← België

Arrest 165850 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 12/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.850 Rolnummer: A. 130790/XIV-13098 Zaak: Arrest 165850 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 12/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-15 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 11:32 Fiche Arrest nr 165.850 van 12 december 2006 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.850 van 12 december 2006 in de zaak A. 130.790/XIV-13.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij advocaten L. KOOLS EN M. DE RAEDEMAEKER kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Van Benedenlaan 15 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Belarussische nationaliteit, op 19 december 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 november 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 juni 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op 23 december 2002 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 13 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; XIV-13.098-1/9 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DE RAEDEMAEKER, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de verzoekende partijen België binnenkomen op 8 december 2000 en zich vluchteling verklaren op dezelfde dag; dat op 6 juni 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 29 november 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen bevestigt; dat dit de bestreden beslissingen zijn, die luiden als volgt: - Inzake de eerste verzoekende partij, de eerste bestreden beslissing: “U, een Belarussisch staatsburger van Belarussische origine, heeft uw land van oorsprong verlaten op 6 december 2000 in het gezelschap van uw echtgenote, XXX en jullie minderjarige zoon. U bent op 8 december 2000 in België aangekomen waar u dezelfde dag een asielaanvraag indiende. U bent niet in het bezit van een geldig paspoort. U heeft uw land van oorsprong verlaten omwille van de problemen die u er persoonlijk kende en omwille van de activiteiten van uw zoon. In 1996 nam u deel aan de Tsjernobil-betoging. De politie sloeg de betoging echter met geweld uiteen, waarbij u verwond werd aan uw lip. U werd niet gearresteerd. In juli 1999 nam u deel aan de onafhankelijkheidsdag te Minsk. U werd toen gearresteerd en naar een politiebureau gebracht, waar u na een waarschuwing vrijgelaten werd. Sinds 1997 werd uw zoon belaagd door een persoon met fascistisch gedachtegoed, Potter laor, omwille van zijn Joodse afkomst langs moederszijde. Op 13 november 1997 werd uw zoon door Potter aangevallen, waarna uw zoon met epilepsie in het ziekenhuis opgenomen werd. Op 10 december 1997 werd uw zoon opnieuw door deze Potter aangevallen, met ernstige verwondingen tot gevolg. Na deze tweede aanval heeft u klacht ingediend bij de politie, die verklaarde dat de schuldige binnen de maand veroordeeld zou worden. Enige dagen erna kwamen Potter en zijn moeder naar u en vroegen de klacht in te trekken, wat u weigerde. De moeder verklaarde dan dat ze familie had bij de politie en ,dat u er zelf nog problemen door zou kennen. Potter bleef vrij en u kreeg er zelfs dreigtelefoons van waarover uw vrouw een klacht indiende bij het wijkparket. Op 15 mei 1998 werd Potter gedagvaard door het wijkparket, maar hij kon de zaal verlaten zonder dat hij veroordeeld werd. Op 16 juli 1998 rond vier uur's ochtends werd uw voordeur in brand gestoken tijdens uw afwezigheid. Het betrof een gepantserde deur en de brandweer kon het blussen zonder dat er verdere schade was. U diende hierover klacht in tegen Potter bij de politie, maar trok die nadien terug in omdat.er geen bewijs was. Uw echtgenote heeft dan een klacht ingediend bij het stadsparket over alle wandaden van Potter. In oktober 1998 was er een rechtszaak waarbij Pótter veroordeeld werd tot één jaar effectieve gevangenisstraf. Een jaar later, eind 1999, kreeg u dreigtelefoons van Potter, werd uw hond vergiftigd en werd een raam van de kamer van uw zoon ingegooid. U diende hier echter geen klacht over