id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.918 Rolnummer: A. 141212/XIV-16632 Zaak: Arrest 165918 - Dienst Vreemdelingenzaken - 13/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-04 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-07-01 11:36 Fiche Arrest nr 165.918 van 13 december 2006 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.918 van 13 december 2006 in de zaak A. 141.212/XIV-16.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat R.-M. SUKENNIK, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Florencestraat 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 23 oktober 1950, en XXX, geboren op 11 september 1955, beiden van Russische nationaliteit, op 22 augustus 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 7 juli 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 28 juli 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 10 september 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, d.d. 9 mei 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-16.632-1/12 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 29 november 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. DE HAES, die loco Advocaat R.-M. SUKKENIK verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. LUCAS, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen komen België binnen op 20 juli 2000 en verklaren zich vluchteling op 24 juli
- 1.
- Op 2 mei 2001 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 13 oktober 2001 dienden de verzoekende partijen een aanvraag in om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 16 januari 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen voormelde beslissingen van 2 mei
- Het beroep dat de verzoekende partijen indienden tegen deze beslissingen, werd bij arrest van de Raad van State nr.150.606 van 24 oktober 2005 verworpen. 1.
- Op 7 juli 2003 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard. Dit is de bestreden beslissing: XIV-16.632-2/12 “(...) Onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die bij U werd ingediend door XXX en echtgenote XXX + 1 meerderjarig kind (B., D. /23/10/1982) geboren te Kizijar op 23/10/1950 en te Petropavlovsk op 11/09/1955 nationaliteit : Rusland (Federatie van ) ex-kandidaat vluchtelingen adres: te 1030 Schaarbeek in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf. de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mee dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden(en) : De redenen die werden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure, namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland, kunnen niet als uitzonderlijke omstandigheden aanvaard worden en verantwoorden niet dat de aanvraag in België wordt ingediend. De problemen in hun land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen door het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen op 16/01/2002 en ter kennis gebracht op 18/01/
- Hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Tevens dient te worden opgemerkt dat er voor de aansluiting van mevrouw XXX de Mormonengemeenschap in Brussel geen enkele bewijsstuk werd voorgelegd om dit te staven en dat deze aansluiting op zich geen uitzonderlijke omstandigheid vormt, Betrokkenen wisten ook dat hun verblijf van tijdelijke aard was en enkel werd toegestaan in het kader van hun asielaanvraag. Zij wisten dat zij bij een eventuele negatieve beslissing het land dienden te verlaten. De medische problemen van mijnheer XXX kunnen niet weerhouden worden. Deze problemen waren reeds aanwezig bij zijn vertrek uit Rusland. Mijnheer XXX onderging reeds de noodzakelijke heelkundige ingreep in België. Daarenboven blijkt uit het verslag van onze controle geneesheer dat voornoemde medische problemen betrokkene niet verhinderen om te reizen, dat er geen bijzondere medische zorgen meer nodig zijn en dat de eventuele medische zorgen meer nodig zijn en dat de eventuele medische follow-up en nazorg voorhanden zijn in Rusland. Het belet hem dus niet langer om terug te keren naar Rusland. Betrokkene diende contact op te nemen met de Internationale Organisatie voor Migratie (I.O.M.) en/of de Russische vertegenwoordiging in België, ten einde hun terug keer voor te bereiden. Bijgevolg dienen betrokkenen dringend in het Belgisch grondgebied te verlaten. (...).”. 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen een enig middel aanvoeren dat als volgt luidt: “UITEENZETTING VAN DE MIDDELEN. Eerste en enige middel: Manifest gebrekkige en onredelijke motivering en schending van de algemene rechtsbeginselen van behoorlijk bestuur: Schending van de artikelen 9, alinea 3 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen en het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur.
