← België

Arrest 165954 - Milieuvergunningen - 14/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.954 Rolnummer: A. 88252/VII-20005 Zaak: Arrest 165954 - Milieuvergunningen - 14/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-08 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-01 11:43 Fiche Arrest nr 165.954 van 14 december 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.954 van 14 december 2006 in de zaak A. 88.252/VII-20.

  1. In zake : André DEVRIENDT, die woonplaats kiest bij advocaat M. DENYS, kantoor houdende te BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat
  2. tussenkomende partij : Urbain MUSCH, wonende te ROOSDAAL, Koning Albertstraat
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat André DEVRIENDT op 3 december 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 23 september 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij het beroep dat Urbain MUSCH had ingesteld tegen het besluit van 19 april 1999 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Roosdaal houdende het verlenen aan de verzoeker van de vergunning voor een termijn van één jaar op proef voor het exploiteren van een "inrichting voor tuinonderhoud", gelegen aan de Koning Albertstraat 107 te Roosdaal, gegrond wordt verklaard, het beroepen besluit wordt opgeheven en de gevraagde milieuvergunning wordt geweigerd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 17 februari 2000; Gelet op de beschikking van 22 februari 2000 die de tussenkomst van Urbain MUSCH toelaat; VII-20.005-1/13 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 9 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 28 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. HULPIAU die, loco advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat K. VAN ALSENOY, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. Op 15 februari 1999 dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Roosdaal een milieuvergunningsaan- vraag in voor het exploiteren van een inrichting die hij zelf omschrijft als "een loods met opslag en bewerking van snoeisel" aan de Koning Albertstraat 107 te Roosdaal. Tot het voorwerp van de aanvraag behoren in concreto : - de opslag van 50 m3 snoeisel en 150 m3 boomstammen en gekapt hout; - het lozen van 2 m3/u bedrijfsafvalwater; VII-20.005-2/13 - het stallen van 10 landbouwmachines en -materiaal, 2 zaagmachines en een hakselaar; - de opslag van 450 liter motorolie in recipiënten met een inhoudsvermogen van maximum 200 liter; - de opslag van 3.600 liter dieselolie in drie bovengrondse houders; - een brandstofverdeelpomp; - de opslag van 50 liter gevaarlijke producten in verpakkingen van maximum 5 liter; - het mechanisch behandelen van hout (elektromotoren met een totaal vermogen van 20 kW). De vergunningsaanvraag bevat de volgende toelichting omtrent de beoogde activiteiten : "De activiteiten van Dhr. André Devriendt bestaan hoofdzakelijk uit loonwerk in dienst van land- en tuinbouwers. Bovendien wordt snoeiwerk verricht, dat evenzeer in eerste rang bij fruittelers gebeurt en gedeeltelijk ook bij particulieren. In de loods, het voorwerp van de aanvraag, zal het snoeisel opgeslagen en versnipperd worden, en vervolgens in de verfijnde vorm gebruikt voor het uitstrooien in de boomgaarden en tuinen. Gezien het soort product en gezien het bedrijf vrijwel eenzijdig afgestemd is op de regionale land- en tuinbouw, betreft het hier ontegensprekelijk een para- agrarische activiteit. Landbouwloonwerkersbedrijven worden algemeen aanvaard als para- agrarische activiteit". 1.
  6. Bij besluit van 19 april 1999 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Roosdaal de gevraagde vergunning voor een termijn van één jaar op proef. 1.
  7. Op 27 mei 1999 stelt de tussenkomende partij, die woont aan de Koning Albertstraat 91 te Roosdaal, beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant tegen de voormelde beslissing. In het beroep- schrift, dat mede ondersteund wordt door andere omwonenden, stelt de beroeper onder meer dat het gaat over een zonevreemde inrichting. Dienaangaande schrijft hij : "Het bedrijf van Dhr. A. De Vriendt bevindt zich in een waardevol agrarisch gebied. Dhr. A. De Vriendt laat uitschijnen dat zijn bedrijf para-agrarisch is, wat wij met klem kunnen ontkennen. De activiteiten van Dhr. A. De Vriendt beperken zich vooral tot het vellen en snoeien van bomen en de naverwerking ervan (zagen, klieven en versnipperen), het onderhouden van tuinen en het bij hem thuis verbranden van meegebracht tuinafval, wat in de omgeving al voor de nodige wrevel heeft gezorgd". VII-20.005-3/13 Het beroep wordt op 1 juni 1999 ontvankelijk verklaard. 1.
