id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.785 Rolnummer: A. 126841/IX-3496 Zaak: Arrest 165785 - Gerechtsdeurwaarders - 12/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-26 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-01 11:30 Fiche Arrest nr 165.785 van 12 december 2006 Justitie - Gerechtsdeurwaarders Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.785 van 12 december 2006 in de zaak A. 126.841/IX-3496. In zake : Véronique DEFLOO, die woonplaats kiest bij advocaat I. OPDEBEEK, kantoor houdende te AARTSELAAR, Karel van de Woestijnelaan 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat P. LUYPAERS, kantoor houdende te HEVERLEE, IJzerenmolenstraat 105 tussenkomende partij : Axel LEYS, die woonplaats kiest bij advocaten A. LUST en S. LUST, kantoor houdende te SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Véronique DEFLOO op 16 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het koninklijk besluit van 7 juli 2002 waarbij Axel LEYS wordt benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Brugge en van het ministerieel besluit van dezelfde datum waarbij het kantoor van de heer Axel LEYS wordt gevestigd te Oostende; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 27 november 2002, ingediend door de heer Axel LEYS; Gelet op de beschikking van 3 december 2002, die de tussenkomst van de heer Axel LEYS toelaat; IX-3496-1/12 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de toelichtende memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 29 september 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 16 oktober 2006, waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 november 2006, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de openbare terechtzitting van 27 november 2006, datum waarop de zaak wordt behandeld en in beraad wordt genomen; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. OPDEBEEK, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat K. VAN HERCK, die loco advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Blijkens bericht in het Belgisch Staatsblad van 19 juni 2001 wordt een betrekking van gerechtsdeurwaarder in het arrondissement Brugge vacant IX-3496-2/12 verklaard. Voor deze betrekking stellen zich éénenveertig personen kandidaat, waaronder de verzoekende en de tussenkomende partij. 1.2. Op 6 augustus 2001 brengt de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders van Brugge over de kandidatuur van verzoekster het volgend advies uit : "zeer gunstig met speciale aanbeveling". Dit advies luidt als volgt : "(...) Betreffende de kandidatuur van: DEFLOO Véronique, geboren te Varsenare op 01 april 1962, wonende te 8400 Oostende, Frère Orbanstraat 208, voor het ambt van gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Brugge, ingevolge de vacature per 1 september 2001, verschenen in het Belgische Staatsblad van 19 juni 2001; Gelet op artikel 512 van het Gerechtelijk Wetboek; Gelet op het verzoek van de Heer Minister van Justitie van 31 juli 2001; Aangezien de kandidaat voldoet aan alle benoemingsvoorwaarden gesteld in het Gerechtelijk Wetboek, o.a. wat de stage betreft, welke gehomologeerd werd op 3 juli 1992; Gezien de kandidaat in 1985 het diploma van licentiaat in de rechten heeft behaald en dit op voldoende wijze; Gezien de positieve referenties; Gezien de kandidaat sedert 1985, na het behalen van haar diploma van licentiaat in de rechten, werkzaam is in een gerechtsdeurwaarderskantoor en dat zij sedert 1987 verschillende plaatsvervangingen heeft gedaan, zowel in het gerechtelijk arrondissement Brugge als daarbuiten, dit steeds tot ruime voldoening; Aangezien de kandidaat aldus een ruime praktijkervaring en praktijkkennis heeft opgebouwd; Gezien de kandidaat geen enkele tuchtstraf heeft opgelopen en dat er geen klachten bekend zijn omtrent deze kandidaat; Gelet op het vorige unanieme advies van de raad ten aanzien van deze kandidaat; Om deze redenen: verleent de Raad unaniem het volgend advies: ZEER GUNSTIG met speciale aanbeveling. (...)". 