id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.787 Vervangt nummer: ECLI:BE:RSCE:2006:ARR.20061212.10 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.20061212.10 Rolnummer: A. 159665/IX-4773 Zaak: Arrest 165787 - Varia (justitie) - 12/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2013-03-21 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-01 11:30 Fiche Arrest nr 165.787 van 12 december 2006 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.787 van 12 december 2006 in de zaak A. 159.665/IX-
- In zake : Guido BIJNENS die woonplaats kiest bij advocaat W. DESCAMPS kantoor houdende te HASSELT, Isabellestraat 52/4 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat S. BUTENAERTS, kantoor houdende te BRUSSEL, Leopold II laan
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE RAAD VAN STATE, IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Guido BIJNENS op 1 februari 2005 heeft ingediend om een administratief cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing van de derde kamer van de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden van 14 december 2004, waarbij aan verzoeker een hoofdhulp wordt toegekend van 4.885 euro; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 16 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-4773-1/14 Gelet op de beschikking van 13 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. DESCAMPS, die loco advocaat W. DESCAMPS verschijnt voor verzoeker, en van advocaat V. SCHALENBOURG, die loco advocaat S. BUTENAERTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het gedeeltelijk eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feitelijke toedracht van de zaak. 1.
- Guido BIJNENS, geboren op 10 februari 1957, is hoofdinspecteur van de Federale Politie. Op 31 januari 1999 worden hem tijdens de uitoefening van zijn functie opzettelijke slagen en verwondingen toegebracht door D.V.. Deze laatste wordt door het Hof van Beroep van ANTWERPEN op 13 november 2003 op strafrechtelijk gebied veroordeeld. Op burgerlijk gebied wordt hij veroordeeld om aan verzoeker 5.141,79 euro, te vermeerderen met de vergoedende interesten, te betalen. 1.
- Op 12 mei 2004 vraagt verzoeker de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden als gevolg van de feiten van 31 januari 1999 om toekenning van een hoofdhulp. In de hulpvraag wordt de geleden schade als volgt berekend : i i i - materiële schade : 256,60 + 2.974,78 + 626,14 = i 3.857,52 - morele schade : i 1.284,27 Totaal : i 5.141,79 Meer de interesten aan de wettelijke rentevoet : - op 256,60 euro vanaf 24.4.1999 - op 2.974,78 euro vanaf 01.7.1999 - op 626,14 euro vanaf 27.4.1999 IX-4773-2/14 - op 1.284,27 euro vanaf 27.4.1999 1.
- In een schrijven van 12 oktober 2004 verduidelijkt de raadsman van verzoeker dat de materiële schade samengesteld is uit volgende drie onderdelen : “
- Vergoeding wegens meerinspanningen, namelijk omdat de heer Bijnens is blijven werken tijdens perioden van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, zonder loonverlies te lijden tegenover zijn normale wedde. Volgens gebruikelijke richtlijnen, zoals opgenomen in de zogenaamde ‘indicatieve tabel’, kan een slachtoffer 17,3 euro vergoeding bekomen per dag voor de meerinspanning die hij leverde, wanneer gewerkt wordt aan 100%, terwijl een werkonbekwaamheid bestond van 100%. Overeenkomstig de gegevens vermeld in de bijgevoegde conclusie zal u merken dat over de periode 31.1.1999 tot 12.4.1999 en van 10.5.1999 tot 30.6.1999 deze vergoeding wordt gevorderd en naderhand werd ze ook door het Hof van Beroep toegekend, rekening houdend met de percentages van tijdelijke gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.
- Er werd door de gerechtsdeskundige 2% blijvende invaliditeit, zonder economische repercussie toegekend. Hiervoor werd een schadevergoeding voorzien van 2.974,78 euro;
- Verlies aan premies : Uit de bijgebrachte stukken tijdens de procedure voor het Hof van Beroep is gebleken dat de heer Bijnens zeer regelmatig weekend- en nachturen diende te presteren, nl. gemiddeld per maand 25 weekenduren en 36 nachturen. Voor deze extra prestaties worden extra premies betaald. Ingeval van arbeidsongeschiktheid worden er evenwel door het departement geen vergoedingen uitbetaald wegens het verlies van deze premies. Krachtens het gemeenrecht dient de schadeverwekker evenwel deze premies wel te vergoeden. Ze werden berekend op een totaal bedrag van 626,14 euro, zoals blijkt uit de hierbij gevoegde conclusies”. 1.