in, maar kende daarna ook geen problemen meer met Potter. Op 25 maart 2000 nam u opnieuw deel aan een betoging, waarbij u door de politie gearresteerd werd en acht uren vastgehouden op het politiebureau. U kreeg er de waarschuwing dat u bij een volgende arrestatie gerechtelijk vervolgd zou worden. Op 12 november 2000 kwam u thuis en vernam van uw echtgenote dat uw zoon naar een jongerenbetoging bij de XIV-13.098-2/9 Academie der Wetenschappen was. U bent er naartoe gegaan om uw zoon er weg te halen, maar werd er door een politiecordon tegengehouden. U legde hen uit dat u uw zoon er weg wilde halen en werd dan te woord gestaan door twee personen in burger die zeiden dat ze de naam van uw zoon zouden afroepen. U gaf hen zijn naam, maar ze riepen deze niet af- U wou dan toch naar de betoging, maar de twee mannen poogden u tegen te houden. U gooide hen omver en liep weg voor de toesnellende politie. U kon hen afschudden en keerde terug naar huis. Uw zoon kwam pas's avonds thuis. Hij was door de politie gearresteerd in het bezit van een Belarussische vlag. U vertrok de volgende dag op zakenreis en toen u op 15 november 2000 naar uw werk telefoneerde, deelde uw overste mee dat er politie geweest was die naar u - informeerde. Uw overste zei verder dat hij genoeg had van uw gedrag en dat u ontslagen was. U ging de volgende dag naar een vriend die u een onderduikadres verschafte. U tiet uw vrouw en zoon eveneens naar dit adres komen en vernam van hen dat de politie u was komen zoeken. U zoon zei verder dat hij op 14 november 2000 bij de decaan van zijn universiteit geroepen was die hem schorste omwille van zijn deelname aan de betoging. U heeft dan op 6 december 2000 Belarus verlaten. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u betreffende de problemen die uw zoon omwille van zijn Joodse afkomst kende met Potter lgor wel degelijk op de bescherming van de Belarussische autoriteiten kon rekenen. Uit uw verklaringen blijkt immers dat deze Potter door een Belarussische rechtbank veroordeeld is tot een effectieve gevangenisstraf omwille van de schade die hij uw zoon en gezin berokkend heeft. Als zodanig hebben de Belarussische autoriteiten zich gepast gedragen om u de bescherming te verlenen die u als Belarussisch staatsburger toekomt. Inzake de problemen die uw gezin nog met Potter gekend heeft na zijn vrijlating eind 1999 dient te worden opgemerkt dat u nagelaten heeft om klacht in te dienen of op enige andere wijze de bescherming van de Belarussische autoriteiten in te roepen. Gezien de voorgaande veroordeling van Potter blijkt nochtans dat u in dit geval op de hulp van uw autoriteiten kon rekenen. Er zijn geen elementen die er op wijzen dat het u onmogelijk gemaakt werd om deze maat klacht in te dienen. Betreffende uw appreciatie van de duur van de opsluiting van Potter dient te worden opgemerkt dat de bevoegdheid bij het Belarussische gerecht ligt om zich uit te spreken over de duur van de strafmaat. Bovendien blijkt uit niets van uw verklaringen dat de beslissing van de rechterlijke macht enigszins geïnspireerd zou zijn op één van de criteria van de Vluchtelingenconventie. Daarnaast dient er op te worden gewezen dat u niet aannemelijk kan maken dat u na het incident van 12 november 2000 vervolgd zou worden door de Belarussische autoriteiten omwille van uw nationaliteit, etnie, godsdienst, politieke overtuiging of het behoren tot een politieke groep. Of uw verklaringen blijkt immers dat u zelf niet deelgenomen heeft aan de betoging, maar integendeel erheen wou om uw zoon er weg te halen. U werd door de politie echter niet toegelaten tot de plaats van de betoging en bij uw poging om er toch naartoe te gaan is er een gevecht met de politie ontstaan. Ten eerste dient hierover uit uw verklaringen te worden afgeleid dat u nadien op uw werk ontslagen werd omwille van deze vechtpartij, wat van gemeenrechtelijke aard is, en niet omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie. U verklaarde immers dat de overste op uw werk, na een gesprek met politieagenten die u zochten, verklaarde dat u ontslagen