1.3. Op 6 augustus 2001 brengt de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders van Brugge over de kandidatuur van de tussenkomende partij het volgend advies uit : "zeer gunstig met speciale aanbeveling". Dit advies luidt als volgt : "(...) Betreffende de kandidatuur van: LEYS Axel, geboren te Brugge op 13 december 1968, wonende te 8000 Brugge, Grauwerkerstraat 13, voor het ambt van gerechtsdeurwaarder in het IX-3496-3/12 gerechtelijk arrondissement Brugge, ingevolge de vacature per 1 september 2001, verschenen in het Belgische Staatsblad van 19 juni 2001; Gelet op artikel 512 van het Gerechtelijk Wetboek; Gelet op het verzoek van de Heer Minister van Justitie van 31 juli 2001; Aangezien de kandidaat voldoet aan alle benoemingsvoorwaarden gesteld in het Gerechtelijk Wetboek, o.a. wat de stage betreft, welke gehomologeerd werd op 12 april 1997; Gezien de positieve referenties; Gezien de kandidaat sedert het behalen van het getuigschrift van kandidaat- gerechtsdeurwaarder reeds vele plaatsvervangingen heeft gedaan in het gerechtelijk arrondissement Brugge en erbuiten, en dit tot eenieders ruime voldoening; Gezien de kandidaat daardoor een ruime praktijkkennis en praktijkervaring heef(
- t)opgedaan; Gezien de kandidaat geen enkele tuchtstraf heeft opgelopen en dat er geen klachten bekend zijn omtrent deze kandidaat; Gelet op het vorige advies van de raad ten aanzien van deze kandidaat; Om deze redenen: verleent de Raad unaniem het volgend advies: ZEER GUNSTIG met speciale aanbeveling. (...)". 1.4. De bij artikel 512, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven adviezen van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent en van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brugge zijn, zowel voor de verzoekende als voor de tussenkomende partij, gunstig. 1.5. Bij koninklijk besluit van 7 juli 2002 wordt de tussenkomende partij benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Brugge. Dit besluit, dat de thans bestreden beslissing uitmaakt, luidt als volgt: "(...) Gelet op het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid op artikel 510; Overwegende dat de heer Leys Axel op 7 juli 1994 het diploma behaalde van licentiaat in de rechten en vanaf 1 september 1994 zijn stage volbracht te Brugge, waar hij nog steeds werkzaam is; Overwegende dat zijn stage werd gehomologeerd op 12 april 1997; Overwegende dat betrokkene bijgevolg de wettelijke benoemingsvoor- waarden vervult; Overwegende dat hij met de nodige bekwaamheid en gezag reeds vele plaatsvervangingen heeft gedaan, zowel in het gerechtelijk arrondissement Brugge als erbuiten en dit tot ieders voldoening; Overwegende dat hij een ruime praktijkkennis en praktijkervaring heeft opgedaan en vertrouwd is met de streek waar hij zijn ambt moet uitoefenen; Gelet op het gunstig advies van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent, betekend aan betrokkene op 9 november 200l; Gelet op het gunstig advies van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, betekend aan betrokkene op 17 augustus 2001; Gelet op het unaniem zeer gunstig advies van de Raad van de Arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders van Brugge, betekend aan betrokkene op 14 augustus 200l; Op de voordracht van Onze Minister van Justitie, IX-3496-4/12 HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ: Artikel 1. De heer Leys Axel Thérèse Laurent, licentiaat in de rechten, wordt benoemd tot gerechtsdeurwaarder, ter vervanging van de heer Fischer, ontslagnemer. Art. 2. Hij zal in het gerechtelijk arrondissement Brugge zijn ambt uitoefenen en er moeten verblijven. Art.3. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit. (...)". 1.6. Op 19 juli 2002 wordt voormeld benoemingsbesluit bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. 1.7. Bij ministerieel besluit van 7 juli 2002 wordt bepaald dat het kantoor van de tussenkomende partij wordt gevestigd te Oostende. 2. Over de ontvankelijkheid. 2.1. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie stelt dat verzoekster geen middelen aanvoert tegen het ministerieel besluit van 7 juli 2002 waarbij het kantoor van de tussenkomende partij wordt gevestigd te Oostende; dat de tussenkomende partij betoogt dat "die beslissing definitief is geworden en de wettigheid ervan niet meer kan worden betwist", zodat het enig middel gericht tegen dit besluit onontvankelijk is; 2.2. Overwegende dat het ministerieel besluit van 7 juli 2002 dermate nauw is verbonden met de bestreden beslissing dat het niet op zichzelf kan bestaan; dat, ingeval van vernietiging van de bestreden beslissing, ook voormeld ministerieel besluit zijn rechtskracht verliest; dat het ministerieel besluit bijgevolg samen met de bestreden beslissing kan worden vernietigd, zonder dat daartegen afzonderlijke annulatiemiddelen moeten worden aangevoerd; Overwegende dat de exceptie van ontvankelijkheid ongegrond is en wordt verworpen; 3. Over de grond van de zaak. 3.1. Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; IX-3496-5/12 3.1.1. Overwegende dat verzoekster in een eerste onderdeel van het enig middel stelt "dat de motivering (...) niet afdoende (is), daar noch uit het bestreden besluit, noch uit enig ander stuk van het administratief dossier blijkt dat een vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten heeft plaatsgevonden en nergens wordt vermeld waarom de benoemde de voorkeur verdient boven de andere kandidaten"; dat verzoekster stelt dat de bestreden beslissing "negatief, noch positief, een passus (bevat) waarin de benoemde (...) expliciet of impliciet wordt vergeleken met de andere kandidaten"; dat verzoekster uiteenzet dat de vier eerste overwegingen van de bestreden beslissing enkel vermelden dat de tussenkomende partij het vereiste diploma behaalde, dat haar stage werd volbracht, dat haar stage werd gehomologeerd en dat zij bijgevolg de wettelijke benoemingsvoorwaarden vervult; dat verzoekster evenwel stelt dat deze overwegingen de bestreden beslissing niet kunnen schragen, vermits het ondenkbaar is dat de overheid iemand zou benoemen die niet aan de benoemingsvoorwaarden voldoet; dat verzoekster betoogt dat ook zij aan de benoemingsvoorwaarden voldoet, zodat dit op zich geen argument kan zijn om de voorkeur te geven aan de tussenkomende partij; dat verzoekster aanvoert dat er in de motivering van de bestreden beslissing voor het overige enkel wordt gewezen op het feit dat de tussenkomende partij met de nodige bekwaamheid en gezag reeds vele plaatsvervangingen heeft gedaan, zowel in het gerechtelijk arrondissement Brugge als erbuiten en dit tot ieders voldoening, dat zij een ruime praktijkkennis en praktijkervaring heeft opgedaan en vertrouwd is met de streek waar zij haar ambt moet uitoefenen, dat zij een gunstig advies bekwam van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent en van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, en dat zij unaniem een zeer gunstig advies met speciale aanbeveling bekwam van de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders; dat verzoekster stelt dat deze overwegingen de keuze voor de tussenkomende partij niet kunnen verantwoorden, aangezien ook zij probleemloos in diverse vervangingen heeft voorzien - en veel meer en sinds langere tijd dan de benoemde - zowel in het gerechtelijk arrondissement Brugge als daarbuiten, steeds tot ruime voldoening, dat ook zij een ruime praktijkkennis en praktijkervaring heeft opgedaan en vertrouwd is met de streek waar het ambt moet worden uitgeoefend, dat ook zij een gunstig advies bekwam van de procureur-generaal en van de procureur des Konings, evenals een zeer gunstig advies met speciale aanbeveling van de raad van de arrondisse- mentskamer van de gerechtsdeurwaarders; dat verzoekster tenslotte aanvoert dat ook uit andere stukken van het dossier niet kan worden afgeleid dat enige vergelijking van de kandidaten heeft plaatsgehad; IX-3496-6/12 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst naar de adviezen van de procureur-generaal, de procureur des Konings en de raad van de arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders, en aanvoert dat de keuze voor de tussenkomende partij in de bestreden beslissing wordt gemotiveerd op grond van de overweging dat "hij met de nodige bekwaamheid en gezag reeds vele plaatsvervangingen heeft gedaan, zowel in het gerechtelijk arrondissement Brugge als erbuiten en dit tot ieders voldoening", en "dat hij een ruime praktijkkennis en praktijkervaring heeft opgedaan en vertrouwd is met de streek waar hij zijn ambt moet uitoefenen."; 3.1.