- De aanvraag van verzoeker wordt op 23 november 2004 door de derde kamer van de Commissie behandeld. 1.
- Op 14 december 2004 neemt deze kamer de thans bestreden beslissing waarbij het verzoek ontvankelijk wordt verklaard en een hulp van 4.885 euro wordt toegekend. 1.
- Deze beslissing rust op volgende redengeving : “I. Feiten Uit de stukken blijkt dat verzoeker, hoofdinspecteur van de Federale Politie, tijdens de uitoefening van zijn functie, te Genk slachtoffer was van een opzettelijke gewelddaad gepleegd door D.V. op 31 januari
- Deze laatste kon moeilijk onder bedwang gehouden worden door enkele politieagenten en, ondanks op de grond geïmmobiliseerd, slaagde de dader er toch in een hevige stamp aan de rechterhand van verzoeker toe te dienen. II. Vervolging IX-4773-3/14 D.V. werd bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren d.d. 4 december 2001 vrijgesproken. Bij arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 20 maart 2003 werd Dokter Clyncke aangesteld als deskundige. Bij arrest van het Hof van beroep te Antwerpen van 13 november 2003 werd de dader op strafrechtelijk gebied schuldig bevonden aan slagen en verwondin- gen. i Op burgerlijk gebied werd hij veroordeeld om aan verzoeker 5.141,79 te betalen. Dit arrest is in kracht van gewijsde getreden. III. Schadeloosstelling door de dader en financiële situatie van de verzoeker Uit het schrijven van gerechtsdeurwaarder Gemis d.d. 3 februari 2004 blijkt dat de uitvoering van het arrest d.d. 13 november 2003 onmogelijk is. De dader betrekt een logementshuis en heeft bijna geen roerende bezittingen. Naar eigen zeggen geniet hij enkel een werkloosheidsuitkering. Uit de brief van de verzekeringen Ethias d.d. 17 maart 2004 blijkt dat er geen tussenkomst kan verleend worden. IV. Medische gevolgen Na de feiten begon vooral de getroffen rechtervinger onmiddellijk op te zwellen in het proximaal interphalangeaal gewricht, met locale blauwverkleuring. Dit voelde zeer pijnlijk aan. Aanvankelijk werkte verzoeker door, doch aangezien er in de volgende weken geen beterschap in zicht was, werd hem toch aangeraden een dokter te raadplegen. Op 4 maart 1999 werd verzoeker onderzocht door Dokter Marneffe uit Genk met volgende vaststellingen: ‘contusie (of scheur) van collateraal ligament 4de vinger rechts; met littekenvorming. Behandeling: atella gips’. Wegens deze immobiliserende atella deed betrokkene alleen binnendienst van 4 maart 1999 tot 21 april
- Na deze immobilisatieperiode werd verzoeker zonder enige beterschap doorverwezen naar een orthopedisch chirurg. Na consultatie bij Dokter Witvrouw op 13 april 1999 werd aan de rechter ringvinger een dynamische extensiespalk aangebracht. Verzoeker werd toen vrijgesteld van dienst van 13 april 1999 tot 10 mei
- Uit een medisch attest d.d. 18 maart 2000 van Dokter Marneffe blijkt het volgende: ‘Letsels: distorsie PIP gewricht 4de vinger rechts. Patiënt houdt hier een extensiedeficit van 20/. Dit deficit is definitief ten gevolge van een distorsie’. Uit het medisch deskundigenverslag van Dokter Clyncke uit Genk d.d. 28 april 2003 blijkt dat er geen officieel loonverlies kon worden vermeld. Evenmin werd melding gemaakt van weekend dienst of nachtdiensten. Er blijken volgende graden en periodes van invaliditeit: - 10% van 31/01/1999 tot 03/03/1999 - 20% van 04/03/1999 tot 12/04/1999 - 100% van 13/04/1999 tot 09/05/1999 - 10% van 10/05/1999 tot 31/05/1999 - 5% van 01/06/1999 tot 30/06/1999 Consolidatie op 1 juli 1999 met 2% blijvende fysische invaliditeit. Er is een tijdelijke werkonbekwaamheid van 100% van 13/04/1999 tot 09/05/
