id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.970 Rolnummer: A. 139249/XIV-15976 Zaak: Arrest 165970 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 15/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-18 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-01 11:48 Fiche Arrest nr 165.970 van 15 december 2006 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.970 van 15 december 2006 in de zaak A. 139.249/XIV-15.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. BAHRAMI, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Koningsstraat 229 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 25 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 5 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 31 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 september 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-15.976-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat A. BAHRAMI verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van Iraanse nationaliteit, is in België binnengekomen op 22 oktober 2000 en heeft zich op 23 oktober 2000 vluchteling verklaard. 1.
- Op 23 oktober 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 5 juni 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 oktober 2000 tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering als volgt luidt: “A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Iraans staatsburger afkomstig uit Karadj. In 1372 (Perzische kalender, stemt overeen met 1993-1994 in de Gregoriaanse kalender) begon u met de opleiding verpleegkunde aan de Universiteit van Isfahan. Tijdens uw studies vormde u met drie medestudenten een politieke discussiegroep en verspreidde u pamfletten. U kende hierdoor geen problemen, maar diende zich wel regelmatig aan te bieden bij de Herasat (geheime dienst), die informeerde naar jullie activiteiten. U kon uw studies gewoon afwerken. Na uw studies bleef u met uw vrienden over actuele thema’s praten, maar dit gebeurde enkel binnenskamers. Op 18/4/1378 (9/7/1999) nam u deel aan een studentenbetoging in Teheran. U kende op die dag persoonlijk geen problemen en werd niet gearresteerd. Wel moest u zich in het ziekenhuis, waar u op 1/10/1378 (22/12/1999) begon te werken, geregeld aanbieden bij de Herasat, waar u uitgehoord werd over uw deelname aan voorvermelde demonstratie en waar u (uitsluitend mondeling) moest zweren dat u zich nooit meer met politieke activiteiten zou inlaten. Vanaf 14/1/1379 (3/4/2000) begon u de lessen van de vertaalopleiding aan de Universiteit van Teheran te volgen. Ook hier diende u zich regelmatig aan te bieden bij de Herasat. Op 1/4/1379 (22/6/2000) stond u samen met twee vriendinnen voor de Universiteit van Teheran te praten. Twee personen van het Ettelaat (Ministerie van Informatie) namen jullie mee naar het bureau. Daar werd u geslagen en ondervraagd over uw politiek activisme. U moest een document tekenen waarin u beloofde niet meer actief te zijn, maar u hebt dit geweigerd. Na vijf dagen werd u zonder meer vrijgelaten. Op 29/5/1379 (20/8/2000) nam u in Teheran deel aan een demonstratie op het Baharestan-kruispunt ter herdenking van de Constitutie. U kende op die dag geen XIV-15.976-2/8 problemen. Uw moeder kreeg regelmatig dreigtelefoontjes i.v.m. u, vermoedelijk van de autoriteiten. Op 1/7/1379 (23/9/2000), kwamen enkele personen van de Revolutionaire Rechtbank van Karadj uw woning doorzoeken. U werd door hen gearresteerd en gedurende 48 uur vastgehouden, geslagen en ondervraagd over uw politieke activiteiten en deelnames aan demonstraties. Ook hier werd u een document voorgelegd waarin u uw politieke activiteiten zou afzweren, maar u weigerde opnieuw te tekenen. Op 3/7/1379 (25/9/2000) werd u zonder meer vrijgelaten. Thuis vond u een ontslagbrief van het ziekenhuis en merkte u dat uw ouders er niet waren. Omdat u besefte dat uw situatie steeds erger werd, besloot u onder te duiken. In de tussentijd probeerde u uw ouders te bereiken, maar slaagde daar niet in. Van een buurvrouw vernam u dat ze gezien had dat iemand bij u thuis een brief had afgegeven en dat ze ziekenwagens had gezien. Ze kon u echter niet vertellen of uw ouders door de ziekenwagens meegenomen waren. U vermoedt dat de verdwijning van