← België

Arrest 165958 - Milieuvergunningen - 14/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.958 Rolnummer: A. 104814/VII-23774 Zaak: Arrest 165958 - Milieuvergunningen - 14/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-22 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 11:44 Fiche Arrest nr 165.958 van 14 december 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.958 van 14 december 2006 in de zaak A. 104.814/VII-23.774. In zake : Robert DONTENS, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Robert DONTENS op 18 mei 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 15 maart 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen, waarbij hem verzoeker deels de milieuvergunning wordt geweigerd voor het verder exploiteren van een landbouwbedrijf met 200 runderen en de vergunning wordt beperkt tot het houden van 95 runderen jonger dan 1 jaar, 35 runderen tussen 1 en 2 jaar en 20 'andere' runderen, op een perceel gelegen aan de Vlietwegel te Berlare; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 9 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 29 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 oktober 2006; VII-23.774-1/14 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. HULPIAU die, loco advocaat Ph. VAN WESEMAEL verschijnt voor verzoeker, en van bestuurs- secretaris C. WILLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad van State de zaak als volgt beoordeelt; 1. De feiten 1.1. Sinds 1 januari 1986 baat verzoeker een landbouwbedrijf uit te Berlare aan de Turfputstraat 129. Volgens het gewestplan Dendermonde ligt het bedrijf deels in woongebied en deels in parkgebied. Verzoeker beslist zijn bedrijf te herlocaliseren. 1.2. Op 14 juni 1994 verkrijgt verzoeker van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Berlare een exploitatievergunning voor een termijn van vijf jaar voor een landbouwbedrijf met 200 runderen waarvan 95 runderen jonger dan 1 jaar, 35 runderen van 1 tot 2 jaar, 50 melkkoeien en 20 andere runderen op een perceel aan de Vlietwegel te Berlare. Volgens het gewestplan Dendermonde is deze inrichting gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 1.3. Op 10 oktober 1995 verkrijgt verzoeker van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Berlare een bouwvergunning voor "het bouwen van een veestal (overplaatsing van een bestaand bedrijf)" op het perceel aan de Vlietwegel te Berlare. Er wordt uitdrukkelijk aangegeven dat de te bouwen stal onderdak zal bieden aan het in de exploitatievergunning vergunde aantal dieren, te weten 200 runderen waarvan 95 runderen jonger dan 1 jaar, 35 runderen van 1 tot 2 jaar, 50 melkkoeien en 20 andere runderen. Op het bouwplan wordt een afzonderlijk stalgedeelte voor het melkvee en het bijhorend jongvee vermeld. VII-23.774-2/14 Verzoeker realiseert slechts de helft van de vergunde rundveestal. Er wordt geen afzonderlijk stalgedeelte voor melkvee en geen melkhuisje gerealiseerd. 1.4. Op 3 juli 2000 dient hij een milieuvergunningsaanvraag in voor de verdere exploitatie van de inrichting ("rundveestapel 200 dieren"). 1.5. Op 11 september 2000 verleent de Vlaamse Landmaatschappij een deels gunstig, deels ongunstig advies. De Vlaamse Landmaatschappij meent dat de vergunning beperkt moet worden tot 100 runderen om de vergunde mestproductie niet te laten stijgen. In dit advies wordt onder meer het volgende gesteld: "Plaatsbezoek op 5 september 2000 heeft uitgewezen dat er onvoldoende standplaatsen zijn voor het stallen van de vergunde dieren. Meer bepaald is er vastgesteld dat slechts de helft van de vergunde rundveestal is gerealiseerd. Het stalgedeelte voor het melkvee en bijhorend jongvee - vermeld op het bouwplan van de stal - is niet aanwezig op deze inrichting, evenals de vergunde mestopslag van 500 m³ vaste mest en 696 m³ mengmest. Bijgevolg kan slechts als vergund worden beschouwd: 53 runderen jonger dan 1 jaar, 27 runderen van 1 tot 2 jaar en 20 'andere' runderen". 1.6. Op 3 oktober 2000 verleent het college van burgemeester en schepenen voor een termijn van twintig jaar een gedeeltelijke vergunning voor de exploitatie van "een landbouwbedrijf met 100 inheemse grote zoogdieren en 480 m³ mengmest". 