- Consolidatie op 1 juli 1999 met 2% blijvende werkonbekwaamheid (repercussie op de economische bedrijvigheid in de uitoefening van zijn beroep). V. Begroting van de schade Materiële schade i 3.857,52 bestaande uit: i 256,60: voor meerinspanningen i 2.974,78: voor blijvende invaliditeit i 626,14: voor verlies aan premies IX-4773-4/14 IX-4773-5/14 Morele schade i 1.284,27 i 5.141,79 Verzoeker vraagt dit bedrag vermeerderd met de interesten. VI. Beoordeling door de Commissie Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan. De kansen op verhaal tegenover de dader zijn quasi onbestaande. De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op ‘schadeloosstel- ling’, maar wel op het eventueel bekomen van een ‘hulp’, gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de ‘volledige vergoeding’ van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden. Wat de interesten betreft, het behoort tot constante rechtspraak van de Commissie - en deze vloeit voort uit de bedoeling van de wet - dat interesten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt is hier niet van toepassing; immers de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. De Commissie gaat uit van het medisch verslag van Dokter Clyncke uit Genk d.d. 28 april 2003 en verwijst naar de blijvende fysische invaliditeit van 2%. Ze is dan ook van oordeel dat, in billijkheid, de hulp kan worden toegekend i zoals deze werd gevraagd, zij het dat de meerinspanningen a rato van 256,60 in mindering moeten worden gebracht gezien de limitatieve opsomming van de wet. i Aan de verzoeker kan dan ook de som van 4.885 worden toegekend.”
- De ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Overwegende dat verzoeker om de “annulatie” verzoekt van de bestreden beslissing van 14 december 2004 van de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden; Overwegende dat uit de samenlezing van het verzoekschrift met de stukken van het dossier en met de gewisselde memories blijkt, dat verzoeker enkel belang heeft bij de cassatievoorziening in de mate dat zij de interesten en de vergoeding wegens meerinspanningen a rato van 256,60 iniet toekent; dat het cassatieberoep slechts in die mate ontvankelijk is; IX-4773-6/14
- De gegrondheid van het cassatieberoep. 3.
- Overwegende dat verzoeker in een enig middel aanvoert dat de bestreden beslissing artikel 32 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, schendt, doordat, eerste onderdeel, de interesten niet in aanmerking worden genomen voor vergoeding, terwijl de interesten geen aparte schadepost zijn, maar integraal deel uitmaken van de verschillende schadeposten welke opgesomd worden in artikel 32 van de wet van 1 augustus 1985, en doordat, tweede onderdeel, de meerinspanningen niet in aanmerking worden genomen voor vergoeding, terwijl deze schade valt onder de schadepost zoals omschreven in artikel 32, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985, zijnde een verlies of verminde- ring van inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende invaliditeit; 3.
