id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.786 Rolnummer: A. 175469/IX-5385 Zaak: Arrest 165786 - Penitentiair recht - 12/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-28 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 11:30 Fiche Arrest nr 165.786 van 12 december 2006 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.786 van 12 december 2006 in de zaak A. 175.469/IX-5385. In zake : Greet HUYGHE, wonende te ASSEBROEK, Sint-Trudostraat 74 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat S. VERBOUWE, kantoor houdende te BRUSSEL, Waterloolaan 115. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Greet HUYGHE op 1 augustus 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de minister van Justitie van 3 februari 2006 waarbij verzoekster bij tuchtmaatregel van ambtswege werd ontslagen”. Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. MAREEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 17 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-5385-1/9 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. FAYT, die loco advocaten P. VAN EECKHAUT en T. GILLIS verschijnt voor verzoekster, en van advocaat S. VERBOUWE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. MAREEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de auditeur-generaal; 1. De gegevens van de zaak. Overwegende dat voor de relevante gegevens van de zaak wordt verwezen naar het arrest nr. 164.240 van 30 oktober 2006 van de Raad van State, inzake A. 173.518/IX-5336; 2. De eventuele voeging van huidige zaak met de zaak gekend onder het nummer A. 173.518/IX-5336, inzake Greet HUYGHE tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. 2.1. Overwegende dat voornoemde zaak op de zitting van 16 oktober 2006 werd behandeld en tot voorwerp had: “een mogelijk bestaande, doch niet aan verzoekster ter kennis gebrachte beslissing van de minister van Justitie, op basis waarvan verzoekster sinds begin april 2006 geen betaling meer ontving van haar wedde op haar rekening, wedde haar doorbetaald sinds de schorsing door de Directie van de strafinrichting te Oudenaarde d.d. 23 september 2003”.; 2.2. Overwegende dat verzoekster op 31 mei 2006, datum waarop zij een verzoekschrift tot schorsing en tot nietigverklaring indiende in de zaak A. 173.518/IX-5336, de thans bestreden beslissing niet had ontvangen, omdat de beslissing van de minister van Justitie van 3 februari 2006 waardoor verzoekster bij tuchtmaatregel van ambtswege werd ontslagen, haar pas op regelmatige wijze op 7 juni 2006 werd ter kennis gebracht, zodat zij op 31 mei 2006 deze beslissing niet kende, datum waarop zij haar verzoekschriften indiende in de zaak A. 173.518/IX- 5336; IX-5385-2/9 Overwegende dat de Raad van State in zijn arrest nr. 164.240 van 30 oktober 2006 in dat verband overwoog dat het werkelijke voorwerp van de vordering tot schorsing en tot nietigverklaring bepaalbaar was, zijnde de thans bestreden beslissing, zodat de twee middelen die verzoekster aanvoerde in de procedure A. 173.518/IX-5336 werden onderzocht, op basis van de beslissing die thans wordt bestreden; Overwegende dat om de rechten van verdediging van partijen te vrijwaren de Raad van State de thans aangevoerde middelen zal onderzoeken, in de mate dat zij verschillen van de middelen aangevoerd in de procedure A. 173.518/IX- 5336; 2.3. Overwegende dat er bijgevolg geen aanleiding is om de zaken A. 173.518/IX-5336 en A. 175.469/IX-5385 te voegen, gelet op het arrest nr. 164.240 van 30 oktober 2006 dat intussen werd uitgesproken en gelet op wat voorafgaat; 3. De gegrondheid van de vordering tot schorsing. 3.1. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.1. Overwegende dat wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, § 2, betreft, verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 94, laatste lid van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel; Overwegende dat dit middel reeds werd onderzocht in het kader van de zaak A. 173.518/IX-5336 en niet ernstig werd bevonden; dat desbetreffend wordt verwezen naar het arrest nr. 164.240 van 30 oktober 2006; IX-5385-3/9 3.2.1. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 94, tweede lid van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel; Overwegende dat verzoekster het tweede middel als volgt adstrueert : “Art.94 van het KB van 2 oktober 1937 stelt het volgende in lid 2: ‘De Minister motiveert elke met het advies van de raad van beroep niet overeenstem- mende beslissing. Hij kan geen andere feiten ter sprake brengen dan die welke het advies van de raad van beroep gemotiveerd hebben. De minister of zijn gemachtigde notificeert de beslissing aan de raad van beroep.’ De motivering op blad 2 van de beslissing van de Minister steunt vooral op het feit dat verzoekster geen schuldinzicht zou hebben waardoor er geen garantie zou zijn dat zij in de toekomst geen gelijkaardig gedrag zou vertonen. Dit stellende gaat de Minister volledig voorbij aan het feit dat verzoekster in haar verklaring voor de gevangenisdirectie te Oudenaarde de dato 17 november 2003, door haar ondertekend, reeds duidelijk schuld heeft erkend en heeft spijt betoond voor het gebeurde. In de conclusie door verzoekster neergelegd op de zitting van de Raad van Beroep de dato 15 september 2005 wordt trouwens herhaalde- lijk verwezen naar deze belangrijke verklaring door verzoekster voor de Directie van de gevangenis te Oudenaarde afgelegd en geakteerd. De Raad van Beroep in haar gemotiveerd advies de dato 15 september 2005 verwijst naar het goed gedrag van verzoekster binnen de gevangenis (ze functioneerde 9 jaar lang perfect en deed haar job met plezier). Deze vlekkeloze staat van dienst werd ook door de Directrice van de gevangenis te Oudenaarde ter zitting van de Raad van Beroep bevestigd. In de bestreden beslissing motiveert de Minister niet waarom aan deze staat van dienst wordt voorbijgegaan en waaruit, op basis van gegevens uit het dossier, kan worden afgeleid dat er inderdaad gevaar zou zijn voor herhaling van soortgelijk gedrag in hoofde van verzoekster. Integendeel verwijst de Raad van Beroep in haar (zijn) advies specifiek naar de relationele context waarbinnen de feiten zich hebben afgespeeld waardoor (
- de)(volgens) kans op herhaling uitgesloten lijkt. De Minister zegt in haar motivering van de bestreden beslissing niets over de relationele context die heel duidelijk aanwezig was en die in aanmerking moet worden genomen wil men het recidivegevaar gaan inschatten. De Minister faalt dan ook in haar motivering van de bestreden beslissing overeenkomstig art. 94, lid 2 van het KB van 2 oktober 1937, motivering die moet weergeven waarom wordt afgeweken van het advies uitgebracht door de Raad van Beroep de dato 15 September 2005.”; 3.2.2. Overwegende dat de bestreden beslissing als volgt is gemotiveerd : “Overwegende dat de betrokkene artikel 3 van de bijzondere instructie van toepassing op de personeelsleden van de buitendiensten van het bestuur strafinrichtingen heeft overtreden. Deze regel werd duidelijk geschonden door mevrouw Huyghe. Zij onderhield veelvuldige contacten met gedetineerde Murat Kaplan, die duiden op een relatie die de normale verhouding gedetineerde- personeelslid overstijgt. Deze contacten gebeurden vanaf het toestel toebehoren- de aan de gevangenis naar het GSM-toestel dat Murat Kaplan clandestien op zijn cel verborgen hield. De geschiedenis leert ons dat Murat Kaplan in het verleden IX-5385-4/9 veelvuldig ontsnapte en daarbij geweld en gijzeling niet schuwde. Omdat mevrouw Huyghe nagelaten heeft te signaleren dat Murat Kaplan in het bezit was van een GSM-toestel en meer nog omdat zij veelvuldig contact opnam met Murat Kaplan, heeft zij niet alleen een professionele fout gemaakt, maar heeft zij ook de veiligheid van haar collega’s van de inrichting, van zichzelf en van de maatschappij in het gedrang gebracht. Niettegenstaande voorafgaande verwittigingen van de lokale gevangenisdirectie, heeft mevrouw Huyghe de gevaarlijkheid van haar acties onvoldoende ingeschat, het feit dat zij toch doorging met het verder zetten van de ‘vriendschapsrelatie’ met gedetineerde Murat Kaplan, bewijst dat zij totaal geen inzicht heeft in de ernstige draagwijdte van haar acties en dat er geen enkele garantie kan gegeven worden om te beletten dat mevrouw Huyghe terugvalt in gelijkaardig gedrag. Om deze reden is een ontslag van ambtswege een gerechtvaardigde straf;”; 3.2.3. Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op zes motieven die als volgt kunnen worden samengevat: - verzoekster onderhield veelvuldige telefonische en andere contacten met een gevaarlijk crimineel, die duiden op een relatie die de normale verhouding gedetineerde-personeelslid overstijgt; - de telefonische contacten gebeurden binnen de gevangenismuren met een toestel van de gevangenis waarmee verzoekster veelvuldig belde naar M.K. (de gedetineerde in kwestie), die in het bezit was van een GSM-toestel in zijn cel, dat hij aldaar clandestien verbor- gen hield; - in de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk verwezen naar het zwaar strafrechtelijk verleden van de gedetineerde die vaak is ontsnapt en daarbij geweld en gijzeling niet schuwt; - verzoekster verzweeg het bezit van het GSM-toestel aan haar hiërarchische oversten en zij nam veelvuldig contact op met M.K., wat een professionele fout uitmaakt; - verzoekster beging niet alleen een professionele