← België

Arrest 165907 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 13/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.907 Rolnummer: A. 131308/XIV-13289 Zaak: Arrest 165907 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 13/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-04 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-01 11:35 Fiche Arrest nr 165.907 van 13 december 2006 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 165.907 van 13 december 2006 in de zaak A. 131.308/XIV-13.

  1. In zake : XXX, en haar minderjarige kinderen, die woonplaats kiest bij Advocaat S. BAERT, kantoor houdende te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Kerkwegel 1 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 24 december 1968 en van Kazakse nationaliteit, op 30 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 november 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 17 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op dezelfde dag; Gelet op de beschikking van 15 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de tijdige toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 13 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 29 november 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; XIV-13.289-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. BAERT, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché B. DIERICKX , die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 24 maart 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
  4. Op 17 april 2001 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 28 november 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U bent Kazachs staatsburger van de Duitse origine. U was gehuwd met een Kazach van Oekraïense origine. Samen met uw echtgenoot en zes kinderen ontvluchtte u Kazachstan omwille van etnische en religieuze problemen. Uw man Y. XXX (O.V. 4.935.136) overleed op 9 mei ll. in België. Reeds in uw jeugd kende u problemen omwille van uw origine en religie. Zo kon u zich niet in de medische school inschrijven omwille van uw origine en religie. Na uw huwelijk en de bekering van uw man tot de Pinksterbeweging werden de problemen echter groter. Zo werd uw echtgenoot in 1998 door Kazachen met een mes aangevallen, nadat hij medegelovigen van uw huis naar de bushalte begeleid had. Hij was verwond aan de armen en bleef hier later steeds last van hebben. Klachten bij de politie werden door dezen geweigerd. U verloor hierdoor het vertrouwen in de politiediensten. Ook uw kinderen kenden grote problemen omwille van hun etnische afkomst en religie. Op school en in de buurt werden ze gepest. Uw echtgenoot sprak hierover met de buren, maar werd uitgescholden. Later werd hij door agenten die bevriend waren met die buren en die aanwezig waren bij de scheldpartij, aangehouden en afgeranseld. XIV-13.289-2/9 Op 15 maart 1999 werd uw man overvallen door Kazachen. Zijn vrachtwagen werd leeggeroofd en uw man werd mishandeld. Hij diende te voet naar huis terug te keren. De daders dreigden uw man en gezin te vermoorden en uw woonhuis te vernietigen en dit om etnische redenen. Begin december 1999 bleek tijdens de nacht uw huis in brand te staan. De brandweer kwam ter plaatse. Zij verklaarden dat de brand het gevolg was van een kortsluiting, hoewel dit volgens u incorrect is daar u tijdens de brand het licht in het huis aanstak. Hierdoor kon u ook bij de politie geen klacht indienen. U besloot samen met uw gezin Kazachstan te ontvluchten. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u tevens dat u en uw man op 26 februari 1999 werd aangevallen door een groep Kazachen. U was destijds acht maanden zwanger en diende geopereerd te worden. De artsen weigerden dit, maar gingen dan toch over tot de operatie na het betalen van 300$ US. Ter staving van uw relaas legde u de volgende documenten voor: geboorteakte man, geboorteakte vrouw, internationaal paspoort man, internationaal paspoort vrouw, huwelijksakte, geboorteakte Inessa, geboorteakte Vladimir, geboorteakte Stanislav, geboorteakte Victoria, vaccinatiekaart Vladislav, vaccinatiekaart Edward, PV over de huisbrand, overlijdensakte man. De door u aangebrachte vervolging op basis van uw etnie (pesterijen, aanvallen, brandstichting) strookt niet met de documentatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd. Uit deze informatie blijkt dat er geen sprake is van enige systematische vervolging van noch de Duitse noch de Oekraïense bevolkingsgroep in de zin van de Vluchtelingenconventie. Uit dezelfde informatie blijkt eveneens dat de hogere Kazachse autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning en dat eventuele bescherming u niet zou geweigerd worden omwille van uw etnische origine. U trachtte niet de hulp van deze autoriteiten te bekomen (CGVS, p. 7). Bijgevolg kan worden geconcludeerd dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat u mogelijkerwijze op grond van uw etnische origine actueel in Kazachstan wordt vervolgd in de zin van de Conventie van Genève van