werd omdat ze geen mensen in dienst wilden die vechten met de politie (zie CGVS p. 9). Betreffende het feit dat u gezocht wordt door de politie dient te worden opgemerkt dat u niet op de hoogte bent van de reden hiervan. U vermoedt dat het te maken heeft met het incident van 12 november 2000 (zie CGVS P. 9), maar heeft er geen weet van of de politie u zoekt omwille van een gemeenrechtelijke misdrijf (zoals de politie verklaarde tegen uw werkgever) of omwille van enig ander gegeven. U heeft zich niet aangeboden bij de politiediensten en heeft er dan ook geen weet van. U kan dan ook niet aannemelijk maken dat de Belarussische autoriteiten u zouden zoeken of zelfs vervolgen omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie. Bovendien heeft de politie enkel u gezocht (zie CGVS p. 12) en niet uw zoon, die wél aan de betoging op 12 november deelgenomen had en wiens aanwezigheid door de politie gekend was (zie CGVS p. 9). Bijkomend dient over de aan u gerichte politieconvocatie te worden opgemerkt dat deze gedateerd is op 21 november 2001 en u oproept in de hoedanigheid van getuige naar het Sovjetskij-bureau. Uit een tweede document dat u voorlegde, een oproeping voor het Militair Commissariaat voor uw zoon, blijkt echter dat het Militair Commissariaat op 8 oktober 2001 de hulp van de politie van het Sovjetskij-bureau ingeroepen heeft om uw zoon te vinden die zich niet aangeboden heeft voor de medische keuring betreffende zijn legerdienst. Deze gegevens mogen er dan ook op wijzen dat de convocatie voor 21 november 2001 dan ook eerder betrekking zal hebben op de legerdienst van uw zoon dan met een onderzoek dat u persoonlijk betreft. U verklaart verder nog dat er op uw adres in Belarus heden convocaties voor uw zoon aankomen van het Belarussisch Militair Commissariaat voor het vervullen van zijn legerdienst. Daarnaast verklaart u zelf dat uw zoon medisch ongeschikt is voor de vervulling van zijn legerdienst omwille van epilepsie. Er dient echter te worden opgemerkt dat er op de twee convocaties betreffende deze dienstplicht expliciet vermeld staat dat uw zoon zich eerst voor een medische commissie dient aan te bieden om zijn geschiktheid voor de militaire dienst te onderzoeken. Er zijn echter geen elementen die er op wijzen dat uw zoon XIV-13.098-3/9 omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie door de medische commissie onterechte beoordeeld zou worden betreffende zijn geschiktheid voor de medische dienst. Uit bovenstaande dient te worden besloten dat er in hoofde van u niet gesproken kan worden van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. De documenten (uw rijbewijs, uw diploma, convocatie van de politie, huwelijksakte, geboorteakte van zoon, studentenkaart van zoon, convocaties van het Militair Commissariaat voor zoon, attest lidmaatschap zoon van 'Belarussian Center' te België, attest Nederlandse taallessen zoon, kopie paspoort schoonzus en schoonbroer, attest brandstichting in 1998, medische expertise zoon, Belgisch en Belarussisch attest epilepsie zoon, vonnis van de rechtbank, krantenartikel) die u voorlegde ter ondersteuning van uw asielrelaas kunnen bovenstaande conclusie niet wijzigen. Uw rijbewijs, diploma, huwelijksakte, de geboorteakte van uw zoon, de studentenkaart van uw zoon, kopie paspoort schoonzus en schoonbroer betreffen immers enkel de identiteit van u en uw familieleden alsook uw gezinssituatie, waaraan echter niet getwijfeld dient te worden. De convocatie voor u van de politie wijzigt evenmin de conclusie over de aard van de moeilijkheden die u kende met de autoriteiten. De convocaties van het Militair Commissariaat voor zoon evenals het attest brandstichting in 1998, medische expertise zoon, en het vonnis van de rechtbank kunnen enkel bovenstaande conclusie bevestigen. Het Belgisch en het Belarussisch attest epilepsie voor uw zoon betreffen louter de gezondheidstoestand van uw zoon en brengen geen elementen aan betreffende een mogelijke vervolging. Het attest lidmaatschap zoon van ‘Belarussian Center’ te België en het attest Nederlandse taallessen