de kandidaten kan selecteren die zij, om redenen die zij vermeldt, het meest geschikt acht, en vervolgens kan overgaan tot een meer doorgedreven vergelijking van de titels en verdiensten van de meest geschikt bevonden kandidaten; dat de tussenkomende partij niet kan worden gevolgd waar zij stelt dat uit de overweging "dat de heer Lambilotte Olivier op 22 september 1994 het diploma behaalde van licentiaat in de rechten en op 28 september 1995 het diploma van licentiaat in het notariaat", kan worden afgeleid dat hij werd verkozen boven de andere kandidaten omdat hij twee universitaire diploma's heeft; dat dit niet blijkt uit de lezing van de bestreden beslissing; dat voormelde overweging deel uit maakt van de vermeldingen in de aanhef van de bestreden beslissing, waaruit geconcludeerd wordt "dat betrokkene bijgevolg de wettelijke benoemingsvoorwaarden vervult"; dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord evenmin beweert dat de vaststelling dat de tussenkomende partij twee universitaire diploma's heeft, haar keuze heeft bepaald; dat de bestreden beslissing vermeldt dat de benoemde kandidaat "probleemloos in diverse vervangingen heeft voorzien, en woonachtig is te Brugge, waardoor hij vertrouwd is met de streek waar hij zijn ambt moet uitoefenen"; dat deze motivering de bestreden beslissing niet kan dragen, aangezien niet wordt betwist dat ook verzoekster probleemloos in verschillende vervangingen heeft voorzien en dat ook zij vertrouwd is met de streek waar het ambt moet worden uitgeoefend; dat uit wat voorafgaat volgt dat het bestreden benoemingsbesluit niet afdoende werd gemotiveerd en dat de bestreden benoeming niet wordt gedragen door motieven die aan een objectieve vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten zijn ontleend; Overwegende dat het eerste onderdeel van het enig middel gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoekster in een tweede onderdeel van het enig middel aanvoert dat "de motivering (...) niet afdoende (
  2. is)daar de overheid niet IX-3491-8/12 motiveert waarom zij afwijkt van het advies van de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders, dat een voorsprong verleent aan verzoek(st)er"; dat verzoekster stelt dat de minister van Justitie, luidens artikel 512, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, het met redenen omkleed advies dient in te winnen van de procureur-generaal, van de procureur des Konings en van de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders, over de verdiensten en de bekwaamheid van de kandidaten; dat verzoekster uiteenzet dat de wettelijk voorgeschreven adviezen van voormelde overheden een essentieel onderdeel vormen van de benoemingsprocedure, waarmee de benoemende overheid, ook al is zij door die adviezen niet gebonden, bij haar beslissing rekening dient te houden; dat verzoekster aanvoert dat de betrokken overheid slechts kan afwijken van een niet bindend advies, als zij motieven heeft om voormeld advies naast zich neer te leggen, en indien zij dit afdoende formeel motiveert; dat verzoekster stelt dat aan deze voorwaarde niet is voldaan, vermits in de bestreden beslissing niet wordt vermeld en uit het administratief dossier niet kan worden afgeleid, waarom de benoemende overheid de voorkeur geeft aan een kandidaat met een minder goed advies; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk overweegt dat de tussenkomende partij "probleemloos in diverse vervangingen heeft voorzien, en woonachtig is te Brugge, waardoor hij vertrouwd is met de streek waar hij zijn ambt moet uitoefenen".; 2.2.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord aanvoert dat voormelde motivering "geenszins (verduidelijkt) waarom werd afgeweken van het advies, daar ook verzoekster aan al deze criteria voldoet, al veel langer in vervangingen heeft voorzien, en een beter advies had"; dat verzoekster stelt dat de verwerende partij in gebreke blijft om aan te tonen waarom zij afwijkt van het advies van de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders; 2.2.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar laatste memorie aanvoert dat het advies van de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders geen voordracht is, en dat de raad evenmin een volgorde tussen de diverse kandidaten heeft aangegeven; dat de tussenkomende partij stelt dat de adviezen slechts een algemeen positieve beoordeling weergeven, evenals een weging van de anciënniteit; IX-3491-9/12 2.2.5. Overwegende dat volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State, wanneer, zoals in onderhavig geval, aan de keuze van de benoemende overheid een aantal door de wet voorgeschreven adviezen voorafgaan, moet blijken waarom van die adviezen of van sommige ervan wordt afgeweken; dat de redenen hiertoe toelaatbaar moeten zijn en op feitelijk juiste gegevens moeten berusten; dat verzoekster