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord aanvoert dat in "de matrix, (...) enkel (blijkt) dat beide kandidaten een gunstig advies kregen van de procureur-generaal en van de procureur des Koning(s), en beiden een advies 'zeer gunstig met speciale aanbeveling' van de raad van de arrondissementskamer der gerechtsdeurwaarders"; dat verzoekster tenslotte stelt dat ook de motivering van de bestreden beslissing de keuze van de overheid voor de tussenkomende partij niet kan verantwoorden; 3.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie aanvoert dat het middel niet ontvankelijk is voor zover verzoekster zich beroept op de schending van de formele motiveringsplicht; dat de tussenkomende partij stelt dat uit het feit dat verzoekster de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht en zich uitvoerig verdedigt met betrekking tot de motieven van de bestreden beslissing, blijkt dat zij de motieven van de bestreden beslissing voldoende kent en dat er geen schending is van de formele motiveringsplicht, of dat verzoekster er minstens geen belang bij heeft om de schending van de formele motiveringsplicht aan te voeren; dat de tussenkomende partij uiteenzet dat uit de motivering van de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat zij werd benoemd op grond van haar ervaring en bekwaamheid; dat zij verder stelt dat voor een benoeming een positieve motivering volstaat; dat de tussenkomende partij aanvoert dat het onredelijk zou zijn om in het benoemingsbesluit van elk van de veertig niet benoemde kandidaten de redenen van de niet-benoeming op te geven; dat de tussenkomende partij stelt dat een negatieve motivering enkel vereist is wanneer de motieven op grond waarvan een andere kandidaat niet wordt gekozen, noodzakelijk zijn om de redelijkheid van de gemaakte keuze aan te tonen, bijvoorbeeld wanneer de overheid van het resultaat van een examen zou willen afwijken of een kandidaat met minder gunstige adviezen zou benoemen; dat de tussenkomende partij uiteenzet dat de Raad van State kennelijk onbevoegd is om zelf tot de vergelijking van de titels en verdiensten van de IX-3496-7/12 kandidaten over te gaan; dat zij stelt dat een dergelijke beoordeling slechts mogelijk zou zijn indien zou blijken dat de aanspraken van verzoekster kennelijk groter zijn; dat de tussenkomende partij betoogt dat dit niet het geval is; 3.1.5. Overwegende dat luidens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alle bestuurshandelingen met individuele strekking uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd; dat luidens artikel 3 van voornoemde wet de motivering de juridische en feitelijke overwegingen dient te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat zij "afdoende" moet zijn; dat de materiële motiveringsplicht inzake benoemingen nauw is verbonden met het beginsel krachtens hetwelk iedere burger gelijke toegang heeft tot de openbare ambten, hetgeen impliceert dat bij benoemingen naar keuze de geschiktheid, de aanspraken en de verdiensten van de kandidaten objectief moeten worden onderzocht en vergeleken op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria; dat bij benoemingen in positieve zin moet worden gemotiveerd; dat de benoemende overheid moet vermelden waarom een bepaalde kandidaat wordt benoemd, maar niet waarom de andere kandidaten niet worden benoemd; dat dit nochtans niet betekent dat een benoemingsbesluit enkel zou moeten vermelden dat de benoemde kandidaat de benoemingsvoorwaarden vervult of dat in de motivering van het besluit kan worden volstaan met de vermelding van een aantal kwaliteiten van de benoemde kandidaat; dat een uiteenzetting van de kwaliteiten van de benoemde kandidaat noodzakelijk is, maar niet voldoende; dat de benoemende overheid eveneens de redenen moet aangeven die haar ertoe hebben gebracht een bepaalde kandidaat boven een andere te verkiezen; dat, om afdoende te zijn, de motivering van het benoemingsbesluit duidelijk moet maken welke redenen de benoemende overheid had om de benoemde kandidaat boven de andere(