zoon betreffen de activiteiten van uw zoon in België en bevatten geen gegevens betreffende de moeilijkheden die u kende in Belarus. Het krantenartikel bevestigd dat u meewerkte aan de bouw van dorpen bij Tsjernobil, maar bevat geen verdere informatie betreffende de problemen die u Belarus deden verlaten.”; - Inzake de tweede verzoekende partij, de tweede bestreden beslissing: “U, een Belarussisch staatsburger van Joods-Belarussische origine, heeft uw land van oorsprong verlaten op 6 december 2000 in het gezelschap van uw echtgenoot, XXX, en jullie minderjarige zoon. U bent op 8 december 2000 in België aangekomen waar u dezelfde dag een asielaanvraag indiende. U bent niet in het bezit van een geldig paspoort U heeft uw land van oorsprong verlaten omwille van de problemen die u er kende door de origine en activiteiten van uw zoon Sinds 1997 werd uw zoon belaagd door een persoon met fascistisch gedachtegoed, Potter lgor, omwille van zijn Joodse afkomst via uw familiezijde. Op 13 november 2000 werd uw zoon door Potter aangevallen. U diende hierover geen klacht in en verzorgde uw zoon zelf. Op 10 december 1997 werd uw zoon opnieuw door deze Potter aangevallen, met ernstige verwondingen tot gevolg. Na deze tweede aanval diende u klacht in bij de politie, die verklaarde dat de schuldige binnen de maand veroordeeld zou worden. Enige dagen erna kwamen Potter en zijn moeder naar u en vroegen om de klacht in te trekken, wat u weigerde. De moeder verklaarde dan dat ze familie had bij de politie en dat u er zelf nog problemen door zou kennen . Potter bleef vrij en u kreeg er zelfs dreigtelefoons van, waarvoor u een klacht indiende bij het wijkparket Op 15 mei 1998 werd Potter gedagvaard bij het wijkparket, maar hij heeft de zaal verlaten zonder dat hij veroordeeld werd. U diende een klacht in bij het stadsparket over alle wandaden van Potter. Op 16 juli 1998 rond vier uur's ochtends werd uw voordeur in brand gestoken tijdens uw afwezigheid. Het betreft een gepantserde deur en de brandweer kon het blussen zonder dat er verdere schade was. U diende opnieuw klacht in tegen Potter. In oktober 1998 was er dan een rechtszaak waarbij Potter veroordeeld werd tot één jaar effectieve gevangenisstraf. Een jaar later, eind 1999, kreeg u dreigtelefoons van Potter, werd uw hond vergiftigd en een raam van de kamer van uw zoon ingegooid. U diende hier echter geen klacht over ingediend. Uw zoon meldde u in België nog dat hij in september 2000 nog geslagen werd door Potter, maar er werd geen klacht over ingediend. U weet niet of uw echtgenoot van dit incident op de hoogte is. U en u gezin hebben geen verdere problemen gekend met Potter. Op 12 november 2000 nam uw zoon deel aan een jongerenbetoging tegen het regime bij de Academie der Wetenschappen. U heeft het aan uw man verteld en die is er naartoe gegaan om uw zoon er weg te halen. Enige uren erna kwam u echtgenoot alleen terug thuis en zei dat hij zich verzet had tegen de autoriteiten. Uw zoon is pas 's avonds laat thuisgekomen, en bleek door de politie gearresteerd en ondervraagd te zijn. Uw echtgenoot is de volgende dag op zakenreis vertrokken en dezelfde dag telefoneerde een huurder die op uw propiska-adres verbleef om u mee te delen dat er politie geweest was die naar uw echtgenoot informeerde. Uw zoon werd op 14 november 2000 bij de decaan van zijn universiteit geroepen en geschorst omwille van zijn deelname aan de betoging van 12 november
  5. Op 14 november 2000 kwamen er twee agenten op uw effectief adres (bij uw moeder) die naar uw man informeerden. Uw moeder vertelde hen echter dat hij er niet verbleef en de agenten gingen weg. Uw echtgenoot was ondertussen naar een vriend gegaan om er onder te duiken en op 16 november XIV-13.098-4/9 2000 doken ook u en uw zoon er onder. Op 6 december 2000 heeft u Belarus dan verlaten, Uw moeder heeft u nog getelefoneerd uit Belarus en meegedeeld dat er convocaties voor uw echtgenoot aangekomen zijn en eveneens convocaties voor de legerdienst van uw zoon. