← België

Arrest 166018 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 19/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.018 Rolnummer: A. 132866/VII-28986 Zaak: Arrest 166018 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 19/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-03 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-01 11:55 Fiche Arrest nr 166.018 van 19 december 2006 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.018 van 19 december 2006 in de zaak A. 132.866/VII-28.986 In zake :

  1. XXX,
  2. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen: de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beiden van Albanese nationaliteit, op 3 februari 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 13 januari 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 14 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-28.986-1/9 Gelet op de beschikking van 21 september 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 24 oktober 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat B. VRIJENS, verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  4. De verzoekende partijen kwamen België binnen op 12 maart 2000 en verklaarden zich vluchteling op 13 maart
  5. 1.
  6. Op 9 januari 2001 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. Op 13 januari 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen als volgt: Voor de eerste verzoekende partij: "Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.). (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: VII-28.986-2/9 Volgens uw verklaringen hebt u de Albanese nationaliteit en bent u afkomstig uit Shkodër. Sinds 31 januari 1994 zou u lid zijn van de PLL (Partia Levizja e Legalitetit). Op 3 juli 1997 zou u deelgenomen hebben aan een betoging in Tirana tegen de manipulatie van de verkiezingen door de SP (Socialistische Partij). De politie zou plots in de lucht beginnen schieten zijn om de deelnemers angst aan te jagen en u zou per toeval een schampschot gekregen hebben. U zou gezien hebben wie geschoten had en naar de politieagent gegaan zijn. U zou hem uitgescholden hebben, waarop hij gedreigd zou hebben u neer te schieten. Daarop zou u hem een klap in zijn gezicht hebben gegeven. De agent zou op de grond gevallen zijn en u zou naar huis gevlucht zijn. Op 4 juli 1997 zou u een convocatie van de rechtbank hebben gekregen. Op 7 juli 1997 zou u voor de rechtbank verschenen zijn en een gevangenisstraf hebben gekregen van zes maanden. Van 7 juli 1997 tot 23 januari 1998 zou u uw straf hebben uitgezeten in het politiecommissariaat van Shkodër. Op 20 januari 1999 zou u een nieuwe convocatiebrief gekregen hebben om voor de rechtbank in Shkodër te verschijnen. U zou beschuldigd geweest zijn van deelname aan een staatsgreep. U vermoedt dat personen die bij de staatsveiligheid werken u gezien hadden tijdens de begrafenisceremonie van Azem Hajdari (Democratische Partij) op 14 september
  8. Tijdens de begrafenis zouden er rellen geweest zijn en u vreest dat men u beschuldigde van de oproer die er had plaatsgevonden. U had immers al een strafblad voor gelijkaardige feiten. U zou de convocatiebrief verscheurd hebben en de volgende dag met uw familie vertrokken zijn naar Shkallnur (gemeente Durrës). Daar zou u verbleven hebben bij vrienden tot aan uw vertrek naar België op 10 maart
  9. Op 13 maart 2000 hebt u in België asiel aangevraagd. Verder verklaarde u nog dat, in februari 2002, uw broer in Shkodër een ongeval zou gehad hebben met de politie. De agenten dachten eerst dat u in die auto zat en zouden uw broer geslagen hebben. Daarna zouden ze hem ondervraagd hebben over waar u was. Tot slot verklaarde u dat de zus van een gedeputeerde van de SP in de straat van uw ouders woont. De man zou steeds naar u vragen als hij zijn zus bezocht. Ter staving van uw asielrelaas legde u volgende documenten neer: uw Albanese identiteitskaart (dd. 20/05/1990), uw geboorteakte, een attest betreffende de familiesamenstelling (dd. 22/06/2000), uw internationaal rijbewijs (dd. 10/05/2000), de geboorteaktes van uw kinderen, een lidkaart van de PLL (dd. 31/01/1994), een attest