- n)te verkiezen; dat dit niet inhoudt dat de aanspraken van al de andere kandidaten moeten worden besproken; dat de benoemende overheid er op grond van het gelijkheidsbeginsel echter wél toe is gehouden de titels en de verdiensten van de verschillende kandidaten voor een benoeming met elkaar te vergelijken en, op grond van de formele motiveringsverplichting, neergelegd in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, in het benoemingsbesluit zelf te vermelden op grond van welke criteria zij er uiteindelijk toe is gekomen aan de benoemde de voorkeur te geven, of om er, minstens, concrete gegevens in op te nemen die de niet-benoemde kandidaten toelaten de objectieve, redelijke en pertinente criteria en hun concrete beoordeling in alle duidelijkheid te achterhalen; dat, waar het benoemingsbesluit aanvoert "dat de heer Leys Axel op 7 juli 1994 het diploma behaalde van licentiaat in de rechten en vanaf 1 september 1994 zijn stage volbracht IX-3496-8/12 te Brugge, waar hij nog steeds werkzaam is", "dat zijn stage werd gehomologeerd op 12 april 1997", en "dat betrokkene bijgevolg de wettelijke benoemingsvoorwaarden vervult", blijkt dat de vaststelling dat de benoemde kandidaat de benoemingsvoorwaarden vervult, niet volstaat om de keuze van de benoemende overheid te verantwoorden; dat immers niet wordt betwist dat ook de andere kandidaten, onder wie verzoekster, aan de wettelijke benoemingsvoorwaarden voldoen; dat, waar het benoemingsbesluit stelt "dat (de tussenkomende partij) met de nodige bekwaamheid en gezag reeds vele plaatsvervangingen heeft gedaan, zowel in het gerechtelijk arrondissement Brugge als erbuiten en dit tot ieders voldoening", en "dat hij een ruime praktijkkennis en praktijkervaring heeft opgedaan en vertrouwd is met de streek waar hij zijn ambt moet uitoefenen", wordt gewezen op het feit dat het niet volstaat om in het benoemingsbesluit een aantal kwaliteiten van de benoemde kandidaat te vermelden; dat de motivering, om afdoende te zijn, ook duidelijk moet maken op grond van welke redenen aan de benoemde kandidaat de voorkeur werd gegeven; dat in het advies van de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders wordt gesteld dat "(verzoekster) sedert 1985, na het behalen van haar diploma van licentiaat in de rechten, werkzaam is in een gerechtsdeurwaarderskantoor en dat zij sedert 1987 verschillende plaatsvervangingen heeft gedaan, zowel in het gerechtelijk arrondissement Brugge als daarbuiten, dit steeds tot ruime voldoening", en dat "de kandidaat aldus een ruime praktijkervaring en praktijkkennis heeft opgebouwd"; dat de benoemende overheid dit advies niet heeft tegengesproken; dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de hiervoor vermelde overwegingen uit de bestreden beslissing niet in minstens even grote mate gelden voor verzoekster; dat, waar in de bestreden beslissing tenslotte wordt verwezen naar de gunstige adviezen van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent en van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, alsmede naar het unaniem zeer gunstig advies met speciale aanbeveling van de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders dat over de tussenkomende partij werd uitgebracht, blijkt dat ook verzoekster gunstige adviezen bekwam van de procureur-generaal en van de procureur des Konings, evenals een unaniem zeer gunstig advies met speciale aanbeveling van de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders; dat deze adviezen inhoudelijk niet minder gunstig zijn dan de adviezen die over de tussenkomende partij werden uitgebracht; dat de verwijzing naar voormelde adviezen derhalve evenmin de benoeming van de tussenkomende partij kan verantwoorden; dat de lijst van de kandidaten, waarbij naast de naam van elke kandidaat telkens de conclusie van de over de betrokkene uitgebrachte adviezen wordt vermeld, om dezelfde reden niet als IX-3496-9/12 een afdoende vergelijking van de titels en de verdiensten van de kandidaten kan worden beschouwd; Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat het bestreden benoemingsbesluit niet afdoende werd gemotiveerd en dat de bestreden beslissing niet wordt gedragen door motieven die aan een concrete, pertinente en objectieve vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten zijn ontleend; Overwegende dat het eerste onderdeel van het enig middel gegrond is; 3.2.1. Overwegende dat verzoekster in een tweede onderdeel van het enig middel de "ontstentenis (aanvoert) van objectieve, wettige en pertinente motieven om af te wijken van het advies en de benoemde te benoemen"; dat verzoekster stelt dat, indien toepassing was gemaakt van de bij benoemingen tot gerechtsdeurwaarder gangbare criteria (anciënniteit, het