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u betreffende de problemen die uw zoon omwille van zijn Joodse afkomst kende met Potter Igor wel degelijk op de bescherming van de Belarussische autoriteiten kon rekenen. Uit uw verklaringen blijkt immers dat deze Potter door een Belarussische rechtbank veroordeeld is tot een effectieve gevangenisstraf omwille van de schade die hij uw zoon en gezin berokkend heeft. Als zodanig hebben de Belarussische autoriteiten zich gepast gedragen om u de bescherming te verlenen die u als Belarussisch staatsburger toekomt. Inzake de problemen die uw gezin nog met Potter gekend heeft na zijn vrijlating eind 1999 dient te worden opgemerkt dat u nagelaten heeft om klacht in te dienen of op enige andere wijze de bescherming van de Belarussische autoriteiten in te roepen. Gezien de voorgaande veroordeling van Potter blijkt nochtans dat u in dit geval op de hulp van uw autoriteiten kon rekenen. Er zijn geen elementen die er op wijzen dat het u onmogelijk gemaakt werd om deze maal klacht in te dienen Inzake de problemen die uw echtgenoot kende met de Belarussische autoriteiten dient te worden opgemerkt dat er in het kader van zijn asielrelaas besloten is dat deze kennelijk ongegrond zijn. Bijgevolg kan er, in verband met deze problemen, in uw hoofde evenmin worden besloten tot het bestaan van een vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. U verklaart verder nog dat er op uw adres in Belarus beden convocaties voor uw zoon aankomen van het Belarussisch Militair Commissariaat voor het vervullen van zijn legerdienst. Daarnaast verklaart u eveneens dat uw zoon medisch ongeschikt verklaard is voor de vervuiling van zijn legerdienst omwille van zijn epilepsie. Er dient echter te worden opgemerkt dat er op de twee militaire convocaties die u voorlegde expliciet vermeld staat dat uw zoon zich eerst voor een medische commissie dient aan te bieden om zijn geschiktheid voor de militaire dienst te onderzoeken. Er zijn geen elementen die er op wijzen dat uw zoon omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie door de medische commissie onterechte beoordeeld zou worden betreffende zijn geschiktheid voor de medische dienst. Uit bovenstaande dient te worden be sloten dat er in hoofde van u niet gesproken kan worden van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. De documenten (rijbewijs, geboorteakte, diploma en attest zelfstandige) die u voorlegde ter ondersteuning van uw asielrelaas kunnen bovenstaande conclusie niet wijzigen aangezien ze enkel uw identiteit en beroep betreffen, waaraan niet getwijfeld dient te worden.”; 2.1.
  6. Overwegende de verzoekende partijen een eerste middel aanvoeren dat luidt als volgt: “Doordat de bestreden beslissingen de problematiek van verzoekers en bijgevolg het motief van de vlucht miskenen. Dat de bestreden beslissingen de stelling van de Minister van Binnenlandse Zaken bevestigen als zou eerste verzoeker 'enkel met zijn autoriteiten in aanvaring zijn gekomen omwille van feiten die zich situeren op het vlak van het gemeenrecht en het strafrechtelijke vlak'. Terwijl verzoekers als reden voor hun vertrek uit Belarus hebben vermeld dat zij vrezen dat eerste verzoeker van zijn vrijheid beroofd zal worden door de Belarussische autoriteiten omwille van zijn herhaalde deelname aan manifestaties tegen het heersende regime van Lukaschenko. Dat verzoekers m.a.w. een beperking ervaren door de Belarussische autoriteiten op het fundamenteel mensenrecht van vrije meningsuiting en vreedzame vergadering (art. 11 EVRM) ingegeven vanuit politieke overwegingen. Dat een asielaanvraag op de hiervoor vermelde grond wel valt onder de vluchtelingenconventie. Dat verzoekers over de deelname van eerste verzoeker aan verschillende manifestaties een duidelijk, samenhangend, en met mekaar in overeenstemming zijnde, relaas hebben gegeven. Dat de vrees van verzoekers ernstig is, zoals blijkt uit het geheel van samenhangende feitelijke gegevens door hen aangehaald. Dat verzoekers verwezen naar de verwittiging vanwege de politie bij de arrestatie van eerste verzoeker wegens zijn deelname aan de manifestatie op 25.03.
