id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.906 Rolnummer: A. 135932/XIV-14835 Zaak: Arrest 165906 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 13/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-04 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-01 11:35 Fiche Arrest nr 165.906 van 13 december 2006 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.906 van 13 december 2006 in de zaak A. 135.932/XIV-14.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DE RAEDEMAEKER, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Augustijnenstraat 7 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 12 november 1976 en van Armeense nationaliteit, op 24 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 maart 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 17 juli 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 7 mei 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, d.d. 9 mei 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 29 november 2006 om 14.00 uur; XIV-14.835-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DE RAEDEMAEKER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché B. DIERICKX , die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 16 oktober 2000 en verklaart zich vluchteling op 17 oktober
- 1.
- Op 17 juli 2001 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 20 maart 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) A. Vluchtrelaas U, een Armeens staatsburger van Armeense origine, verklaart dat uw vader werkzaam was in de gemeente Artashat, bij de afdeling "Kadaster huisvesting". Rond oktober 1997 vernam uw vader dat zijn functie als chef zou worden overgenomen door V. H. die reeds eerder was veroordeeld voor corruptie en de broer was van de raadsman van eerste minister Vazgen Sarkisian. Uw vader was ervan op de hoogte dat door V. regelmatig fraude werd gepleegd. U verbleef bij een oom in Moskou waar u op 12 december 1998 vernam dat uw vader door een hartprobleem was overleden. In Armenië vernam u dat uw vader op 11 december een conflict had gehad mat V. waarbij uw vader V. had beschuldigd van onrechtmatig handelen. Uw vader diende naar het politiekantoor te gaan en vervolgens werd hij in het ziekenhuis opgenomen. Op 20 december 1998 was u terug in Moskou. Einde augustus 1999 ontstond op de markt een discussie tussen uw broer en V. waarna uw broer naar Karabach vertrok. Hierna kwam de politie bij uw moeder regelmatig naar uw broer vragen. Sedert april 2000 is uw broer vermist. In juli 2000 was u in Armenië. Op 10 juli wachtte u V. op. U vroeg waarom hij u niet wou ontvangen en kreeg als antwoord dat u eerder bang diende te zijn van hem. Op 11 juli 2000 legde u bij de politie een verklaring neer inzake de verdwijning van uw broer. Op 20 juli zei u tegen V. dat hij de moordenaar was van uw vader en broer. Einde augustus werd u door onbekenden in een wagen gedwongen en weggereden. Er werd gedreigd dat u ermee moest stoppen V. te bezoeken, u kreeg een slag op uw hoofd maar slaagde erin te ontsnappen. U had nog gezegd dat u alles zou proberen om V. iets aan te doen. ‘s Avonds kregen jullie een telefonische bedreiging dat u de volgende keer geen geluk meer zou hebben. In september 2000 vluchtte u naar Moskou. Einde september vernam u dat onbekenden bij de paspoortafdeling uw gegevens hadden opgevraagd. U vroeg samen met uw moeder, B. A. asiel aan in België op 17 oktober
- B. Motivering XIV-14.835-2/7 Er dient te worden opgemerkt dat de door u tot staving van uw asielaanvraag ingeroepen feiten niet als een daadwerkelijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kunnen worden bestempeld. U verklaarde bij het Commissariaat-generaal (CGVS) dat Vahan de dood van uw vader wou daar uw vader getuige was van de fraude gepleegd door Vahan (p. 7). Ook verklaarde u (CGVS p. 8) dat u en uw moeder Armenië dienden te verlaten daar u V. had gewaarschuwd dat u hem iets zou aandoen. U heeft niets ondernomen om V. schade te berokkenen (p. 8). Deze door u aangehaalde problemen ressorteren niet onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. Nergens uit uw relaas blijkt dat u werd vervolgd omwille van criteria voorzien in deze Conventie. De door u aangehaalde problemen getuigen niet van een vervolging omwille van u ras, nationaliteit, uw politieke of religieuze overtuiging of het feit dat u zou behoren tot een sociale groep. Aldus kan in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie worden weerhouden. De door u neergelegde documenten, namelijk een werkbadge van uw vader, een overlijdensakte van uw vader, een krantenbericht inzake het overlijden van uw vader, een paspoort, rijbewijs en militair boekje bewijzen niet dat u werd vervolgd omwille van criteria voorzien in de Vluchtelingenconventie en wijzigen aldus deze conclusie niet. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat als volgt luidt: “Het eerste middel, Doordat de bestreden beslissing de problematiek van verzoeker en bijgevolg het motief van de vlucht miskent. Dat de bestreden beslissingen stelt: ‘Er dient te worden opgemerkt dat de door u ingeroepen feiten niet als een daadwerkelijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kunnen worden bestempeld... De door u aangehaalde problemen getuigen niet van een vervolging omwille van ras, nationaliteit politiek of religieuze overtuiging of het feit dat u zou behoren tot een sociale groep. Aldus kan in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie worden weerhouden.’ Terwijl verzoeker meent dat de vervolgingen die hij en zijn familie hebben ondergaan en - bij terugkeer naar Armenië - verder dreigen te ondergaan het gevolg zijn van het behoren van een sociale groep, m.n. de middenklasse (kader binnen de ambtenarij) die niet wil participeren aan de corruptie. Verzoeker benadrukt het grote probleem van de corruptie in Armenië dat aanwezig is zowel in de ambtenarij, de politiek en bij politie. Het behoort precies tot het gegeven van corruptie dat men zich indekt en gesteund weet, zodat het voor diegenen die zich willen verzetten bijzonder moeilijk en gevaarlijk is tegen corruptie te ageren. Verzoeker heeft een aantal feiten aangehaald die erop wijzen dat hij en zijn familie precies omwille van hun verzet tegen wanpraktijken en corruptie gevaar lopen: - De vader van verzoeker werd op 11.12.1998 na een beschuldiging van V. H. bij de politie geroepen. Hij had geen problemen met de gezondheid. Vanuit het politiebureau is hij evenwel naar het ziekenhuis gebracht. Daar overleed hij op 12.12.1998 omwille van een hartprobleem. - De broer van verzoeker, die de dood van zijn vader wilde laten onderzoeken, is verdwenen sedert april
- Verzoeker heeft tegen deze verdwijning een klacht neergelegd, doch hieraan wordt geen gevolg gegeven. - Tegen verzoeker die geprobeerd heeft V. H. te benaderen werd ook een poging tot ontvoering ondernomen, waarbij de daders hem intimideerden ermee te stoppen en V. met rust te laten. Verzoeker meent dat hij om de hierboven vermelde redenen, nl. verzet tegen corruptie in Armenië, behoort tot een sociale groep die effectief vervolging te vrezen heeft, en dat er ten XIV-14.835-3/7 aanzien van verzoeker en zijn naaste familie reeds daden van vervolging zijn gepleegd, en hij bijgevolg wel een beroep kan doen op de Conventie van Genève om asiel te verkrijgen. Zodat de bestreden beslissingen de wet van 1991 op de motiveringsplicht schendt. Dat het middel gegrond is.”; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota repliceert als volgt: “2.1 In het eerste en enig middel roept verzoeker de schending van de Wet van 1991 op de motiveringsplicht in. 2.1.1 Verweerde wenst op te merken dat de algemene motiveringsplicht overeenkomstig de wet van 29 juli 1991 tot doel heeft, ten opzichte van diegene die bij een bestuurshandeling betrokken is, een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de handeling dat hij/zij in staat is te weten of het zin heeft zicht tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing wel degelijk kent en bovendien in het middel aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt. Hierdoor is het doel van de uitdrukkelijke motivatie in casu bereikt. 2.1.2 Verzoekster stelt dat hij behoort tot de sociale groep van de middenklasse in Armenië die niet wil participeren aan de corruptie. Volgens verzoeker zou corruptie een groot probleem zijn in Armenië. Bijgevolg kan hij zich beroepen op de Conventie van Genève om asiel te verkrijgen. 2.1.
- verweerder antwoordt dat onder het begrip ‘sociale groep’ kan worden verstaan ‘een groep gekenmerkt ofwel door aangeboren, onwijzigbare kenmerken, ofwel door vroegere kenmerken, daar het niet in hun macht ligt om hun voorgeschiedenis of vroegere ervaring te wijzigen, ofwel een op vrijwillige basis samengestelde groep op voorwaarde dat hun doelstelling dermate belangrijk is voor hun menselijke waardigheid dat niet gevraagd mag worden dat de betrokkenen er afstand van zouden doen.’ (Vaste Beroepscommissie, 2de kamer, nr. E024, 8 april 1992, onuitgeg. - deze definitie werd door de VBC overgenomen uit de ‘Acosta-zaak’ van het United States Board of Immigration Appeals; VANHEULE D., ‘Vluchtelingenzaken: een overzicht’, Mys & Breesch, p.43-45). Mede op grond van de overwegingen gedaan in deze definitie heeft de Commissaris-generaal geoordeeld dat personen die slachtoffer zijn van corruptie omdat ze behoren tot de middenklasse van de ambtenarij, zoals verzoeker, niet kunnen worden beschouwd als een sociale groep. Daarnaast toont verzoeker in zijn verzoekschrift nergens aan dat er grote corruptie zou heersen in Armenië. Het eerste en enig middel is niet gegrond.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar enig middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de XIV-14.835-4/7 beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; 2.
- Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris- generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot voormelde onontvankelijkheid van de asielaanvraag van de verzoekende partij heeft besloten; Overwegende dat uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat zij vooreerst een gedetailleerde uiteenzetting van de feiten bevat; dat de Commissaris-generaal de verklaringen van de verzoekende partij zorgvuldig heeft onderzocht en getoetst aan de wettelijke criteria, rekening houdende met de situatie in haar land van herkomst; dat het betoog van de verzoekende partij niet kan worden bijgetreden waar ze enerzijds aanvoert dat de vervolgingen die zij en haar familie hebben ondergaan, en bij terugkeer naar Armenië verder dreigen te ondergaan, het gevolg zijn van het behoren tot een sociale groep, met name de middenklasse die niet wil participeren aan de corruptie, en anderzijds dat zij een aantal feiten heeft aangehaald die erop wijzen dat zij en haar familie precies omwille van hun verzet tegen de wanpraktijken en de corruptie gevaar lopen; dat de Commissaris- generaal de asielaanvraag van de verzoekende partij onontvankelijk heeft verklaard omdat ze geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat hij zich hiervoor steunde op de overweging dat de door de verzoekende partij aangehaalde problemen niet onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie ressorteren; dat uit het asielrelaas van de verzoekende partij nergens blijkt dat haar problemen zouden getuigen van een vervolging omwille van haar ras, nationaliteit, politieke of religieuze overtuiging of het feit dat ze zou behoren tot een sociale groep; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de problemen van de verzoekende partij betrekking hebben op de problemen die haar vader had met V. H.; dat de verzoekende partij tijdens haar verhoor op het Commissariaat-generaal verklaarde dat XIV-14.835-5/7 haar vader getuige was van fraude gepleegd door V. H. en dat deze laatste daarom haar vader dood wou, dat ze V. H. heeft gewaarschuwd dat zij hem iets zou aandoen en om deze reden haar land van herkomst diende te verlaten, en dat ze evenwel niets heeft ondernomen om V. H. schade te berokkenen; dat uit betreffende verklaringen de Commissaris-generaal redelijkerwijze heeft kunnen afleiden dat de problemen van de verzoekende partij geen verband houden met de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat waar de verzoekende partij in haar middel aanvoert dat ze zou getuigen van een vrees voor vervolging omwille van het behoren tot een sociale groep, met name de middenklasse die niet wil participeren aan de corruptie, het tot de appreciatiebevoegdheid van de Commissaris-generaal behoort om te bepalen of de verzoekende partij al dan niet behoort tot een sociale groep; dat het in casu de bedoeling van de verzoekende partij lijkt te zijn aan de hand van haar betoog de Raad van State haar asielrelaas te laten heronderzoeken; dat het evenwel niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van dit dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen; dat de Commissaris-generaal een eindbeslissing heeft genomen over de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling; dat uit de bewoordingen van de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het eerste deel van die beslissing op uitgebreide wijze én uiterst gedetailleerd de verklaringen die de verzoekende partij tijdens de diverse verhoren in het kader van de asielprocedure heeft afgelegd, uiteenzet; dat vervolgens de bevindingen worden weergegeven van het onderzoek van deze verklaringen; dat hij in casu alle pertinente gegevens heeft nagegaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen; dat hij in voorliggend geval aan de hand van deze vaststellingen ten slotte heeft besloten tot de onontvankelijkheid van de asielaanvraag van de verzoekende partij omdat ze geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat uit de motieven, die steun vinden in het administratief dossier, blijkt dat de Commissaris- generaal de asielaanvraag van de verzoekende partij op een individuele wijze heeft beoordeeld, en zijn beslissing heeft genomen met inachtneming van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de verzoekende partij er niet in slaagt het tegendeel te bewijzen; dat in casu dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij haar grief geenszins heeft ondersteund met concrete en pertinente gegevens en derhalve niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden en in alle redelijkheid tot de bestreden beslissing is gekomen; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, deugdelijke, afdoende en pertinente motieven; dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is XIV-14.835-6/7 om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien december tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-14.835-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.906 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.