- Overwegende dat verzoeker de twee onderdelen als volgt toelicht: - wat het eerste onderdeel betreft : - dat er in geen enkel parlementair stuk terug te vinden is dat het de bedoeling van de wetgever was om de interesten niet voor vergoeding in aanmerking te nemen, - dat vergoedende of compensatoire rente boven een hoofdsom toegekend wordt tot vergoeding van schade veroorzaakt door een onrechtmatige daad die verband houdt met de omvang van de schade en een geheel uitmaakt met de toegekende hoofdsom, - dat de compensatoire interest op de wegens een aquiliaanse fout verschul- digde schadevergoeding verband houdt met de omvang van de schade en één geheel met de vergoeding vormt; - wat het tweede onderdeel betreft : - dat de schadevergoeding voor meerinspanningen een vergoeding is voor de vermindering van zijn waarde op de arbeidsmarkt en een vergoeding voor zwaardere inspanningen die hij moet leveren bij het volbrengen van zijn arbeid, - dat deze waardevermindering het rechtstreeks gevolg is van zijn letsels en zich manifesteerde gedurende de periode van tijdelijke werkonbekwaam- heid, IX-4773-7/14 - dat er ingevolge deze waardevermindering een verlies of vermindering van inkomsten in zijnen hoofde is welke hij moet compenseren door meerin- spanningen te leveren, - dat in het advies van de gemachtigde ambtenaar van de Federale Over- heidsdienst Justitie de toekenning van een vergoeding wegens de meerinspanningen niet werd betwist; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij als volgt antwoordt: - op het eerste onderdeel : - dat de betekenis van artikel 32, § 1, is het limitatief (“uitsluitend”) af(be)perken en opsommen van schadeposten (“bestanddelen van de geleden schade”) op basis waarvan de Commissie aan een schadelijder hulp kan toekennen, - dat dus met andere woorden de niet in artikel 32 opgesomde schadeposten nooit zelfs ook maar in aanmerking kunnen genomen worden voor het verschaffen van hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, - dat de vergoedende of compensatoire interest die doorgaans gevorderd wordt ingevolge een onrechtmatige daad, een vorm van schadeloosstelling is, - dat aangezien de vergoedende interest inderdaad een werkelijk geleden schade vergoedt (met name de verloren of betaalde rente) deze interest (inderdaad) een afzonderlijk vergoedbare schadepost betreft, welke evenwel niet voorkomt in de opsomming van artikel 32 van de wet van 1 augustus 1985, - dat het Hof van Cassatie systematisch overgaat tot vernietiging van vonnissen of arresten waarbij vergoedende interest wordt toegekend vanaf de onrechtmatige daad voor schade die zich pas op een later tijdstip manifesteert (zie o.m. Cass. 29 november 1996), - dat het Hof hierbij zeer duidelijk stelt dat het ten onrechte toekennen van vergoedende interesten gelijkstaat met het vergoeden van een niet-geleden schade, hetgeen ipso facto impliceert dat interest een afzonderlijke schadepost uitmaakt waarvan de vergoedbaarheid telkens in concreto dient te worden nagegaan, - dat de commissie niet kan steunen op de compensatoire interesten voor het toekennen van hulp aangezien artikel 32 van de wet van 1 augustus 1985 zulks verbiedt; IX-4773-8/14 - op het tweede onderdeel : - dat het advies van de Minister van Justitie of zijn afgevaardigde aan de Commissie niet bindend is en de autonome beslissingsbevoegdheid van de Commissie geenszins aantast, - dat het moeten opbrengen van meerinspanningen ten gevolge van een onrechtmatige daad ongetwijfeld een werkelijk geleden schade kan uitmaken in hoofde van het slachtoffer, - dat het evenwel een afzonderlijk vergoedbare schadepost betreft welke niet voorkomt in de opsomming van artikel 32, § 1, - dat volgens het Hof van Cassatie in het door verzoeker geciteerd arrest van 16 maart 2004 de materiële schade ten gevolge van tijdelijke en blijvende vermindering van zijn arbeidsgeschiktheid uiteenvalt in twee componenten : - enerzijds de vermindering van de waarde van het slachtoffer op de arbeidsmarkt, - anderzijds eventueel ook de zwaardere inspanningen die het slachtoffer moet leveren bij het volbrengen van zijn normale beroepswerkzaamhe- den (= meerinspanningen), - dat verzoeker volkomen ten onrechte suggereert dat de definitie van meerinspanningen zich ook zou uitstrekken tot de eerste component, met name de waardevermindering op de arbeidsmarkt, - dat het Hof nochtans niet de meerinspanningen definieert, maar wel de materiële schade ten gevolge van tijdelijke en blijvende vermindering van zijn (de) arbeidsgeschiktheid, - dat de wetgever ervoor geopteerd heeft om enkel een verlies of verminde- ring van inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidson- geschiktheid toe te kennen, - dat de Commissie niet kan steunen op de meerinspanningen voor het toekennen van hulp aangezien artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 zulks verbiedt; 3.
