id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.188 Rolnummer: A. 174396/X-12912 Zaak: Arrest 166188 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-05 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-01 12:02 Fiche Arrest nr 166.188 van 20 december 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.188 van 20 december 2006 in de zaak A. 174.396/X-12.
- In zake :
- Jan ALLEIN,
- Jan MEEREMANS, die woonplaats kiezen bij Advocaten X. D'HULST en M. DEWEIRDT, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Doorniksewijk 66 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- Tussenkomende partij : de nv NMBS HOLDING, die woonplaats kiest bij Advocaat J. BOUCKAERT, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-
- Verzoekende partij in tussenkomst : de stad GENT. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jan ALLEIN en Jan MEEREMANS op 28 juni 2006 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 6 januari 2006 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de nv NMBS Holding de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend tot het oprichten van een buispyloon (in het kader van de realisatie van een GSM-R net) aan de Drongenstationstraat te Gent, kadastraal bekend onder sectie C, NMBS domein; Gezien de nota van de verwerende partij; X-12.912-1/7 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 18 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 oktober 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DEWEIRDT die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat I. BOCKSTAELE die loco Advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij, van Advocaten J. BOUCKAERT en T. GEVERS die verschijnen voor de nv NMBS HOLDING, en van Advocaat S. KEMPINAIRE die verschijnt voor de stad GENT; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat nv NMBS HOLDING met een verzoekschrift van 28 juli 2006 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat ter terechtzitting de verzoekende partijen zich verzetten tegen deze tussenkomst; Overwegende dat de thans bestreden vergunning is verleend aan NMBS Holding met als adres Hallepoortlaan 40 te Brussel; dat de verzoekende partij in tussenkomst ter terechtzitting niet betwist dat zij de begunstigde is van de thans bestreden vergunning; dat dit in deze stand van het geding volstaat om de tussenkomst toe te staan; dat de opgave van het adres op de vergunning niet het adres is van de maatschappelijke zetel van de verzoekende partij in tussenkomst, noch dat -naar de verzoekende partijen beweren- de vergunning zou zijn aan- gevraagd door een andere rechtspersoon dan die welke de begunstigde is van de vergunning tot een ander besluit doen leiden; dat er grond is om het verzoek tot tussenkomst in te willigen; X-12.912-2/7 Overwegende dat de stad Gent met een verzoekschrift van 19 september 2006 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat zij doet gelden dat ze belang heeft om tussen te komen "omwille van de ruimtelijke impact die het bouwwerk heeft op de stad", dat "de afgeleverde bouwvergunning (...) betrekking (heeft) op een perceel gelegen te Gent", dat zij de mening is toegedaan dat er alternatieven mogelijk zijn om het betrokken bouwwerk te realiseren die veel minder belastend zijn voor de ruimtelijke ordening, dat zij een belang heeft zodra zij opkomt voor de verdediging van haar planologisch en stedenbouwkundig beleid, dat ze een negatief advies heeft verleend en dat dit niet werd gevolgd; Overwegende dat met een brief van 6 januari 2006 de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar het College van burgemeester en schepenen van de stad Gent een afschrift toestuurde van het thans bestreden besluit; dat de stad Gent heeft nagelaten zelf tegen het bestreden besluit een annulatieberoep in te stellen; dat de inwilliging van het verzoek tot tussenkomst in een door een andere verzoeker aanhangig gemaakte vordering tot schorsing van de -naar zij stelt- ook voor haar griefhoudende akte, niet vermag dit verzuim goed te maken en alzo de dwingende bepaling van artikel 4 van de procedureregeling voor de afdeling administratie van de Raad van State te omzeilen; dat het verzoek tot tussenkomst van de stad Gent niet ontvankelijk is; Overwegende dat de verwerende partij en de tussenkomende partij de tijdigheid van het beroep betwisten en dit minstens in hoofde van de eerste verzoeker; dat uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing; dat het in die omstandigheden niet nodig is om de opgeworpen excepties te onderzoeken; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; X-12.912-3/7 Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, de