fout maar bracht tevens de veiligheid van haar collega’s van de inrichting in het gedrang, haar eigen veiligheid en (meer algemeen) die van de maatschappij; - verzoekster werd herhaaldelijk verwittigd door haar lokale gevangenisdirecteur en niettegenstaande deze verwittigingen heeft zij de gevaarlijkheid van haar acties onvoldoende ingeschat en ging door met de “vriendschapsrelatie” met gedetineerde M.K., zodat is bewezen dat zij totaal geen inzicht heeft in de ernstige draagwijdte van haar handelswijze, of zodat er geen enkele garantie is dat verzoekster niet terugvalt in gelijkaardig gedrag; IX-5385-5/9 3.2.4. Overwegende dat uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat zij dezelfde feiten aanhaalt als het advies van de departementale raad van beroep, uitgebracht op 15 september 2005; Overwegende dat de bestreden beslissing een verschil in appreciatie inhoudt betreffende de gevolgen van het gedrag van verzoekster op tuchtrechtelijk vlak, vergeleken met wat in voornoemd advies wordt overwogen; dat het advies een lagere tuchtstraf voorstelt, met name om een verplaatsing bij tuchtmaatregel uit te spreken; Overwegende dat voornoemd advies steunt op de volgende drie motieven : - er zijn geen concrete indicaties dat verzoekster risico’s kan gecreëerd hebben op het vlak van de veiligheid, (want) de feiten hebben zich voorgedaan in een louter relationele sfeer, niet met een opening naar criminele aangelegenheden; - de sociale toestand van verzoekster wordt in aanmerking genomen en de departementale raad van beroep gaat ervan uit “dat het onderzoek en de opgelopen schorsing ertoe zullen geleid hebben dat zij zich terdege bewust is van haar verantwoordelijkheden, ook op het vlak van haar taak als moeder ten opzichte van haar opgroeiend kind.”; - tenslotte wijst de departementale raad op het voor het overige goed gedrag van verzoekster, dat zowel door de directeur als door de verdediging wordt aan-gehaald; 3.2.4.1. Overwegende dat wat het eerste motief betreft de thans bestreden beslissing overweegt dat er wel een ernstig veiligheidsrisico werd gecreëerd door verzoekster omdat zij persoonlijk omging met een gedetineerde met een zwaar gerechtelijk verleden, mede gelet op de verschillende ontsnappingspogingen die gedetineerde M.K. ondernam; Overwegende dat de verwerende partij, gelet op haar appreciatie- bevoegdheid, het veiligheidsrisico in redelijkheid anders kon beoordelen dan de departementale raad van beroep en dat dit motief van de bestreden beslissing op het eerste gezicht pertinent deugdelijk en afdoend is; IX-5385-6/9 IX-5385-7/9 3.2.4.2. Overwegende dat wat het tweede motief betreft, de sociale toestand van verzoekster op het eerste gezicht geen causaal verband vertoont met de tuchtrechtelijke feiten, waarvan verzoekster wist of minstens moest weten dat zij haar baan konden kosten; dat de bestreden beslissing zich prima facie, op goede gronden kon beperken tot de appreciatie van de feiten die verzoekster pleegde en die ze trouwens toegaf om het ontslag van ambtswege te motiveren; 3.2.4.3. Overwegende dat wat het derde motief betreft, zijnde het goed gedrag van verzoekster, de bestreden beslissing dit gedrag anders apprecieert op basis van de gegevens van het administratief dossier, met name wordt in dit verband het volgende overwogen : “Niettegenstaande voorafgaande verwittigingen van de lokale gevangenis- directie, heeft mevrouw Huyghe de gevaarlijkheid van haar acties onvoldoende ingeschat, het feit dat zij toch doorging met het verderzetten van de ‘vriendschaps- relatie’ met gedetineerde M.K., bewijst dat zij totaal geen inzicht heeft in de ernstige draagwijdte van haar acties en dat er geen enkele garantie kan gegeven worden om te beletten dat mevrouw Huyghe terugvalt in gelijkaardig gedrag. Om deze reden is een ontslag van ambtswege een gerechtvaardigde straf.”; Overwegende dat ook dit motief op het eerste gezicht pertinent, draagkrachtig en deugdelijk is, omdat het schuldinzicht van verzoekster na de feiten niet opweegt tegen de ernst van de feiten en het gevaar voor recidive, gelet op de vertrouwelijke omgang van verzoekster met gedetineerden in het algemeen en met M.K. in het bijzonder; Overwegende dat het tweede middel niet ernstig is, dat bijgevolg niet is voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineer- de wetten op de Raad van State, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. IX-5385-8/9 Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf december 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-5385-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.786 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.364 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div