id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.924 Rolnummer: A. 170822/XIV-24939 Zaak: Arrest 165924 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 13/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-04 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-01 11:36 Fiche Arrest nr 165.924 van 13 december 2006 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.924 van 13 december 2006 in de zaak A. 170.822/XIV-24.
- In zake : XXX, wonende te 3520 ZONHOVEN, tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 2 oktober 1988 en van Afghaanse nationaliteit, op 7 maart 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 februari 2006 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 29 april 2005 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 24 februari 2006; Gelet op de beschikking van 14 maart 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, d.d. 31 juli 2006, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 13 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 29 november 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; XIV-24.939-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat WILLEMS, die loco Advocaat R. PELLENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 10 februari 2005 en verklaart zich vluchteling op 11 februari
- 1.
- Op 29 april 2005 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 22 februari 2006 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) A. Vluchtrelaas U verklaart de Afghaanse nationaliteit te bezitten, geboren te Payjulga Lomo in het district Jagoeri (Gazni). U bent Hazara van etnische afkomst en een sjiïetische moslim. U zegt zeventien jaar oud te zijn, maar kent uw exacte geboortedatum niet. U bent ongehuwd en een wees. U heeft geen familie meer in Afghanistan. U diende ongeveer een jaar en een maand geleden uw land van herkomst te verlaten omdat u vreesde voor uw leven. U verklaart dat eerst uw moeder overleed en ongeveer drie jaar later werden uw vader, broer en zus vermoord toen ze op weg waren naar of van een bezoek aan de moskee van Mazar-i-Sharif. Tot op heden weet u niet wat er gebeurd is, of wie hen heeft gedood, maar volgens de mensen waren het de Taliban geweest. Dit was ongeveer twee jaar geleden. Sindsdien werd u het slachtoffer van mishandeling door uw oom. Hij was een slecht mens en uw vader had hem meermaals de deur gewezen wanneer hij op bezoek kwam. Eénmaal heeft u een klacht ingediend bij Ehsani, die voor het district werkt, maar deze heeft niets ondernomen. Op een dag heeft uw oom geprobeerd u in de waterput te duwen, maar omdat u zich terugtrok, viel hij er zelf in. Vervolgens werd u door de dorpsbewoners naar Ehsani gebracht en in de gevangenis opgesloten. Ehsani zei u dat u uw oom had vermoord en dat u zou worden opgehangen. Na een paar dagen zou u worden overgeplaatst naar de gevangenis in Kabul. Na zeven dagen heeft uw beste vriend een gat in de muur geslagen en zijn jullie beiden op de vlucht gegaan naar Iran. Uw vriend is daar gebleven omdat een tante van hem er woont. U besloot om verder richting Europa te reizen en vervolgens naar België waar u op 11 februari 2005 een asielaanvraag indiende. U was veertig dagen onderweg van Afghanistan tot Iran. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat uw asielaanvraag niet ontvankelijk kan worden beoordeeld overeenkomstig art.1, par.A, lid 2 van de Conventie van Genève wegens kennelijk vreemd aan de daarin genoemde criteria van vervolging. Met name houdt uw vrees voor vervolging, namelijk gestraft te worden omwille van de onopzettelijke dood van uw oom, geen enkel verband uw nationaliteit, etnie, godsdienst, politieke overtuiging of het behoren tot een welbepaalde sociale groep. Bovendien is het eigenaardig dat u niet precies weet wat er met uw oom is gebeurd, alleen Ehsani zei dat u hem heeft gedood. Dat u niets gezien heeft op het moment dat uw oom in de put viel, is nauwelijks geloofwaardig (gehoorverslag Commissariaat-generaal dringend beroep p.7). Op de vraag waarom u niet de kans zou krijgen XIV-24.939-2/7 uw versie van de feiten te vertellen, geeft u geen direct antwoord (gehoorverslag CGVS dringend beroep p.10). Dit is toch van belang omdat Ehsani op de hoogte was van het gedrag van uw oom tegenover u. Verder is het ook eigenaardig dat in een dorp met veertig huizen, enkel uw vriend op de hoogte zou zijn geweest van de mishandeling (gehoorverslag CGVS dringend beroep p.7). Wat het incident aan de waterput betreft zijn ook uw opeenvolgende verklaringen niet gelijklopend. Zo zegt u eerst dat u uw ‘oom heeft geduwd en dat het de enige manier was op van hem af te geraken’ (gehoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken vraag 42 ), terwijl u nu zegt dat hij u duwde en hij per ongeluk in de put belandde (gehoorverslag CGVS dringend beroep p.11). Wat er ook van zei, uw vluchtmotief is vreemd aan de criteria van de Vluchtelingenconventie. Terzijde moet nog worden opgemerkt dat u niet vertrouwd bent met de Afghaanse jaartelling (gehoorverslag CGVS dringend beroep p.2 en 12 ), dat u niet op de hoogte bent van de politieke situatie in uw regio (gehoorverslag CGVS dringend beroep p.3 ), niet de naam kent van de leider van Hezb-i-Wahdat, de partij van de Hazara’s die het district volledig onder controle heeft, en nooit gehoord heeft van Irfani, één van de bekendste commandanten van die partij, terwijl dit gangbare kennis is (zie informatie aanwezig op het CGVS waarvan een kopie werd toegevoegd aan het administratieve dossier). Bovenstaande vaststellingen doen ernstig twijfelen aan uw recent vertrek uit de regio. Tot slot, legt u geen enkel document neer dat toelaat uw identiteit of reisweg te controleren. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Ik vestig de aandacht van de Minister van Binnenlandse Zaken op het feit dat U minderjarig bent en dat bijgevolg het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, geratificeerd door België, op u moet worden toegepast. Ik vestig de aandacht van de Minister van Binnenlandse zaken op het feit dat het op dit ogenblik vanuit humanitair oogpunt aangewezen is om in geval van gedwongen terugkeer zo nodig het bekomen van opvang of humanitaire steun mogelijk te maken. Voorts vestig ik de aandacht van de Minister van Binnenlandse Zaken op het feit dat er ter attentie van Mevr. D. T., voogd van de betrokkene, een bevel werd gegeven de betrokkene binnen de 30 dagen terug te brengen naar de plaats van waar hij gekomen is. (...)”.
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat als volgt luidt: “Het eerste middel is gebaseerd op de schending van artikel 1 A 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 195l; Doordat uit de verklaringen van verzoeker uitdrukkelijk blijkt dat hij in gevaar verkeert in Afghanistan en dit ten gevolge van zijn politieke overtuiging en etnische herkomst; Terwijl de beslissing van het CGVS stelt dat er geen gevaar is voor de terugkeer naar zijn land; Toelichting: De beslissing stelt: ‘Er dient te worden vastgesteld dat uw asielaanvraag niet ontvankelijk kan worden beoordeeld overeenkomstig art. 1, par. A, lid 2 van de Conventie van Genève wegens kennelijk vreemd aan de daarin genoemde criteria ....’”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: “2.
- In een eerste middel baseert verzoeker zich op een schending van artikel 1A2 van de Vluchtelingenconventie van Genève. Verweerder verwijst naar de constante rechtspraak van de Raad van State waarin gesteld wordt dat de verzoekende partij een rechtstreekse schending van artikel 1 van de Conventie van XIV-24.939-3/7 Genève niet kan opwerpen, zonder tegelijkertijd de schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan te voeren, aangezien artikel 52 van de Vreemdelingenwet de criteria bepaalt onder dewelke een asielzoeker het verblijf kan worden geweigerd en kan worden teruggeleid of uitgezet naar zijn land van herkomst (R.v.St., nr. 80.749 van 8 juni 1999). In andere arresten oordeelde de raad van State dat artikel 1, A
(2)van de Vluchtelingenconventie geen procedure voorziet volgens dewelke de verdragsluitende partijen de hoedanigheid van vluchteling aan een bepaalde persoon kunnen toekennen. De verdragsluitende staten beschikken namelijk over een ruime appreciatiebevoegdheid, meer in het bijzonder wat betreft de organisatie van de procedure met betrekking, tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de asielaanvraag, zodat de, niet- ontvankelijk verklaarde kandidaat-vluchteling voor de Raad van State naast de schending van artikel 1, A
(2)van de Conventie van Genève ook de schending moet aanvoeren van één van de in artikel 52 van de Vreemdelingenwet opgesomde onontvankelijkheidscriteria (R.v.St., nr. 81.216 van 23 juni 1999; R.v.St., nr. 81.224 van 23 juni 1999; R.v.St., nr. 81.683 van 6 juli 1999; R.v.St., nr. 82.931 van 18 oktober 1999; R.v.St., nr. 86.228 van 24 maart 2000; R.v.St., nr. 105.236 van 27 maart 2002). Het eerste middel is niet gegrond.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord als volgt repliceert: “Verzoeker beroep zich terecht op de schending van artikel 1A2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951; In haar beslissing verwijst de commissaris meerdere malen uitdrukkelijk naar voormelde conventie en maakt er dus uitdrukkelijk gebruik van. Door deze verwijzing betrekt de commissaris deze regelgevende norm bij de procedure.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 1, A,
(2), het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); 2.1.5. Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder voor wat de organisatie van de procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van Vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat bijgevolg in voorliggend geval voornoemde schending van artikel 1, A,
(2), van de Vluchtelingenconventie niet dienstig kan worden aangevoerd, aangezien de verzoekende partij niet tegelijkertijd de schending inroept van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat het eerste middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat als volgt luidt: “Het tweede middel is gebaseerd op de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de motiveringsplicht; Doordat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken inhoudelijk nauwelijks gemotiveerd is; Terwijl de materiële motiveringsplicht de beweegredenen van de weigering duidelijk moet omschrijven en deze ten gronde relevant moeten zijn; XIV-24.939-4/7 Toelichting: Daar de beslissing van de dienst er zich toe beperkt te stellen dat niet is gebleken dat verzoeker onder de criteria van artikel 52 valt zonder verder toe te lichten op welke gronden zij deze beslissing baseert;”; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: “2.