uw ouders verband houdt met uw situatie. Op 15/7/1379 (7/10/2000) verliet u Iran en kwam naar België, waar u aankwam op 30/7/1379 (22/10/2000) en de volgende dag asiel aanvroeg. Ter ondersteuning van uw identiteit en asielrelaas hebt u de volgende documenten voorgelegd: uw boekje van burgerlijke stand; uw diploma hoger secundair onderwijs; uw diploma verpleegkunde van de Universiteit van Isfahan; twee stageattesten; uw arbeidscontract en toegangskaart van het ziekenhuis Pastornou in Teheran; een kopie van een oproepingsbrief voor de Herasat (geheime dienst) d.d. 16/5/1379 (7/8/2000); een kopie van uw ontslagbrief van het ziekenhuis d.d. 3/7/1379 (25/9/2000). B. Motivering Vooreerst dient opgemerkt te worden dat de door u aangehaalde politieke activiteiten zich afspeelden op zeer beperkte schaal. Zo bestond de discussiegroep waar u aan de Universiteit van Isfahan toe behoorde, slechts uit vier personen (CGVS-gehoorverslag p.11). U gaf te kennen dat u toen ook pamfletten verspreidde, maar dat u daardoor geen problemen kende (CGVS-gehoorverslag p.12). Na het beëindigen van jullie studies zetten jullie de discussies voort, maar dit gebeurde eveneens in besloten kring en achter gesloten deuren (CGVS-gehoorverslag p.30). Jarenlang - tot uw eerste arrestatie op 1/4/1379 (22/6/2000) - kon u uw activiteiten probleemloos uitvoeren. Tevens werd u niet verhinderd uw verpleegkundestudies te voltooien. U diende zich weliswaar geregeld aan te bieden bij de Herasat (geheime dienst), eerst van de Universiteit van Isfahan, en later ook van de Universiteit van Teheran en het ziekenhuis waar u werkte, maar die verhoren bleven beperkt tot waarschuwingen en bedreigingen dat u uw activiteiten moest afzweren, wat niet gelijkgeschakeld kan worden met een daadwerkelijke, systematische vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt trouwens dat in Iran door haast iedereen over politiek wordt gesproken en er zelfs vaak op de geestelijke leiders gescholden wordt. Als dit steeds strafbaar zou moeten zijn, zouden bijna alle Iraniërs opgepakt en veroordeeld moeten worden. Wat uw deelname aan de twee voornoemde demonstraties betreft, blijkt uit uw verklaringen dat u geen actieve, organisatorische of leidinggevende rol gespeeld hebt. U maakte duidelijk dat u de dag van de manifestaties zelf of in de directe nasleep ervan niet gearresteerd werd. Integendeel, uw eerste arrestatie volgde pas ongeveer een jaar na uw deelname aan de eerste betoging. In verband met de twee door u aangehaalde arrestaties dient vastgesteld te worden dat u telkens na enkele dagen zonder meer werd vrijgelaten en dit zonder de u voorgelegde documenten waarin u uw politieke activiteiten zou afzweren, te ondertekenen. Dat men u zomaar heeft laten gaan, getuigt evenmin van een daadwerkelijke en zwaarwichtige vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. U werd tevens nooit officieel beschuldigd of veroordeeld. Wat de dreigtelefoons betreft, uitte u slechts een vermoeden over wie deze telefoontjes pleegde, met name ‘mensen van de overheid’ (CGVS-gehoorverslag p.33). Er is bijgevolg geen enkel objectief criterium waaraan deze feiten kunnen worden gerelateerd. Er dient nog opgemerkt te worden dat uw ontslag een probleem betreft dat niet van vrijheids- of levensbedreigende aard is in de zin van de Geneefse Conventie. Ten slotte verklaarde u geen nieuws meer te hebben van uw ouders sinds uw vrijlating na uw tweede arrestatie op 3/7/1379 (25/9/2000). Vooreerst brengen een aantal tegenstrijdigheden tussen uw opeenvolgende verklaringen de geloofwaardigheid van XIV-15.976-3/8 de verdwijning van uw ouders in het gedrang. Zo vertelde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u ongeveer vijf dagen na uw vrijlating bij uw tweede arrestatie terugkwam van de universiteit en merkte dat uw ouders er niet waren. Buren vertelden u dat uw ouders werden meegenomen met een ziekenwagen omdat uw moeder bewusteloos was gevallen na het lezen van een brief die ze had gekregen. U bent toen op zoek gegaan naar uw ouders. Daartoe hebt u onder meer de politie ingeschakeld (DVZ-gehoorverslag p.13). Tijdens het gehoor in dringend beroep stelde u dat u thuiskwam van de Revolutionaire Rechtbank (onmiddellijk na uw vrijlating) en