dat uw lidmaatschap van de PLL bevestigt (dd. 05/05/2000), een convocatiebrief door de rechtbank van Shkodër (dd. 04/07/1997), een attest dat u de middelbare school hebt gevolgd (dd. 12/06/2000), een attest dat u de cursus 'handel' hebt gevolgd (dd. 14/07/2000) en een attest dat u de cursus elektromechanica hebt gevolgd tijdens uw legerdienst (dd. 31/09/1987). Er dient te worden opgemerkt dat u geen feiten of elementen heeft aangebracht waaruit zou kunnen blijken dat u uw land van herkomst uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie heeft verlaten of dat u alsnog een dergelijke vrees dient te hebben bij een eventuele terugkeer naar Albanië. Allereerst dateert uw vervolging wegens het slaan van een agent reeds van 1997/
  10. U werd veroordeeld voor publieke laster en fysieke agressie ten aanzien van een politieagent en dit zijn feiten van gemeenrechtelijke en strafrechtelijke aard. Tot slot vormde dit feit nooit enige directe aanleiding voor uw vertrek uit Albanië, waar u uiteindelijk nog tot 10 maart 2000 hebt verbleven. Verder dient te worden opgemerkt dat, wat uw convocatie voor de rechtbank betreft omwille van uw deelname aan de protestmanifestatie op 14 september 1998 in verband met de moord op Azem Hajdari, uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier gevoegd is, niet blijkt dat gewone deelnemers aan de door de democraten geleide protestacties nadien systematisch werden vervolgd of langdurig en wederrechtelijk vastgehouden. U hebt geen enkel bewijsstuk aangebracht dat uw bewering dat u in 1999 geconvoceerd zou zijn door de rechtbank wegens deelname aan een staatsgreep kan staven en ook in het attest van de PLL dat u hebt neergelegd en waarin uw problemen worden beschreven, is hiervan geen enkel gewag gemaakt. Hier kan nog worden aan toegevoegd dat, volgens een recente beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen, blijkt dat sinds januari 1998 geen leden van de PLL (behalve de voorzitter) het voorwerp waren van pesterijen, discriminatie, geweld of bedreiging met geweld. In juni 2002 is troonpretendent Leka I trouwens naar Albanië teruggekeerd, nadat hem VII-28.986-3/9 amnestie werd verleend door de Albanese president. Tot slot blijkt uit uw verklaringen dat u sinds januari 1999 tot aan uw vertrek naar België op 10 maart 2000 geen problemen meer hebt gekend in Albanië. Het feit dat u sinds het ontvangen van een convocatie nog meer dan één jaar gewacht heeft alvorens Albanië te verlaten, is geenszins in overeenstemming te brengen met een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Geneefse Conventie. De door u neergelegde lidkaart en het attest van de PLL zijn niet van aard om bovenstaande vaststellingen te wijzigen aangezien zij slechts uw lidmaatschap van deze partij bevestigen en het attest bovendien geenszins een objectieve, onpartijdige bron betreft. De door u neergelegde convocatiebrief van de rechtbank van Shkodër d.d. 4 juli 1997, is niet meer actueel, aangezien u de gevangenisstraf die op deze convocatie volgde hebt uitgezeten en u veroordeeld werd omwille van gemeenrechtelijke feiten.". Voor de tweede verzoekende partij: "Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’'s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.). (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen hebt u de Albanese nationaliteit en bent u afkomstig uit Shkodër. Op 10 maart 2000 zou u uit Shkallnur (gemeente Dürres) vertrokken zijn en op 13 maart 2000 hebt u in België asiel aangevraagd. U bent in het bezit van uw Albanese identiteitskaart (dd. 1989), uw geboorteakte, een attest betreffende de familiesamenstelling (dd. 11/07/2000), een attest dat u de middelbare school hebt gevolgd (dd. 01/12/1993) en andere schoolattesten. Uit uw verklaringen blijkt duidelijk dat u uw asielaanvraag steunt op de door uw echtgenoot, XXX, aangehaalde asielmotieven. Daar in hoofde van deze laatste, in het kader van diens dringend beroep, door mij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, kan ten aanzien van u evenmin worden besloten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève.". Dit zijn de bestreden beslissingen; 2.1.
