← België

Arrest 166056 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.056 Rolnummer: A. 175127/X-12952 Zaak: Arrest 166056 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-05 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-01 11:56 Fiche Arrest nr 166.056 van 19 december 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.056 van 19 december 2006 in de zaak A. 175.127/X-12.

  1. In zake : Els DE GRYSE, die woonplaats kiest bij Advocaat P. BEKAERT, kantoor houdende te 8700 TIELT, Hoogstraat 34 tegen : de Deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Els DE GRYSE op 20 juli 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 1 juni 2006 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen, houdende verwerping van het administratief beroep ingesteld tegen het besluit van 19 december 2005 van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Zedelgem waarbij haar de stedenbouwkundige vergunning is geweigerd voor het regulariseren en aanpassen van een stal aan de Bekegemsestraat 1a te Aartrijke-Zedelgem, op een perceel kadastraal gekend onder 4de afdeling, sectie A, nr. 1191 f (lees: 1189 f); Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 21 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 oktober 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; X-12.952-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. ALEXANDER die loco Advocaat P. BEKAERT verschijnt voor de verzoekende partij, en van adjunct-adviseur P. DE WULF die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de naamloze vennootschap D en D, waarvan de verzoekster de afgevaardigde bestuurster is, sinds 1997 eigenares is van een hofstede met grond, gelegen aan de Bekegemsestraat te Aartrijke, op percelen kadastraal gekend onder Zedelgem, 4de afdeling, sectie A, nrs. 1189 f (hofstede) en andere (omliggende weilanden); dat zich op de hofstede, naast een woning, een loods en een grote stal (schuur), ook nog een kleinere stal bevond; dat voor die laatste stal nooit een bouwvergunning is verleend; dat de verzoekster die stal heeft willen omvormen, naar eigen zeggen, van een "vervallen stalling" tot een "paardenstal"; dat zij de daartoe strekkende werken in 1998 is beginnen uitvoeren zonder over de vereiste stedenbouwkundige vergunning te beschikken; dat toen tegen haar een proces- verbaal van bouwovertreding is opgesteld, en een strafvordering is ingesteld, welke thans nog aanhangig is bij de Correctionele Rechtbank te Brugge; Overwegende dat de verzoekster, nadat een eerste aanvraag tot het verkrijgen van een regularisatievergunning voor het omvormen van de bestaande stal tot een paardenstal door het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Zedelgem bij besluit van 18 augustus 1998 was geweigerd, een tweede aanvraag heeft ingediend, ontvangen op 27 oktober 1998; dat die tweede aanvraag voorzag in een aantal beperkte veranderingen aan het bestaande gebouw; dat de gemachtigde ambtenaar over deze aanvraag een ongunstig advies heeft gegeven; dat het college van burgemeester en schepen de gevraagde vergunning bij besluit van 20 april 1999 heeft geweigerd; dat de Bestendige Deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen bij besluit van 12 augustus 1999 het beroep van de verzoekster heeft verworpen; dat de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening bij besluit van 10 januari 2002 het beroep van de verzoekster op zijn beurt heeft verworpen; dat de Raad van State het door de verzoekster ingestelde beroep tot nietigverklaring bij arrest nr. 132.923 van 23 juni 2004 heeft verworpen, op grond dat het beroep onontvankelijk was bij gebrek aan X-12.952-2/8 belang, gelet op het ontbreken van een vergelijk met de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur op het ogenblik dat het beroep werd ingesteld; Overwegende dat de verzoekster ondertussen een derde aanvraag had ingediend, ontvangen op 11 mei 2004, strekkende tot het verkrijgen van een regularisatievergunning voor het omvormen van de bestaande stal tot een paardenstal; dat het plan in vergelijking met de tweede aanvraag op een aantal punten verder is aangepast, en dat deze derde aanvraag uitdrukkelijk mede strekt tot het verkrijgen van een vergunning voor het aanpassen van de bestaande stal; dat de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies heeft gegeven; dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 19 december 2005 de gevraagde vergunning heeft geweigerd; dat de bestendige deputatie bij besluit van 1 juni 2006 het beroep van de verzoekster heeft verworpen; dat dit laatste besluit het voorwerp vormt van de voorliggende vordering;
  3. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  4. Overwegende dat de verweerster een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering opwerpt, gegrond op het ontbreken van een geoorloofd belang; dat zij aanvoert dat de verzoekster de regularisatie beoogt van werken die zonder de vereiste vergunning zijn uitgevoerd, dat de verzoekster zich in een onwettige situatie bevindt, en dat zij geen verzoek kan indienen dat ertoe strekt die onwettige situatie te bestendigen; Overwegende dat de verzoekster met haar aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning beoogt een onwettige toestand naar de toekomst toe wettig te maken; dat aldus geen bestendiging van een onwettige toestand wordt beoogd; dat de exceptie niet kan worden aangenomen;