  8. In het kader van de beroepsprocedure worden verschillende adviezen uitgebracht : a. Het advies van de afdeling Ruimtelijke Ordening van 21 juni 1999 is ongunstig over de aanvraag. Er wordt gewezen op de onverenigbaarheid van de inrichting met de bepalingen van de artikelen 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen. b. De Vlaamse Milieumaatschappij adviseert op 30 juni 1999 gunstig voor het lozen van maximaal 2 m3/u bedrijfsafvalwater in de openbare riolering op voorwaarde dat de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II worden nageleefd. c. Op 1 juli 1999 verleent de afdeling Milieuvergunningen een advies dat gedeeltelijk gunstig is over de aanvraag. Er wordt voorgesteld om de gevraagde vergunning te verlenen voor een termijn van twintig jaar, behoudens voor wat betreft de brandstofverdeelinstallatie waarvoor de milieuvergunning zou dienen geweigerd te worden. d. Door de Provinciale Milieuvergunningscommissie wordt op 1 september 1999 voorgesteld om het beroep in te willigen, de beroepen beslissing op te heffen en de gevraagde milieuvergunning te weigeren. 1.
  9. Met het bestreden besluit van 23 september 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant wordt het beroep gegrond verklaard, wordt de beroepen beslissing opgeheven en wordt aan de verzoeker de gevraagde vergunning geweigerd. Het besluit wordt gemotiveerd als volgt : "Overwegende dat de inrichting gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat binnen een straal van 500 m rond de inrichting zich bevinden : - ten noorden : landschappelijk waardevol agrarisch gebied, - ten zuiden : woongebied met landelijk karakter en landschappelijk waardevol agrarisch gebied, - ten oosten : woongebied met landelijk karakter en landschappelijk waardevol agrarisch gebied, VII-20.005-4/13 - ten westen : woongebied met landelijk karakter en landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat het woongebied met landelijk karakter op ongeveer 47m afstand ligt en gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, onverenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de AMV en de VMM zich aansluiten bij het unaniem ongunstige advies van de PMVC : Een gunstige milieu- technische inschatting van de uitbating is ondergeschikt aan de vastgestelde planologische onverenigbaarheid; Overwegende dat de omgeving een landelijk karakter heeft; dat de dichtstbij- gelegen woningen vreemd aan de inrichting zich langs de Koning Albertstraat op een afstand van ongeveer 60 m van de inrichting bevinden; Overwegende dat de hoofdactiviteit bestaat in het onderhouden van tuinen, het snoeien en het op kleine schaal vellen van bomen; dat hierbij zoveel mogelijk het hout ter plaatse wordt verwerkt door bijvoorbeeld het hakselen met een hakselaar, aangedreven door een tractor en het verzagen van de boomstammen; dat uitzonderlijk het gehakselde hout, de takken en het verzaagde hout meegenomen worden naar de inrichting en daar opgeslagen; Overwegende dat wanneer er toch op de inrichting wordt gehakseld, dit op een plaats gebeurt die ongeveer 100 m verwijderd is van de dichtstbijgelegen woning zodat er nagenoeg geen aanleiding is tot geluidshinder; dat op milieutechnisch vlak de uitbating derhalve verenigbaar is met de omgeving wanneer de ter zake geldende voorschriften van Vlarem II nageleefd worden; Overwegende dat de uitbating echter onverenigbaar is met art. 11 en 15 van het K.B. van 28/12/72 betreffende de toepassing van gewestplannen, die agrarisch gebied in hoofdzaak bestemmen voor landbouw en veeteelt en voor hieraan verwante activiteiten zoals loonwerk voor de landbouw; dat het snoeien van bomen en het onderhouden van tuinen bij particulieren niet onmiddellijk aansluit bij de landbouw en er evenmin is op afgestemd; dat de exploitant zichzelf loonwerker voor land- en tuinbouw noemt, doch dit niet is; dat de gevraagde activiteit derhalve niet thuis hoort in dit gebied; Overwegende dat uit het onderzoek van het dossier tevens blijkt dat de bestaande loods vergund werd voor het oprichten van een stal voor koeien (cf. beslissing bouwvergunning van het CBS van Roosdaal van 21/08/1995); dat tegen de onwettige bestemmingswijziging van het gebouw inmiddels pro- ces-verbaal werd opgesteld (cf. advies van de ASV); Overwegende dat de vaststelling dat de uitbating op milieu- technisch vlak verenigbaar is met de omgeving, ondergeschikt is aan het feit dat de uitbating om bovengenoemde redenen planologisch onverenigbaar is met de omgeving; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de bestreden beslissing van het College van Roosdaal op te heffen en aan André De Vriendt de vergunning te weigeren";
  10. Ontvankelijkheid Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat wordt uitgebaat zonder vergunning; dat zij daar evenwel geen juridische conclusies aan vastknoopt, zodat dit niet als een exceptie kan worden opgevat; VII-20.005-5/13