  11. Overwegende dat de verzoekende partijen een eerste middel aanvoeren dat luidt als volgt: "
  12. Eerste middel: Schending van het artikel 63/3 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het redelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel en van het algemene rechtsbeginsel tot waarborg van de rechten van verdediging. Manifeste beoordelingsfout. Dat verzoekers' asielaanvraag niet binnen een redelijke termijn door het Commissariaat-generaal behandeld werd, waardoor afbreuk wordt gedaan aan de VII-28.986-4/9 algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Immers verzoekers vroegen in België op 13 maart 2000 de status van vluchteling aan. Op 9 januari 2001 werd door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van verzoekers een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten genomen. Op 12 januari 2001 werd door verzoekers tegen deze beslissing een dringend beroep ingediend bij het Commissariaat-generaal. Op 13 januari 2003, derhalve bijna drie jaar na het indienen van hun asielaanvraag en twee jaar na de indiening van een dringend beroep, werd een beslissing door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen genomen ten aanzien van verzoekers. Dat derhalve kan gesteld worden dat elke redelijke termijn overschreden werd. Dat daarenboven de bestreden beslissing het artikel 63/3 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, (Titel III, Hoofdstuk Ibis) schendt. Dat dit artikel duidelijk het volgende stelt: 'de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of een van zijn adjuncten bevestigt de aangevochten beslissing of beslist dat een verder onderzoek noodzakelijk is en dat de betrokkene voorlopig toegelaten wordt tot binnenkomst, verblijf of vestiging in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling in afwachting van een beslissing in de zin van artikel 57/6 eerste lid, 1, binnen dertig werkdagen na de indiening van het beroep.' Dat deze termijn door de Commissaris-generaal ruim overschreden werd. Dat bovendien het algemene rechtsbeginsel tot waarborg van de rechten van verdediging geschonden wordt doordat alleen de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft volgens het artikel 57/11 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan optreden indien binnen de termijn bepaald in artikel 63/3, eerste lid geen beslissing na indiening van het dringend beroep door de Commissaris-generaal genomen werd. Dat het Arbitragehof in zijn arrest van 13 november 1996 stelde dat het artikel 57/11 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het bepaalt dat de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft, de Vaste Beroepscommissie kan adiëren indien de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen over een dringend beroep geen uitspraak heeft gedaan binnen de termijn bepaald in artikel 63/3, eerste lid, van de genoemde wet, maar aan de asielzoeker niet hetzelfde recht toekent."; 2.1.
  13. Overwegende dat de termijn bepaald in artikel 63/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) een termijn van orde is en geen vervaltermijn; dat er immers geen sanctie is verbonden aan de overschrijding van die termijn; dat het overschrijden van een termijn van orde binnen de perken van het redelijke zoals in casu, de wettigheid van de bestreden beslissingen niet in het gedrang brengt; dat voorts niet valt in te zien welk belang verzoekers hebben bij het aanvoeren dat de bestreden beslissingen eerder hadden moeten worden genomen, nu zij al die tijd in België tegen de beweerde vervolging een veilig toevluchtsoord vonden en zij ondertussen de nodige tijd kregen om ter staving van hun asielaanvragen bewijsstukken naar voren te brengen; dat verzoekers voorts menen nog nuttig te kunnen verwijzen naar het arrest nr. 65/96 van het Arbitragehof van 13 november 1996, waarin wordt geoordeeld dat het artikel 57/11, §2, van de Vreemdelingenwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt; dat artikel 57/11, § 2, VII-28.986-5/9 van de Vreemdelingenwet ingevolge dit arrest van het Arbitragehof evenwel achteraf bij artikel 3 van de wet van 9 maart 1998 door de federale wetgever werd opgeheven; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  14. Overwegende dat de verzoekende partijen een tweede middel als volgt ontwikkelen: "
  15. Tweede middel: Schending van het artikel 1, A