  5. Overwegende dat de verzoekster een eerste middel inroept, afgeleid uit de schending van artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen; dat zij aanvoert dat het betrokken perceel gelegen is in een gebied dat X-12.952-3/8 volgens het gewestplan Diksmuide-Torhout, vastgesteld bij het koninklijk besluit van 5 februari 1979, bestemd is als landschappelijk waardevol agrarisch gebied, dat in het bestreden besluit niet getoetst wordt of de aanvraag voldoet aan de voorschriften die volgens artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 voor een dergelijk gebied gelden, dat de aanvraag perfect verenigbaar is met de bestemming die het gebied heeft, dat, door impliciet ervan uit te gaan dat dit niet het geval is, het bestreden besluit de in het middel aangehaalde bepaling schendt; Overwegende dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de bestendige deputatie de aanvraag strijdig acht met het gewestplan; dat de verweerster in haar nota uiteenzet dat zij ervan uitgegaan is dat de aanvraag juist verenigbaar is met de gewestplanbestemming; dat de verzoekster geen gegevens aanbrengt die tot een andere lezing van het bestreden besluit leiden; dat het middel, dat lijkt te steunen op een verkeerde lezing van het bestreden besluit, dan ook niet ernstig is;
  6. Overwegende dat de verzoekster een tweede middel inroept, afgeleid uit de schending van de omzendbrief RO/2002/01 (van 25 januari 2002) bevattende "Richtlijnen voor de beoordeling van aanvragen om een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen of oprichten van stallingen voor weidedieren, geen betrekking hebbend op effectieve beroepslandbouwbedrijven", gelezen in samenhang met het beginsel van behoorlijk bestuur "Patere legem quam ipse fecisti"; dat zij aanvoert dat de aanvraag beantwoordt aan de maximumoppervlakte voor een stal, welke in de omzendbrief als richtlijn wordt gehanteerd, zelfs indien men de andere, bestaande stalling mede in aanmerking neemt; dat de verzoekster besluit dat, ook al is de omzendbrief niet bindend, "het de overheid niet toekomt zonder enige motivering een beslissing te nemen die zich niet laat verstaan met de richtlijnen die diezelfde overheid zich tevoren heeft opgelegd"; Overwegende dat, zoals de verzoekster zelf erkent, de in het middel aangehaalde omzendbrief RO/2002/01 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening van 25 januari 2002 op zich niet bindend is; dat een eventuele niet-naleving van de onderrichtingen vervat in voormelde omzendbrief op zich niet tot de onwettigheid van het bestreden besluit lijkt te kunnen leiden; Overwegende dat het middel aan het bestreden besluit verwijt dat het "zonder enige motivering" een beslissing neemt "die zich niet laat verstaan met X-12.952-4/8 de richtlijnen die (de betrokken) overheid zich tevoren heeft opgelegd"; dat ten overvloede, en daargelaten de vaststelling dat de omzendbrief niet uitgaat van de verweerster zelf, maar van de Vlaamse minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening, die omzendbrief blijkens zijn bewoordingen zelf slechts beoogt "een richtkader (te geven), wat inhoudt dat lokale en specifieke omstandigheden een afwijking ervan kunnen verantwoorden"; dat uit de motieven van het bestreden besluit, waarin uitdrukkelijk verwezen wordt naar een aantal richtinggevende cijfers vervat in de omzendbrief, niet blijkt dat de verweerster van oordeel is dat de aanvraag niet aan die cijfers beantwoordt; dat het bestreden besluit wel vaststelt dat er, ondanks de aanpassingen aan het gebouw, nog een aantal "pijnpunten" overblijven, met name het feit dat de twee poortopeningen resulteren in een potentiële garage, dat een betonvloer geplaatst wordt op de dakverdieping, terwijl die enkel moet dienen als opslagplaats voor hooi en stro, dat van de 91 m2 slechts 57 m2 wordt ingenomen als effectieve stalruimte, terwijl de rest (34 m2) wordt ingenomen als voederberging en berging, dat de aanvraag wordt gemotiveerd vanuit de noodzaak om alle dieren te kunnen onderbrengen, terwijl er op het perceel nog voldoende alternatieve, bestaande constructies zijn waarin de dieren kunnen worden ondergebracht (stalling en loods); dat het bestreden besluit aldus een geheel van "lokale en specifieke omstandigheden" vermeldt die, naar het oordeel van de verweerster, met zich brengen dat de aanvraag niet zonder meer, op grond van de overeenstemming met de richtlijnen van de omzendbrief, ingewilligd kan worden; dat het bestreden besluit de aanvraag trouwens ook toetst aan de beginselen van een goede ruimtelijke ordening en plaatselijke aanleg, en het de gevraagde vergunning op grond van de strijdigheid met de goede plaatselijke ordening weigert; dat het middel, dat aanvoert dat het bestreden besluit helemaal niet motiveert waarom het van de richtlijnen van de omzendbrief afwijkt, feitelijke grondslag lijkt te missen; dat het middel niet ernstig is;
