← België

Arrest 166091 - Commissie voor regularisatie - 19/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.091 Rolnummer: A. 160255/XIV-21865 Zaak: Arrest 166091 - Commissie voor regularisatie - 19/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-15 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-07-01 11:58 Fiche Arrest nr 166.091 van 19 december 2006 Vreemdelingen - Commissie voor regularisatie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.091 van 19 december 2006 in de zaak A. 160.255/XIV-21.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX die wonen te A. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX. en XXX., van Georgische nationaliteit, op 22 februari 2005 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 februari 2004 tot weigering van regularisatie en van het bevel om het grondgebied te verlaten van 26 februari 2004 aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 24 januari 2005; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 1 april 2005 waarbij aan de tweede verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 10 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-21.865-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. N. SMETS, die loco T. SMET verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat A. DE MEU, die loco advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken. Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de verzoekende partijen op 13 maart 2000 een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf indienen op basis van artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (de Vreemdelingenwet); dat deze aanvraag overeenkomstig artikel 15 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet) werd overgemaakt aan de Commissie voor regularisatie; dat op 26 februari 2004 de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag verwerpt; dat de Commissie voor regularisatie op 18 oktober 2001 een ongunstig advies verleent; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 26 februari 2004 de aanvraag verwerpt; dat deze eerste bestreden beslissing luidt als volgt : “Betreft : het verzoek tot regularisatie van uw verblijfstoestand overeenkomstig de wet van 22 december 1999, nummer regularisatie
  5. Ik wens u op de hoogte te brengen van het feit dat ik beslist heb uw verzoek om uw verblijfstoestand te regulariseren overeenkomstig de bepalingen van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk niet in te willigen om de volgende redenen : Ik ben van oordeel, zoals wordt geconcludeerd in het advies van de commissie tot Regularisatie van verblijf, dat u niet voldoet aan de voorwaarden die worden omschreven in artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Ik baseer mijn beslissing op de hieronder opgesomde motieven. Uit uw aanvraag kan niet worden afgeleid dat deze voldoet aan de vereisten omschreven in artikel 9, 9/ van de wet van 22 december
  6. Vooreerst blijkt uit het administratief dossier dat u pas sinds 1995 in België aanwezig bent. Zo blijkt dat u op 13 februari 1995 bij de dienst Vreemdelingenzaken een eerste asielaanvraag indiende. Bijgevolg voldoet uw aanvraag niet aan de termijnvereiste voorzien in artikel 9, 9/ van de wet van 22 december
  7. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat u geen stukken voorlegt waaruit blijkt dat u ooit in België heeft gewerkt. Evenmin toont u aan dat u één van de in België gebruikelijke talen spreekt. Uit geen enkel stuk blijkt dat u in België duurzame sociale bindingen heeft ontwikkeld. De vrijblijvende en niet gedetailleerde verklaringen van de verhuurder en een vijftal tennissen zijn van louter private aard en kunnen om die reden niet als bewijs van duurzame bindingen worden beschouwd. Wat betreft de overige criteria voorzien in artikel 9, 9/ van de wet van 22 december 1999 wordt opgemerkt dat u evenmin een bewijs van wettig verblijf in België voorlegt (uw verblijf als kandidaat-vluchteling in België kan conform artikel 9, 9/ tweede lid van de wet van 22 december 1999 niet worden aanvaard.) Daarnaast moet worden opgemerkt dat in het kader van uw eerste asielaanvraag door de dienst Vreemdelingenzaken op 14 februari 1995 een beslissing ‘weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten’ werd genomen, naar aanleiding van uw tweede asielaanvraag werd door de dienst Vreemdelingenzaken op 11 maart 1998 een tweede bevel om het grondgebied te verlaten (in de beslissing weigering van inoverwegingname van een vluchtelingenverklaring) ten aanzien van uw persoon genomen. XIV-21.865-2/7 Concluderend kan gesteld worden dat uw aanvraag aan geen van de drie voorwaarden omschreven in artikel 9, 9/ van de wet van 22 december 1999 voldoet.”; Overwegende dat de verzoekende partijen op 11 augustus 2004 een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf indienen op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat op 24 januari 2005 aan de verzoekende partijen bevel om het grondgebied te verlaten wordt gegeven; dat dit de tweede en derde bestreden beslissingen zijn, die luiden als volgt : “(...) Reden van de beslissing : verblijft langer in het Rijk dan de vastgestelde termijn volgens artikel 6 of kan het bewijs niet leveren dat deze termijn niet overschreden werd (artikel 7, al. 1, 2/ van de wet van 15.12.1980) Motivatie in feite : de regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22.12.1999 werd definitief verworpen door een beslissing van de minister op 26.02.