(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, van de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de zorgvuldigheidsverplichting. Dat verweerder in de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoeker, het artikel l, A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de zorgvuldigheidsverplichting schendt, wanneer hij in zijn beslissing zomaar zonder gegronde redenen stelt dat verzoekers asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Dat verweerder in de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoeker, stelt dat verzoekers asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Dat verweerder stelt dat verzoeker niet onmiddellijk zijn land ontvluchtte, dat verzoeker geen bewijzen aanbrengt en dat niet blijkt dat PLL-leden vervolgd worden. Dat in eerste instantie verzoeker opmerkt dat de problemen, die hij als gevolg van zijn politiek lidmaatschap kende, wel degelijk voldoende ernstig zijn om beschouwd te worden als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Dat verzoeker dienaangaande opmerkt dat verzoeker voortdurend werd vervolgd door de Albanese autoriteiten waardoor zijn leven en dat van zijn gezin in Albanië onmogelijk werd. Dat deze problemen begonnen in 1997 en sindsdien niet ophielden. Dat hij voortdurend door de Albanese autoriteiten werd achternagezeten. Dat verzoeker tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal (cf. verhoor- verslag) door de ondervrager nooit werd geconfronteerd met de vraag waarom hij niet onmiddellijk zijn land ontvluchtte. Dat de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is en verweerder er de zorgvuldigheidsverplichting schendt, wanneer hij geen rekening hield met alle elementen van het asieldossier, meer bepaald met het feit dat verzoekers politieke activiteiten in de Albanese context wel degelijk voldoende zijn om het slachtoffer te worden van vervolgingen vanwege de aan de macht zijnde Socialistische Partij, met het feit dat de problemen die hij als gevolg van zijn politieke activiteiten kende wel degelijk ernstig zijn en als een geheel moeten gezien worden. Dat het in geen geval evident is dat men onmiddellijk zijn land kan ontvluchten. Dat hij ondertussen ondergedoken leefde. Dat verweerder in de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoeker, stelt dat verzoeker geen enkel bewijs van zijn vrees voor vervolging aanbrengt. Dat verzoeker wil opmerken dat hij zelf voldoende bewijzen op het Commissariaat- generaal hebben aangebracht waaruit blijkt dat verzoeker, bij een terugkeer naar Albanië, een systematische en persoonlijke vervolging om één van de redenen zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie moet vrezen. Dat verzoeker, naast een gedetailleerd en omstandig relaas op de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal een aantal bewijsstukken neerlegden: verzoekers identiteitskaart, partijlidkaart, attest van de partij,... VII-28.986-6/9 Dat verweerder in de bestreden beslissing nalaat grondig te weerleggen waarom deze door verzoeker neergelegde bewijzen niet werden weerhouden als bewijs van verzoekers vrees voor vervolging bij een terugkeer naar zijn land. Dat de beslissing niet afdoende gemotiveerd is wanneer verweerder nalaat op de door verzoeker neergelegde bewijsstukken grondig en adequaat te antwoorden. Dat tenslotte verweerder in de bestreden beslissing stelt dat blijkt dat PLL-leden in Albanië niet door de autoriteiten vervolgd worden. Dat dient vastgesteld te worden dat verweerder zich onvoldoende informeerde aangaande de mensenrechten in Albanië alvorens een beslissing te nemen. 'Elke bestuurshandeling moet gebaseerd zijn op juiste en relevante feiten. De zorgvuldigheidsplicht verplicht de overheid er overigens toe om zich volledig en correct in te lichten alvorens een beslissing te nemen.' Dat uit het rapport van het 'U.S. Department of State, Albania Country Report on human rights practices for 2000', dd. februari 2001; U.S. Department of State, Albania Country Report on human rights practices for 2001', dd. 4 maart 2002 en U.S. Department of Justice, Immigration and Naturalization Service, Albania, blijkt dat de Albanese politie, die corrupt en onprofessioneel is, in geen geval in staat is een effectieve rechtsbescherming aan de Albanese burgers te verlenen doch zelf mensenrechtenschendingen begaat, dat in Albanië, waar de Socialistische Partij aan de macht is, oppositieleden geviseerd en vervolgd worden (zelfs vermoord). De PLL, die de politieke vleugel is van de monarchistische beweging in Albanië, wordt beschouwd als