1.7. Verzoeker tekent administratief beroep aan tegen deze beslissing. In het beroepschrift wordt gesteld : "(...) omwille van de korte vergunningstermijn van 5 jaar was de bank niet bereid om de volledige realisatie van de vergunde nieuwe stalling op de Vlietwegel te financieren, wegens financieel niet haalbaar. De realisatie van de nieuwe stallen moest in fasen gebeuren i.p.v. ineens. Via een krediet van 4.500.000 F en veel eigen werk plus inbreng van eigen middelen werd een deel van de nieuwe stal gerealiseerd, het deel met standplaatsen (op strorooster) voor het jongvee en voor de andere runderen, waarin volgens het bouwplan 100 dieren kunnen gestald worden. Omwille van de hoge kostprijs (ca. 12.000.000 fr.) voor de volledige realisatie van het goedgekeurde bouwplan werd er gesleuteld aan de stalinrichting en werd de binneninrichting van de stal derwijze aangepast dat er toch ca. 200 runderen kunnen gestald worden in het reeds gerealiseerde deel van de nieuwe stalling van 30 m op 30 m (op strorooster). Als gevolg van die reorganisatie van de stalindeling en stalinrichting biedt de reeds gebouwde stalruimte dan ook effectief plaats aan 200 runderen. Momenteel zijn er 170 dieren in gehuisvest. Uit het mestbankregister van 2000 blijkt dat er in het voorjaar van 2000 gemiddeld reeds 192 dieren gestald geweest zijn.(...) VII-23.774-3/14 Er moest in oktober ‘98 een nieuwe tractor aangekocht worden (...). Door deze onvoorziene extra-uitgave moest de verdere afwikkeling van de nieuwe stal, nl. de bouw van melkhuis en melkstand noodgedwongen opnieuw worden uitgesteld. Exploitant was er zich helemaal niet van bewust dat de milieuvergunning voor het niet binnen de 3 jaar gerealiseerde deel van de stal kon vervallen. Hij was ervan overtuigd dat de vergunning geldig bleef wanneer de bouw en ingebruikname van de nieuwe stal gedeeltelijk was aangevat en uitgevoerd, zoals dat voor een bouwvergunning het geval is. Door de recente halvering van de oorspronkelijke vergunning van 200 dieren tot slechts 100 dieren, wordt de exploitant volledig geblokkeerd in de aan de gang zijnde verplaatsing van zijn bedrijfsactiviteit en van zijn melkkoeien van het oude bedrijf op de Turfputstraat naar zijn nieuwe bedrijf op de Vlietwegel. Hij wordt daardoor verplicht om verder in de oude en versleten stallen op de Turfputstraat zijn koeien te huisvesten en ze daar verder te melken met de verouderde en voorbijgestreefde melkinstallatie". 1.8. Op 22 december 2000 adviseert de buitendienst Oost-Vlaanderen van AMINAL-milieuvergunningen het beroepen besluit te bevestigen onder meer omdat "de melkkoeien en bijhorend jongvee niet kunnen worden vergund bij gebrek aan de plaatsing van het melkhuisje". 1.9. Op 3 januari 2001 adviseert de AROHM gunstig. 1.10. Op 5 januari 2001 adviseert de Vlaamse Landmaatschappij gunstig voor 100 inheemse grote zoogdieren en ongunstig voor een uitbreiding met 100 inheemse grote zoogdieren. 1.11. Op 31 januari 2001 adviseert de provinciale milieudeskundige het beroepen besluit ongegrond te verklaren. Het advies bevat onder meer volgende beoordeling van de door de exploitant aangehaalde argumenten: "Door de ongunstige ligging en verouderde stalinfrastructuur van het oude bedrijf gelegen aan de Turfputstraat was een herlokalisatie noodzakelijk; door slechts 100 dieren te vergunnen dient op twee bedrijven te worden gewerkt wat bedrijfseconomisch niet rendabel is (het melkvee wordt op het bedrijf in de Turfputstraat gehouden aangezien het melkhuis nog niet werd gerealiseerd); bedrijfseconomische redenen zijn begrijpelijk maar vormen geen basis om de vergunning toch toe te staan". 1.12. Op 6 februari 2001 adviseert de provinciale milieuvergunningscommissie, na de aanvrager te hebben gehoord, het beroepen besluit te wijzigen en vergunning te verlenen voor 150 inheemse grote zoogdieren en te weigeren voor de uitbreiding met 50 runderen. In het advies wordt onder meer overwogen: VII-23.774-4/14 "Gezien binnen deze stal het melkhuisje voor de melkkoeien ontbreekt zou de vergunning hiervoor dienen te worden geweigerd. Hierdoor zou dus een vergunning kunnen worden verleend voor 150 runderen". 1.13. Op 15 maart 2001 wordt het bestreden besluit genomen. Het steunt meer in het bijzonder op de volgende motieven : "Overwegende dat plaatsbezoeken echter hebben uitgewezen dat er in de huidige stal onvoldoende plaatsen voorhanden zijn voor het houden van het vergunde aantal dieren; dat meerbepaald is vastgesteld dat slechts de helft van de vergunde rundveestal is gerealiseerd; dat het stalgedeelte voor het melkvee en bijhorend jongvee, vermeld op het bouwplan van de stal, niet aanwezig is op de inrichting, evenmin als de vergunde mestopslag van 500 m³ stalmest en 696 m³ mengmest; Overwegende dat bijgevolg overeenkomstig artikel 46 § 1 en verwijzend naar artikel 30 §2 van Vlarem 1 slechts als vergund zou kunnen worden beschouwd: 53 runderen jonger dan 1 jaar, 27 runderen van 1 tot 2 jaar en 20 'andere' runderen; dat er derhalve slechts vergunning zou zijn voor het houden van in totaal 100 grote zoogdieren en 480 m³ dierlijke mestopslag en dat voor een termijn die afliep op 10 oktober 2000; Overwegende dat er bij de uitgevoerde stal is vastgesteld dat er 12 boxen voorzien zijn (ca. 13 dieren/box) waarbij het achterste deel ingestrooid is en het voorste gedeelte voorzien is van roosters; dat, gelet op de aanwezige oppervlakte hierin 95 runderen jonger dan 1 jaar, 35 runderen van 1 tot 2 jaar en 20 'andere' runderen zouden