- Betreffende de vrees voor vervolging van de eisers. Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat de aanvraag om machtiging tot verblijf van de eisers onontvankelijk zou zijn omdat de omstandigheden die zijn ingeroepen door de eisers als uitzonderlijke omstandigheden geen uitzonderlijke omstandigheden zouden uitmaken; Dat de eisers eerste en vooral hadden ingeroepen dat hun asielaanvraag nog aanhangig was en dat zij vrezen nog vervolgingen te zullen ondergaan in geval van terugkeer naar Rusland omwille van hun joodse origine. Dat het correct is dat intussen hun asielaanvragen zijn afgewezen door bevestigende beslissingen van weigering van verblijf van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, maar het is zo dat er verzoekschriften zijn ingediend tegen deze beslissingen bij de Raad van state waarbij de eisers deze beslissingen betwisten; Dat er om die reden nog altijd rekening moet gehouden worden met de motieven die de eisers hebben ingeroepen in het kader van hun asielaanvraag waarop zij zich baseren om te stellen dat zij vrezen vervolgingen te ondergaan, nu deze elementen nog steeds moeten worden XIV-16.632-3/12 onderzocht als buitengewonde omstandigheden zolang de Raad van State geen uitspraak heeft gedaan over de betekende bevestigende beslissingen van weigering van verblijf; Dat de bestreden beslissing ook stelt dat er, wat het lidmaatschap van Mevrouw XXX betreft van de Mormonenkerkgemeenschap, er geen enkel bewijs wordt voorgelegd end at dit niet als een uitzonderlijke omstandigheden kan worden aangenomen; Dat de eiseres inderdaad niet op rechtstreekse wijze een bewijsmiddel heeft aangevoerd dat zwart op wit aantoont dat zij lid is van de Mormonengemeenschap, maar dat dit lidmaatschap niet in twijfel kan worden getrokken enkel en alleen omdat de eiseres geen bewijsstuk heeft aangebracht; Dat de verwerende partij ook de mogelijkheid had om informatie in te winnen bij de Mormonengemeenschap in Brussel om de verklaringen van de eiseres na te gaan indien die in twijfel worden getrokken; Dat de bestreden beslissing niet motiveert waarom het lidmaatschap geen uitzonderlijke omstandigheid kan uitmaken en zicht ermee tevreden stelt te stellen dat dit geen uitzonderlijke omstandigheid uitmaakt zonder meer; Dat er geen beoordeling blijkt uit de bestreden beslissing van het lidmaatschap van de eiseres van de Mormonengemeenschap ten aanzien van de motieven ingeroepen door de eisers op dit punt in de aanvraag tot machtiging tot verblijf, nu zij daar hebben aangehaald dat de leden van deze Kerk worden vervolgd in Rusland en dat zij daarom vrezen vervolgingen te zullen ondergaan indien zij zouden moeten terugkeren naar hun land van oorsprong; Dat het niet voldoende is voor de tegenpartij om zich te tevreden te stellen met dat een bepaald element geen uitzonderlijke omstandigheid uitmaakt, maar er moet ook worden gemotiveerd waarom dit niet zo is, in toepassing van de formele motiveringsvereiste; Dat dit een kennelijk gebrek aan motivering uitmaakt in strijd met de artikelen 9, alinea 3 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen en het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur;
- Betreffende de medische toestand van Meneer XXX. Overwegende dat de bestreden beslissing stelt: ‘De medische problemen van mijnheer XXX kunnen niet weerhouden worden. Deze problemen, waren reeds aanwezig bij zijn vertrek uit Rusland. Meneer XXX onderging reeds de noodzakelijke heelkundige ingreep in België. Ondertussen blijkt uit het verslag van onze controle-geneesheer dat voornoemde medische problemen betrokkene niet verhinderen om te reizen, dat er geen bijzondere medische zorgen meer nodig zijn en dat de eventuele medische follow-up en nazorg voorhanden zijn in Rusland. Het belet hem dus niet langer om terug te keren naar Rusland.’; Dat er eerst en vooral moet worden opgemerkt dat het verslag van de controlegeneesheer waarnaar wordt verwezen niet in bijlage is meegedeeld aan de eisers en dat zij enkel de beslissing tot onontvankelijkverklaring hebben ontvangen en getekend voor ontvangst; Dat de Raad van State al herhaaldelijk gewezen heeft op de noodzaak van een volledig dossier om een beslissing te rechtvaardigen (C.E., 77273, 30 november 1998); Dat de Raad van State in een zaak heeft uitspraak gedaan van een Oekrains staatsburger die medische redenen aanhaalde als uitzonderlijke omstandigheden en die de beslissing van onontvankelijkheid betwistte, in zoverre die gebaseerd was op een medisch advies van een dokter en op inlichtingen bekomen van de Belgische Ambassade te Kiev (C.E., 75389, 22 juli 1998); Dat de Raad van State in dat arrest vaststelde dat de eiseres liet gelden dat het medisch advies haar niet was meegedeeld, dat het niet aan de bestreden beslissing was gehecht, haar niet was meegedeeld en dat de bestreden