id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.031 Rolnummer: A. 151264/VII-32089 Zaak: Arrest 166031 - Dienst Vreemdelingenzaken - 19/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-03 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-01 11:56 Fiche Arrest nr 166.031 van 19 december 2006 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.031 van 19 december 2006 in de zaak A. 151.264/VII-32.089 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R. BOHI, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Waterloosesteenweg 10 tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Marokkaanse nationaliteit, op 2 april 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 februari 2004 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf, op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 4 maart 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 10 mei 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-32.089-1/7 Gelet op de beschikking van 21 september 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 24 oktober 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat R. BOHI, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat L. BRACKE, die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- De verzoekende partij diende op 17 januari 2002 een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 23 februari 2004 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt als volgt: "(...) Reden(en): Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat betrokkene sedert 1993 in het Rijk verblijft, om economische redenen naar België is gekomen, hier familie heeft wonen, geïntegreerd is, een ruime vriendenkring heeft, vormen geen buitengewone omstandigheden om de aanvraag in België te rechtvaardigen. Uit illegaal verblijf kunnen geen rechten geput worden. De elementen met betrekking tot de integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform art 9, al 2 van de wet van 15/12/
- Een tijdelijke scheiding met familie verhindert betrokkene niet om de aanvraag in het land van herkomst in te dienen. De aanvraag kan in het land van herkomst gebeuren. (...)"; VII-32.089-2/7 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: "Le requérant tire ce moyen unique de défense de la violation de l'article 62 de loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire et des articles 1, 2 et 3 de la loi du 29 juillet 1991 relative a la motivation formelle des actes administratifs et de l'erreur manifeste d'appréciation; Attendu que la décision querellée précise que « la requête de l'intéresse est irrecevable; Que des circonstances exceptionnelles n'ont pas été invoquées pour savoir pourquoi l'intéresse ne peut introduire la demande d'autorisation de séjour par la voie de la procédure normale 'via un poste diplomatique ou consulaire compétent pour le lieu de résidence ou le lieu de séjour de l'étranger'; Que 'le fait que l'intéressé réside dans le Royaume depuis 1993 et que sa famille y vit ne constituent pas des circonstances exceptionnelles pouvant justifier l'introduction de sa demande d'autorisation de séjour en Belgique'; Que 'son intégration et ses nombreuses relations tissées depuis son arrivée sur le territoire du Royaume ne sont pas non plus des circonstances exceptionnelles'; Qu' 'aucun droit ne peut être tiré d'un séjour illégal'; Que 'des éléments relatifs a son intégration pourront faire l'objet d'un examen lors de l'introduction éventuelle d'une demande conforme en application de l'article 9 alinea 2 de la loi du 15 décembre 1980'; Qu' 'une séparation provisoire avec la famille ne peut empêcher le requérant d'introduire sa demande dans le pays d'origine'; Attendu que 'les circonstances exceptionnelles au sens de l'article 9 alinéa 3 de la loi du 15 décembre 1980, ce sont toutes des circonstances qui empêchent l'étranger qui se trouve en Belgique de se rendre temporairement dans son pays d'origine pour y accomplir les formalités nécessaires à l'introduction d'une demande d'autorisation de séjour, sans quoi on ne s'expliquerait pas pourquoi elles devraient être invoquées lorsque la demande est faite auprès d'un poste diplomatique ou consulaire belge compétent pour le lieu de résidence ou du séjour de l'étranger'; Attendu qu'une demande d'autorisation de séjour, introduite en application de l'article 9 alinea 3 de la loi du 15 décembre 1980 requiert donc un double examen de la part de l'autorité, à savoir, d'une part la recevabilité de la demande elle-même eu égard aux circonstances exceptionnelles invoquées et d'autre part, le fondement même de la demande de séjour; Que si dans l'appréciation des circonstances exceptionnelles justifiant que la demande soit introduite en Belgique plutôt qu'à l'étranger, le Ministre dispose d'un très large pouvoir d'appréciation, il n'en est pas moins tenu de motiver sa décision et de la justifier formellement (voyez à ce effet: D. Andrien, D. Batsele, E. Derriks, M. Scarcez, comprendre les statuts et les droits des étrangers par les texte Bruxelles, Bruylant, 1997, p. 26, Derriks et C. Debroux 'chronique de jurisprudence, l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers - Loi du 15-12-1980 - Jurisprudence du Conseil d'Etat et des juridictions des référés (1987-1993, J. T, p 1995, pp 182 et 183); Attendu que la loi sur la motivation formelle des actes administratifs exige une motivation adéquate, claire et suffisante; Que l'obligation impose a l'administration un examen attentif des faits invoqués qui sera d'autant plus approfondi que la demande est étayée (cfr; F. Bernard, op. cit., pp. 5 et 6); Que le Conseil d'Etat exige donc de la part de la partie adverse un examen approfondi et fouillé des éléments invoques pour répondre aux arguments invoqués par le requérant; Qu'il exige également de la partie adverse une réponse adéquate à tous les arguments invoqués par le requérant; Qu'en l'espèce, le requérant invoque cinq circonstances exceptionnelles qui justifient selon lui que sa demande soit introduite en Belgique, à savoir la durée de son séjour, sa parfaite intégration, sa maîtrise de la langue française et néerlandaise, la présence de sa famille en Belgique et surtout l'absence d'attaches