  6. Daarnaast verklaarde u dat uw problemen eveneens verbonden zijn met uw geloof (Pinksterbeweging). Ook hier blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd toegevoegd, dat de Pinksterbeweging geen noemenswaardige problemen kent. Tot slot haalde u aan dat u gehoord heeft dat mensen die naar België kwamen en weer terugkeren naar Kazachstan van verraad beschuldigd worden en gestraft worden. Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt echter dat IOM Almaty nog nooit benaderd is geweest door mensen die zijn teruggekeerd en hulp nodig hebben. Nochtans hebben zij in samenwerking met een mensenrechtenorganisatie een project lopen dat voorziet in juridische bijstand voor migranten. Aldus kan er in hoofde van u niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie. De door u voorgelegde documenten, bevestigen uw identiteit en relaas, maar doen geen afbreuk aan de bovenstaande vaststelling. (...)”. XIV-13.289-3/9
  7. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Eerste middel - Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur (waaronder de zorgvuldigheidsplicht en het evenredigheidsbeginsel). Schending van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli
  9. De verzoekende partij meent dat het Commissariaat-generaal door het nemen van de bestreden beslissingen onzorgvuldig heeft gehandeld aangezien het geen rekening heeft gehouden met de aangebrachte feiten en de aangebrachte stukken (zie verhoorverslag Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen). Volgens de rechtspraak van Uw Raad dient ook de Commissaris-generaal zich zorgvuldig te gedragen bij het nemen van zijn beslissingen. Dit houdt in dat het Commissariaat-generaal op gepaste wijze de feiten verzamelt die aan de basis liggen van de te nemen beslissingen. De verwerende partij is in deze schromelijk tekort geschoten aangezien zij geenszins de feiten en heeft in aanmerking genomen, laat staan ernstig heeft onderzocht, die aan de basis liggen van de door de verzoekende partij ingediende asielaanvraag. Dat verzoekster als element heeft aangebracht dat zij vluchtte doordat haar fysieke en morele integriteit en deze van haar gezinsleden ernstig in gevaar werd gebracht. De feiten die door verzoekster worden aangehaald komen erop neer dat door nationalistische Kazakken een etnische zuivering wordt georganiseerd en de autoriteiten hiertegen niet optreden. Het feit of verzoekende partij nu al dan niet steun zocht bij de autoriteiten doet van het bestaan van de vervolgingen niets af. Dat bovendien uit het relaas van verzoekster afdoende blijkt dat de autoriteiten nalaten om tegen de etnische zuivering op te treden. De verzoekende partij bevindt zich in wezen in een situatie waarin haar het recht werd ontnomen bescherming te zoeken bij de Belgische autoriteiten, terwijl de Belgische Staat door het ondertekenen van de Conventie van Genève precies dit engagement is aangegaan. De verzoekende partij bevindt zich nochtans in een uiterst precaire situatie. Dat vooreerst uit de bestreden beslissing blijkt dat het niet wordt betwist dat de leden van de Pinksterbeweging, waarvan verzoekster verklaarde lid te zijn, soms wel moeilijkheden ondervinden. De bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen getuigt echter van een achteloosheid aangezien het dossier van verzoeker klaarblijkelijk snel en summier werd behandeld. De bewoordingen van de bestreden beslissing laat hierover geen twijfel bestaan : de zaak wordt afgehandeld als zou verzoeker een ongeloofwaardige verklaring hebben afgelegd. Dat in concreto uit de medegedeelde stukken blijkt dat het relaas van verzoekster wél onderbouwd is en er door de administratie ten onrechte wordt voorgehouden dat er geen begin van bewijs zou zijn. Terwijl zij zelf stelt dat de overgelegde stukken de identiteit en het relaas van verzoekster bevestigen. Uit de verklaringen van verzoekster blijkt, dat zij van een niet Kazachse afkomst is en een ander geloof aanhangt dan dat van de meerderheid van de bewoners van de republiek. Dat in redelijkheid de verklaring van verzoekster en de perfect gelijklopende verklaring van haar echtgenoot afgelegd op 17 april 2001 niet zondermeer kan worden verworpen. Dat op grond van de verklaringen van verzoekster voldoende aanwijzingen bestaan om te besluiten dat er wel degelijk een reële vrees bestaat voor het leven van de verzoekende partij in het land van herkomst. Dat er aldus niet in redelijkheid kan worden besloten dat verzoeker niet zou zijn vervolgd. Dat aldus niet in redelijkheid is onderzocht in welke mate de ingeroepen gronden een weerslag vormen op de fundamentele mensenrechten. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen heeft derhalve, een onevenredige en kennelijke onredelijke beslissing genomen. Het eerste middel is, in al zijn onderdelen, gegrond.”; 2.1.