beslissing er niet de inhoud van meedeelde, zodat er moest vastgesteld worden dat de bestreden beslissing de formele motiveringsplicht schond omdat dezer verplichting inhoudt dat de betrokkene alle beroepsmogelijkheden moet kunnen benutten die tot haar beschikking staan en dit door kennis te hebben van de hele zaak; Dat de Raad van State in dit geval oordeelde dat de bestreden beslissing de formele motiveringsplicht schond doordat noch het medisch, noch het verslag van de Belgische Ambassade van Kiev niet werden meegedeeld aan de betrokkene en omdat de bestreden beslissing niet meedeelde wat de teneur van dit medisch advies en het verslag zou zijn; Dat in onderhavig geval de tegenpartij noch het medisch advies van Dokter DE BLOCK, noch de andere eventuele inlichtingen die als basis van de bestreden beslissing hebben gediend, hebben meegedeeld aan de eisers in bijlage van de bestreden beslissing; Dat de bestreden beslissing stelt dat uit het verslag van de controle geneesheer zou blijken dat de medische problemen van Meneer XXX hem niet zouden verhinderen om te reizen, dat er geen bijzondere medische zorgen nodig zijn en dat de eventuele medische follow-up en nazorg zouden beschikbaar zijn in Rusland; Dat de bestreden beslissing de eisers niet toelaat vast te stellen op basis van welke elementen de controlegeneesheer zich steunt om tot het besluit te komen dat Meneer XXX zou kunnen reizen en waarom hij geen bijzondere medische zorgen meer zou nodig hebben; XIV-16.632-4/12 Dat de tumor van Meneer XXX is teruggekomen en dat er dus niet kan gesteld worden dat hij enkel nog een “eventuele” medische “follow-up” zou nodig hebben; Dat de stukken die erop wijzen dat de tumor van Meneer XXX is teruggekomen zijn meegedeeld aan de tegenpartij en dat daarom rekening moet mee gehouden worden in het advies van de controlegeneesheer; Dat de bestreden beslissing de eisers niet toelaat om na te gaan of er rekening is gehouden in het medisch advies van de controlegeneesheer met het geit dat de tumor is teruggekeerd, nu er niet eens valt af te leiden uit de bestreden van wanneer dit medisch advies dateert, nu het feit dat het medisch advies zou dateren van vóór de mededeling van de stukken die wijzen op het terugkeren van de tumor een bewijs zouden zijn van het feit dat er geen rekening is gehouden met dit element; Dat de eisers dus niet de mogelijkheid hebben om op basis van de bestreden beslissing in volle kennis van alle elementen die tot de bestreden beslissing hebben geleid, de tot hun beschikking staande beroepsmogelijkheden te benutten; Dat de eisers dus niet kunnen kennis nemen van de elementen die ertoe hebben geleid de controlegeneesheer van de Dienst Vreemdelingenzaken conclusie te laten nemen dat de eiser in staat zou kunnen zijn om te reizen en dat de nodige medische follow-up en behandeling in Rusland zou kunnen gebeuren; Dat er uit de bestreden beslissing en de bijlagen betekend aan de eisers moet blijken dat de tegenpartij op ernstige wijze heeft onderzocht of de eiser kan reizen en indien de nodige medische zorgen voorhanden zijn in Rusland; Dat dit een ernstig gebrek aan motivering uitmaakt evenals een schending van het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur, nu er moet blijken uit de motivering van de bestreden beslissing en de bijlagen dat de tegenpartij een beslissing heeft genomen met kennis van alle elementen van de zaak en na verzameling van de noodzakelijke inlichtingen; Dat de bestreden beslissing niet motiveert waarom men tot de conclusie is gekomen dat de nodige medische zorgen voorhanden zouden zijn in Rusland en toegankelijk voor de eisers, nu deze hebben ingeroepen in het kader van hun aanvraag tot machtiging tot verblijf dat zij niet de nodige financiële middelen hebben voor een dergelijke behandeling; Dat de tegenpartij niet alleen moet aantonen dat de noodzakelijke medische hulp aanwezig is in Rusland maar ook dat deze toegankelijk is voor de eisers, gelet op het feit dat zij hebben ingeroepen dat zij onvoldoende financiële middelen hebben; Dat dit een kennelijk gebrek aan motivering uitmaakt, in strijd met de artikelen 9, alinea 3 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen en het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur; Dat de raadsman van de eisers verschillende brieven heeft laten geworden aan de tegenpartij om documenten over te maken die informatie verschaffen over de gezondheidstoestand van de eiser; Dat een medisch attest van Dokter DILS van 18 april 2002 bevestigt dat de eiser een chirurgische ingreep onderging in oktober 2001 omwille van de hersentumor (stuk 2), maar dat het echter zo is dat de eiser door die operatie niet volledig genezen is en dat de tumor volledig zou weg zijn; Dat de raadsman van de eiser met een brief van 9 mei 2002 een bijkomend medisch stuk heeft