kunnen worden gestald; dat, gezien binnen deze stal het melkhuisje voor de melkkoeien ontbreekt de vergunning hiervoor zou dienen te worden geweigerd; dat hierdoor dus een vergunning zou kunnen worden verleend voor 150 runderen; Overwegende dat op basis van de gebruikelijke norm voor ingestrooide loopstallen er per volwassen rund 5 m² vereist is en 2 à 3 m² voor jongvee; dat de stalruimte aldus voldoende plaats biedt om 150 runderen te stallen; (...) Overwegende dat gelet op het feit dat er voldoende plaats is in de stal voor 150 runderen, enkel de vergunning voor de 50 melkkoeien als vervallen dient te worden beschouwd omdat de melkinstallatie ontbreekt en er op het bedrijf nooit melkkoeien werden gehouden; dat in dit geval de vergunde mestproductie 2.320 kg/jaar P2O5 en 7210 kg/jaar N bedraagt"; 2. Beoordeling 2.1.1. Als eerste middel voert verzoeker het volgende aan : "Eerste middel genomen uit de schending van artikel 28 §1, 3/ van het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 en artikel 46, 3/ van het Vlarem I- besluit van 6 februari 1991, uit de schending van artikel 33ter §1, 1/,

  1. c)van het Meststoffendecreet van 23 januari 1991, uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht der bestuurshandelingen, uit de schending van het gelijkheids-, het zorgvuldigheids- en het continuïteitsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, wegens het ontbreken van de rechtens vereiste grondslag, en wegens machtsoverschrijding. VII-23.774-5/14 Doordat de bestreden beslissing van de Bestendige Deputatie van Oost-Vlaanderen in essentie is gebaseerd op de overweging dat 'gelet op het feit dat er voldoende plaats is in de stal voor 150 runderen, enkel de vergunning voor de 50 melkkoeien als vervallen dient te worden beschouwd omdat de melkinstallatie ontbreekt en er op het bedrijf nooit melkkoeien werden gehouden'. En doordat het provinciebestuur er aldus niet alleen vanuit gaat dat er op het bedrijf van beroeper geen plaats is voor 200 runderen, maar bovendien louter op basis van het feit dat er geen melkinstallatie aanwezig is op het bedrijf, foutief aanneemt dat de 50 melkkoeien van het wit-blauwe ras nooit op het bedrijf aan de Vlietwegel worden gestald. Terwijl, eerste onderdeel, de inrichting van beroeper, zoals hierboven aangetoond in het relaas der voorgaanden, over ruim voldoende stalruimte beschikt om 200 runderen te stallen, nu de oorspronkelijk op het gelijkvloers geplande stroberging naar het verdiep werd overgebracht, en beroeper zodoende over een netto vloeroppervlakte voor het stallen van de runderen beschikt van 750 m² (900 m² min 150 m² voor de voedergang van 30 m op 5 m). En terwijl deze feitelijke gegevens niet kunnen worden betwist, nu deze genoegzaam blijken uit de plannen voor de bouwvergunning die in 1995 werden ingediend en de foto’s die beroeper naar aanleiding van de hoorzitting heeft overhandigd, en thans nogmaals bij onderhavig verzoekschrift voegt. En terwijl het provinciebestuur bij het berekenen van de runderplaatsen uitgaat van een vereiste oppervlakte van 5 m², per volwassen rund en 2 à 3 m² per stuk jongvee, om zodoende te komen tot een stalruimte die slechts voldoende plaats biedt om 150 runderen te stallen. En terwijl men aan de hand van deze cijfers de exacte berekening maakt van de ruimte die nodig is voor de vergunning die beroeper had gevraagd, men komt tot een totale vereiste oppervlakte van 740 m², zijnde 70 volwassen dieren x 5 m²=350 m² en 130 dieren jonger dan l jaar of tussen 1 en 2 jaar x 3 m²=390 m². En terwijl beroeper in de loop van de administratieve procedure omstandig heeft aangetoond dat zijn stal een netto beschikbare vloeroppervlakte van 750 m² bezit voor het stallen van de dieren. En terwijl daarnaast tevens dient te worden opgemerkt dat de vergunningverlenende overheid normaliter slechts uitgaat van een vereiste stalruimte van 3 m² per volwassen rund en 2 m² per stuk jongvee (cf. p. 4 van het advies van de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL, waar zelfs expliciet en met naam naar een andere zaak wordt verwezen die door de Bestendige Deputatie van Oost-Vlaanderen is behandeld), zodat men alsdan slechts tot een vereiste stalruimte van 470 m² komt (210 m² voor de volwassen runderen en 260 m² voor het jongvee jonger dan 1 jaar of tussen 1 en 2 jaar). En terwijl, zelfs indien men zou uitgaan van de cijfers die de Vlaamse Landmaatschappij steeds in haar adviezen hanteert, ook dan voldoende stalruimte voorhanden is op het bedrijf van beroeper, nu de Vlaamse Landmaatschappij uitgaat van een vereiste stalruimte van 5 m² voor volwassen dieren, 2 m² voor jongvee en 3 m² voor vee tussen 1 en 2 jaar (cf. p. 7 advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie), wat in het geval van beroeper een totale vereiste stalruimte oplevert van 640 m² (350 m² + 190 m² + 105 m²). En