- Een tweede middel puurt verzoeker uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de motiveringsplicht. Verzoeker werpt op dat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken inhoudelijk nauwelijks gemotiveerd is. Verweerder verwijst naar arresten van de Raad waarbij wordt gesteld dat ingevolge de devolutieve kracht van het bij artikel 63/2 van de Vreemdelingenwet voorziene dringend beroep kritiek tegen de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken niet relevant is (R.v.St., nr. 105.265 van 28 maart 2002; R.v.St., nr. 122.255 van 20 augustus 2003; R.v.St., nr. 125.590 van 21 november 2003). Het tweede middel is niet gegrond.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord als volgt repliceert: “Totaal ten onrechte stelt verweerde dat de geuite kritiek niet relevant is. Het komt aan verweerder toe om zijn beslissing behoorlijk te motiveren, hetgeen verweerder nalaat.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de motiveringsplicht.”; 2.2.
- Overwegende dat, gelet op de devolutieve karakter van het in artikel 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) bedoeld dringend beroep bij de Commissaris-generaal, de grieven van de verzoekende partij die gericht zijn tegen beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken, niet dienend zijn als grieven tegen de thans bestreden beslissing; dat het tweede middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert, dat als volgt luidt: “Het derde middel is gebaseerd op de schending van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind van 20 november 1989 en de dienstnota van 1 maart 2002 van de Dienst Vreemdelingenzaken in reglementaire vorm gegoten door de Ministeriële omzendbrief van 15/09/
- Doordat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken geen rekening houdt met het statuut van niet begeleide minderjarige waarop verzoeker zich kan beroepen; Terwijl de dienstnota en de omzendbrief hem een dergelijk bijzonder statuut toekennen. Dat verzoeker niet over enige inkomsten beschikt om de kosten van de procedure te voldoen;”; 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: XIV-24.939-5/7 “2.
- Het derde middel baseert verzoeker op een schending van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind van 20 november 1989 en de dienstnota van 1 maart 2002 van de Dienst Vreemdelingenzaken in reglementaire vorm gegoten door de Ministeriële omzendbrief van 15 september
- Verzoeker geeft aan dat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken geen rekening houdt met het statuut van niet begeleide minderjarige waarop verzoeker zich kan beroepen. Verweerder verwijst opnieuw naar arresten van de Raad waarbij wordt gesteld dat ingevolge de devolutieve kracht van het bij artikel 63/2 van de Vreemdelingenwet voorziene dringend beroep kritiek tegen de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken niet relevant is (R.v.St., nr. 105.265 van 28 maart 2002; R.v.St., nr. 122.255 van 20 augustus 2003; R.v.St., nr. 125.590 van 21 november 2003). Het derde middel is niet gegrond.”; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van “het Verdrag inzake de Rechten van het Kind van 20 november 1989 en de dienstnota van 1 maart 2002 van de Dienst Vreemdelingenzaken in reglementaire vorm gegoten door de Ministeriële omzendbrief van 15 september 2005.”; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij niet aanduidt welke artikelen van het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989 en welke bepalingen van de omzendbrief betreffende het verblijf van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen van 15 september 2005 zijn geschonden; dat het de Raad van State niet toekomt na te gaan welke bepalingen van het Verdrag en de omzendbrief de verzoekende partij geschonden acht; dat het derde middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-24.939-6/7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien december tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-24.939-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.924 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div