  11. Ten gronde 3.
  12. Standpunten van de partijen 3.1.
  13. Overwegende dat de verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de "artt. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur volgens hetwelk de bestuurshandelingen op juiste feitelijke overwegingen dienen te steunen"; dat het middel als volgt wordt uiteengezet : "Doordat de bestreden beslissing steunt op een onjuiste feitelijke overweging en niet afdoende gemotiveerd is; Dat ze inderdaad de vergunning opheft om de reden 'dat de uitbating onverenigbaar is met art. 11 en 15 (K.B. 28 december 1972) die agrarisch gebied in hoofdzaak bestemmen voor landbouw en veeteelt en voor hieraan verwante activiteit zoals loonwerk voor de landbouw; dat het snoeien van bomen en het onderhouden van tuinen bij particulieren niet onmiddellijk aansluit bij de landbouw en er evenmin is op afgestemd; dat de exploitant zichzelf loonwerker voor land- en tuinbouw noemt, doch dit niet is; dat de gevraagde activiteit derhalve niet thuis hoort in dit gebied'. Dat de bestreden beslissing ten onrechte stelt dat beroeper geen para-aktiviteit voert zoals loonwerk voor land- en tuinbouw; Dat ze tot staving daarvan stelt dat mijn cliënt alleen bomen snoeit en tuinen bij particulieren onderhoudt; dat dit niet overeenstemt met de werkelijkheid; Dat ten eerste, wat (het) snoeien van bomen betreft, welke aktiviteit door beroeper minstens zo veel uitgeoefend als het onderhouden van tuinen bij particulieren, en hoofdzakelijk bij fruittelers verricht wordt, ten einde de fruitproductie te waarborgen en te bevorderen, wat ontegensprekelijk als loonwerk in de land- en tuinbouw kan worden gekwalificeerd, of als een aktiviteit onmiddellijk aansluitend bij de landbouw en veeteelt en er op afgestemd; Dat ten tweede de aktiviteiten van beroeper zich niet beperken tot het snoeien van bomen en het onderhouden van tuinen bij particulieren; dat uit de feitelijke omstandigheden van de zaak zowel als uit de aanvraag zelf duidelijk blijkt dat beroeper naast genoemde aktiviteiten ook nog landbouwwerken bij derden uitvoert; Dat de bestreden beslissing aldus steunt op een onjuiste en onvolledige voorstelling van de feitelijke situatie; Terwijl artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 vereist dat iedere beslissing van een administratieve overheid de feitelijke en juridische overwegingen moet vermelden waarop de beslissing steunt. Deze motivering moet bovendien afdoende zijn; Dat dit laatste impliceert dat de beslissing steun moet vinden in overwegingen die feitelijk juist zijn en alle feitelijke elementen moet in overweging nemen die relevant zijn; Dat de bestreden beslissing stelde dat beroeper slechts welbepaalde aktiviteiten voert, die bij veronderstelling niet verenigbaar zijn met een agrarische bestemming, en om die grond de vergunning ophief en weigerde; dat geen rekening werd gehouden met de andere aktiviteiten van beroeper, welke duidelijk wel agrarische of para-agrarische bedrijvigheden zijn; VII-20.005-6/13 Dat door te stellen dat beroeper slechts het snoeien van bomen en het onderhouden van tuinen bij particulieren als activiteit zou hebben, de motiveringsplicht geschonden wordt; Dat de verplichting voor de bestuurlijke overheden om hun beslissingen te laten steunen op juiste feitelijke overwegingen ook een algemeen beginsel van behoorlijk rechtsbestuur is; De beslissing van de Bestendige Deputatie steunt derhalve op onjuiste feitelijke overwegingen, en schendt bijgevolg bovenvermelde wettelijke bepalingen"; 3.1.