terwijl het provinciebestuur zodoende niet enkel geenszins rekening houdt met de werkelijke beschikbare stalruimte op het bedrijf van beroeper, maar tevens uitgaat van totaal arbitraire cijfers die nergens terug te vinden zijn in de door de verschillende instanties in het kader van de beroepsprocedure uitgebrachte adviezen. En terwijl nochtans uit de motivering van een weigeringsbesluit moet blijken waarom bepaalde adviezen niet werden gevolgd, en dus a fortiori ook waarom in het bestreden besluit ineens andere cijfers worden gehanteerd met betrekking VII-23.774-6/14 tot de minimum vereiste stalruimte voor runderen dan in de verschillende uitgebrachte adviezen (cf. LANCKSWEERDT, E., De milieurechtspraak van de Raad van State gedurende het gerechtelijk jaar 1995-1996 (1 september 1995-31 augustus 1996), T.M.R., 1996, 405). En terwijl beroeper dan ook enkel kan besluiten dat zijn aanvraag niet op voet van gelijkheid met andere gelijkaardige aanvragen is behandeld, nu in de optiek van de Bestendige Deputatie in het geval van beroeper meer vereiste stalruimte zou nodig zijn dan op andere bedrijven, en het bestreden besluit dan ook het gelijkheidsbeginsel schendt. En terwijl, tweede onderdeel, ook de overweging van het provinciebestuur dat de milieuvergunning voor de 50 melkkoeien vervallen zou zijn, is gebaseerd op een totaal foutief uitgangspunt dat geenszins strookt met de werkelijkheid. En terwijl, zoals hierboven in het relaas der voorgaanden uitgelegd, beroeper inderdaad omwille van financiële overwegingen er nog niet toe gekomen is om op het nieuwe bedrijf een melkinstallatie te installeren. En terwijl daaruit echter niet kan worden afgeleid dat op het nieuwe bedrijf en in de (deels) opgerichte stal nooit melkkoeien zouden zijn gehouden. En terwijl de door beroeper op het bedrijf gehouden melkkoeien immers van het wit-blauwe ras zijn, en daardoor zeven à acht maanden per jaar 'droog' staan en gedurende die maanden geen melk geven en niet dienen te worden gemolken. En terwijl het provinciebestuur zodoende geen rekening heeft gehouden met de feitelijke gegevens van het dossier, waaruit moet blijken dat deze melkkoeien slechts een drie- à viertal maanden per jaar worden ondergebracht op het ouderlijke bedrijf om daar te worden gemolken, maar voor de rest van het jaar wel degelijk worden ondergebracht in de nieuw gebouwde stal van het in 1994 opgerichte bedrijf aan de Vlietwegel. En terwijl zodoende niet kan worden beweerd dat de milieuvergunning voor het houden van 50 melkkoeien is vervallen, nu deze melkkoeien minstens zeven maanden per jaar op het bedrijf worden gestald, wat ruim voldoende is om het verval van de milieuvergunning te vermijden. En terwijl logischerwijze dan ook niet kan worden gesteld dat de aanvraag van beroeper een verhoging van de vergunde mestproductie zou inhouden. En terwijl, in de mate dat in het bestreden besluit wordt gesteld dat er slechts plaats is voor 150 runderen op het bedrijf van beroeper en dat daarenboven de milieuvergunning voor het houden van 50 melkkoeien zou zijn vervallen, dit de in de aanhef van het middel aangehaalde rechtsbepalingen schendt, nu de weigeringsmotieven van het bestreden besluit niet zijn gebaseerd op correcte feiten en de rechtens vereiste grondslag ontberen (cf. OPDEBEEK, I. en COOLSAET, A., De uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, Die Keure, Brugge, 1999, p. 152 en de aldaar aangehaalde rechtspraak)". 2.1.2. De verwerende partij stelt daar tegenover het volgende : In het besluit van de Bestendige Deputatie van 15 maart 2001 wordt duidelijk weergegeven hoe de Bestendige Deputatie tot haar besluit kwam: Bij besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 1992 (B.S. 02 februari 1993) werden de runderen van 25 tot 500 stuks in agrarisch gebied ingedeeld in de 3de klasse. Op 30 maart 1993 werd door het College van Burgemeester en Schepenen van Berlare een aktename verricht voor 200 runderen. Op 11 september 1993 werd in het Staatsblad een erratum gepubliceerd waarbij de 25 tot 500 runderen gehouden in agrarisch gebied werden ingedeeld in de 2de klasse. Hierop werd door het College van Burgemeester en Schepenen van Berlare op 14 juni 1994 een vergunning afgeleverd voor 200 runderen. VII-23.774-7/14 Aangezien hiervoor de procedure volgens artikel 38 van Vlarem 1 werd gevolgd, kon de vergunning slechts worden toegekend voor een termijn van 5 jaar. Conform de bepalingen van artikel 30 §6 van Vlarem 1 wordt de eindtermijn van de vergunning opgeschoven en begint deze pas te lopen vanaf het ogenblik dat de eraan gekoppelde bouwvergunning definitief werd verleend. Aangezien de bouwvergunning dateert van 10 oktober 1995 verviel de milieuvergunning dus op 10 oktober 2000. Plaatsbezoeken hadden echter uitgewezen dat er in de huidige stal onvoldoende plaatsen voorhanden zijn voor het houden van