id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.850 Rolnummer: A. 130790/XIV-13098 Zaak: Arrest 165850 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 12/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-15 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 11:32 Fiche Arrest nr 165.850 van 12 december 2006 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.850 van 12 december 2006 in de zaak A. 130.790/XIV-13.
(2)van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) op zichzelf niet volstaat om toepasbaar te zijn zonder dat verdere reglementering met het oog op precisering of vervollediging noodzakelijk is; dat deze verdragsbepaling geen duidelijke en juridisch volledige bepaling is die de verdragspartijen of een onthoudingsplicht of een plicht om op een welbepaalde wijze te handelen, oplegt; dat aan deze bepaling derhalve een directe werking moet worden ontzegd, zodat de verzoekende partijen de rechtstreekse schending van die verdragsbepaling niet dienstig kunnen inroepen; dat het eerste middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissing kennen doch betwisten dat die motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij met andere woorden de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat de verzoekende partijen slechts de elementen uit hun asielrelaas herhalen en in wezen een andere beoordeling van de door hen aangevoerde feiten vragen dan de beoordeling in de bestreden beslissing; dat de verzoekende partijen echter niet nader ingaan op de concrete motieven en daarmee niet aannemelijk maken dat de bestreden beslissingen op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze zijn genomen; Overwegende dat de verzoekende partijen evenmin een schending van artikel 10 van het E.V.R.M. aannemelijk maken, vermits uit de bespreking hierboven blijkt dat de motieven van de bestreden beslissingen overeind blijven; dat het eerste middel ook in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partijen de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 juni 2001 tot weigering van verblijf bekritiseren; dat zij betogen dat de minister van Binnenlandse Zaken ten onrechte zou hebben XIV-13.098-6/9 geconcludeerd dat de eerste verzoekende partij “enkel met (haar) autoriteiten in aanvaring (is) gekomen omwille van feiten die zich situeren op het vlak van het gemeenrecht en het strafrechtelijk vlak”; dat deze beslissingen echter zijn bevestigd door de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 november 2002; dat, gelet op de devolutieve kracht van het in artikel 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) bedoeld dringend beroep bij de commissaris- generaal, het middel gericht tegen de voornoemde beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken niet-ontvankelijk is, 2.2.
- Overwegende de verzoekende partijen een tweede middel aanvoeren dat luidt als volgt: “Doordat de respectievelijke bestreden beslissingen stellen dat verzoekers op de bescherming van de Belarussische autoriteiten konden rekenen (cf. geval Igor Potter) en dat de appreciatie van de strafmaat tot de bevoegdheid van het Belarussische gerecht behoort. Terwijl verzoekers zich niet beschermd weten door de Belarussische overheid (politie en gerecht), wanneer de dader van misdrijven uit fascistische overwegingen, gepleegd tegenover verzoekers en hun zoon, een straf krijgt die niet in verhouding staat tot de gepleegde feiten en zijzelf als burgerlijke partij niet gehoord worden. Dat ook de handelingen van het gerecht dienen getoetst te worden aan de Conventie van Genève. Dat verzoekers ter zitting van de commissaris-generaal gemeld hebben dat de dader in kwestie familie had bij de politie en om die reden een minimaal proces en een mindere straf kreeg dan normaal. Dat verzoekers wijzen op het gebrek aan een eerlijk proces in Belarussia, waarvan zij het slachtoffer werden. Dat het gebrek aan bescherming vanwege de overheid ook als een daad van vervolging dient gezien te worden. Zodat de respectievelijke bestreden beslissingen art. 6 van het EVRM, art. 1 van de Conventie van Genève, alsook de wet van 1991 op de motiveringsplicht schenden. Dat het middel gegrond is.”; 2.2.
- Overwegende dat met betrekking tot de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandeling naar de bespreking van het eerste middel kan worden verwezen; dat het verder niet kennelijk onredelijk voorkomt om in de bestreden beslissing te besluiten dat de verzoekende partijen op de bescherming van de autoriteiten in het land van herkomst konden rekenen, vermits de genaamde Igor Potter er tot een effectieve gevangenisstraf werd veroordeeld; dat de verwerende partij eveneens kon overwegen dat de bevoegdheid om zich over de strafmaat uit te spreken bij het Belarussische gerecht ligt; dat het tweede middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat artikel 6 van het E.V.R.M. van toepassing is op jurisdisctionele procedures doch niet op een zuiver administratieve procedure zoals deze waarbij de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen na dringend beroep uitspraak doet over een asielaanvraag; dat het tweede middel in die mate niet-ontvankelijk is; XIV-13.098-7/9 2.3.
- Overwegende de verzoekende partijen een derde middel aanvoeren dat luidt als volgt: “Doordat de zoon van verzoekers bij het vertrek uit Belarus minderjarig was. Dat de zoon op het moment van het verhoor op het Commissariaat-generaal van de vluchtelingen en de staatlozen meerderjarig geworden was. Dat de zoon van verzoekers in eigen naam mee in de procedure had moeten betrokken worden. Dat zich nu de situatie voordoet dat ten aanzien van verzoekers eep definitieve beslissing gewezen is, die ten uitvoer kan gebracht worden, waardoor verzoekers terug geleid kunnen worden naar Belarus. Dat ten aanzien van de zoon van verzoekers evenwel geen beslissing meer bestaat, doordat hij inmiddels meerderjarig is geworden. Dat de zoon van verzoekers ook niet gehoord is geworden. Terwijl een deel van de door verzoekers aangehaalde problemen betrekking heeft op de zoon. Dat de Commissaris-generaal niet de plicht heeft een asielaanvrager te horen, doch wanneer hij besluit dat een verhoor nodig is om een juiste beslissing ter zake te kunnen nemen, de Commissaris-generaal ook verplicht is, al het nodige te doen om een juiste beslissing te nemen. Dat in casu het verhoor van de zoon niet zonder belang was. Dat bovendien, door na te laten dat de zoon in eigen naam mee in de procedure betrokken wordt, het gezin verscheurd wordt doordat ten aanzien van verzoekers een definitieve en uitvoerbare beslissing geldt, terwijl de zoon een nieuwe asielaanvraag dient in te stellen in eigen naam. Zodat de bestreden beslissing de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nl. de zorgvuldigheidsplicht schendt, alsook art. 8 van het EVRM; Dat het middel gegrond is”; 2.3.
- Overwegende dat de zoon van de verzoekende partijen ten tijde van de asielaanvraag zeventien jaar oud was; dat geen enkele bepaling voorschrijft dat een zeventienjarige geen asielaanvraag zou mogen doen, zeker niet indien, zoals de verzoekende partijen voorhouden, “een deel van de door verzoekers aangehaalde problemen betrekking (hebben) op de zoon”; dat de kritiek van de verzoekende partijen dat hun zoon niet is gehoord derhalve te wijten is aan het feit dat de zoon niet in eigen naam een asielaanvraag heeft ingediend; dat dit des te meer geldt nu de verzoekende partijen in het middel zelf opmerken dat “de zoon een nieuwe asielaanvraag dient in te stellen in eigen naam”; dat voorts niet kan worden ingezien in welke mate de bestreden bevestigende beslissingen artikel 8 EVRM zouden schenden, aangezien deze geen verwijderingsmaatregel inhouden; dat het derde middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-13.098-8/9 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf december tweeduizend en zes, door: de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-13.098-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.850 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div