id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.961 Rolnummer: A. 179329/XIV-27673 Zaak: Arrest 165961 - Dienst Vreemdelingenzaken - 15/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-20 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 11:46 Fiche Arrest nr 165.961 van 15 december 2006 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 165.961 van 15 december 2006 in de zaak A. 179.329/XIV-27.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat D. PAUWELS, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Tolstraat 53 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 15 januari 1981 en van Marokkaanse nationaliteit, op 13 december 2006 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het bevel van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 oktober 2006 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens en vrijheidsberoving te dien einde, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 25 oktober 2006; Gelet op de beschikking van 13 december 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 13 december 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op vrijdag 15 december 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; XIV-27.673-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. PAUWELS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. LUCAS, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN ; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat artikel 8, §1, eerste lid van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen het volgende bepaalt: “Als de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, bevat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”; Overwegende dat gelet op het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve rechtshandeling waarin de wet voorziet, en op de stoornis die zij in het normaal verloop van de rechtspleging voor de Raad van State teweegbrengt, waarbij onder meer de rechten van verdediging van de verwerende partij tot een strikt minimum zijn teruggebracht, moet de uiterst dringende noodzakelijkheid van de schorsing duidelijk worden aangetoond, dit wil zeggen dat ze klaarblijkelijk, en op het eerste gezicht onbetwistbaar, moet zijn; dat om te voldoen aan die voorwaarde feiten en gegevens moeten worden aangebracht die direct aannemelijk maken dat de gevraagde schorsing, wil zij enig nuttig effect sorteren, onmiddellijk bevolen moet worden; dat de verzoekende partij dienvolgens de uiterst dringende noodzakelijkheid met concrete gegevens dient aan te tonen; dat deze rechtvaardiging tweeledig is; dat, enerzijds, dient te worden aangetoond dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen en, anderzijds, dat zij niet onredelijk lang met het indienen van haar verzoekschrift heeft gewacht; XIV-27.673-2/5 Overwegende dat de verzoekende partij ter verantwoording van de uiterst dringende noodzakelijkheid stelt dat: “Dat de zaak uiterst dringend is, gelet op de geplande repatriëring heden. Dat verzoekster niet onredelijk lang heeft gewacht teneinde het verzoekschrift in te dienen, gelet op het feit dat door de Minister van Binnenlandse Zaken eerst de tenuitvoerlegging werd geschorst hangende de procedurevoor het Hof van Beroep te Antwerpen, en een onderzoek door Bureau Huwelijken; Dat verzoekster op goede gronden aanvoert dat de uitwijzing imminent is, vermits zij wordt vastgehouden in het Centrum voor Illegalen te Brugge Sint-Andries, dat bijgevolg voldaan is aan de eerste cumulatieve voorwaarde van art. 17 §§ 1 en 2;”; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota hierop als volgt repliceert: “Verzoekster werd van haar vrijheid beroofd op 24 oktober
- Meer dan dertig dagen later, wordt die administratieve beslissing aangevochten voor de Raad van State. Overeenkomstig artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dient de vordering tot schorsing te worden ingeleid binnen de in artikel 20 bepaalde termijn. De termijn voor het inleiden van een vordering tot nietigverklaring en schorsing wordt door artikel 20 van hetzelfde koninklijk besluit van 9 juli 2000 bepaald op dertig dagen. De vordering werd laattijdig ingeleid. Verzoekster verwijst zijdelings naar de op 13 december 2006 voorziene repatriëring. Die uitvoeringsmaatregel is op zich niet aanvechtbaar.”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing op 25 oktober 2006 aan de verzoekende partij werd ter kennis gebracht; dat het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid op 13 december 2006 is ingediend; dat de verzoekende partij ongeveer zeven weken heeft gewacht voor de indiening van voorliggende procedure; dat de verzoekende partij niet kan worden geacht diligent en alert te hebben gereageerd; dat bovendien overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 3 en 20 van voormeld koninklijk besluit van 9 juli 2000, de beroepen op straffe van niet- ontvankelijkheid moeten worden ingediend binnen de dertig dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing, zodat in casu, zelfs indien de vordering werd ingesteld volgens de gewone schorsingsprocedure, ze laattijdig zou zijn; dat haar betoog geen afbreuk doet aan deze vaststelling; Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, de verwerende partij stelt wat volgt: “Een middel bestaat uit de voldoende en duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of het: overtreden beginsel en van de wijze waarop, volgens de verzoekende partij deze rechtsregel of het beginsel wordt geschonden. Een middel waarbij de verwerende partij of de Raad van State slechts door het interpreteren van de bedoeling van verzoeker kan uitmaken welke schending van welke rechtsregel is bedoeld en de verwezende partij of de Raad van State zelf het middel interpreteren, is niet ontvankelijk’. ‘In het schorsingscontentieux wordt van de verzoekende partij dat zij ernstige middelen aanvoert. Onder bovendien verwacht ernstige middelen moet worden verstaan, middelen die bij een eerste lezing en rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, ontvankelijk en XIV-27.673-3/5 gegrond lijken, zodat de vernietiging van de bestreden beslissing quasi-onafwendbaar is.’ (Procedures voor de Raad van State, Stephan De Taeye, Kluwer, 3/ uitgave - 2003 n/ 114) Het verzoekschrift dient een duidelijke uiteenzetting te bevatten van de feiten en middelen die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen rechtvaardigen. Het door verzoekster ingediende verzoekschrift werd op uiterst summiere en vage wijze opgesteld. Er werd daarenboven geen enkel middel ontwikkeld. Dit is nochtans een ontvankelijkheidvereiste die vervat zit in het artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.”; Overwegende dat artikel 3, tweede lid, 4/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten en middelen die de vernietiging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement kunnen rechtvaardigen”, moet inhouden; dat onder “middel” in de zin van deze bepaling moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden beslissing werd geschonden; Overwegende dat de verzoekende partij niet aangeeft welke rechtsregel(s) en rechtsbeginselen werden geschonden door de bestreden beslissing; dat zij zich beperkt tot een korte feitelijke uiteenzetting die niet beantwoordt aan een ontvankelijk middel zoals vereist door artikel 3, tweede lid, 4/, van voormeld koninklijk besluit; Overwegende dat om voormelde vaststellingen het beroep onontvankelijk is; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-27.673-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien december tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-27.673-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.961 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.