  8. (...).”; Overwegende dat op 23 februari 2005 de minister van Binnenlandse Zaken de voormelde aanvraag van 11 augustus 2004 zonder voorwerp verklaard; dat aan de verzoekende partijen op 23 februari 2005 opnieuw een bevel om het grondgebied wordt gegeven; dat de verzoekende partijen tegen die beslissing en dat bevel een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring hebben ingediend bij de Raad van State, gekend onder het nr. 161.é/XIV-22.159; Overwegende dat de verzoekende partijen op 28 februari 2005 een asielaanvraag hebben ingediend, die op 16 maart 2005 is afgesloten met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; 2.1.
  9. Overwegende dat de verzoekende partijen een eerste middel aanvoeren die luiden als volgt: “Rechten van Verdediging Verzoeker heeft op geen enkele wijze de mogelijkheid gehad om zijn argumenten naar voor te brengen. Als motivering worden nochtans een aantal elementen aangegeven die door verzoeker wel degelijk weerlegd hadden kunnen worden. Als redenen worden weergegeven: - Dat betrokkenen geen der Belgische landstalen spreken - Dat betrokkenen geen bewijs voorlegt dat zij ooit in België gewerkt hebben Het spreekt voor zich dat verzoeker in de mogelijkheid moet zijn om zich te verdedigen op deze stellingen. Het spreekt voor zich dat dit een schending uitmaakt van het Recht van Verdediging van verzoekers. Het spreekt voor zich dat verzoekers minstens in de mogelijkheid moeten gesteld worden om dergelijke loze beweringen te weerleggen. Een even ongefundeerde bewering is dat verzoekers niet aantonen dat zij in België hebben gewerkt. Verzoekers hebben wel degelijk gewerkt in België en kunnen dit ook als dusdanig aantonen. Echter werden verzoekers hiertoe nooit uitgenodigd. Ook dit maakt een manifeste schending uit van de Rechten van Verdediging van verzoekers. Dit middel is gegrond.”; XIV-21.865-3/7 2.1.
  10. Overwegende dat het eerste middel tegen de eerste bestreden beslissing blijkt te zijn gericht; dat de rechten van de verdediging enkel van toepassing zijn op jurisdictionele procedures en, in administratieve procedures, op tuchtzaken; dat zij niet van toepassing zij niet van toepassing zijn op de behandeling van een regularisatieaanvraag, waarover met de eerste bestreden beslissing uitspraak is gedaan; dat het eerste middel derhalve niet-ontvankelijk is, daargelaten de vaststelling dat de verzoekende partijen gedurende heel de regularisatieprocedure de mogelijkheid hadden het bewijs van hun talenkennis en hun arbeid te leveren, mogelijkheid waarvan zij echter geen gebruik hebben gemaakt; 2.2.