  14. Overwegende dat in de memorie van antwoord de verwerende partij stelt dat zij bij de beoordeling van het al dan niet para-agrarisch karakter van de inrichting gebruik heeft gemaakt van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid en dat zij die bevoegdheid binnen de perken van de redelijkheid heeft uitgeoefend, dat het snoeien van bomen en het onderhoud van tuinen bij particulieren als niet para- agrarische activiteit in de bestreden beslissing enkel bij wijze van voorbeeld zou aangehaald zijn, dat in het ingediende beroepschrift daarnaast ook sprake zou zijn van het snoeien en vellen van bomen en de naverwerking van tuinafval (zagen, klieven, versnipperen en verbranden); dat ten slotte de verwerende partij nog opwerpt dat de verzoeker eigenlijk geen belang heeft bij het middel aangezien zijn bedrijfsactiviteiten hoe dan ook een ruim veld bestrijken zodat "het in het geheel niet om para-agrarische activiteiten gaat"; 3.1.
  15. Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord het volgende repliceert : "In het bestreden besluit stelt de Bestendige Deputatie met name dat beroeper niet werkelijk een loonwerker voor land- en tuinbouw is, zodat de activiteiten van beroeper niet thuishoren in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Uit de gegevens van het dossier blijkt in ieder geval dat beroeper het snoeien van bomen in hoofdzaak bij fruittelers verricht, en dit minstens zoveel als het onderhouden van tuinen bij particulieren. Beroeper moet in dit verband betreuren dat de Bestendige Deputatie zich in de memorie van antwoord te buiten gaat aan (een) totaal verkeerde voorstelling van hetgeen zij in het bestreden besluit zou hebben bedoeld. Beroeper is voorts de mening toegedaan dat het gebrek aan kennis in hoofde van het provinciebestuur omtrent de juiste activiteiten van beroeper, door de Bestendige Deputatie of zijn administratieve diensten had dienen onderzocht te worden tijdens de administratieve procedure, bijvoorbeeld naar aanleiding van een hoorzitting, teneinde beroeper de kans te geven desgewenst de nodige uitleg te verstrekken. Indien zulks gebeurd zou zijn, had beroeper kunnen uitleggen dat in de loods nog steeds ruimte is gereserveerd om er in de winter koeien te stallen, en dat in de loods inderdaad tevens traktoren, ploegen, freesen, ... worden opgeslagen, wat evenwel op zich geenszins een 'bestemmingswijziging' inhoudt. Beroeper kon alzo onmogelijk bevroeden dat omtrent de ware aard van zijn activiteiten in hoofde van het bestuur zoveel onduidelijkheid of twijfel bestond, VII-20.005-7/13 en kan dan ook niet ten kwade geduid worden dat omtrent deze activiteiten geen specifieke nadere uitleg werd verstrekt. Bij de behandeling van het beroepsdossier is het bestuur duidelijk tekort geschoten in zijn plicht om, zo nodig en waar nodig, bij de particulier informatie in te winnen omtrent aspecten van het dossier waaromtrent nog vragen zouden rijzen : 'Overwegende dat de verwerende partij als vergunningverlenende overheid ertoe gehouden is de regelen van behoorlijk bestuur in acht te nemen; dat dit veronderstelt dat zij, waar nodig, een zekere soepelheid aan de dag legt en de aanvraag concreet en met zin voor werkelijkheid onderzoekt en beoordeelt; dat, indien zij vragen heeft omtrent de werkelijk bedoelingen van de exploitant, zij daarover uitsluitsel kan bekomen, desgevallend door voeling te zoeken'. (R.v.St., N.V. Kabex, nr. 32.065, 23 februari 1989) Tegenpartij maakt in het bestreden besluit nergens duidelijk waarom deze uitleg niet werd gevraagd tijdens de vergunningsprocedure, en waarom in de plaats werd geopteerd voor een weigering van vergunning"; 3.1.