- Overwegende dat verzoeker als volgt repliceert : - wat het eerste onderdeel betreft : - dat door hem niet wordt betwist dat de vergoedende interesten een schade vergoeden welke dient vergoed te worden op grond van artikel 1382 B.W., IX-4773-9/14 - dat de verwerende partij uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie ten onrechte afleidt dat vergoedende interesten een afzonderlijke schadepost zouden zijn, - dat de rechtspraak van het Hof van Cassatie zeer duidelijk is, waar ze stelt dat de vergoedende interesten integraal deel uitmaken van de hoofdsom welke toegekend wordt per schadepost (zie Cass., 2 oktober 2003). - wat het tweede onderdeel betreft : - dat meerinspanningen volgens het Hof van Cassatie een vergoeding zijn voor de vermindering van de waarde van het slachtoffer op de arbeids- markt en een vergoeding voor zwaardere inspanningen die het slachtoffer moet leveren bij het volbrengen van zijn arbeid, - dat deze waardevermindering derhalve het rechtstreeks gevolg is van letsels die zich manifesteerden tijdens een periode van tijdelijke werkonbe- kwaamheid (Cass., 16 maart 2004); 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie het standpunt van het auditoraat betwist, dat de interesten aan verzoeker verschuldigd zijn op basis van het adagium “accessorium sequitur principale”, en dat de verwerende partij zich aansluit bij het auditoraatsverslag in de mate dat de schadepost voor meerinspanningen die verzoeker moet leveren bij de uitvoering van zijn normale beroepsactiviteit om geen loonverlies of -vermindering te lijden, niet wordt weerhouden; 4.1.
- Overwegende dat, wat het eerste onderdeel van het enig middel betreft, artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985, houdende fiscale en andere bepalingen, zoals gewijzigd door de wet van 26 maart 2003 houdende de voorwaar- den waaronder de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden een hulp kan toekennen, als volgt luidt : §
- Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1/, steunt de Commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade:
- de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;
- de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;
- de tijdelijke of blijvende invaliditeit;
- een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;
- de esthetische schade;
- de procedurekosten; IX-4773-10/14
- de materiële kosten;
- de schade die voortvloeit uit het verlies van één of meer schooljaren; Overwegende dat artikel 31, 1/, van voornoemde wet, de “personen (betreft) die ernstige lichamelijke of psychische schade ondervinden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad.”; Overwegende dat tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 maart 2003 uitdrukkelijk werd benadrukt dat “de Commissie geen integrale schadeloosstelling verzekert, maar een billijke financiële hulp toekent voor de schadeposten die ruim, maar niettemin limitatief zijn opgesomd in artikel 32” (verantwoording regeringsamendement, Parl. St. Kamer 2001-2002, DOC 50, 0626/002, p. 11); Overwegende dat het begrip “uitsluitend”, dat voorkomt in § 1 van artikel 32 van de wet van 1 augustus 1985 inhoudt dat het gaat om “een limitatieve lijst van schadeposten waarvoor een hulp kan worden toegekend” (verantwoording regeringsamendement, Parl. St. Kamer 2001-2002, DOC 50, 0626/004, pag. 3); dat bijgevolg enkel de schadeposten voor vergoeding door de Commissie in aanmerking komen die worden opgesomd in meergenoemd artikel 32; Overwegende dat artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 geen gewag maakt van interesten; dat tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 augustus 1985 en van de opeenvolgende wijzigingswetten evenmin wordt vermeld dat de interesten op de geleden schade voor vergoeding door de Commissie in aanmerking komen; Overwegende dat voormelde wetsbepaling duidelijk is en niet voor interpretatie vatbaar, vermits het begrip uitsluitend wordt gebruikt en daarna een limitatieve opsomming volgt van de schadeposten die voor vergoeding in aanmerking komen; dat de interesten niet als een te vergoeden schadepost worden vermeld; Overwegende dat de vergoedende of compensatoire interesten een afzonderlijke schade vergoeden, met name de verloren of betaalde rente (J. PETIT : Interest, APR, p. 128 nr. 138); dat in afwachting van de schadeloosstelling het slachtoffer rente betaalt op ontleend geld of rente verliest op de eigen geldmiddelen; dat wat voorafgaat geldt in het contractenrecht en in het Aquiliaans aansprakelijk- IX-4773-11/14 heidsrecht; dat ook in deze materies de interesten evenwel niet automatisch worden toegekend; dat zowel in het contractenrecht als in het aansprakelijkheidsrecht de benadeelde of het slachtoffer de interesten moet vragen of vorderen via een ingebrekestelling of op basis van een procedurestuk; dat het niet zo is dat interesten een toebehoren vormen van de schadebestanddelen of - posten waarop zij betrekking hebben omdat zij een afzonderlijke schadepost vormen, die dient te worden bewezen; dat bijgevolg op de interesten het adagium “accessorium sequitur principale” (de bijzaak volgt de hoofdzaak) niet van toepassing is; dat dit adagium bovendien geen algemeen rechtsbeginsel is en derhalve geen rechtsgrond vormt om de interesten toe te kennen; 4.1.