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie het volgende stelt: “Gezien de verwerende partij heeft nagelaten om tijdig een memorie van antwoord in te dienen. XIV-13.289-4/9 Dat verzoekster in haar beide hoedanigheden volhardt in de termen van haar verzoekschrift.”; 2.1.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij in haar eerste middel de schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, en van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); 2.1.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij, wat de schending van het evenredigheidsbeginsel en van de Vluchtelingenconventie betreft, zich beperkt tot het louter opsommen van dit door haar geschonden geachte beginsel en van de Vluchtelingenconventie; dat een uiteenzetting ontbreekt van de wijze waarop deze elementen volgens de verzoekende partij door de bestreden beslissing werden geschonden; 2.1.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij de Commissaris-generaal een gebrek aan zorgvuldigheid ten grieve duidt; dat het zorgvuldigheidsbeginsel aan de Commissaris-generaal de verplichting oplegt zijn beslissingen zorgvuldig voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij werd gehoord op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal; dat de verzoekende partij de mogelijkheid heeft gehad om, ter gelegenheid van deze verhoren, alle inlichtingen te verschaffen die zij noodzakelijk achtte; dat ze, door de ondertekening van het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, te kennen gaf dit overeenstemt met de gegevens die zij heeft verstrekt, en dat deze gegevens oprecht zijn; dat de verzoekende partij geen opmerkingen heeft gemaakt naar aanleiding van het verhoor bij het Commissariaat-Generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat de Commissaris-generaal de bestreden beslissing pas heeft genomen na kennis te hebben genomen van het asielrelaas van de verzoekende partij en na dit verhaal nauwkeurig te hebben geanalyseerd; dat de verzoekende partij daarenboven nalaat concreet aan te tonen welke elementen van haar relaas niet met de vereiste zorgvuldigheid werden onderzocht; dat bijgevolg niet kan worden aangenomen dat de Commissaris-generaal het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden; Overwegende dat de verzoekende partij zich in essentie beperkt tot het herhalen van haar asielmotieven, en tot het aanvoeren van hypothesen en vage beweringen; dat het in casu de bedoeling van de verzoekende partij lijkt te zijn aan de hand van haar betoog de Raad van State haar asielrelaas te laten heronderzoeken; dat het evenwel niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van dit dringend beroep is XIV-13.289-5/9 uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen; dat in casu dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij haar grief geenszins heeft ondersteund met concrete en pertinente gegevens en derhalve niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Commissaris- generaal niet op goede gronden en in alle redelijkheid tot de bestreden beslissing is gekomen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Tweede middel - Schending van de artikelen 1A

(2)en 33 (non-refoulementbeginsel) van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951. De verzoekende partij meent dat de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen met de bestreden beslissingen de artikelen 1A
(2)en 33 (non-refoulementbeginsel) van het Internationaal Verdrag betreffende de status van de Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 schendt aangezien deze geen grondig onderzoek heeft ingesteld naar de vrees van de verzoekende partij voor vervolging bij een terugkeer naar het land van herkomst en heeft besloten, zonder enig grondig onderzoek, dat in geval van verwijdering van de verzoekende partij er geen risico voor vervolging, in de zin van de Vluchtelingenconventie, is waar te nemen. Dat uit een stuk waarover verzoekster thans de beschikking heeft, en zij met vertaling toevoegt aan dit verzoekschrift, afdoende blijkt dat, zoals zij reeds ter gelegenheid van haar verhoor had uiteengezet, personen die worden teruggeleid blootstaan aan vervolging (stuk 7). Uit de bewoordingen van de bestreden beslissingen blijkt dat de verwerende partij heeft nagelaten verzoekers vrees voor vervolging te toetsen aan de Vluchtelingenconventie. Terwijl uit de bewoordingen van de beslissing impliciet maar duidelijk valt op te maken dat het vaststaat, minstens dat het aannemelijk is, dat verzoekster wordt vervolgd. Dat bovendien verzoekster het land heeft moeten ontvluchten en er uit haar relaas blijkt dat zij en haar gezin ten huize niet meer veilig waren. Ten overvloede kan worden verwezen naar de ‘Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, UNHCR, janvier 1992', waarin in par. 43 gesteld wordt : ‘il n'est pas nécessaire que les arguments invoqués se fondent sur l'expérience personnelle du demandeur. Ainsi