  16. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst doet gelden wat volgt : “Verzoeker in tussenkomst acht dit middel om volgende redenen ongegrond; Verzoeker stelt wel dat het Besluit van de Bestendige Deputatie niet op juiste feitelijke overwegingen steunt, aangezien de hoedanigheid van loonwerker niet weerhouden werd, maar laat na haar bewering te staven. Het feit dat verzoeker niet kan beschouwd worden als loonwerker blijkt niet alleen uit de feiten, doch ook uit de talrijke advertenties, waarin verzoeker zich aanprijst (als) snoeier en veller van bomen. De bestreden beslissing verwijst daarenboven uitdrukkelijk naar de adviezen van de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen (ASV), van de Afdeling Milieuvergunningen, van de Vlaamse Milieumaatschappij en van de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC), waarnaar uitvoerig verwezen wordt; De redenen van beslissing dienen duidelijk, maar desnoods bondig, te worden weergegeven in de beslissing zelf en moeten met die beslissing aan de betrokkene worden meegedeeld (...); De bestreden beslissing neemt de relevante feitelijke elementen in overweging; De bestreden beslissing is geenszins gesteund op feiten die niet hebben bestaan, noch op juridisch onaanvaardbare motieven en berust evenmin op dwaling; De bestreden beslissing heeft aldus de uitdrukkelijke motiveringsplicht en het beginsel van behoorlijk bestuur geëerbiedigd"; 3.1.
  17. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie in het algemeen de verschillende vormen van hinder, veroorzaakt door de betrokken exploitatie, uiteenzet en herhaalt dat verzoekers activiteiten noch agrarisch, noch para-agrarisch zijn en zijn inrichting aldus zonevreemd is; VII-20.005-8/13 3.1.
  18. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog het volgende doet gelden : "Verzoekende partij verwees inderdaad naar een aantal uitspraken van uw Raad waarbij in concreto bepaalde gevallen aanvaard werd(...) dat een bedrijf para-agrarisch beschouwd worden (sic), waaromtrent uw Raad gesteld heeft dat bij ontstentenis van nadere omschrijving van het begrip 'para-agrarisch bedrijf' in het K.B. dd. 28 december 1972 de term in zijn spraakgebruikelijke betekenis moet worden begrepen en daaronder moet worden verstaan 'bedrijven waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en erop afgestemd is'. (zie o.m. Raad van State nr. 74.643 dd. 25 juni 1998 - Raad van State nr. 63.619 Albers dd.17.12.1996 - Raad van State nr. 56.420 dd. 23 november 1995) Ook het auditoraatsverslag gaat uit van deze stelling. De vraag is alzo enkel of inderdaad op voldoende wijze 'in concreto' vastgesteld werd dat het hier niet om een para-agrarisch bedrijf ging. Verwerende partij meent nog steeds van niet op basis van de volgende feitelijke elementen. - Verzoekende partij heeft in 1995 een aanvraag ingediend tot het oprichten van een koeienstal, waaromtrent niemand betwist dat dit inderdaad een agrarische activiteit is. - Vervolgens, na een vastgestelde bouwovertreding en bestemmingswijziging van deze vergunde lo o ds, dient verzoekende part ij een milieuvergunningsaanvraag in, waarvan thans enkel de nadruk gelegd werd op de activiteiten die erin zouden bestaan 'in het stallen van landbouwmachines en het snoeien van bomen'. - Uit het onderzoek en de stukken van het dossier blijkt dat deze exploitant echter veel meer doet (en tracht hij thans voor te stellen dat het snoeien van bomen enkel in hoofdzaak bij fruittelers verricht wordt (!?) terwijl uit het maatschappelijk doel (zie verder) alsook het onderzoek ter plaatse duidelijk blijkt dat het om veel meer gaat en o.m. ook het snoeien en verhakselen van bomen, bosontginningen