  11. Overwegende dat de verzoekende partijen een tweede middel aanvoeren die luiden als volgt: “Schending van het Zorgvuldigheidsbeginsel Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur op zorgvuldige wijze dient voor te bereiden en de genomen beslissing dient te stoelen op een correcte feitenvinding. (NUST, A., DUJARDING, J., VAN DAMME, M. en VANDELANOTTE, J., Overzicht van het Belgisch administratiefrecht, Kluwer, Antwerpen, 1999, 46) Zorgvuldigheid vergt een zich nauwgezet rekenschap geven van de motieven en gevolgen van zijn handelen en de te nemen beslissingen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat bij de voorbereiding en bij het nemen van het overheidsbesluit alle relevante factoren worden afgewogen. ER is zorgvuldigheid in de feitenvinding vereist. (R.v. St. nr. 18.730 van 31 januari 1978) Het houdt in dat een dossier volledig moet zijn en alle relevante elementen moet inhouden. De motivering is daadkrachtig als de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven kan aantreffen op grond waarvan ze werden genomen (R. v. St. nr. 60.146 van 13 juni 1996 en nr. 60.572 van 27 juni 1996), dat ze niet al te faciel of oppervlakkig is (R.v. St. ar. 59.846 van 4 juni 1996 en nr. 58.924 van 28 maart 1996), dat ze voldoende precies is (R.v.St. nr. 58.939 van 28 maart 1996 en nr. 59.227 van 25 april 1996), voldoende onderbouwd derwijze dar ze het eindbesluit verantwoordt (R.v. St. nr. 60.144 van 13 juni 1996 en nr. 58.942 van 28 maart 1996) en feitelijk correct is. In casu is er sprake van een manifest foutieve motivering. Zo stelt de bestreden beslissing dat: 'Daarnaast dient te worden opgemerkt dat u geen stukken, voorlegt waaruit blijkt dat u ooit in België heeft gewerkt. Evenmin toont u aan dat u één van de in België gebruikelijke talen spreekt. Uit geen enkel stuk blijkt dat u in België duurzame sociale bindingen heeft ontwikkeld. De vrijblijvende en niet gedetailleerde verklaringen van de verhuurder en een vijftal kennissen zijn van louter private aard en kunnen om die reden niet als bewijs van duurzame bindingen worden beschouwd "
  12. Werk Verzoekers hebben wel degelijk voldoende elementen aangebracht waaruit blijkt dat zij in België gewerkt hebben gedurende hun tien-jarige verblijf alhier- In bijlage aan dit verzoekschrift leveren verzoekers hiervan nogmaals het bewijs, voor zover dit wenselijk wordt geacht. Uit de voorgelegde stukken blijkt duidelijk dat verzoekers inderdaad gewerkt hebben in België. 4.
  13. Taal Tevens spreken verzoekers Nederlands. De stelling als zouden verzoekers geen de Belgische landstalen spreekt is manifest onjuist en blijkt geenszins uit de door verzoekers neergelegde stukken. Verzoekers werden in het kader van onderhavige procedure op geen enkel ogenblik gehoord om na te gaan of ze daadwerkelijk Nederlands spreken. Dit aspect van de motivering is allerminst voldoende gefundeerd. Wanneer men een persoon nog nooit ontmoet heeft, is het onmogelijk uit te maken of deze persoon als dan niet Nederlands, Frans of Duits spreekt. Verzoekers werden nooit uitgenodigd teneinde aan te tonen dat ze één der Belgische landstalen spreken. Dit was nochtans de enige mogelijkheid om dit aspect na te gaan. Het is dan ook onverantwoord dat een voor verzoekers levensbelangrijke beslissing wordt gebaseerd op een ongefundeerde en totaal onjuiste motivering. 4.