familiales dans son pays d'origine; VII-32.089-3/7 Qu'en ce qui concerne la durée du séjour du requérant et son intégration dans la société belge et surtout dans la population locale de sa commune de résidence, celui-ci pense que c'est en pure perte et à tort que la partie adverse allègue que ces deux éléments ne peuvent constituer des circonstances exceptionnelles; Que la notion d'intégration est très large et couvre un nombre indéfini d'hypothèses; Qu'elle est souvent invoquée au titre de circonstances exceptionnelles empêchant un retour dans le pays d'origine pour y lever une autorisation de séjour; Que cette notion est également invoquée par les étrangers pour justifier le risque de préjudice grave et difficilement réparable (voyez F. Bienfait, note sous CE., 73830, 25 mai 1998, RDE., n/ 98, p.218 pour le rapport entre les notions de circonstances exceptionnelles et de risque de préjudice grave); Qu'en l'espèce, le requérant souligne qu'il réside en Belgique depuis 1993 Qu'il estime donc qu'il se trouve et ceci a n'en point douter dans les conditions de l'article 2, 4/ de la loi du 22 décembre 1999, dite loi Duquesne, et ce par les attaches sociales et durables qu'il a développées; Qu'il peut donc se prévaloir d'attaches sociales durables en Belgique en raison de la longueur de son séjour (dix ans et trois mois); Qu'il se trouve de plus dans une situation analogue à celle de nombreux étrangers vivant clandestinement dans le Royaume et qui ont vu leur situation régularisée dans le cadre de la loi précitée; Que ceux-ci ont pu temporairement faire valoir les attaches durables qui les liaient a la Belgique sans avoir à démontrer les circonstances exceptionnelles justifiant l'impossibilité de retour dans leur pays d'origine et ce dans le cadre de demandes en régularisation de séjour fondées sur l'article 9 alinéa 3 de la loi du 15 décembre 1980, examinées par la commission de régularisation en vertu du prescrit de l'article 15 de la loi Duquesne; Que de plus, la jurisprudence de la commission de régularisation a établi que 'les attaches sociales et circonstances humanitaires sont présumées lorsque la longueur du séjour est établie' et que 'vu le long séjour en Belgique, on peut raisonnablement présumer que des attaches sociales durables se sont tissées de sorte que la personne en situation précaire au niveau du séjour est un cas humanitaire (Assemble générale des chambres de la commission de régularisation, procès-verbal du 09 septembre 2000); Qu'en l'espèce, le requérant réside sans discontinuité depuis plus de dix ans et trois mois sur le territoire belge; Que tous ses centres d'intérêt sont a présent établis en Belgique et il jouit d'une bonne réputation auprès de son voisinage et tous ceux ou toutes celles qu'il a connus et fréquentés le considèrent comme un jeune homme remarquable, courageux, gentil, dynamique et tres sérieux; Qu'il maîtrise parfaitement le français, le néerlandais et l'arabe Qu'il ne songe nullement tomber à charge des pouvoirs publics belges du genre CPAS; Qu'exiger du requérant qu'il fasse état de circonstances exceptionnelles à l'appui de sa demande de séjour constituerait une discrimination injustifiée contraire au principe de bonne administration; Qu'il est de jurisprudence constante que le large pouvoir d'appréciation dont jouit le Ministre de l'Intérieur dans le cadre de l'article 9 alinéa 3 de la loi du 15 décembre 1980 ne lui permet pas de ne pas tenir compte de la jurisprudence dégagée par la loi du 22 décembre 1999 (CE., 17 avril 2002, n/ 105.622, RDE 2002 n/ 18 p. 250); Que dans une affaire similaire, la plus haute juridiction administrative du pays (il s'agissait d'un ressortissant de Sierra Léone séjournant depuis plus de quatre ans) a considéré qu'il convient de constater, prima facie ' la différence entre le traitement que la loi du 22 décembre 1999 réserve aux étrangers qui remplissent les conditions prévues a l'article 2 'au moment de leur demande' et dans le délai de trois semaines établi par l'article 4, et le traitement réserve aux autres étrangers qui ne se trouvent remplir les mêmes conditions qu'après l'expiration du même délai, ne reposent pas sur des éléments suffisamment significatifs pour justifier raisonnablement la discrimination que provoque le caractère temporaire de ladite loi (CE., 18 décembre 2002, n/ 113.932); Qu'en ce qui concerne l'existence des membres de sa famille en Belgique et l'absence d'attaches au Maroc, l'intéressé estime que la partie adverse recourt ici à une motivation subjective pour rejeter sa demande de régularisation de séjour; VII-32.089-4/7 Que la décision du 23 février 2004 viole l'article 8 de la convention de sauvegarde des droits de l'homme car elle brise le principe de 1'unité familiale; Que l'intéressé n'a plus aucune attache familiale dans le Royaume du Maroc son pays d'origine; Que toute sa famille réside en Belgique et certains membres de celle-ci sont des citoyens belges (son père et d'autres frères); Qu'il estime que c'est à tort que la partie adverse a rejeté sa demande de régularisation introduite en date du 17 janvier 2002 auprès du Bourgmestre de la commune de Molenbeek-Saint-Jean sur base d'une motivation subjective et fantaisiste; Que sa présence continue et effective pendant plus de dix ans et trois mois constitue une circonstance exceptionnelle contrairement a ce qu'allègue la partie adverse dans la présente cause; Qu'au vu de ce qui précède, la partie adverse en arguant que les faits allégués par le requérant à l'appui de sa demande de régularisation à savoir sa parfaite intégration, la longueur du séjour, la présence de toute sa famille en Belgique et l'absence d'attaches dignes de ce nom au Maroc ne constituent pas des circonstances exceptionnelles de nature à empêcher son retour afin de lever l'autorisation visée au Maroc a violé l'obligation de motivation formelle des actes administratifs car elle n'infirme pas valablement et objectivement les raisons pour lesquelles les éléments avancés par le requérant à l'appui de sa demande ne constituent pas une circonstance exceptionnelle de nature à justifier l'introduction de la demande de séjour de plus de trois mois en Belgique."; 2.
