← België

Arrest 165956 - Milieuvergunningen - 14/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.956 Rolnummer: A. 85475/VII-18926 Zaak: Arrest 165956 - Milieuvergunningen - 14/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-08 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 11:43 Fiche Arrest nr 165.956 van 14 december 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.956 van 14 december 2006 in de zaak A. 85.475/VII-18.

  1. In zake : de n.v. CORNELIS TRANSPORT, die woonplaats kiest bij advocaat M. DENYS, kantoor houdende te BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiezend bij advocaat D. DE GREEF, kantoor houdende te ZELLIK, Noorderlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. CORNELIS TRANSPORT op 16 juli 1999 heeft ingediend om de gedeeltelijke vernietiging te vorderen van het besluit van 12 mei 1999 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling waarbij het beroep dat zij had ingesteld tegen het besluit van 5 november 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende weigering van de vergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een transportbedrijf, gelegen aan de Nieuwenrodestraat 60 te Meise, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, het beroepen besluit wordt opgeheven en haar de gevraagde vergunning wordt verleend, behoudens voor het exploiteren van een truck- wasinstallatie en het bijhorende lozen van bedrijfsafvalwater; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 11 april 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-18.926-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 28 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. HULPIAU die, loco advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat L. VANDERSPIEGEL die, loco advocaat D. DE GREEF verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij exploiteert aan de Nieuwenrodestraat 60 te Meise een transportbedrijf. De inrichting werd oorspronkelijk vergund bij besluit van 19 oktober 1989 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant. Die vergunning werd verleend voor een termijn van tien jaar, gelet op de zonevreemdheid van het bedrijf. 1.
  5. Op 10 juli 1998 dient de verzoekende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een aanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen van de inrichting op de bestaande vestigingsplaats. Tot het voorwerp van de aanvraag behoren : - het lozen van 25 m3/jaar huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering; - het lozen van 350 m3/jaar bedrijfsafvalwater, afkomstig van de truck- wasinstallatie, in een gracht die aansluit op de openbare riolering; - een luchtcompressor met een vermogen van 5,5 kW; VII-18.926-2/7 - een stalplaats voor 15 vrachtwagens en 15 aanhangwagens; - een truck-wasinstallatie; - een onderhouds- en herstellingswerkplaats voor vrachtwagens met één schouwput; - een opslagplaats voor 208 liter monoethyleenglycol en voor 24 liter isopropylalcohol in vaten en bussen; - de opslag van 50.000 liter dieselolie in twee ingegraven enkelwandige houders met een inhoudsvermogen van respectievelijk 40.000 en 10.000 liter; - de opslag van 13.000 liter stookolie in twee ingegraven houders met een inhoudsvermogen van respectievelijk 10.000 en 3.000 liter; - de opslag van 13.000 liter benzine in een ingegraven enkelwandige houder; - een opslagplaats voor 5.000 liter lamppetroleum; - de opslag van 3.000 liter afvalolie in een ingegraven houder; - de opslag van 1.000 liter diverse minerale oliën in vaten en bussen; - vijf verdeelinstallaties voor vloeibare koolwaterstoffen; - een werkplaats voor metaalbewerking (uitgerust met een draaibank en een kolomboormachine met een gezamenlijk vermogen van 5 kW). 1.
  6. Met een besluit van 5 november 1998 weigert de bestendige deputatie de gevraagde vergunning. Het decisief motief voor die weigering is de onverenigbaarheid van de inrichting met de gewestplanbestemming agrarisch gebied. 1.
  7. Op 11 december 1998 stelt de verzoekende partij bij de Vlaamse regering beroep in tegen dit besluit. In het beroepschrift wordt onder meer gesteld : "Gegeven bovenstaande elementen, meent beroepster zich te kunnen steunen op de voorschriften van de artikelen 43 §§ 7 en 8 van de voor het Vlaams Gewest gecoördineerde stedenbouwwet om aanspraak te maken op de milieuvergunning voor de verlenging en de verandering van haar inrichting. De uitbating vindt immers plaats, voor het grootste gedeelte in gebouwen waarvoor een regelmatige en definitieve bouwvergunning voorhanden is, en voor een gedeelte in gebouwen waarvoor later in het kader van een gebeurlijke strafprocedure wellicht een meerwaarde zal dienen betaald te worden. Ook aan de voorwaarde van artikel 43 § 7 van de wet met betrekking tot de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening is duidelijk voldaan. (...). Minstens kan er geen probleem zijn om de milieuvergunning te verlenen voor het gedeelte van de activiteiten die gesitueerd zijn in het gedeelte van de gebouwen waarvoor op dit ogenblik een bouwvergunning voorhanden is". VII-18.926-3/7 1.