  7. Dat de politie aan eerste verzoeker toen meedeelde dat hij bij een volgende betoging gerechtelijk vervolg zou worden. Dat eerste verzoeker sedert zijn aanwezigheid op de plaats van betoging op 12.11.2000 effectief door de politie gezocht wordt. Dat het daarbij van geen belang is dat eerste verzoeker niet effectief aan de betoging van 12.11.2000 deelnam, maar wel dat de politie hem als manifestant staande hield. Dat eerste verzoeker sedertdien het begin van daden van vervolging gekend heeft, ondermeer werd hij gezocht op de werkvloer, waardoor hij zijn job verloor, en werd hij bij verzoekers thuis gezocht. Dat eerste verzoeker geconvoceerd werd door de Belarussische politie. Dat verzoekers om erger te voorkomen gevlucht zijn. Dat verzoekers op de zitting van de commissaris-generaal duidelijk hiervan melding hebben gemaakt en gezegd dat deelname aan manifestaties tegen het regime in Belarus gesanctioneerd wordt met XIV-13.098-5/9 vrijheidsberoving. Dat verzoekers stellen dat eerste, noch tweede verzoeker iets wederrechtelijk heeft begaan, en dat de problemen die verzoekers kennen zich dus niet situeren op het gemeenrechtelijk of strafrechtelijke vlak. Zodat de respectievelijke bestreden beslissingen art. 10 van het EVRM, art. 1 A 2 van de Conventie van Genève, alsook de wet van 1991 op de motiveringsplicht schenden. Dat het middel gegrond is.”; 2.1.
  8. Overwegende dat artikel 1, A

(2)van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) op zichzelf niet volstaat om toepasbaar te zijn zonder dat verdere reglementering met het oog op precisering of vervollediging noodzakelijk is; dat deze verdragsbepaling geen duidelijke en juridisch volledige bepaling is die de verdragspartijen of een onthoudingsplicht of een plicht om op een welbepaalde wijze te handelen, oplegt; dat aan deze bepaling derhalve een directe werking moet worden ontzegd, zodat de verzoekende partijen de rechtstreekse schending van die verdragsbepaling niet dienstig kunnen inroepen; dat het eerste middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissing kennen doch betwisten dat die motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij met andere woorden de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat de verzoekende partijen slechts de elementen uit hun asielrelaas herhalen en in wezen een andere beoordeling van de door hen aangevoerde feiten vragen dan de beoordeling in de bestreden beslissing; dat de verzoekende partijen echter niet nader ingaan op de concrete motieven en daarmee niet aannemelijk maken dat de bestreden beslissingen op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze zijn genomen; Overwegende dat de verzoekende partijen evenmin een schending van artikel 10 van het E.V.R.M. aannemelijk maken, vermits uit de bespreking hierboven blijkt dat de motieven van de bestreden beslissingen overeind blijven; dat het eerste middel ook in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partijen de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 juni 2001 tot weigering van verblijf bekritiseren; dat zij betogen dat de minister van Binnenlandse Zaken ten onrechte zou hebben XIV-13.098-6/9 geconcludeerd dat de eerste verzoekende partij “enkel met (haar) autoriteiten in aanvaring (is) gekomen omwille van feiten die zich situeren op het vlak van het gemeenrecht en het strafrechtelijk vlak”; dat deze beslissingen echter zijn bevestigd door de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 november 2002; dat, gelet op de devolutieve kracht van het in artikel 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) bedoeld dringend beroep bij de commissaris- generaal, het middel gericht tegen de voornoemde beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken niet-ontvankelijk is, 2.2.
  1. Overwegende de verzoekende partijen een tweede middel aanvoeren dat luidt als volgt: “Doordat de respectievelijke bestreden beslissingen stellen dat verzoekers op de bescherming van de Belarussische autoriteiten konden rekenen (cf. geval Igor Potter) en dat de appreciatie van de strafmaat tot de bevoegdheid van het Belarussische gerecht behoort. Terwijl verzoekers zich niet beschermd weten door de Belarussische overheid (politie en gerecht), wanneer de dader van misdrijven uit fascistische overwegingen, gepleegd tegenover verzoekers en hun zoon, een straf krijgt die niet in verhouding staat tot de gepleegde feiten en zijzelf als burgerlijke partij niet gehoord worden. Dat ook de handelingen van het gerecht dienen getoetst te worden aan de Conventie van Genève. Dat verzoekers ter zitting van de commissaris-generaal gemeld hebben dat de dader in kwestie familie had bij de politie en om die reden een minimaal proces en een mindere straf kreeg dan normaal. Dat verzoekers wijzen op het gebrek aan een eerlijk proces in Belarussia, waarvan zij het slachtoffer werden. Dat het gebrek aan bescherming vanwege de overheid ook als een daad van vervolging dient gezien te worden. Zodat de respectievelijke bestreden beslissingen art. 6 van het EVRM, art. 1 van de Conventie van Genève, alsook de wet van 1991 op de motiveringsplicht schenden. Dat het middel gegrond is.”; 2.2.