enz...) De bestreden beslissing stelde bij de evaluatie van het beroepschrift dan ook terecht (zie bestreden besluit blz.3) 'De gevraagde activiteit hoort inderdaad niet thuis in een agrarisch gebied. Het snoeien van bomen en onderhouden van tuinen bij particulieren is geen agrarische noch para-agrarische activiteit. Zij sluit niet onmiddellijk aan bij de landbouw en is er evenmin op afgestemd'. Het maatschappelijk doel van de firma die de verzoekende partij blijkbaar ook ter plaatse heeft opgericht (BVBA DEVRIENDT AGRO) omvat o.m ook '- groot-en kleinhandel van land-en tuinbouwproducten en aanverwante goederen, - een onderneming voor het aanleggen en onderhouden van tuinen, parken, speel- en sportvelden, met inbegrip van de aanplanting ... - een onderneming voor het bouwen, herstellen en onderhouden van wegen ... - een onderneming voor rioleringswerken, draineringswerken, plaatsen van afsluitingen en voegwerken'. Dit alles heeft niets te maken met para-agrarische activiteiten. Het auditoraatsverslag stelt dat met dit maatschappelijk doel geen rekening mag gehouden worden, nu er in het bestreden besluit niet naar verwezen wordt. Verder stelt het verslag in dezelfde voetnoot dat in het dossier geen advertenties te vinden zijn. Voor zover als nodig herinnert verwerende partij VII-20.005-9/13 eraan dat dergelijke advertenties te vinden zijn als bijlage bij het beroepschrift - zodat verwerende partij er voorzeker wél rekening mee diende te houden. Ook de gegevens betreffende het maatschappelijk doel komt uit een fax die door De Vriendt zelf verstuurd werd (voor de uitspraak), en stemt overeen met de inhoud van de advertenties en alzo van de werkelijke activiteiten van de verzoekende partij. In haar memorie had verwerende partij slechts ten overvloede uitdrukkelijk naar dit maatschappelijk doel verwezen onderstrepende dat hieruit volgt dat de verzoekende partij duidelijk geen belang had (bij) het inroepen van dit middel nu, zoals hoger aangehaald, haar volledig maatschappelijk doel inderdaad nog veel meer omvat, en waaromtrent er niet de minste betwisting kan over bestaan dat het in het geheel niet om para-agrarische activiteiten gaat. Rekening houdend met het feit dat voor het overige de overheid reeds eerder door verzoekende partij misleid werd (aanvraag voor een koeienstal, die vervolgens omgevormd werd tot huidige uitbating) heeft de vergunningverlenende overheid in dit dossier en terecht in concreto vastgesteld dat het hier niet over een para-agrarisch bedrijf ging, zodat er van enige schending van art. 11 en 15 van het K.B. van 28 december 1972 geen sprake kan zijn. Dit had eventueel nog door een plaatsbezoek kunnen bevestigd worden (zoals door het auditoraatsverslag wordt gesuggereerd), doch verwerende partij ging ervan uit dat er in dit dossier voldoende feitelijke elementen aanwezig waren om haar besluit te staven. De vaststellingen van de verwerende partij, weergegeven in het bestreden besluit waardoor zij tot het besluit kwam dat het hier wel degelijk niet over een para-agrarische activiteit ging, is niet kennelijk onredelijk en de bestreden beslissing heeft voorzeker niet enkel gesteld dat de enige activiteit van verzoekende partij het snoeien van bomen en het onderhoud van tuinen bij particulieren zou zijn (nu dit enkel als voorbeeld bij de evaluatie van het beroepschrift gegeven wordt, beroepschrift dat het verder ook had over het vellen en snoeien van bomen en de naverwerking ervan (zagen, klieven, versnippering, onderhoud van tuinen en het bij hem thuis verbranden van meegebracht tuinafval) (zie adviezen terzake). Overwegende dat verwerende partij alzo haar standpunt handhaaft dat dit middel toch niet gegrond kan zijn"; 3.