het vergunde aantal dieren. Meer bepaald werd vastgesteld dat slechts de helft van de vergunde rundveestal is gerealiseerd. Het stalgedeelte voor het melkvee en bijhorend jongvee, vermeld op het bouwplan van de stal, is niet aanwezig op de inrichting, evenmin als de vergunde mestopslag van 500 m³ stalmest en 696 m³ mengmest. Volgens de VLM en AMINAL-AMV kan overeenkomstig artikel 46 § 1 en verwijzend naar artikel 30 §2 van Vlarem I slechts als vergund worden beschouwd: 53 runderen Derhalve zou er slechts vergunning zijn voor het houden van in totaal 100 grote zoogdieren en 480 m³ dierlijke mestopslag en dat voor een termijn die afliep op 10 oktober 2000. Bij de uitgevoerde stal is er evenwel vastgesteld dat er 12 boxen voorzien zijn (ca. 13 dieren/box) waarbij het achterste deel ingestrooid is en het voorste gedeelte voorzien is van roosters. Gelet op de aanwezige oppervlakte zouden hierin 95 runderen Aangezien binnen deze stal het melkhuisje voor de melkkoeien ontbreekt en er nooit melkkoeien op de inrichting werden gehouden diende volgens de Provinciale milieuvergunningscommissie de vergunning voor de 50 melkkoeien als vervallen te worden beschouwd. Op basis van de gebruikelijke norm voor ingestrooide loopstallen is er per volwassen rund 5 m² vereist en 2 à 3 m² voor jongvee. De stalruimte biedt aldus voldoende plaats om 150 runderen te stallen. Aangezien het advies van de Provinciale milieuvergunningscommissie eigenlijk een gezamenlijk advies is van alle adviserende diensten die ter zitting aanwezig zijn en allen zich konden aansluiten bij deze visie, werd het advies van de Provinciale milieuvergunningscommissie integraal door de Bestendige Deputatie gevolgd en kon er volgens de Bestendige Deputatie dus nog een vergunning worden verleend voor 150 runderen". 2.1.3. In zijn memorie van wederantwoord voert verzoeker het volgende aan : "De mening van tegenpartij aangaande dit middel kan niet gevolgd worden. Bovendien weerlegt tegenpartij op geen enkele wijze de door beroeper naar voor gebrachte argumentatie, maar beperkt zij zich tot een weergave van de feiten en voorgaanden die hebben geleid tot de weigering van de milieuvergunning. Zoals reeds gesteld in het beroep tot nietigverklaring, gaat het bestreden besluit foutief, en louter op basis van het feit dat er geen melkinstallatie aanwezig is op het bedrijf, uit van de veronderstelling dat er op de inrichting geen plaats is voor 200 runderen. In casu moet worden vastgesteld dat beroeper in de loop van de vergunningsprocedure voldoende concrete gegevens heeft verstrekt aan de vergunningverlenende overheid waaruit bleek dat er wel degelijk plaats is voor 200 runderen op het bedrijf en deze er ook effectief worden gestald (cf. de VII-23.774-8/14 mestbankaangiftes van de voorbije jaren, waaruit een gemiddelde bezetting van 192 dieren blijkt). Beroeper heeft hiertoe de bouwplannen overhandigd, alsmede een fotoreeks, die ook bij het beroep tot nietigverklaring werden gevoegd. Niettegenstaande deze feitelijke en ontegensprekelijke gegevens, hield tegenpartij echter geen rekening met de werkelijk beschikbare stalruimte op het bedrijf. Bovendien werd uitgegaan van totaal arbitraire cijfers om de vereiste stalruimte te berekenen, die nergens terug te vinden zijn in de door de verschillende instanties in het kader van de beroepsprocedure uitgebrachte adviezen. De bestreden beslissing schendt dan ook om die reden het gelijkheidsbeginsel, nu in het geval van beroeper blijkbaar meer vereiste stalruimte nodig is dan op andere bedrijven. Ook met betrekking tot het tweede onderdeel van onderhavig middel volhardt tegenpartij blijkbaar in haar foutieve redenering dat de milieuvergunning voor 50 runderen zou zijn vervallen. Tegenpartij voert hieromtrent verder geen andere argumentatie aan dan een loutere verwijzing naar de voorgaanden, zodat beroeper voor het overige integraal verwijst naar zijn uiteenzetting onder het eerste middel in het beroep tot nietigverklaring". 2.1.4. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker het volgende : "In de loop van de vergunningsprocedure heeft beroeper echter voldoende concrete gegevens verstrekt aan de vergunningverlenende overheid waaruit bleek dat er wel plaats is voor 200 runderen op het bedrijf, én deze er ook effectief worden gestald. Zo werden ondermeer de mestbankaangiftes van de voorbije jaren medegedeeld, waaruit een gemiddelde bezetting van 192 dieren blijkt, waaronder dus logischerwijze de 50 runderen vallen waarvoor de vergunning vervallen zou zijn. Anders is het immers onmogelijk om aan een gemiddelde van 192 runderen te komen. De Bestendige Deputatie had dan ook niet zomaar kunnen stellen dat de vergunning voor 50 runderen vervallen was, als zo overduidelijk blijkt dat er nog meer als 150 runderen gestald worden. Verder werden ook bouwplannen en een fotoreeks overhandigd. Het