overgemaakt en een attest van 29 augustus 2002 van het Erasmusziekenhuis toont aan dat de hersentumor van de eiser terug was opgedoken en dat de eiser nog een chirurgische ingreep nodig had (stukken 3 en 4); Dat de eisers niet weten wanneer het verslag van de controle geneesheer is opgesteld, maar er is duidelijk geen rekening gehouden met het opnieuw teruggroeien van de hersentumor van Meneer XXX enkel een medische follow-up zou nodig hebben, nu de tumor is teruggegroeid en dat er geen bijzondere medische behandeling meer nodig zou zijn; Dat dokter Dils in zijn attest van 18 april 2002 stelt dat Meneer XXX blijvende sequellen zal blijven vertonen en een blijvende invaliditeit, waardoor hij een intensieve revalidatie nodig heeft (stuk 4); Dat de bestreden beslissing dus niet motiveert en het ook niet blijkt uit bijlagen ter kennis gebracht aan de eisers, waarom men van mening is dat de eiser geen speciale behandeling meer zou nodig hebben, wat een schending uitmaakt van de artikelen 9, alinea 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen en het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur; Dat het daarenboven ook zo is dat naast de hersentumor de eiser aan hepatitis C lijdt waarvoor geen behandeling beschikbaar is in Rusland en waar de bestreden beslissing geen rekening mee houdt; Dat er geen stukken aan de eisers zijn meegedeeld waaruit blijkt dat de tegenpartij het nodige heeft gedaan om navraag te doen naar de beschikbaarheid van de nodige medische zorgen en medicijnen in Rusland voor de eiser en dat dit ook niet blijkt uit het administratief dossier; XIV-16.632-5/12 Dat de tegenpartij verplicht is, in toepassing van het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 om rekening te houden met alle elementen die zijn ingeroepen door de aanvraag om machtiging tot verblijf en te laten blijken in de genomen beslissing dat alle elementen zijn onderzocht; Dat de bestreden beslissing niet laat blijken dat in aanmerking is genomen dat de eiser lijdt aan hepatitis C en dat een geschikte behandeling niet toegankelijk is in Rusland, wat een kennelijk gebrek aan motivering uitmaakt, in strijd met de artikelen 9, alinea 3 en 62 van de wet van 15 december 1980, de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 15 december 1980 en het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur;” 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Enig middel: ‘Manifest gebrekkige en onredelijke motivering en schending van de algemene rechtsbegin- selen van behoorlijk bestuur: schending van de artikelen 9, al.3 en 62 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur.’ Het middel is opgedeeld in twee onderdelen, het eerste betreffende de vrees voor vervolging van de eisers en het tweede betreffende de medische toestand van de heer XXX. De verwerende partij heeft de eer op het eerste onderdeel te antwoorden dat het lidmaat- schap van de Mormonengemeenschap inderdaad werd aangehaald door verzoekster zonder het bewijs ervan voor te leggen. De redenering van verzoekers als zou de dienst vreemdelingenza- ken het bewijs van lidmaatschap kunnen opvragen onredelijk is omdat het niet toekomt aan de dienst vreemdelingenzaken bewijzen te verzamelen omtrent de aangevoerde motieven en omwille van het feit dat zulke gemeenschap niet bepaald geneigd zal zijn haar leden kenbaar te maken. Evenmin wordt aannemelijk gemaakt waarom dat lidmaatschap in België terugkeer naar Rusland zou verhinderen. Die vaststelling volstaat om het aangevoerde argument te beantwoorden in de zin van de bestreden beslissing. Met betrekking tot de gezondheidstoestand van verzoeker is het bestuur gehouden aan een discretieplicht die verhindert dat medische verslagen worden verspreid. Indien verzoeker kennis wenst te nemen van het verslag, kan hij daartoe een aanvraag richten tot de dienst vreemdeling- enzaken en het verslag consulteren binnen de bij wet gestelde termijn om een ontvankelijke vordering in te dienen bij de Raad van State. Uit het verslag van de controlearts blijkt dat hij verzoeker onderzocht op 28 november 2002 en dat de documenten, die werden overgemaakt door de dienst vreemdelingenzaken en door verzoeker zelf geen melding maakten van nieuwe ingreep of ontwikkelingen in de zin zoals aangehaald in het verzoekschrift. De door de dienst vreemdelingenzaken overgemaakte medische verslagen, ten getale van drie, zijn opgesomd in het verslag alsmede het verslag van 15 november 2001 na ontslag na chirurgische ingreep. ( stukken 124 - 125) Ook het verzoekschrift houdende de vordering tot schorsing bevat geen bijlagen die op andersluidende gegevens zouden wijzen. Het komt evenmin de Belgische overheid toe de medische bijstand van verzoeker te organiseren in het land van herkomst. Het volstaat vast te stellen dat de medische infrastructuur aanwezig is om de nodige zorgen te verstrekken. Het middel is niet ernstig.