toen merkte dat uw ouders er niet waren (CGVS-gehoorverslag p.17). Een oude buurvrouw vertelde u dat ze gezien had dat iemand bij u thuis een brief had afgegeven en dat ze ziekenwagens had gezien (CGVS-gehoorverslag p.33). Ze kon u echter niet zeggen of uw ouders meegenomen werden door de ziekenwagens. U voegde eraan toe dat u in uw zoektocht naar uw ouders de politie niet hebt gecontacteerd (CGVS-gehoorverslag p.34). Voorts denkt u dat de verdwijning van uw ouders te maken heeft met uw problemen (CGVS-gehoorverslag p.34). Het gaat hier evenwel opnieuw slechts om een vermoeden, wat niet beantwoordt aan een objectieve situatie. Wat er ook van zij, uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd, blijkt dat ‘Sippenhaft’ (het intimideren, het arresteren en vervolgen van familieleden van een verdacht of beschuldigd persoon) niet meer van toepassing is in de Iraanse maatschappij. Bijgevolg is het onwaarschijnlijk dat uw ouders zouden verdwenen zijn omwille van uw problemen. De door u voorgelegde documenten zijn niet van die aard dat ze afbreuk doen aan bovenstaande beslissing, daar zij voornamelijk het bewijs leveren van uw identiteit, uw studies en uw werk/ontslag. De oproepingsbrief waarin u verzocht wordt u aan te melden bij de Herasat bevestigt dat u verantwoording diende af te leggen over uw deelname aan een betoging, maar levert geen begin van bewijs van een daadwerkelijke vervolging door de Iraanse autoriteiten in de zin van de Vluchtelingenconventie. Aangezien u enkel een kopie van het document kon voorleggen, kan de authenticiteit ervan niet worden vastgesteld. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “Pris de la violation de l'article 1er de la Convention de Genève du 28 juillet 1951 relative au statut des réfugiés, des articles 48, 52 et 62 de la loi du 15 décembre 1980 relative à l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, des articles 1er à 3 de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs, du principe général de bonne administration et du contradictoire, et de l'erreur manifeste d'appréciation ; EN CE QUE la partie adverse estime que la demande d'asile formée par le requérant, est manifestement non-fondée ; qu'à ses yeux, les contradictions émaillant les récits successifs du requérant ôtent toute crédibilité aux motifs invoqués à l'appui de la demande d'asile ; XIV-15.976-4/8 ALORS QU'il découle des articles 62 de la loi du 15 décembre 1980 et 3 de la loi du 29 juillet 1991 la décision administrative prise à l'encontre du requérant doit être légalement motivée ; Que la loi du 29 juillet 1991 érige en principe l'obligation de motiver formellement toute décision administrative de portée individuelle (art. 2) ; que la motivation «consiste en l'indication, dans l'acte, des considérations de droit et de fait servant de fondement à la décision ». « Elle doit être adéquate » (art. 3) ; Que l'étendue de la motivation doit être proportionnelle à l'importance de la décision (LEROY M., « La nature, l'étendue et les sanctions de motiver », Rapport de la journée d'études de Namur du 8 mai 1992 sur la motivation formelle des actes administratifs, 12-13) ; Qu'en outre, la motivation doit encore être « adéquate », ce qui signifie qu'elle doit manifestement avoir trait à la décision, qu'elle doit être claire, précise, complète et suffisante. Que les dispositions visées au moyen font interdiction à la partie adverse de refuser le séjour à un candidat réfugié politique dès l'instant où il n'est pas démontré par elle que sa demande serait manifestement étrangère à la Convention de Genève ou serait frauduleuse ;