feit dat de indertijd vergunde runderstal niet volledig werd gerealiseerd, en dit om financiële redenen, toont in ieder geval niet het verval van de milieuvergunning aan. In dit kader wenst beroeper te verwijzen naar het arrest van uw Raad dd. 28 juni 2005. Het Vlaams Gewest, verwerende partij in deze zaak, meende dat de heer Docker, verzoekende partij, geen belang meer had bij zijn beroep, omdat er geen bouwvergunning voorhanden was voor de mestvarkensstal voor 540 dierplaatsen en een deel van de staanplaatsen in de oude stallen meer dan 2 jaar leegstond door de overplaatsing van dieren naar een nieuwe (illegale) stal. Zij meende dat daardoor de bijhorende vergunning in toepassing van artikel 46 van Vlarem I was vervallen. De Raad volgde het Vlaams Gewest echter niet in deze stelling, en oordeelde, met verwijzing naar artikel 46 van Vlarem I, als volgt : 'Dat verzoeker krachtens de exploitatievergunning van 25 november 1985 over een vergunning beschikte voor, wat het aantal varkens betreft, 60 zeugen en 870 mestvarkens; dat niet wordt betwist dat verzoeker steeds ongeveer het aantal varkens heeft gehouden waarvoor hij een exploitatievergunning kreeg; dat hij weliswaar een gedeelte van de dieren waarop evengenoemde vergunning sloeg, gedurende een zekere tijd niet heeft gehouden in de stallen waarop deze vergunning sloeg, maar heeft VII-23.774-9/14 ondergebracht in een andere stal, dat dit evenwel niet één van de gevallen vermeld in artikel 46 van Vlarem I - bepaling die restrictief moet worden geïnterpreteerd - uitmaakt, die een verval van de milieuvergunning meebrengt; dat de exceptie niet kan worden aangenomen'. (R.v.St., Docker, nnr. 146.895, 28 juni 2005). Rekening houdende met deze rechtspraak, en wetende dat beroeper in de loop van de vergunningsprocedure wel degelijk elementen heeft aangebracht waaruit bleek dat hij nog steeds het voorheen vergunde aantal dieren hield (zoals daar zijn de mestbankaangiftes met een gemiddelde van 192 runderen), had de Bestendige Deputatie niet mogen oordelen dat de milieuvergunning vervallen was voor 50 dieren. Door de weigering van de vergunning voor deze 50 runderen toch te motiveren met verwijzing naar artikel 46 en 30 van het Vlarem I schond tegenpartij deze artikelen, alsook de artikelen 2 en 3 van de Wet dd. 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen". 2.1.5. Verzoeker heeft reeds bij de behandeling van zijn administratief beroep het argument aangevoerd dat er in de stal plaats is voor tweehonderd dieren. Het bestreden besluit motiveert waarom dit volgens de verwerende partij niet het geval is en waarom de milieuvergunning gedeeltelijk is vervallen. Verzoeker slaagt er niet in de onjuistheid aan te tonen van het determinerend motief van de bestreden beslissing volgens hetwelk "de vergunning voor de 50 melkkoeien als vervallen dient te worden beschouwd omdat de melkinstallatie ontbreekt en er op het bedrijf nooit melkkoeien werden gehouden". Verzoeker heeft immers op geen enkel ogenblik in de administratieve procedure beweerd dat, zoals hij thans voorhoudt, de 50 melkkoeien die begrepen waren in de exploitatievergunning op de nieuwe vestiging in de Vlietwegel zouden zijn gestald. Integendeel, heeft verzoeker in zijn beroepschrift gesteld dat hij “verplicht (
  2. is)om verder in oude en versleten stallen op de Turfputstraat zijn koeien te huisvesten en ze daar verder te melken met de verouderde en voorbijgestreefde melkinstallatie”. Het is pas voor de Raad van State dat verzoeker beweert dat de 50 melkkoeien slechts 4 à 5 maanden op het oorspronkelijke bedrijf in de Turfputstraat worden gestald en de rest van het jaar op de nieuwe vestiging in de Vlietwegel. Het kan de bestendige deputatie niet worden verweten dat ze geen rekening heeft gehouden met een voorstelling van zaken waarvan ze door toedoen van verzoeker zelf geen kennis had. Het arrest waarnaar verzoeker verwijst in zijn laatste memorie doet te dezen niet ter zake. In tegenstelling tot het aldaar behandelde geval zijn de stallen gevestigd op twee plaatsen, aan de Turfputstraat en aan de Vlietwegel en heeft de bestreden beslissing betrekking op de exploitatievergunning voor laatstgenoemde inrichting. De exploitatievergunning van een inrichting geldt uiteraard voor die inrichting op een welbepaalde locatie. Het niet exploiteren van een inrichting of een gedeelte ervan gedurende twee opeenvolgende jaren op de locatie waarvoor de VII-23.774-10/14 vergunning geldt brengt overeenkomstig artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 het verval, geheel of gedeeltelijk naargelang het geval, van die exploitatievergunning mee. De redenen waarom de indertijd vergunde runderstal niet volledig werd gerealiseerd doen niet ter zake. Voor het overige komt het middel neer op een kritiek op de door de verwerende partij gehanteerde technische normen inzake stalruimte. Verzoeker slaagt er niet in aan te tonen dat de gehanteerde normen onwettig of kennelijk onredelijk zijn. De Raad van State is niet bevoegd om de opportuniteit van deze normen en de door verzoeker aangebrachte feitelijke gegevens inzake het melken en de stalling van de dieren te beoordelen. Het is niet aangetoond dat deze gegevens in de loop van de administratieve procedure ter kennis werden gebracht van de verwerende partij, zodat haar niet kan worden verweten daarmee geen rekening te hebben gehouden. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet- discriminatie verzetten er zich tegen dat personen die in dezelfde of een vergelijkbare toestand verkeren, zonder objectieve en redelijke verantwoording verschillend worden behandeld. Om de schending van die regels door de bestreden beslissing te doen aannemen, diende verzoeker dan ook op voldoende concrete wijze aan te geven ten opzichte van welke vergelijkbare categorie van personen hij door de verwerende partij ongelijk is behandeld. Het middel is niet gegrond. 2.2.1. Als tweede middel voert verzoeker het volgende aan : "Tweede middel, genomen uit de schending van artikel 17 van het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1995 en artikel 30 §1, 5/ van het Vlarem I- besluit van 6 februari 1991, uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht der bestuurshandelingen, en uit de schending van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Doordat de Bestendige Deputatie de aanvraag van beroeper deels heeft geweigerd op de overweging dat 'er in de huidige stal onvoldoende plaatsen voorhanden zijn voor het houden van het vergunde aantal dieren'. Terwijl in de bestreden beslissing met betrekking tot deze bewering slechts wordt gesteld dat 'plaatsbezoeken dit hebben uitgewezen', maar nergens enige andere gegevens worden aangedragen die deze bewering kunnen staven. En terwijl tevens niet wordt verklaard waarom de door beroeper in de loop van de administratieve beroepsprocedure verstrekte gegevens niet voldoende bewijs opleveren van het feit dat in casu zijn bedrijf wel degelijk voldoende stalruimte biedt voor 200 runderen. En terwijl nochtans zowel de milieuwetgeving als de Motiveringswet van 29 juli 1991 de vergunningverlenende overheid verplichten om weigeringsbeslissingen inzake milieuvergunningsaanvragen afdoende en in feite correct te motiveren. VII-23.774-11/14 En terwijl het bestreden besluit door de door beroeper verstrekte gegevens aangaande de beschikbare stalruimte terzijde te laten, er verkeerdelijk vanuit is gegaan dat de stal slechts 150 runderen kan stallen, reden waarom de vergunningsaanvraag van beroeper een verhoging van de vergunde mestproductie zou inhouden. En terwijl de door beroeper naar aanleiding van de hoorzitting aangedragen nota en gegevens er net op waren gericht om duidelijkheid te verschaffen omtrent de werkelijke beschikbare stalruimte op het bedrijf, en meer bepaald om aan te tonen dat de aanvraag, ook al was de in 1995 verleende bouwvergunning nog niet volledig uitgevoerd, een loutere hernieuwing van de exploitatie inhoudt. En terwijl de bestreden beslissing de bijkomende bewijsstukken die beroeper op de hoorzitting heeft overhandigd, niet onderzoekt en het bestaan van deze stukken gewoon negeert. En terwijl de vergunningverlenende overheid in het kader van zijn motiveringsplicht niet vermag voorbij te gaan aan stukken waarnaar op de hoorzitting bij de behandeling van het beroep uitdrukkelijk wordt verwezen en minstens moet motiveren waarom aan deze stukken wordt voorbijgegaan (cf. R.v.St., De Rijcke-Hons, nr. 71.743, 11 februari 1998). En terwijl de Bestendige Deputatie aldus minstens had moeten onderzoeken of de bedoelde stukken de weigering van de vergunning al of niet in de weg stonden. En terwijl het provinciebestuur aldus door de stukken die beroeper op de hoorzitting neerlegde te negeren onder het mom dat de vergunning voor de 50 melkkoeien sowieso was vervallen, de in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen schendt. En terwijl het bestreden besluit eveneens volledig voorbijgaat aan de Mestbankaangiftes van beroeper in de voorbije jaren, waaruit blijkt dat steeds meer dan 150 dieren op het nieuwe bedrijf zijn gehouden en de vergunning voor de 50 melkkoeien dus onmogelijk kan zijn vervallen. En terwijl de Mestbankaangiftes van een in het kader van het stand-still-principe van de vergunde mestproductie, zoals ingevoegd door artikel 33ter in het Meststoffendecreet, op zich reeds een ernstige indicatie vormen over de geldigheid van in het verleden verleende vergunningen. En terwijl het provinciebestuur zodoende ook in dit opzicht is tekortgeschoten in haar motiverings- en zorgvuldigheidsplicht, door gegevens die van cruciaal belang zijn voor de aanvraag van beroeper en de toekomst van diens bedrijf, zomaar zonder enige motivering naast zich neer te leggen". 