  19. Beoordeling Overwegende dat artikel 11.4.
  20. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen bepaalt : "De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. (...)"; Overwegende dat noch het aangehaalde artikel 11 noch enige andere bepaling van het koninklijk besluit van 28 december 1972 het begrip "para- agrarische bedrijven" definiëren; dat bij ontstentenis van nadere omschrijving ter zake, VII-20.005-10/13 de term "para-agrarische bedrijven" in zijn spraakgebruikelijke betekenis moet worden begrepen; dat daaronder moet worden verstaan bedrijven waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en erop afgestemd is; Overwegende dat het bepaalde van artikel 11.4.
  21. van het inrichtingsbesluit van 28 december 1972, samengelezen met de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, krachtens dewelke alle bestuurshandelingen met individuele strekking uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, de motivering de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en die motivering afdoende moet zijn, vereist dat de vergunningverlenende overheid in de beslissing zelf en op een afdoende wijze de motieven kenbaar maakt op grond waarvan de aangevraagde activiteiten naar haar oordeel wel of niet ingepast kunnen worden in het betrokken bestemmingsgebied; dat de onderhavige betwisting in essentie kan worden herleid tot de vraag of de verwerende partij in het bestreden besluit genoegzaam heeft aangetoond waarom het bedrijf van de verzoeker niet kan worden ondergebracht onder de noemer “para-agrarisch”; dat het bestreden besluit dienaangaande de volgende motieven bevat : "dat het snoeien van bomen en het onderhouden van tuinen bij particulieren niet onmiddellijk aansluit bij de landbouw en er evenmin is op afgestemd; dat de exploitant zichzelf loonwerker voor land- en tuinbouw noemt, doch dit niet is; dat de gevraagde activiteit derhalve niet thuis hoort in dit gebied"; Overwegende, wat de hierboven aangehaalde conclusie dat de verzoeker "zichzelf loonwerker voor land- en tuinbouw noemt, doch dit niet is" betreft, dat nergens in het bestreden besluit wordt verwezen naar stukken of concrete vaststellingen die aantonen dat de bewering van de verzoeker in zijn vergunningsaanvraag dat hij in hoofdzaak loonwerk voor landbouwers en fruittelers verricht niet correct is, zodat de erin opgegeven motieven, die eigenlijk neerkomen op het poneren van een niet met concrete gegevens onderbouwde conclusie, niet aan de vereisten voldoen die de formele motiveringswet stelt; dat de verwerende partij in dit verband niet nuttig kan verwijzen naar de adviezen die tijdens de beroepsprocedure zijn uitgebracht aangezien in die adviezen evenmin bijkomende elementen aangebracht worden op grond waarvan de vergunningverlenende overheid tot het voldoende onderbouwd besluit zou kunnen komen dat verzoeker zich ten onrechte voordoet als loonwerker; dat het evenmin volstaat dat de vergunningverlenende overheid louter afgaat op beweringen die in het beroepschrift VII-20.005-11/13 van een omwonende naar voor worden gebracht, temeer omdat het voor haar mogelijk moet zijn de ware aard van de activiteiten -die in casu doorslaggevend is voor de beoordeling van de planologische verenigbaarheid van de inrichting- te achterhalen en te kwalificeren; Overwegende dat de verwerende partij de tekortkomingen in de motivering van het bestreden besluit niet vermag te remediëren middels het aanhalen van bijkomende motieven in de door haar neergelegde procedurestukken; dat het middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
  22. Vernietigd wordt het besluit van 23 september 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij het beroep dat Urbain MUSCH had ingesteld tegen het besluit van 19 april 1999 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Roosdaal houdende het verlenen aan André DEVRIENDT van de vergunning voor een termijn van één jaar op proef voor het exploiteren van een "inrichting voor tuinonderhoud", gelegen aan de Koning Albertstraat 107 te Roosdaal, gegrond wordt verklaard, het beroepen besluit wordt opgeheven en de gevraagde milieuvergunning wordt geweigerd. Artikel
  23. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  24. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-20.005-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien december tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, voorzitter van de VIIe kamer, de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-20.005-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.954 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.