- Que concernant le premier grief portant sur le caractère limité des activités politiques de la requérant, il échet de souligner que la partie adverse ne conteste pas la réalité de ces activités ; que la partie adverse ne relève que la caractère limité des dites activités ; que l'application de la Convention de Genève de 1951 ne requière aucune condition au niveau de l'ampleur des activités politiques ; qu'il est nécessaire mais suffisant qu'il existe dans le chef de la requérante une crainte réelle de persécution notamment en raison de ses activités politiques et cela quelle qu'en soit l'importance; que la requérant a clairement affirmé qu'elle a été à plusieurs reprises arrêtée, détenue, battue et interrogée ; qu'elle a en outre précisé qu'elle faisait l'objet d'une surveillance régulière par Herassat tant à l'université qu'à l'hôpital ; que le fait de ne pas avoir rencontré de sérieux obstacles pour poursuivre ses études n'est pas un motif pour écarter toute crainte d'être persécutée; Que la partie adverse ne pouvait, sans dénaturer l'esprit de la Convention de Genève, exiger une persécution effective et systématique ; que l'existence d'une crainte réelle de persécution suffit à l'application de ladite Convention; que de surcroît, la requérante a souligné qu'elle a été, effectivement, à plusieurs reprises arrêtée, détenue, battue, interrogée et menacée ; que la partie adverse a commis une erreur manifeste d'appréciation en écartant les persécution effectivement subies par la requérante sans même en contester la réalité en termes de décision. Que concernant les informations à la disposition du CGRA, la partie adverse ne peut sérieusement soutenir que presque tous les iraniens parlent de politique et insultent régulièrement les leaders religieux, alors qu'il est tout à fait notoire que le régime iranien est particulièrement répressif et très sensible à toute opposition aux autorités et plus particulièrement aux dignitaires de l'Islam.
- Que concernant le grief portant sur les circonstances que la requérante n'a pas joué un rôle important et notamment d'organisation pendant les manifestations, qu'elle n'a pas été arrêtée tout de suite après les manifestations et qu'elle n'a pas fait l'objet d'un jugement et d'une condamnation, ne sont pas de nature à permettre d'écarter la demande d'asile dès le stade de la recevabilité dans la mesure où la partie adverse ne conteste pas en termes de décision la réalité des arrestations, détentions, interrogatoires et menaces subies par la requérante du fait de ses activités politiques.
- Que concernant le grief déduit de l'existence d'une contradiction entre les propos de la requérante à l'Office des étrangers et ceux recueillis au CGRA, la requérante ne parvient pas à expliquer ladite contradiction autrement que par une traduction défectueuse de ses propos à l'Office des étrangers ; que la requérante a affirmé au début de son interview au CGRA que le rapport de l'audition à l'Office des étrangers ne lui a pas été relu; qu'en tout état de cause, l'unique contradiction relevée par la partie adverse ne porte pas sur un élément fondamental de la demande d'asile de sorte que la partie adverse. n'a pu sans commettre d'erreur manifeste d'appréciation, estimer que cette unique contradiction, à la supposer établie, quod non, pouvait suffire à écarter la demande dès le stade de la recevabilité; XIV-15.976-5/8 Qu'en tout état de cause, il convient de relever que la partie adverse s'est, en méconnaissance du principe du contradictoire, abstenue de confronter le requérant avec les griefs qui lui sont imputés en terme de décision;
- Qu'il ressort, en outre, des termes mêmes de l'acte attaqué que le document présenté par la requérante à l'appui de sa demande d'asile (convocation de Herassat) établit que la requérante a bien été interrogée par Herassat ; Que la Convention de Genève ne requière nullement la preuve d'une persécution effective ; que pour l'application de ladite Convocation il suffit d'établir une crainte fondée de persécution. Que l'acte entrepris méconnaît ainsi les règles visées au moyen et doit dès lors être annulé par Votre haute juridiction.”; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster nuttig voor haar belangen is kunnen opkomen; dat uit het administratief dossier blijkt dat ze de kans heeft gehad haar asielrelaas uiteen te zetten tijdens een interview op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat ze een vragenlijst over haar asielaanvraag heeft kunnen invullen; dat ze tijdens de gehele procedure de kans had om alle nuttige stukken die haar relaas staven, in te dienen; dat verzoekster nuttig voor haar belangen is kunnen opkomen; dat zij het tegendeel niet aantoont; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster aanvoert dat de door haar vermelde bepalingen een verbod inhouden om het vluchtelingenstatuut