2.2.2. Met betrekking tot het tweede middel antwoordt de verwerende partij hetgeen volgt: "In de eerste plaats verwijst de Bestendige Deputatie inderdaad naar hetgeen werd vastgesteld bij de plaatsbezoeken, namelijk dat slechts de helft van de vergunde rundveestal is gerealiseerd; dat het stalgedeelte voor het melkvee en bijhorend jongvee, vermeld op het bouwplan van de stal, niet aanwezig is op de inrichting, evenmin als de vergunde mestopslag van 500 m³ stalmest en 696 m³ mengmest. Bovendien werd bij de plaatsbezoeken vastgesteld dat bij de uitgevoerde stal er 12 boxen aanwezig zijn met ca. 13 dieren/box. De Bestendige Deputatie geeft in haar besluit evenwel ook de argumenten weer die verzoeker ter zitting heeft aangevoerd alsook het feit dat hij foto’s en een nota neerlegt ter staving. De Bestendige Deputatie merkt bij haar bespreking van de door verzoeker in de beroepsprocedure opgeworpen argumenten ook op dat mits herindeling van de stal en het respecteren van de vereiste stalplaats per dier, het misschien mogelijk is om tot een hogere bezetting te komen maar zij VII-23.774-12/14 stelt te zelfder tijd dat zij niet kan voorbijgaan aan het feit dat de vergunning gedeeltelijk vervallen is, zodat slechts een vergunning kon worden verleend voor 150 runderen. Het tweede middel is ongegrond". 2.2.3. Verzoeker voert in zijn memorie van wederantwoord nog het volgende aan: "Hoewel het provinciebestuur in het bestreden besluit zelf vaststelt dat in de stallen zeker een hogere bezetting mogelijk is dan enkel de 12 boxen met daarin plaatsen voor circa 13 dieren per box, kan zij 'toch niet voorbijgaan aan het feit dat de vergunning gedeeltelijk vervallen is'. Beroeper stelt, net als voor het eerste middel, opnieuw vast dat tegenpartij in de memorie van antwoord nergens als dusdanig enige repliek formuleert op het middel, zoals dit door beroeper in het beroep tot nietigverklaring werd ontwikkeld. Bij de bespreking van het middel herhaalt tegenpartij enkel wat zij beslist heeft, zonder enige nadere motivering op te geven, noch het door beroeper aangevoerde middel aan te vechten. In het beroep tot nietigverklaring had beroeper nochtans benadrukt dat hij voldoende bijkomende bewijsstukken aan de vergunningverlenende overheid heeft verschaft om aan te tonen dat, ten eerste, er voldoende stalruimte voorhanden is voor 200 runderen, en, ten tweede, er ook effectief 200 runderen op het bedrijf worden gestald, en er dus geen sprake kan zijn van een gedeeltelijk verval van de vergunning. Het feit dat de indertijd vergunde rundveestal niet volledig werd gerealiseerd, toont niet het verval van de milieuvergunning aan. Beroeper heeft voldoende duidelijk gemaakt dat hij omwille van financiële redenen de rundveestal tot op heden niet volledig heeft kunnen realiseren, maar in de loop der jaren wel een oplossing heeft gevonden om toch 200 runderen te kunnen stallen. Tegenpartij heeft dus onterecht de vergunning geweigerd omdat de inwilliging van de aanvraag tot gevolg zou hebben dat de vergunde mestproductie op het bedrijf zou verhogen. Tegenpartij komt in de memorie van antwoord niet verder dan de affirmatie dat beroeper inderdaad foto’s en een nota heeft neergelegd ter staving, 'maar dat zij niet kon voorbijgaan aan het feit dat de vergunning gedeeltelijk vervallen is'. Dit bewijst nog maar eens dat het provinciebestuur in het bestreden besluit genendele rekening heeft gehouden met de door beroeper aangebrachte elementen. De Bestendige deputatie schiet dan ook duidelijk tekort in haar plicht tot motivering, door de door beroeper aangebrachte gegevens niet in rekening te nemen en zelfs totaal onbesproken te laten. Het bestreden besluit vormt derhalve duidelijk een schending van de motiveringsplicht die het bestuur heeft ten aanzien van de argumentatie die een burger die aanspraak maakt op een vergunning laat gelden". 2.2.4. Het tweede middel komt in wezen neer op een herhaling van wat in het eerste middel werd gesteld. Het determinerende motief van de bestreden beslissing is niet dat het in het gerealiseerde deel van de stal onmogelijk zou zijn om 200 runderen te stallen, maar wel dat “de vergunning voor de 50 melkkoeien als VII-23.774-13/14 vervallen dient te worden beschouwd omdat de melkinstallatie ontbreekt en er op het bedrijf nooit melkkoeien werden gehouden”. Zoals bij de beoordeling van het eerste middel is gebleken voert verzoeker geen gegrond middel ter weerlegging van dit motief aan. Het tweede middel is ongegrond, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien december tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, voorzitter van de VIIe kamer, de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-23.774-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.958 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.