  7. Overwegende dat de verzoekster een derde middel inroept, afgeleid uit de schending van artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen en van het motiveringsbeginsel (artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996); dat zij aanvoert dat het op grond van artikel 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 aan de vergunningverlenende overheid toekomt om de verenigbaarheid van het bouwproject met de goede ruimtelijke ordening te beoordelen, dat dit impliceert dat de verweerster in haar beslissing X-12.952-5/8 correcte motieven dient weer te geven die verband houden, enerzijds, met de verenigbaarheid van de inrichting met het bestemmingsvoorschrift agrarisch gebied, en anderzijds, met de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening, dat wat dit tweede aspect betreft, door het bestreden besluit wordt overwogen: "De bouwplaats bevindt zich in landschappelijk waardevol agrarisch gebied ten noordwesten van de kern van Aartrijke. De ruimere omgeving is nog grotendeels open gebleven en wordt gekenmerkt door verspreide bebouwing van landbouwbedrijven en enkele zonevreemde woningen. Het nagenoeg volledig gerealiseerde gebouw heeft de allure van een woning en werkt de residentialisering in de hand. Voorliggend ontwerp voorziet enkele aanpassingen die betrokken gebouw de verschijningsvorm geven van een stalling. Niettemin wordt door de creatie van een bijkomend gebouw de druk en de impact op de open omgeving verhoogd. De aanvraag is dan ook strijdig met de goede plaatselijke ordening, nu de voorziene functie kan ondergebracht worden in de bestaande bebouwing"; dat deze overweging niet kan volstaan om de aanvraag af te wijzen, dat de vermeende strijdigheid met de goede plaatselijke ordening immers niet blijkt te zijn ingegeven door het uitzicht van de stalling, wat in het verleden, bij de vorige bouwaanvraag, wel een probleem was, dat er daarentegen blijkbaar nog wel een bezwaar is tegen de inplanting van de stal, dat echter de overweging dat "door de creatie van een bijkomend gebouw de druk en de impact op de open omgeving (wordt) verhoogd" feitelijk verkeerd is, dat er aldaar immers steeds een stal heeft gestaan, zoals blijkt uit een luchtfoto van vóór de vernieuwing van de stal, dat er bij het bestuur steeds verwarring is geweest, gelet op het gegeven dat er op de hofplaats meer dan één stal is, dat in ieder geval, wat de stal van de kwestieuze aanvraag betreft, het enkel gaat om een stalling op exact dezelfde plaats als de vervallen stalling, die exact dezelfde afmetingen had, dat de verweerster de weigering dan ook onmogelijk kon motiveren door te stellen dat de druk en de impact op de open omgeving "verhoogd" wordt, nu het bouwvolume er steeds geweest is; dat de verzoekster besluit dat, waar artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalt dat de beslissingen van de bestendige deputatie met redenen omkleed worden, en nu om uit te maken of aan de door deze bepaling opgelegde motiveringsverplichting is voldaan, enkel rekening kan worden gehouden met de motieven uiteengezet in de beslissing zelf, de bestreden beslissing voormelde decreetsbepaling schendt, in zoverre het enige weerhouden element om tot strijdigheid met de goede plaatselijke ordening te besluiten, feitelijk manifest onjuist is; X-12.952-6/8 Overwegende dat uit o.m. artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen kan worden afgeleid dat het de taak is van de vergunningverlenende overheid om geval per geval te onderzoeken of de bouwaanvraag beantwoordt aan de eisen van de goede plaatselijke ordening; dat uit artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, volgt dat de bestendige deputatie duidelijk de met de plaatselijke aanleg of de ruimtelijke ordening verband houdende redenen moet opgeven waarop zij haar beslissing steunt; Overwegende dat het bestreden besluit te dezen, wat betreft de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening, gesteund is op de in het middel aangehaalde motieven; Overwegende dat uit die motieven blijkt dat de verweerster van oordeel is dat door de creatie van een "bijkomend" gebouw, d.w.z. het gebouw waarvoor de regularisatievergunning wordt gevraagd, de druk en de impact op de open omgeving worden "verhoogd"; dat het bedoelde gebouw weliswaar is ontstaan uit de omvorming van een bestaande stal, maar dat de verweerster vaststelt dat het gebouw op het ogenblik van het nemen van de beslissing "de allure van een woning" heeft; dat de verzoekster niet beweert, en uit het dossier ook niet blijkt, dat voor dat gebouw een vergunning is verleend; dat in de huidige stand van de rechtspleging dan ook aangenomen lijkt te moeten worden dat de verweerster bij de beoordeling van de druk en de impact van het aan te passen gebouw ervan kon uitgaan dat zij geen rekening moest houden met de bestaande druk en impact, uitgaande van het bestaande, doch niet vergunde gebouw; dat het bestreden besluit dan ook niet lijkt uit te gaan van een feitelijke toestand die kennelijk onjuist is; dat het middel feitelijke grondslag lijkt te missen; dat het niet ernstig is;
  8. Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; X-12.952-7/8 BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  10. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien december 2006, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.952-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.056 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.300 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.