id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.150 Rolnummer: A. 177370/XII-4889 Zaak: Arrest 166150 - Wapens - 20/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-17 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-01 12:01 Fiche Arrest nr 166.150 van 20 december 2006 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.150 van 20 december 2006 in de zaak A.177.370/XII-
- In zake : Henri DEWICKE, die woonplaats kiest bij advocaat J. Bouckaert, kantoor houdende te 1060 Brussel, H. Wafelaertsstraat 47-51 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen, die woonplaats kiest te Brugge, Riddersstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Henri Dewicke op 2 oktober 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen 1/ van de beslissing van 20 juli 2006 van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen waarbij zijn vergunningen tot het voorhanden hebben van twee vuurwapens worden ingetrokken en het bericht van overdracht van een vuurwapen wordt geschrapt, 2 van de beslissing van 10 augustus 2006 van dezelfde gouverneur waarbij ook de berichten van overdracht van twee andere vuurwapens worden ingetrokken, en 3/ van de beslissing van 18 september 2006 van de gouverneur om de voormelde beslissingen tot intrekking te handhaven; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; XII-4889-1/6 Gelet op de beschikking van 13 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaten J. Bouckaert en G. Ampe, die verschijnen voor verzoeker, en van waarnemend adviseur V. Boerjan, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de politie bij verzoeker, naar aanleiding van een verkeerscontrole op 23 december 2005, op de achterbank van zijn wagen onder andere twee jachtwapens aantreft; dat de wapens in beslag worden genomen; dat ten gevolge van het voorval de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen op 20 juli 2006 met betrekking tot de andere wapens die verzoeker bezit, beslist dat -wat twee ervan betreft- de vergunningen tot het voorhanden hebben worden ingetrokken en -wat het derde betreft- het bericht van overdracht wordt geschrapt, en dat de wapens bij een erkend wapenhandelaar moeten worden afgegeven; dat in het besluit onder meer wordt overwogen “dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden blijkt dat de heer Dewicke niet de vereiste waarborgen biedt uit oogpunt van persoonlijkheid, gedrag, moraliteit, eerbaarheid en geestestoestand en dat er voldoende ernstige en concrete redenen zijn om te besluiten dat het voorhanden hebben van een verweervuurwapen in deze omstandigheden als zeer nadelig en gevaarlijk voor de openbare orde en veiligheid dient aanzien te worden”; dat dit de eerste bestreden beslissing is; Overwegende dat op 10 augustus 2006 de gouverneur met betrekking tot de twee jachtwapens die op 23 december 2005 in beslag werden genomen, en intussen aan verzoeker zijn teruggegeven, beslist dat de betrokken berichten van overdracht geschrapt worden en dat de wapens bij een erkend wapenhandelaar moeten worden ingeleverd; dat die beslissing het tweede voorwerp van de vordering uitmaakt; XII-4889-2/6 Overwegende dat verzoeker met een 28 augustus 2006 gedateerde brief “willig beroep” aantekent tegen de besluiten van 20 juli 2006 en 10 augustus 2006; dat de gouverneur met een schrijven van 18 september 2006 antwoordt dat hij de besluiten in het belang van de openbare orde en veiligheid handhaaft; dat dit de derde bestreden beslissing is; Overwegende dat de bestreden beslissingen genomen zijn door de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen; dat hij daarbij is opgetreden als vertegenwoordiger van de Belgische federale staat, op grond van een zelfstandige beslissingsbevoegdheid; dat op het eerste gezicht niets zich ertegen verzet dat in die omstandigheden de gouverneur de verdediging van de beslissingen opneemt en verweer voert in de onderhavige procedure die verzoeker ertegen instelde; dat er dan ook, aangezien de gouverneur ter terechtzitting vertegenwoordigd was, geen reden is om, zoals verzoeker vraagt, overeenkomstig artikel 4, vierde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State vast te stellen dat verwerende partij geacht moet worden met de vordering tot schorsing in te stemmen; dat overigens die instemming, in voorkomend geval, de Raad er niet zou hebben van afgehouden in aanmerking te nemen wat hij hierna overweegt; Overwegende dat verwerende partij de ontvankelijkheid van de vordering betwist; dat een onderzoek van en een uitspraak over de ontvankelijkheid zich slechts zouden opdringen indien aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan zou zijn, hetgeen zoals hierna zal blijken niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, met betrekking tot de tweede voorwaarde, dat verzoeker in zijn verzoekschrift doet gelden wat volgt : “
- De onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten beslissing berokkent verzoekende partij een MTHEN.