  2. Overwegende dat met betrekking tot de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandeling naar de bespreking van het eerste middel kan worden verwezen; dat het verder niet kennelijk onredelijk voorkomt om in de bestreden beslissing te besluiten dat de verzoekende partijen op de bescherming van de autoriteiten in het land van herkomst konden rekenen, vermits de genaamde Igor Potter er tot een effectieve gevangenisstraf werd veroordeeld; dat de verwerende partij eveneens kon overwegen dat de bevoegdheid om zich over de strafmaat uit te spreken bij het Belarussische gerecht ligt; dat het tweede middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat artikel 6 van het E.V.R.M. van toepassing is op jurisdisctionele procedures doch niet op een zuiver administratieve procedure zoals deze waarbij de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen na dringend beroep uitspraak doet over een asielaanvraag; dat het tweede middel in die mate niet-ontvankelijk is; XIV-13.098-7/9 2.3.
  3. Overwegende de verzoekende partijen een derde middel aanvoeren dat luidt als volgt: “Doordat de zoon van verzoekers bij het vertrek uit Belarus minderjarig was. Dat de zoon op het moment van het verhoor op het Commissariaat-generaal van de vluchtelingen en de staatlozen meerderjarig geworden was. Dat de zoon van verzoekers in eigen naam mee in de procedure had moeten betrokken worden. Dat zich nu de situatie voordoet dat ten aanzien van verzoekers eep definitieve beslissing gewezen is, die ten uitvoer kan gebracht worden, waardoor verzoekers terug geleid kunnen worden naar Belarus. Dat ten aanzien van de zoon van verzoekers evenwel geen beslissing meer bestaat, doordat hij inmiddels meerderjarig is geworden. Dat de zoon van verzoekers ook niet gehoord is geworden. Terwijl een deel van de door verzoekers aangehaalde problemen betrekking heeft op de zoon. Dat de Commissaris-generaal niet de plicht heeft een asielaanvrager te horen, doch wanneer hij besluit dat een verhoor nodig is om een juiste beslissing ter zake te kunnen nemen, de Commissaris-generaal ook verplicht is, al het nodige te doen om een juiste beslissing te nemen. Dat in casu het verhoor van de zoon niet zonder belang was. Dat bovendien, door na te laten dat de zoon in eigen naam mee in de procedure betrokken wordt, het gezin verscheurd wordt doordat ten aanzien van verzoekers een definitieve en uitvoerbare beslissing geldt, terwijl de zoon een nieuwe asielaanvraag dient in te stellen in eigen naam. Zodat de bestreden beslissing de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nl. de zorgvuldigheidsplicht schendt, alsook art. 8 van het EVRM; Dat het middel gegrond is”; 2.3.
  4. Overwegende dat de zoon van de verzoekende partijen ten tijde van de asielaanvraag zeventien jaar oud was; dat geen enkele bepaling voorschrijft dat een zeventienjarige geen asielaanvraag zou mogen doen, zeker niet indien, zoals de verzoekende partijen voorhouden, “een deel van de door verzoekers aangehaalde problemen betrekking (hebben) op de zoon”; dat de kritiek van de verzoekende partijen dat hun zoon niet is gehoord derhalve te wijten is aan het feit dat de zoon niet in eigen naam een asielaanvraag heeft ingediend; dat dit des te meer geldt nu de verzoekende partijen in het middel zelf opmerken dat “de zoon een nieuwe asielaanvraag dient in te stellen in eigen naam”; dat voorts niet kan worden ingezien in welke mate de bestreden bevestigende beslissingen artikel 8 EVRM zouden schenden, aangezien deze geen verwijderingsmaatregel inhouden; dat het derde middel ongegrond is;
  5. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-13.098-8/9 BESLUIT: Artikel
  6. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf december tweeduizend en zes, door: de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-13.098-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.850 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.