il sort subi par des partens ou des amis ou par d'autres membres du même groupe racial ou social peut attester que la crainte du demandeur d'être lui- même tôt ou tard victime de persécutions est fondée’ Zelfs onafgezien van het persoonlijk karakter van de vrees voor vervolging van de verzoekende partij, diende de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de aangehaalde feitelijkheden te betrekken bij het nemen van de bestreden beslissingen. Integendeel : hij beperkt zich tot de simpele negatie van de aangehaalde feitelijkheden. Door aldus te handelen schendt het Commissariaat-generaal overduidelijk de aangehaalde Vluchtelingenconventie en neemt hij een kennelijk onredelijke beslissing. Het tweede middel is gegrond.”; 2.2.2. Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie het volgende stelt: “Gezien de verwerende partij heeft nagelaten om tijdig een memorie van antwoord in te dienen. Dat verzoekster in haar beide hoedanigheden volhardt in de termen van haar verzoekschrift.”; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 1, A
(2)en 33 van het Internationaal Verdrag XIV-13.289-6/9 betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); 2.2.4. Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van de procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van Vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat bijgevolg in voorliggend geval voornoemde schending van artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie niet dienstig kan worden aangevoerd, aangezien de verzoekende partij niet tegelijkertijd de schending inroept van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat, wat de schending van artikel 33 van de Vluchtelingenconventie betreft, deze verdragsbepaling een verbod tot uitzetting of terugleiding inhoudt dat enkel betrekking heeft op beslissingen op grond waarvan de vreemdeling, die zich vluchteling heeft verklaard of als dusdanig erkend is, verplicht zou worden naar zijn land van herkomst terug te keren; dat in casu erkende vluchtelingen en eveneens kandidaat-vluchtelingen zich tevens dienen te beroepen op artikel 56 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij dit artikel niet heeft ingeroepen, zodat de schending van voormeld artikel 33 niet dienstig kan worden aangevoerd; dat het tweede middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 2.3.1 Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Derde middel: miskenning van de redelijke termijn Aangezien er dient te worden vastgesteld dat het Bestuur voor het nemen van haar beslissing een kennelijk onredelijke termijn heeft gehanteerd. Het Dringend Beroep van verzoekster van 19 april 2001 - gevolgd door een verhoor op 28 oktober 2002-, werd uiteindelijk meer dan een jaar later afgedaan met een beslissing op 28 november 2002 met het bevel om het grondgebied te verlaten binnen de vijf dagen. Aangezien het Bestuur aldus de redelijke termijn voor het nemen van haar beslissing heeft laten voorbijgaan is het derde middel gegrond.”; 2.3.
  1. Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie het volgende stelt: “Gezien de verwerende partij heeft nagelaten om tijdig een memorie van antwoord in te dienen. Dat verzoekster in haar beide hoedanigheden volhardt in de termen van haar verzoekschrift.”; 2.3.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij in het derde middel de miskenning van de redelijke termijn aanvoert; XIV-13.289-7/9 2.3.
  3. Overwegende dat de termijn bepaald in artikel 63/3, §1, van de Vreemdelingenwet een termijn van orde is en geen vervaltermijn; dat het niet naleven van deze termijn op zich de bestreden beslissing niet onwettig maakt; Overwegende dat, wat de schending van de redelijke termijn betreft, de verzoekende partij niet aantoont welk belang zij heeft bij het aanvoeren dat de bestreden beslissing eerder had moeten worden genomen; dat zij alvast niet kan beweren benadeeld te zijn door de lange duur van de asielprocedure, daar zij gelet op het bepaalde in artikel 63/5 van de Vreemdelingenwet door dit feit geruime tijd langer bescherming genoot tegen de beweerde vervolging en, in afwachting van de behandeling van het dringend beroep, in de mogelijkheid werd gesteld om aanvullende stukken ter staving van haar asielaanvraag te verzamelen; dat zij, voor zover zij beweert nadeel te lijden bij een eventuele terugkeer naar haar land van herkomst, niet aantoont welk belang zij er bij zou hebben indien de bestreden beslissing eerder was genomen; dat zij voor het overige rekening diende te houden met het precaire karakter van haar statuut; dat het derde middel niet gegrond is;
  4. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-13.289-8/9 BESLUIT: Artikel
  5. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien december tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-13.289-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.907 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.