- Het nadeel is immers bijzonder ernstig in hoofde van verzoeker, die reeds 77 jaar is doch nog steeds gezond en in goeden doen is, en nu het recht ontnomen wordt om in de late herfst van zijn leven, zijn sinds jaren uitgeoefende hobby te XII-4889-3/6 beoefenen (zie R.v.St., Weemaes, 31 oktober 1996, nr. 62.887; R.v.St, Gielen, 4 oktober 1994, nr. 49.421; R.v.St., Gemeente Edegem en Van Look, nr. 74.713, 29 juni 1998). Om de jacht te beoefenen, heeft men nu eenmaal een wapen nodig. De bestreden beslissingen leidden er toe dat hij zijn vergunningen, berichten van overdracht en zijn al dan niet vergunningsplichtige jachtwapens moest inleveren, zodat hij zijn hobby niet langer kan uitoefenen. Rekening houdend met de gevorderde leeftijd van verzoeker, betekent dit dat hem de kans ontnomen wordt om nog ooit zijn hobby te beoefenen. Dit nadeel is bovendien onherstelbaar : bij gebreke aan de vergunningen en berichten van overdracht van de wapens, en de verplichte afgifte van deze wapens, kan hij deze niet langer benutten voor de jacht.
- Daarenboven lijdt verzoeker ook een groot moreel nadeel door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen. Hij heeft als jachtrechthouder immers steeds een onberispelijke staat kunnen voorleggen. Hij heeft dan ook jaarlijks zijn jachtverlof kunnen bekomen en in het kader hiervan steeds een bewijs van goed gedrag en zeden kunnen voorleggen (zie stuk 14). Hij is jarenlang beëdigd jachtwachter geweest (voor de heer Sennesaele die plandrager is, stuk 5). Verzoekende partij heeft zich bovendien steeds ten dienste van de gemeenschap gesteld. Zo is hij 24 jaar lang regielid geweest van de Noordwatering Veurne, de grootste polder van ons land. Verzoekende partij is ook dijkgraaf van die Polder geweest. Verzoekende partij is ook bestuurslid van de Wildbeheerseenheid Westhoek (stuk 6). Bovendien is hij dertig jaar lang voorzitter gewe[e]st van de landelijke gilde Driekapellen - Kaaskerke deelgemeente Diksmuide en is hij voorzitter geweest van de onderlinge bedrijfshulp onder de landbouwers (stuk 15). Met de bestreden beslissingen wordt evenwel zijn goede naam en eer besmeurd. In de eerste bestreden beslissing van 20 juli 2006 wordt hij immers omschreven als een persoon die ‘niet de vereiste waarborgen biedt uit oogpunt van persoonlijkheid, gedrag, moraliteit, eerbaarheid en geestestoestand’, als ware hij even onbetrouwbaar als de schare lieden die de directe aanleiding hebben gevormd tot de overhaaste goedkeuring van de Nieuwe Wapenwet. Hij wordt bovendien, zonder het minste bewijs, als een stroper gebrandmerkt. Dit nadeel is ernstig. Overeenkomstig de vaste rechtspraak van uw Raad is een moreel nadeel bovendien steeds moeilijk te herstellen. De bestreden beslissingen brengen verzoekende partij dan ook een ernstig moreel nadeel toe dat onherstelbaar is”; Overwegende dat de onmogelijkheid om in afwachting van een eventuele annulatie een hobby of vrijetijdsbesteding te beoefenen, niet ernstig in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan worden geacht; dat, dan weer, het aangevoerde moreel nadeel niet moeilijk herstelbaar lijkt en, administratiefrechtelijk beschouwd, verholpen zal worden door de nagestreefde vernietiging; Overwegende dat een en ander weliswaar nuancering behoeft in bijzondere en uitzonderlijke omstandigheden; dat verzoeker als zodanige omstandigheid doet gelden dat hij reeds 77 jaar is, wat impliceert dat hij zonder schorsing nooit nog de kans zal hebben zijn hobby, de jacht, te beoefenen en evenmin nog zal meemaken dat zijn naam en eer van alle smet worden gezuiverd; dat verzoeker, zoals hij ter XII-4889-4/6 terechtzitting uitvoerig benadrukt, er daarvoor van uitgaat dat een arrest over de vordering tot nietigverklaring nog vele, lange jaren op zich zal laten wachten; Overwegende dat de Raad van State verzoeker in zoverre bijvalt dat, indien zijn vrees terecht zou zijn en indien, gelet op de specifieke toedracht van de zaak, een uitspraak ten gronde te dezen langer dan anderhalf à twee jaar zou uitblijven, dan de besproken nadelen zich inderdaad als ernstig, respectievelijk moeilijk herstelbaar laten kwalificeren; dat de Raad er evenwel niet toe kan komen de bewuste vrees voor voldoende realistisch en aannemelijk te houden; Overwegende dat verzoeker niet genoegzaam aantoont dat hij ten gevolge van de bestreden beslissingen dreigt een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te lijden; dat aldus aan alvast een van de twee cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing niet is voldaan; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-4889-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december 2006, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4889-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.150 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.175 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div