- Overwegende dat uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, doch dat hij betwist dat de opgegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat het nagaan of de motieven pertinent zijn, de materiële motiveringsplicht betreft; dat er dienaangaande op dient te worden gewezen dat de Raad van State, bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht, niet bevoegd is om zijn beoordeling van de aanvraag in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd is om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat, waar verzoeker eerst en vooral op de duur van zijn verblijf in België wijst en op zijn integratie in onze maatschappij, dient te worden opgemerkt dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, niet mogen worden verward met de argumenten ten gronde die kunnen worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt: enerzijds wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft, en anderzijds wat de gegrondheid ervan betreft; dat de Minister van Binnenlandse Zaken betreffende de gegrondheid over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt; dat, vooraleer echter te onderzoeken of er voldoende grond was om verzoeker een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij moest nagaan of de aanvraag wel regelmatig was ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de verwerende VII-32.089-5/7 partij dan ook in alle redelijkheid kon overwegen dat "het feit dat betrokkene sedert 1993 in het Rijk verblijft (...) (en) geïntegreerd is (...) geen buitengewone omstandigheden (vormen) om de aanvraag in België te rechtvaardigen" doch wel "het voorwerp (kunnen) uitmaken van een eventueel onderzoek conform art 9, al 2 van de wet van 15/12/1980", aangezien deze elementen betrekking hebben op de gegrondheid van de aanvraag; Overwegende dat, waar verzoeker vervolgens verwijst naar de criteria van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), kan worden volstaan met de opmerking dat verzoeker zijn aanvraag om machtiging tot verblijf heeft ingediend op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, en niet op basis van enig artikel uit de Regularisatiewet, zodat de verwerende partij moeilijk kan worden verweten geen rekening te hebben gehouden met de criteria bepaald in deze laatste wet; dat een schending hiervan aldus niet dienstig kan worden aangevoerd; Overwegende dat, volledigheidshalve en voor zover verzoeker, verwijzend naar de Regularisatiewet, gewag zou maken van een mogelijke vorm van discriminatie, nog kan worden opgemerkt dat het Arbitragehof in het arrest nummer 174/2003 van 17 december 2003 heeft geoordeeld dat de artikelen 2 en 4 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden; Overwegende dat, waar verzoeker ten slotte nog beklemtoont dat al zijn familieleden in België wonen en dat hij geen familiale bindingen meer heeft in zijn land van herkomst, verzoeker dit laatste gegeven niet als dusdanig in zijn aanvraag om machtiging tot verblijf heeft aangehaald, zodat de verwerende partij er in de bestreden beslissing uiteraard niet toe was gehouden hierop in te gaan; dat, wat betreft de omstandigheid dat verzoeker in België familie heeft wonen, dan weer dient te worden opgemerkt dat de verwerende partij hieromtrent in de bestreden beslissing stelt dat "een tijdelijke scheiding met (deze) familie (verzoeker) (niet) verhindert (...) om de aanvraag in het land van herkomst in te dienen"; dat verzoeker niet aantoont dat deze overweging van de verwerende partij kennelijk onredelijk zou zijn; dat verzoeker zich in zijn kritiek immers beperkt tot een summiere verwijzing naar artikel 8 van het E.V.R.M.: dat echter kan worden volstaan met de vaststelling dat verzoeker met geen enkel concreet element aantoont dat hij op hetzelfde adres zou wonen als één van deze familieleden, laat staan dat hij zou bewijzen met één van deze familieleden een "gezinsleven" te belijden in de zin van voornoemd verdragsartikel; VII-32.089-6/7 Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, verzoeker er niet in slaagt een schending van de materiële motiveringsplicht aannemelijk te maken; dat een "manifeste appreciatiefout" evenmin wordt aangetoond; dat het enige middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien december tweeduizend en zes, door Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-32.089-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.031 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div