- Overwegende dat in verband met de soorten vergoedingen die de wet van 1 augustus 1985, zoals gewijzigd, beoogt, de bestreden beslissing op goede gronden overweegt dat “de wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden aan de slachtoffers geen subjectief recht op ‘schadeloosstel- ling’ verleent, maar wel op een eventueel bekomen van een ‘hulp’, gesteund op het principe van collectieve solidariteit”; dat de bestreden beslissing daar terecht aan toevoegt dat “uit de aard zelf van de hulp volgt dat de ‘volledige vergoeding’ van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd (...)”; dat tenslotte wat het specifiek probleem van de interesten betreft de bestreden beslissing even terecht overweegt dat “interesten niet voor vergoeding in aanmerking komen (en) (dat) het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt hier niet van toepassing is; immers (omdat) de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat niet de veroorzaker is van de schade”; dat ook in het gemeen recht de toepassing van artikel 1382 van het B.W. niet meebrengt dat de interesten automatisch verschuldigd zijn, vermits zij moeten gevraagd of gevorderd worden door het slachtoffer en de rechter ze niet mag toekennen wanneer een dergelijke vraag of vordering ontbreekt en bovendien moeten de interesten beantwoorden aan een werkelijk geleden schade die het slachtoffer moet bewijzen; dat tenslotte wordt vastgesteld, zoals reeds werd overwogen, dat de gevraagde vergoeding voor interesten niet is opgenomen in de wet van 1 augustus 1985, zoals gewijzigd; 4.1.
- Overwegende dat het eerste onderdeel van het enig middel bijgevolg ongegrond is; 4.2.
- Overwegende dat, wat het tweede onderdeel van het enig middel betreft, uit de tekst van artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 blijkt, dat IX-4773-12/14 meerinspanningen niet in aanmerking komen voor vergoeding, zodat gelet op de limitatieve opsomming van de verschillende posten, die eventueel voor vergoeding in aanmerking komen, zoals bepaald in voormeld artikel 32, § 1, de Commissie terecht deze schadepost van 256,60 i heeft geweerd; dat het advies van de afgevaardigde van de minister van Justitie dat andersluidend was, hieraan niets afdoet, nu dit advies niet bindend is en het de autonome beslissingsbevoegdheid van de Commissie niet aantast; 4.2.
- Overwegende dat het tweede onderdeel van het enig middel dienvolgens eveneens ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-4773-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf december 2000 en zes, door : de HH. J. DE BRABANDERE voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, D. MOONS staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-4773-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.787 Gerelateerde publicatie(s) Link JUSTEL: ECLI:BE:COHSAV:2012:DEC.20120110.39 ECLI:BE:COHSAV:2012:DEC.20120118.19 ECLI:BE:COHSAV:2012:DEC.20120123.10 ECLI:BE:COHSAV:2012:DEC.20120123.13 ECLI:BE:COHSAV:2012:DEC.20120123.14 ECLI:BE:COHSAV:2012:DEC.20120123.15 ECLI:BE:COHSAV:2012:DEC.20120123.16 ECLI:BE:COHSAV:2012:DEC.20120123.6 ECLI:BE:COHSAV:2012:DEC.20120123.7 ECLI:BE:COHSAV:2012:DEC.20120123.8 ECLI:BE:COHSAV:2012:DEC.20120123.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.