doorlopend verbonden zijn aan een gerechtsdeurwaarderskantoor, het hebben van voldoende ervaring als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder, en het vertrouwd zijn met de streek van de standplaats), zij duidelijk zichtbaar grotere aanspraken op de benoeming zou hebben gehad; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat het "geenszins aan de verzoekende partij behoort om zich in de plaats van het bestuur te stellen"; dat zij daaraan toevoegt dat de vergelijking van titels en verdiensten een discretionaire bevoegdheid betreft, die slechts voor marginale toetsing in aanmerking komt; dat verzoekster geenszins bewijst dat zij kennelijk grotere aanspraken maakt op de benoeming; dat de motivering van het bestreden besluit niet kennelijk onredelijk is; 3.2.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord aanvoert dat "het feit dat de overheid terzake over een discretionaire bevoegdheid beschikt, (...) geenszins (betekent) dat de beslissing niet zou moeten geschraagd zijn door objectieve, wettige en pertinente motieven"; dat verzoekster stelt dat "wanneer (...) (zij) zelf tracht te achterhalen wat de materiële, wettige en objectieve motieven zouden kunnen zijn die de benoeming (van de tussenkomende partij) zouden kunnen rechtvaardigen, (...) het niet duidelijk (
- is)welke deze motieven zouden kunnen zijn"; IX-3496-10/12 3.2.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie aanvoert dat "de anciënniteit (...) (geen) wettelijk criterium (
- is)voor het afwegen van dossiers"; dat de tussenkomende partij stelt dat de benoemende overheid er rekening mee kan houden, maar dat zij daartoe niet is verplicht; dat de tussenkomende partij betoogt "dat uit de langere anciënniteit van een kandidaat (...) alleszins niets (kan) worden afgeleid over zijn of haar bekwaamheid voor het vak"; dat de tussenkomende partij uiteenzet dat het feit "dat verzoekster 9 jaar langer bij een gerechtsdeurwaarder tewerkgesteld is (...) geenszins (aantoont) dat zij over betere titels en verdiensten beschikt (...), en zeker niet dat deze titels en verdiensten kennelijk beter zouden zijn"; dat de tussenkomende partij stelt dat "men (...) niet redelijk (kan) beweren dat zij kennelijk minder ervaring zou hebben opgedaan dan verzoekster, enkel omdat zij 'pas' 8 jaar op een gerechtsdeurwaarderkantoor werkt en niet 17 jaar zoals verzoekende partij, en dus kwantitatief mogelijk minder handelingen zal kunnen voorleggen"; dat de tussenkomende partij stelt dat "niet de kwantiteit maar de kwaliteit van de ervaring (...) van belang (is), en (dat) deze kwaliteit (...) er wel degelijk (
- is)bij verzoeker in tussenkomst."; dat, waar verzoekster stelt dat zij meer vertrouwd is met de omgeving, vermits zij tewerkgesteld was op het kantoor van haar echtgenoot te Oostende, terwijl de tussenkomende partij steeds heeft gewerkt op een kantoor te Brugge, de tussenkomende partij aanvoert dat "de benoeming (...) het hele arrondissement Brugge (betreft), en de gerechtsdeurwaarder die in dat arrondissement is benoemd, (...) zijn activiteiten ook over (binnen) heel dat arrondissement (uitoefent)."; 3.2.5. Overwegende dat uit de gegevens van het administratief dossier niet blijkt dat de benoemende overheid zich heeft laten leiden door de criteria die verzoekster als gangbaar bij een benoeming tot gerechtsdeurwaarder vooropstelt; dat de kandidaturen in het geheel niet werden vergeleken; dat het bijgevolg overbodig is te onderzoeken of, in de veronderstelling dat voormelde criteria werden toegepast, verzoekster duidelijk zichtbaar grotere aanspraken op de benoeming kon doen gelden; Overwegende dat het tweede onderdeel van het enig middel niet dienstig wordt aangevoerd, IX-3496-11/12 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het koninklijk besluit van 7 juli 2002 waarbij Axel LEYS wordt benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Brugge en het ministerieel besluit van dezelfde datum waarbij het kantoor van Axel LEYS wordt gevestigd te Oostende. Artikel 2. Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf december 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS L. HELLIN. IX-3496-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.785 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div