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een enig middel de schending aanvoeren van de motiveringsplicht; van de algemene rechtsbeginselen en de beginselen van behoorlijk bestuur; van de artikelen 9, alinea 3, en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur; dat de verzoekende partijen aanvoeren dat zij wel nog konden verwijzen naar de elementen die zij hebben aangebracht tijdens hun XIV-16.632-6/12 asielaanvraag, omdat de procedure voor de Raad van State nog hangende was; dat de verzoekende partijen vervolgen dat niet wordt gemotiveerd waarom het lidmaatschap van de Mormonenkerkgemeenschap van de tweede verzoekende partij geen buitengewone omstandigheid is, terwijl zij hebben aangehaald dat de leden van deze Kerk worden vervolgd in Rusland; dat de verzoekende partijen betreffende de medische toestand van de eerste verzoekende partij aanvoeren dat het medisch rapport van de controlegeneesheer hen niet werd meegedeeld; dat in dit advies van de controlegeneesheer blijkbaar geen rekening werd gehouden met de stukken die de verzoekende partijen hebben ingediend, maar dat zij dit niet kunnen nagaan; dat de verzoekende partijen aanvoeren dat zij bijgevolg niet kunnen nagaan of de verwerende partij heeft geoordeeld met kennis van alle elementen van het dossier; dat zij aanvoeren dat de verwerende partij evenmin antwoordt op hun motief dat zij onvoldoende financiële middelen hebben voor de benodigde behandeling in Rusland; dat in de bestreden beslissing niet wordt vermeld waarom de verwerende partij van mening is dat de eerste verzoekende partij geen speciale behandeling meer zou nodig hebben, zeker nu de tumor is teruggekeerd; dat de verzoekende partijen besluiten dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met het feit dat de eerste verzoekende partij ook nog aan Hepatitis C lijdt, waarvoor geen behandeling beschikbaar is in Rusland; 2.
- Overwegende dat artikel 9 van de Vreemdelingenwet als volgt luidt: “Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister van Binnenlandse Zaken of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.”; Overwegende dat als algemene regel geldt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; Overwegende dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die kunnen worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te XIV-16.632-7/12 bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt : 1/ wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft: of er buiten- gewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn. Zo dergelijke buitengewone omstandigheden niet blijken voorhanden te zijn, kan de aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking worden genomen; 2/ wat de gegrondheid van de aanvraag betreft : of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. Desbetreffend beschikt de Minister over een ruime appreciatiebevoegdheid; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond is om de verzoekende partijen een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij dient na te gaan of de aanvraag wel regelmatig werd ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn aanvraag bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waaruit het ingeroepen beletsel precies bestaat; Overwegende dat in casu de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk werd verklaard, hetgeen betekent dat de buitengewone omstandigheden die de verzoekende partijen hebben ingeroepen om te verantwoorden waarom zij geen aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in hun land van oorsprong hebben ingediend, niet werden aanvaard of bewezen; dat bijgevolg wordt onderzocht waarom de verwerende partij de aangevoerde buitengewone omstandigheden niet heeft aanvaard; dat de verzoekende partijen in hun aanvraag van 13 oktober 2001 de volgende omstandigheden aanvoeren: - de asielaanvraag van de verzoekende partijen is nog steeds hangende voor het Commissariaat-generaal; zij vrezen vervolging omwille van hun Joodse origine en ondertussen is mevrouw in België lid geworden van de gemeenschap van de Mormonen in Brussel, deze minderheidsgodsdienst wordt eveneens vervolgd in Rusland; - mijnheer lijdt aan hepatitis B en heeft een levensbedreigende hersentumor die enkel kan worden behandeld door een chirurgische ingreep in een hooggespecialiseerd centrum, gespecialiseerd in neuro-chirurgie; zijn gezondheidstoestand laat het niet toe te reizen, en in Rusland kan een gepaste geneeskundige verzorging niet worden gegarandeerd voor de hepatitis B-aandoening en voor de hersentumor; - de verzoekende partijen hebben niet de financiële middelen om dergelijke medische behandelingen volledig zelf te bekostigen; Overwegende dat de bestreden beslissing de motieven vermeldt zoals weergegeven onder punt 1.