  14. Duurzame sociale bindingen XIV-21.865-4/7 Tenslotte is de bewering dat de door verzoekers bijgebrachte verklaringen geenszins het bewijs leveren van duurzame bindingen, onvoldoende onderbouwd. Het is niet omdat verzoekers geen lid zijn van de plaatselijke kaartclub, dat zij geen bewijs geleverd hebben van duurzame sociale bindingen. Het feit alleen al dat een heel aantal mensen een verklaring willen opmaken om verzoekers de mogelijkheid te bieden aan te tonen dat ze wel over voldoende sociale contacten beschikken, is op zich al voldoende bewijs van duurzame sociale bindingen. Deze mensen hebben deze verklaringen immers enkel en alleen maar schreven juist omdat er een duurzame sociale binding is met verzoekers. Verzoekers verblijven, zoals hierboven vermeld reeds geruime tijd in België. Dit wil zeggen dat de sociale bindingen van verzoekers met België veel groter zijn dan met zijn geboorteland Georgië. Verzoeker spreken uitstekend Nederlands, wat geen sinecure is voor iemand die het Georgisch als moedertaal heeft. Verzoekers hebben hier reeds een volledig sociaal netwerk opgebouwd van mensen waarop hij kan steunen in tijd van nood. Zo hebben verzoekers vaak contacten met andere Belgen. Ze gaan hier naar een Belgische dokter en een Belgische apotheker. Hun kleinkinderen gaan naar school in een Belgische school, samen met andere Belgische kinderen. Verzoekers hebben geen dergelijk sociaal netwerk in Georgië, daar zij reeds lang uit dit land vertrokken zijn en absoluut geen voeling meer heeft met de mensen die daar wonen. Zo is het uitermate belangrijk te vermelden dat de familieleden van verzoekers wel recht op verblijf hebben gekregen hier in België. Hun kinderen en hun respectievelijke partners, samen met hun kleinkinderen hebben een positieve regularisatie gekregen. daarenboven heeft ook de broer van verzoekster en zijn echtgenote recht op verblijf gekregen hier in België. Het spreekt voor zich dat verzoekers niet terug kunnen naar Georgië, het land waaruit ze vele jaren geleden zonder hebben en houden zijn moeten vertrekken. Er is daar voor hen geen familie meer en de vijandigheid zal nog steeds even groot zijn bij een eventuele terugkeer. Daarenboven wordt in de bestreden beslissing niet duidelijk gesteld waarom deze verklaringen niet voldoende zijn opdat zou kunnen gesproken worden van duurzame sociale bindingen. Wat zijn duurzame sociale bindingen? Vanaf wanneer is er sprake van duurzame sociale bindingen? Eén en ander wordt onvoldoende duidelijk gemaakt in de bestreden beslissing. Er is in casu een manifeste schending van het Zorgvuldigheidsbeginsel. Het middel is gegrond.”; 2.2.
  15. Overwegende dat artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet, waarop de aanvraag was gegrond, als volgt luidt : "Onverminderd de toepassing van artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is de wet van toepassing op de aanvragen tot regularisatie van verblijf die ingediend worden door vreemdelingen die reeds daadwerkelijk in België verbleven op 1 oktober 1999 en die op het ogenblik van de aanvraag : (...) 4/ hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale vindingen in hun land hebben ontwikkeld"; Overwegende dat artikel 9, 9/, van dezelfde wet bepaalt dat voor de in artikel 2, 4/ bedoelde vreemdelingen het bij de aanvraag gevoegde dossier een bewijs moet omvatten "dat (hun) aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan en/of in voorkomend geval, het bewijs dat ze wettig in België verbleven hebben, en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat ze in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen hebben om het grondgebied te verlaten"; Overwegende dat uit deze bepalingen, samengelezen, blijkt dat de vreemdeling die 'duurzame sociale bindingen' doet gelden, ook het bewijs dient te leveren XIV-21.865-5/7 van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden voorzien in artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet; dat de omstandigheid dat aan één van deze voorwaarden niet is voldaan, voldoende is om vast te stellen dat de aanvrager niet in aanmerking komt voor regularisatie op basis van artikel 2, 4/; dat de verzoekende partijen in het tweede middel voorbijgaan aan de vaststelling in de bestreden beslissing dat zij niet voldoen aan “de termijnvereisten voorzien in artikel 9, 9/ van de wet van 22 december 1999"; dat zulks een determinerend weigeringsmotief vormt in de zin dat het volstaat om de eerste bestreden beslissing te dragen; dat de verzoekende partijen zich derhalve enkel tegen overtollige motieven richten, vermits de eventuele gegrondheid van hun kritiek niet tot de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing kan leiden; dat het tweede middel niet-ontvankelijk is; Overwegende dat tegen de tweede en de derde bestreden beslissing geen middel wordt gericht;
  16. Overwegende dat de verzoekende partijen geen ontvankelijk middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  17. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. XIV-21.865-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien december tweeduizend en zes, door: de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-21.865-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.091 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.