te weigeren aan een kandidaat- vluchteling indien niet is aangetoond dat de asielaanvraag kennelijk vreemd is aan de Vluchtelingenconventie of bedrieglijk is; dat het in de eerste plaats aan de kandidaat- vluchteling toekomt aan te tonen dat er een gegronde vrees voor vervolging bestaat; dat hij zelf een begin van bewijs moet aanbrengen waaruit blijkt dat hij onder de criteria van de Vluchtelingenconventie valt; dat artikel 63/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beoordelingsbevoegdheid heeft gegeven om een asielaanvraag te toetsen aan de ontvankelijkheidsgronden van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat het aan verzoekster is om aan te tonen dat de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kennelijk onredelijk is; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster aanvoert dat de Vluchtelingenconventie geen vereisten stelt in verband met de omvang van politieke activiteiten; dat verzoekster herhaalt dat ze is gearresteerd, vastgehouden, geslagen en ondervraagd, dat ze ook bewaakt is; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet stelt dat de activiteiten omvangrijk of belangrijk genoeg moeten zijn om onder de Vluchtelingenconventie te ressorteren; dat hij uit de beperkte schaal van de politieke activiteiten afleidt dat het onwaarschijnlijk is dat verzoekster terecht vreest voor vervolging naar aanleiding van deze feiten; dat bovendien de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze feiten toetst aan algemene informatie over de toestand in Iran en hij tot de conclusie komt dat iedereen in Iran over politiek discussieert; dat XIV-15.976-6/8 verzoekster niet aantoont dat de appreciatie van haar politieke activiteiten kennelijk onredelijk is; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een manifeste appreciatiefout heeft begaan bij de beoordeling van de vervolging; dat ze enkele feiten herhaalt; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de feiten heeft beoordeeld en tot de conclusie is gekomen dat de politieke activiteiten te beperkt waren om terecht vervolging te moeten vrezen, dat de betogingen geen aanleiding tot arrestatie waren en dat men haar na een arrestatie zomaar weer vrij liet zonder officiële beschuldiging of veroordeling, dat de juistheid van de verklaringen in verband met dreigtelefoons niet kan worden getoetst, dat verzoeksters ontslag geen feit is dat onder de Vluchtelingenconventie ressorteert; dat verzoekster op geen enkele wijze aantoont dat deze overwegingen kennelijk onredelijk zijn; dat verzoekster zich beperkt tot het louter tegenspreken van de informatie waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt en die bij het administratief dossier is gevoegd; dat ze geen enkel bewijs levert of begin van bewijs dat de informatie onjuist is; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster stelt dat de vastgestelde tegenstrijdigheid veroorzaakt is door een vertaalfout en dat het in elk geval geen fundamenteel element betreft; dat verzoekster omtrent verschillende feiten tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en ze de tegenstrijdigheden niet weerlegt; dat ze beweert dat haar verklaringen fout vertaald zijn of niet correct neergeschreven, maar niet aangeeft wat volgens haar de ware toedracht van haar verklaringen was; dat verzoekster beweert maar op geen enkele wijze aantoont dat het verslag van het eerste interview haar niet zou voorgelezen zijn; dat uit het verslag echter blijkt dat dit wel is gebeurd in het Farsi, de door verzoekster gekozen taal; dat na de voorlezing verzoekster het verslag heeft ondertekend waardoor ze ermee heeft ingestemd dat het verslag haar verklaringen correct weergeeft; 2.2.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft gemotiveerd waarom de oproepingsbrief het bestaan van een gegronde vrees niet aantoont; dat verzoekster niet aantoont dat dit op kennelijk onredelijke wijze is gebeurd; 2.2.
- Overwegende dat het enig middel niet gegrond is; XIV-15.976-7/8
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien december tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.976-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.970 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.