- van dit arrest; XIV-16.632-8/12 Overwegende dat de in artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen neergelegde uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat de artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 de overheid ertoe verplichten in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een “afdoende” wijze; dat het begrip “afdoende” impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing; Overwegende dat de asielaanvraag van de verzoekende partijen op het moment van de bestreden beslissing reeds was afgesloten met bevestigende beslissingen tot weigering van verblijf, en dat ondertussen ook de procedure bij de Raad van State op 24 oktober 2005 werd beëindigd met een arrest waarin het beroep werd verworpen; dat in de bestreden beslissing bijgevolg kon worden verwezen naar het feit dat de problemen in hun land, waaronder de Joodse origine van de verzoekende partijen, reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een onderzoek in het kader van hun asielaanvraag, die werd afgewezen; dat een beroep bij de Raad van State geen schorsende werking heeft, zodat naar de beslissingen van de Commissaris-generaal kon worden verwezen zonder dat de procedure voor de Raad van State beëindigd was; dat zoals hierboven gesteld deze procedure inmiddels eveneens werd afgerond; dat het argument dat door het beroep tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal, een nieuw onderzoek was vereist naar de feiten op grond waarvan de verzoekende partijen vrees hadden voor vervolging, niet meer opgaat; Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de verzoekende partijen zich beperkten tot het vermelden van het lidmaatschap van de Mormoonse kerk van de tweede verzoekende partij, zonder dit door middel van een stuk of op enige andere wijze aan te tonen; dat zij evenmin op basis van concrete gegevens aantonen dat dit lidmaatschap een buitengewone omstandigheid vormt; dat het niet kennelijk onredelijk is dat de bestreden beslissing motiveert dat het lidmaatschap op zich geen uitzonderlijke omstandigheid vormt; Overwegende dat, wat betreft de medische problemen van de eerste verzoekende partij, in de bestreden beslissing wordt verwezen naar het verslag van de controlegeneesheer; dat in deze verwijzing de inhoud die relevant is voor de motivering, wordt uiteengezet, met name “Deze problemen waren reeds aanwezig bij zijn vertrek uit Rusland. Mijnheer XXX onderging reeds de noodzakelijke heelkundige ingreep in België. Daarenboven blijkt uit het verslag van onze controlegeneesheer dat voornoemde medische problemen betrokkene niet verhinderen om te reizen, dat er geen bijzondere medische zorgen meer nodig zijn en dat de eventuele medische follow-up en nazorg voorhanden zijn in XIV-16.632-9/12 Rusland. Het belet hem dus niet langer om terug te keren naar Rusland.”; dat het verslag van de controlegeneesheer zich bevindt in het administratief dossier; dat de verzoekende partijen een aanvraag konden indienen om dit dossier in te kijken vooraleer zij een verzoekschrift bij de Raad van State indienden; dat dit medisch verslag de mogelijkheid biedt om vast te stellen op basis van welke elementen de controlegeneesheer zich steunt om te besluiten dat terugreizen mogelijk is en dat er geen bijzondere medische zorgen zijn vereist; dat de minister van Binnenlandse Zaken zich kon beperken tot een verwijzing naar de relevante inhoud van dit verslag; dat de plicht tot uitdrukkelijke motivering niet inhoudt dat de beslissende administratieve overheid de motieven van de gegeven redenen van de beslissing moet vermelden; dat zij dus niet “verder” dient te motiveren; dat de uitdrukkelijke motiveringsplicht niet inhoudt dat de beslissende overheid voor elke overweging in haar beslissing het “waarom” ervan dient te vermelden; Overwegende dat de rechtspraak die de verzoekende partijen aanhalen, essentiële verschillen vertoont met huidige zaak; dat in het eerste aangehaalde arrest werd overwogen dat in het administratief dossier noodzakelijke stukken ontbraken, wat in casu niet het geval is: de verzoekende partijen voeren aan geen kennis te hebben van bepaalde stukken uit het administratief dossier, maar tonen niet aan dat dit onvolledig zou zijn; dat het