  8. Nadat de vereiste adviezen werden ingewonnen wordt, met het bestreden besluit, het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, het beroepen besluit opgeheven, en aan de verzoekende partij de gevraagde vergunning verleend, behoudens voor het exploiteren van een truckwasinstallatie en het bijhorende lozen van bedrijfsafvalwater. Dit besluit bevat voornamelijk volgende motivering : "(...) "Gelet op de ligging van de inrichting in agrarisch gebied volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, niet verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de weigering gebaseerd is op volgende argumenten : - het betreft een inrichting die gelegen is in een agrarisch gebied en als dusdanig zone-vreemd is; - de truck-wash en de opslag van 50 ton karton zijn nooit vergund; - de metalen houders voor ontvlambare vloeistoffen zijn enkelwandig en voldoen derhalve niet aan de voorschriften van titel II van het Vlarem; Overwegende dat de vergunning bij besluit nr. 12/72604/48483 dd. 19 oktober 1989 van de bestendige deputatie wegens de ligging in het agrarisch gebied werd verleend voor een termijn van 10 jaar met het oog op herlocatie; Overwegende dat de aanvrager verschillende pogingen heeft ondernomen om een geschikte inplantingsplaats te vinden; dat het bedrijf tot op heden niet kon herlocaliseren omdat van de realisatie van het sinds 1970 op de gewestplannen voorziene industrieterrein van Meise-Wolvertem, om allerlei redenen niets in huis komt; Overwegende dat niettegenstaande de ligging in het agrarisch gebied aan het bedrijf drie bouwvergunningen werden verleend, nl. op 3 april 1980 voor het bijbouwen van een loods, op 4 oktober 1985 voor het uitbreiden van een bestaande loods en op 13 juli 1990 voor het oprichten van een loods; dat volgens het advies van 25 februari 1999 van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen de verdere exploitatie kan worden toegestaan in de vergunde loodsen of voor de vergunde delen ervan; Overwegende dat de bouwvergunning van 13 juli 1990 niet werd gerespecteerd; dat de loods te groot werd gebouwd; dat dus slechts deze activiteiten kunnen vergund worden welke plaatsvinden in het vergunde deel van de loods; dat uit het plan behorende bij de bouwvergunning van 13 juli 1990 blijkt dat de truck-wasinstallatie zich bevindt in het niet vergunde gedeelte van de loods en derhalve niet vergund kan worden; dat lozing van bedrijfsafvalwater afkomstig van de truck-wasinstallatie derhalve evenmin voor vergunning in aanmerking komt; Overwegende dat de activiteiten welke gebeuren in de loods, gelet de afstand van de inrichting ten opzichte van het landelijk woongebied (ca. 500 m) en gezien er in een straal van 100 m slechts 2 woningen gelegen zijn, weinig hinder met zich meebrengen voor de omgeving; dat er in het verleden in verband met deze inrichting geen klachten over eventuele hinder werden geuit door de buurtbewoners; (...) VII-18.926-4/7 Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits naleving van aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat de exploitatie evenwel niet kan worden toegestaan in het gedeelte van de loods dat niet werd gebouwd conform de bouwvergunning; dat om die reden de vergunning dient geweigerd voor de truck-wasinstallatie en de navolgende lozing van het bedrijfsafvalwater";
  9. Ontvankelijkheid 2.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij het voorwerp van haar beroep uitdrukkelijk beperkt tot het gedeelte van de bestreden beslissing waarbij de vergunning voor de onderdelen "truckwasinstallatie en het lozen van 350 m³ bedrijfsafvalwater" wordt geweigerd ; dat ambtshalve dient onderzocht te worden of het annulatieberoep in die omstandigheden ontvankelijk is; 2.
  11. Overwegende dat een milieuvergunning in beginsel één en ondeelbaar is, en niet op ontvankelijke wijze gedeeltelijk met een annulatieberoep kan worden bestreden; dat van dit beginsel, bij wege van uitzondering, die beperkend moet worden uitgelegd, alleen kan worden afgeweken wanneer vaststaat dat het aangevochten gedeelte afgesplitst kan worden van de rest van de vergunning en dat de overheid ook afgezien van het afgesplitste gedeelte voor het niet aangevochten gedeelte dezelfde beslissing zou hebben genomen; dat er anders over oordelen tot gevolg zou hebben dat de Raad van State zich op het domein van de beleidsuitoefening van de betrokken overheid zou begeven en zou overgaan tot hervorming, en niet vernietiging, van de beslissing waarvan het bestreden gedeelte een onlosmakelijk onderdeel is, vermits het niet bestreden gedeelte hoe dan ook zou blijven bestaan ; dat na een gebeurlijke vernietiging die overheid haar beleidsmatige, discretionaire, bevoegdheid ten aanzien van de aanvraag die tot de beslissing, waarvan het bestredene onafscheidelijk deel uitmaakt, heeft geleid, ten volle moet kunnen blijven uitoefenen, weliswaar rekening houdend met het gezag van gewijsde van het arrest; 2.
  12. Overwegende dat in casu de -in rechte- nieuwe truckwasinstallatie en de ermee gepaard gaande lozing van bedrijfsafvalwater, integraal deel uitmaken van het transportbedrijf van de verzoekende partij en van de vergunningsaanvraag die tot de bestreden beslissing heeft geleid; dat niet vaststaat dat de verwerende partij zonder de bestreden weigering van de vergunning voor de truckwasinstallatie, de VII-18.926-5/7 gevraagde vergunning voor het andere gedeelte ook zou hebben toegestaan, mede in acht genomen het -niet betwiste- principiële zonevreemde karakter van de inrichting in haar geheel; dat de verzoekende partij het tegendeel niet aannemelijk maakt, ook niet in haar laatste memorie; dat het enkele feit dat de betrokken installatie slechts een klein onderdeel van de gehele inrichting uitmaakt daartoe niet volstaat; dat immers niet valt uit te sluiten dat de verwerende partij bij haar heroverweging na annulatie van de milieuvergunning, zou overgaan tot een grondiger afweging van de ruimtelijke impact van de gevraagde zonevreemde inrichting dan deze die zij in de bestreden beslissing heeft gemaakt, en alsnog tot het oordeel zou komen dat door die -weze het beperkte- toevoeging van de truckwasinstallatie aan de rest van de inrichting, de goede ruimtelijke ordening wordt geschaad en de ruimtelijke draagkracht van het betrokken gebied wordt overschreden, zodat de afwijkingsmogelijkheid voorzien in artikel 43, § 7, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, niet zou kunnen worden toegepast; dat dus niet is voldaan aan de voorwaarden om op ontvankelijke wijze de gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit te vorderen; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  13. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-18.926-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien december tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, voorzitter van de VIIe kamer, de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-18.926-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.956 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.