id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.896 Rolnummer: A. 143233/XIV-17297 Zaak: Arrest 165896 - Dienst Vreemdelingenzaken - 13/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-15 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-01 11:34 Fiche Arrest nr 165.896 van 13 december 2006 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Bevolen Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.896 van 13 december 2006 in de zaak A. 143.é/XIV-17.297 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat V. LURQUIN, kantoor houdende te 1082 BRUSSEL, Gentsesteenweg 1206 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Bengaalse nationaliteit, op 9 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 augustus 2003 waarbij een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) onontvankelijk wordt verklaard en van het bevel om het grondgebied te verlaten “dat daarvan het gevolg is”; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 21 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-17.297-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. KADJAJ, die loco advocaat P. ROBERT verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat N. LUCAS, die loco advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het andersluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat op 18 december 2001 de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen de asielaanvraag van de verzoekende partij verwerpt; dat de Raad van State het annulatieberoep tegen die beslissing met het arrest nr. 135.182 van 22 december 2004 verwerpt; dat de verzoekende partij op 24 januari 2002 een aanvraag indient om machtiging tot voorlopig verblijf in op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partij met een aangetekende brief van 8 maart bijkomende elementen aanbrengt; dat op 1 augustus 2003 de minister van Binnenlandse zaken deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaart; dat dit de bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “Reden(en) : Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats van oponthoud in het buitenland. Dat de betrokkene zich volledig heeft geïntegreerd, dat hij Frans en Engels spreekt, dat hij zijn vriendenkring heeft uitgebouwd, dat hij niet financieel afhankelijk is van een of andere organisatie of instelling en dat hij werkzaam was vormen geen uitzonderlijke omstandigheden die het indienen van een art.9.3 van de vreemdelingenwet in België verantwoorden. De elementen met betrekking tot zijn integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een onderzoek op het moment dat de aanvraag conform art.9.2 van de vreemdelingenwet ingediend wordt. De problemen in zijn land van herkomst hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve net meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art.9 van de wet in België in te dienen. Over het feit dat er in Bangladesh geen diplomatieke diensten zouden zijn, moeten we u melden dat de betrokkene zich kan wenden naar de Belgische ambassade in New Delhi (Indië) of in Bangkok (Thailand). Wat betreft de financiële middelen staat het de betrokkene vrij een beroep te doen op het IOM (internationale Organisatie voor Migratie) om zo terug te keren naar zijn land van herkomst. Bijgevolg verzoek ik u door afgifte van het formulier B overeenkomstig het model van bijlage_ 13 van het K.B. van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (B.S. van 27 oktober 198 l), gewijzigd door het K.B. van 22 november 1996 (B.S. van 6 december 1996) aan de betrokkene kennis te geven van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij hem bevel wordt gegeven om het grondgebied te verlaten binnen de 30 (dertig) dagen na de kennisgeving. Reden van de maatregel : betrokkene verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig artikel6 bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leveren dat hij deze termijn niet overschreden heeft. (Wet van 15 december 1980 -art 7, alinea 1, 2/).”; XIV-17.297-2/6
- Betreffende de toepassing van artikel 26 van voornoemd koninklijk besluit van 9 juli
- 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt: “Enig middel Schending van artikelen 9.3 en 62 van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelinge Eerste onderdeel Verzoeker had als buitengewone omstandigheden ingeroepen het feit dat zijn broer in Bangladesh vermoord werd (wat door de Vaste Beroepscommissie niet in twijfel werd getrokken) en het feit dat zijn familie in Bangladesh nog steeds bedreigd was. Om die stelling te bewijzen, had verzoeker een krantenartikel neergelegd die van na de beslissing van de Vaste Beroepscommissie dateert. Tegenpartij besliste dat die elementen geen uitzonderlijke omstandigheden in de zin van artikel 9.3 van de wet vormde op basis van de volgende motivatie: -De problemen in zijn land van herkomst hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de wet in België in te dienen’. Enerzijds is de bestreden beslissing op dit punt slecht gemotiveerd aangezien men uitgaat van het feit dat omstandigheden die niet voldoen om het asiel toe te kennen bijgevolg geen buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 9.3 van de wet van 15.12.1980 kunnen vormen. Zodoende verwart tegenpartij twee zeer verschillende concepten, met name de uitzonderlijke omstandigheden in de zin van artikel 9.3 van de wet van 15.12.1980 en de definitie van dé vluchteling die door de Conventie van Genève van 28.07.1951 gegeven wordt. Het is van vaste rechtspraak dat die twee concepten niet gelijk zijn. Dit werd nog bevestigd o.m. in een arrest nr. 121.508 van 9 juli 2003 en een arrest nr. 123.481 van 25 september