tweede aangehaalde arrest handelt over een situatie waarin de inhoud en de teneur van het medisch advies niet werden weergegeven in de bestreden beslissing; dat in casu de relevante inhoud van het verslag van de controlegeneesheer werd opgenomen in de bestreden beslissing, zodat de verzoekende partijen inzicht konden verwerven in de bijdrage van het advies aan de motivering; Overwegende dat hieruit volgt dat de verzoekende partijen in de bestreden beslissing een samenvatting van de inhoud van het verslag van de controlegeneesheer kunnen lezen, en dat ze toegang hadden tot het administratief dossier en het verslag zelf konden inkijken; dat de schending van de formele motiveringsplicht niet wordt aangenomen, omdat de verzoekende partijen de mogelijkheid hadden om inzicht te verwerven in de motieven van de beslissing, zodat zij in staat waren te weten of het zin had rechtsmiddelen aan te wenden tegen de bestreden beslissing; dat een schending van de formele motiveringsplicht niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de verzoekende partijen vervolgens aanvoeren dat geen rekening werd gehouden met de gewijzigde medische toestand van de eerste verzoekende partij, in die zin dat de tumor is teruggekeerd; dat deze gewijzigde toestand moet blijken uit een medisch attest van 29 augustus 2002, opgesteld door dr. P. Ribaï; dat uit het verslag van de controlegeneesheer blijkt dat hij het verslag van dr. Ribaï van 29 augustus 2002 heeft ontvangen, en er een korte inhoud van weergeeft; dat bijgevolg niet kan worden aangenomen dat geen rekening werd gehouden met dit verslag van 29 augustus 2002; dat het niet kennelijk onredelijk is dat de Dienst Vreemdelingenzaken zich steunt op XIV-16.632-10/12 de expertise van de controlegeneesheer om de mogelijkheid van terugkeer te beoordelen; dat, zoals reeds hoger werd overwogen, in de bestreden beslissing niet de motieven van de opgegeven redenen moeten worden opgenomen; Overwegende dat, wat betreft de onvoldoende financiële middelen van de verzoekende partijen om de behandeling in Rusland verder te zetten, dit element kan worden beschouwd als een onderdeel van het motief betreffende de medische problemen, waarin de verwerende partij heeft geoordeeld dat de eerste verzoekende partij reeds in België een heelkundige ingreep heeft ondergaan, dat uit het verslag van de controlegeneesheer blijkt dat de eerste verzoekende partij kan reizen, dat er geen andere medische zorgen meer nodig zijn en dat de eventuele medische follow-up en nazorg voorhanden zijn in Rusland; dat de verwerende partij in casu niet meer afzonderlijk diende te antwoorden op het argument van de verzoekende partijen dat zij over onvoldoende financiële middelen beschikken, aangezien zij meent dat er geen andere zorgen meer nodig zijn, buiten eventuele nazorg; Overwegende dat het argument van de verzoekende partijen, dat geen rekening werd gehouden met de omstandigheid dat de eerste verzoekende partij lijdt aan Hepatitis C, niet opgaat; dat de verzoekende partijen in hun aanvraag duidelijk de medische toestand van de eerste verzoekende partij als een geheel hebben beschouwd, en spraken over een hersentumor en Hepatitis B; dat in de bestreden beslissing werd geantwoord op de medische toestand van de eerste verzoekende partij in haar geheel; dat in de bestreden beslissing, die oordeelt over de aanwezigheid van buitengewone omstandigheden die het indienen van een aanvraag in België verantwoorden, niet moet worden geantwoord op elke medische aandoening afzonderlijk; dat een globale verwijzing naar de relevante elementen van het verslag van de controlegeneesheer volstaat; Overwegende dat het bij de beoordeling van de motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de aanvraag in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat uit het voorgaande blijkt dat de bestreden beslissing steunt op afdoende, pertinente, ter zake dienende en deugdelijke motieven; dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; XIV-16.632-11/12 dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien december tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-16.632-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.918 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.