van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders te Brugge het advies "zeer gunstig met speciale aanbeveling" kreeg; dat in het advies melding wordt gemaakt van "zeer positieve referenties" en onder meer wordt vastgesteld dat zij "gedurende ruim 7 jaar verschillende plaatsvervangingen heeft gedaan in het kantoor van gerechtsdeurwaarder VERLEYEN te Brugge en dit op een constante en exclusieve wijze"; dat de tussenkomende partij van diezelfde arrondissementskamer een "zeer gunstig" advies kreeg; dat onder meer melding wordt gemaakt van "positieve referenties"; dat uit wat voorafgaat weliswaar niet volgt dat de benoemende overheid over geen discretionaire beoordelingsbevoegdheid meer beschikte om alsnog de tussenkomende partij te benoemen; dat het immers om niet bindende adviezen ging; dat zij evenwel pertinente gegevens diende aan te voeren om aan het minder gunstig advies van de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders voorbij te gaan; dat echter noch in de bestreden beslissing, noch in het administratief dossier, een afdoende verantwoording kan worden gevonden waarom de benoemende overheid aan het gunstiger advies over verzoekster is voorbij gegaan; Overwegende dat het tweede onderdeel van het enig middel gegrond is; 2.3.1. Overwegende dat verzoekster in een derde onderdeel van het enig middel de "onstentenis (aanvoert) van objectieve, wettige en pertinente motieven om af te wijken van het advies en de benoemde te benoemen"; dat verzoekster stelt dat, indien toepassing was gemaakt van de bij benoemingen tot gerechtsdeurwaarder gangbare criteria (anciënniteit, het doorlopend verbonden zijn aan een gerechtsdeurwaarderskantoor, het hebben van voldoende ervaring als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder, en het vertrouwd zijn met de streek van de standplaats), zij duidelijk zichtbaar grotere aanspraken op de benoeming kon doen gelden; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat het "geenszins aan de verzoekende partij behoort om zich in de plaats van het bestuur te stellen"; dat zij stelt dat de vergelijking van titels en IX-3491-10/12 verdiensten een discretionaire bevoegdheid betreft, die slechts voor marginale toetsing in aanmerking komt; dat verzoekster geenszins bewijst dat zij kennelijk grotere aanspraken kon maken op de benoeming; 2.3.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord aanvoert dat "het feit dat de overheid terzake over een discretionaire bevoegdheid beschikt, geenszins betekent dat de beslissing niet moet geschraagd zijn door objectieve, wettige en pertinente motieven"; dat verzoekster stelt dat "wanneer (...) (zij) - bij ontstentenis van gegevens in het administratief dossier - zelf tracht te achterhalen wat de materiële, wettige en objectieve motieven zouden kunnen zijn die de benoeming (van de tussenkomende partij) zouden kunnen rechtvaardigen, (...) het niet duidelijk (
  3. is)welke deze motieven zouden kunnen zijn."; 2.3.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar laatste memorie aanvoert dat het niet aan verzoekster toekomt om de criteria te bepalen die bij een benoeming de doorslag geven; dat de tussenkomende partij stelt dat het bestuur heeft vastgesteld dat zij aan de wettelijke benoemingsvoorwaarden voldoet, dat zij ervaring heeft vermits zij probleemloos in diverse vervangingen heeft voorzien, en dat zij vertrouwd is met de streek waar zij haar ambt moet uitoefenen; dat de tussenkomende partij uiteenzet dat ook werd verwezen naar het feit dat zij twee juridische universitaire diploma's heeft behaald, waardoor zij zich duidelijk van haar tegenkandidaten onderscheidt; dat de tussenkomende partij stelt dat verzoekster ten onrechte een groot belang hecht aan de anciënniteit, terwijl het volstrekt zinvol is eerder jonge gerechtsdeurwaarders te benoemen; 2.3.5. Overwegende dat uit de gegevens van het administratief dossier niet blijkt dat de benoemende overheid zich heeft laten leiden door de criteria die verzoekster als gangbaar bij een benoeming tot gerechtsdeurwaarder vooropstelt; dat de kandidaturen in het geheel niet werden vergeleken; dat het bijgevolg overbodig is te onderzoeken of, in de veronderstelling dat voormelde criteria werden toegepast, verzoekster, in het licht van die criteria, duidelijk zichtbaar grotere aanspraken op de benoeming kon doen gelden; Overwegende dat het derde onderdeel van het enig middel niet dienstig wordt aangevoerd, BESLUIT: IX-3491-11/12 Artikel 1. Vernietigd wordt het koninklijk besluit van 7 juli 2002 waarbij Olivier LAMBILOTTE wordt benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Brugge. Artikel 2. Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf december 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS L. HELLIN. IX-3491-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.784 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.