bondgenoot van Sali Berisha, leider van de Democratische Partij, welke door de Albanese autoriteiten onder leiding van de Socialisten, als vijand nr. 1 wordt beschouwd (cf. stuk 2). Dat verweerder heeft nagelaten voormelde rapporten grondig na te lezen. Dat de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is en verweerder er de zorgvuldigheidsverplichting schendt, wanneer hij geen rekening houdt met het feit dat uit mensenrechtenrapporten blijkt dat oppositieleden in Albanië wel degelijk geviseerd en vervolgd worden door de Albanese socialistische autoriteiten. Dat verweerder naliet verzoekers vrees voor vervolging in zijn land grondig te onderzoeken en te toetsen aan de Vluchtelingenconventie. Dat verweerder in de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoeker, het artikel 1, A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de zorgvuldigheidsverplichting schendt, wanneer hij in zijn beslissing zomaar zonder gegronde redenen stelt dat verzoekers asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Dat verweerder in de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoekster, het artikel 1, A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de zorgvuldigheidsverplichting schendt, wanneer deze verwijst naar de beslissing, genomen ten aanzien van verzoeker."; 2.2.2. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van artikel 1, A,
(2), van de Conventie van Genève betreft, deze bepaling geen rechtstreekse werking heeft, zodat de schending ervan als dusdanig niet dienstig kan worden ingeroepen; dat voorts uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissingen kennen, doch dat zij betwisten dat de opgegeven motieven de beslissingen kunnen dragen; dat het nagaan of de motieven pertinent zijn, de materiële motiveringsplicht betreft; dat het dienaangaande niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort, wanneer hij tot een motievencontrole wordt uitgenodigd, om zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van VII-28.986-7/9 de bevoegde administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden; dat verzoekers nergens in het middel aannemelijk weten te maken dat zij wel voldoende elementen kunnen aanbrengen dat er in hunnen hoofde sprake is van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat zij te dezen weliswaar doen gelden dat zij omwille van de betrokkenheid bij de PLL (Partia Levizja e Legalitetit) vervolging in de zin van de Conventie van Genève vrezen bij een terugkeer naar hun land van herkomst, maar eigenlijk niet verder komen dan de negatie van de gevolgtrekkingen van de Commissaris-generaal en tot de loutere bevestiging van hun eigen standpunt dat zij hun land hebben verlaten omwille van de vervolging van oppositieleden, meer bepaald als leden van de PLL; dat zij zodoende niet aantonen dat de Commissaris-generaal de grenzen van de hem wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid op grond van artikel 52 van de Vreemdelingenwet zou hebben overschreden; dat er, gelet op de gegevens van het dossier, in casu geen redenen voorhanden zijn om er aan te twijfelen dat de Commissaris-generaal op grond van de door verzoekers gegeven inlichtingen en neergelegde documenten, en na een grondig onderzoek ervan, tot een redelijke en zorgvuldige beoordeling van de asielaanvragen is gekomen; dat uit de eerste bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris- generaal zich voor het vormen van zijn oordeel terdege heeft geïnformeerd en dat hij op zorgvuldige wijze heeft onderzocht of leden van de PLL in Albanië worden vervolgd; dat de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt niet als dusdanig door verzoekers wordt gedesavoueerd, maar dat zij wel wijzen op andere rapporten die echter eerder betrekking hebben op de algemene politieke toestand in Albanië, en die door verzoekers niet worden betrokken op hun eigen individuele situatie; dat verzoekers er aldus niet in slagen de in de bestreden beslissingen gemaakte overwegingen te ontkrachten, noch een schending van de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen aannemelijk te maken; dat het tweede middel niet gegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, VII-28.986-8/9 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien december tweeduizend en zes, door Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-28.986-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.018 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.