- De twee concepten zijn verschillend omdat artikel 9.3 als bedoeling heeft aan een vreemdeling de toestemming te geven om een aanvraag tot machtiging in België in te dienen, en dat die toestemming niet oordeelt over de beslissing die ten gronde van de aanvraag tot machtiging genomen zal worden. De referentie aan de beslissing van weigering van de hoedanigheid van vluchteling is op 1 zich niet genoeg om het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden in de zin van artikel 9.3 te negeren . Anderzijds is de motivatie van de bestreden beslissing ook onterecht omdat het op dit punt enkel naar de elementen verwijst die in het kader van de asielaanvraag neergelegd werden, terwijl verzoeker nog een bijkomend stuk neergelegd had, dat dateerde van ná de beslissing van de Vaste Beroepscommissie, zodat tegenpartij, indien ze door die elementen niet overtuigd was, tenminste diende te motiveren waarom die geen uitzonderlijke omstandigheid in de zin van artikel 9.3 van de wet vormden. Door geen woord over die nieuwe elementen te reppen, schendt tegenpartij haar motiveringsplicht. Tweede onderdeel Verzoeker had ook ingeroepen het feit dat er in Bangladesh geen Belgische Ambassade bestaat en dat dus een aanvraag tot machtiging in een ander land ingediend zou moeten worden. Om een aanvraag tot machtiging op basis van artikel 9.3 van de wet te rechtvaardigen, moet de vreemdeling aantonen ‘dat het onmogelijk of bijzonder moeilijk is om terug te keren naar zijn land van herkomst of naar een land waar hij tot verblijf toegelaten, om de machtiging aan te vragen, dit door gegevens die zowel in België als elders kunnen worden gesitueerd’ (omzendbrief van 19.02.2003 over de toepassing van art. 9,3 van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen). Thailand, voor Bangkok, en Indië, voor New Delhi, zijn geen landen waar verzoeker tot verblijf gemachtigd is. In dit geval is het voor verzoeker bijzonder moeilijk om terug naar Bangladesh te moeten gaan, dan de toestemming te krijgen om naar Indië te reizen, er de aanvraag in te dienen, terug naar Bangladesh te gaan, voor verzoeker een tweede keer naar Indië zou reizen om er de betekening van de beslissing en eventueel uiteindelijk een visa te krijgen. Die hele procedure zou bijzonder ingewikkeld zijn en is zeker als bijzonder moeilijk te bestempelen. In dit opzicht moet het arrest nr. 41.563 van 13.01.1993 hernomen worden en maakt de bestreden beslissing, die daarmee geen rekening houdt, een verkeerde toepassing van artikel 9.3 van de wet. XIV-17.297-3/6 Het feit dat tegenpartij zelfs niet de moeite nam om aan het ingeroepen arrest van Uw Raad te antwoorden, vormt op zich een schending van de motiveringsplicht.”: 2.
- Overwegende dat artikel 9, tweede lid van de Vreemdelingenwet als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of plaats van oponthoud in het buitenland; dat het overeenkomstig artikel 9, derde lid van die wet in buitengewone omstandigheden is toegestaan die aanvraag in te dienen via de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; Overwegende dat de verzoekende partij in haar aanvraag als buitengewone omstandigheid onder meer heeft aangevoerd dat haar broer in Bangladesh vermoord werd en dat haar familie thans nog wordt bedreigd; dat zij ter staving van het feit dat haar moeder met de dood wordt bedreigd een krantenartikel bij de aanvraag heeft gevoegd; Overwegende dat in de bestreden beslissing enkel wordt overwogen dat de problemen in haar land van herkomst reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag die werd afgewezen; dat echter het toepassingsgebied van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet verschilt van de bepalingen aangaande de erkenning in de hoedanigheid van vluchteling; dat de minister van Binnenlandse Zaken op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet in de ontvankelijkheidsfase dient na te gaan of de aanvrager in de onmogelijkheid verkeert om de aanvraag in te dienen bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of plaats van oponthoud in het buitenland; dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de verwerende partij het door de verzoekende partij, in het kader van haar aanvraag om machtiging tot verblijf, neergelegde krantenartikel heeft betrokken bij het onderzoek naar de aangevoerde buitengewone omstandigheid; dat het middel niet kennelijk ongegrond is;
- Betreffende de vordering tot schorsing. 3.
- Overwegende dat het auditoraat in het verslag oordeelt dat indien de kamer geen toepassing maakt van meergenoemd artikel 26, de vordering tot schorsing moet worden verworpen wegens gebrek aan ernstige middelen, met toepassing van artikel 7, § 2 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000; Gezien de nota van de verwerende partij; 3.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden XIV-17.297-4/6 besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.3.
- Overwegende dat met betrekking tot de eerste voorwaarde hierboven sub 2.2, laatste considerans werd geoordeeld dat het enige middel niet ongegrond lijkt; dat uit de bespreking ervan integendeel blijkt dat het middel op het eerste gezicht gegrond kan zijn en derhalve ernstig is; 3.3.
- Overwegende dat met betrekking tot de tweede voorwaarde de verzoekende partij onder meer aanvoert dat zij bij terugkeer naar haar land vreest het slachtoffer te worden van een aanslag op haar lichamelijke integriteit; Overwegende dat de verwerende partij het neergelegde krantenartikel niet heeft betrokken bij het onderzoek naar de aangevoerde buitengewone omstandigheid; dat aan de verzoekende partij een bevel om het grondgebied te verlaten is gegeven dat te allen tijden kan worden uitgevoerd; dat het in de huidige stand van het geding dan ook niet is uitgesloten dat de verzoekende partij het slachtoffer zal worden van een aanslag op haar lichamelijke integriteit, zodat het aangevoerde nadeel wordt aanvaard; 3.
- Overwegende dat bijgevolg is voldaan aan de twee cumulatieve voorwaarden van voornoemd artikel 17,§ 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat in de gegeven omstandigheden in het belang van de rechtszekerheid ook de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten dient te worden bevolen, BESLUIT: Artikel 1 Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 augustus 2003 waarbij een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) onontvankelijk wordt verklaard en van het bevel om het grondgebied te verlaten “dat daarvan het gevolg is”. XIV-17.297-5/6 Artikel 2 De behandeling van het beroep tot nietigverklaring zal worden verdergezet overeenkomstig de artikelen 21 tot
- Artikel 3 De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien december tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-17.297-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.896 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div