verzoekende partijen in de vordering tot schorsing inzake de ernst van het nadeel doen gelden wat volgt: "Het nadeel dat de verzoekende partij dreigt te lijden is een moeilijk ter ý herstellen ernstig nadeel: De verzoekende partijen lijden een ernstig nadeel. De pyloon zal een voortdurende visuele hinder en landschapsverontreiniging veroorzaken, hetgeen aan verzoekende partijen een reëel esthetisch nadeel zal berokkenen. De verzoekende partijen verwijzen terzake ook naar de uiteenzetting van hun derde middel en naar de foto's die zij bijbrengen (...) Hieruit blijkt dat een pyloon van 28 meter zeer hinderlijk zal zijn in het landschap. De visuele hinder is een reeds voldoende ernstig nadeel om het verzoek- schrift gegrond te verklaren. Dat vanaf de Leie duidelijk te zien is hoe de gsm (pyloon) het landschap zou verstoren. (...) Dat ook vanuit de tuinen van verzoekers de mast ernstige visuele hinder zal meebrengen (...) Dat de luchtfoto's (...) duidelijk maken dat de mast in woongebied zal liggen en zal zichtbaar zijn vanaf het Leie-gebied en de groengebieden. Bovendien bestaat er een ernstig risico voor de gezondheid van verzoekende partijen, minstens zullen zij - zolang de pyloon er staat - geconfronteerd worden met de ernstige en gegronde vrees voor aantasting van hun gezondheid, door de blootstelling aan stralingen. Redelijkerwijs kan ook aangenomen worden dat het voor de doorsnee burger, gedurende de termijn dat het benaarstigen van de annulatie in normale omstandigheden zou vergen, dag in dag uit onder of in de zéér onmiddellijke nabijheid moeten verblijven en wonen van een in werking zijnde UMTS- zendinstallatie van aanmerkelijke sterkte, een ernstige weerslag op hun psychische gemoedsrust zal hebben, zeker terwijl er zowel in gespecialiseerde literatuur (ook medische) als via de mededeling uit de gebruikelijke mediakanalen ernstige indicaties zijn dat dergelijke stralingen niet ongevaarlijk of onschadelijk kunnen zijn.(...)"; Overwegende dat, wat het aantonen van de ernst van het nadeel betreft, een verzoeker zich niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dat hij integendeel zeer concrete gegevens moet aanvoeren waaruit blijkt dat hij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of kan ondergaan, zodat de Raad van State kan nagaan of er al dan niet een dergelijk nadeel voorhanden is, en het voor de tegenpartijen mogelijk is om zich met kennis van zaken tegen de door de verzoeker aangehaalde feiten en argumenten te verdedigen; dat wat de aangevoerde visuele hinder betreft, het louter zichtbaar zijn van een bouwwerk op zich geen ernstig nadeel betekent; dat de verzoekende partijen verzuimen een concreet beeld te geven van de daadwerkelijke visuele hinder die zij persoonlijk zullen ondergaan ingevolge de inplanting vlak naast een bestaande spoorlijn en de daarbij horende infrastructuur van de vergunde buispyloon, die luidens de vergunning X-12.912-4/7 geen vakwerkmast met industrieel voorkomen is, maar een buispyloon waarbij de antennes zelf aan het zicht worden onttrokken door een polycarbonaatscherm; dat ook de door de verzoekende partijen ter ondersteuning van dit nadeel bijgebrachte foto’s die zouden moeten aantonen dat de pyloon ernstige visuele hinder zal meebrengen, ter zake evenmin uitsluitsel verlenen; dat een verwijzing naar een uiteenzetting van een middel ter adstructie van het ernstig karakter van een nadeel niet volstaat om het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen; dat immers de wettelijke voorwaarde van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel een constitutieve en autonome schorsingsvoorwaarde is, zodat de in een middel uiteengezette onwettigheden van een bestreden beslissing in principe abstracte gegevens zijn die op zichzelf geen nadelige gevolgen genereren of aantonen; dat voorts niet blijkt dat de verstoring van het landschap "vanaf de Leie" en de groengebieden en het zichtbaar zijn van deze pyloon vanaf het Leie-gebied en de groengebieden in hoofde van de verzoekende partijen een persoonlijk nadeel is; dat, rekening gehouden met de bestaande plaatselijke toestand, de verzoekende partijen in hun betoog niet aannemelijk maken aan de hand van afdoende concrete en precieze gegevens dat het moeten uitkijken op de buispyloon voor hen een visuele hinder veroorzaakt die ernstig is in de zin van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat derhalve de in de vordering gegeven uiteenzetting ter zake loutere affirmaties zijn die niet op een overtuigende wijze kunnen worden getoetst aan de concrete zaak; dat, wat het aangevoerde gezondheidsrisico betreft, niet wordt betwist dat de referentiewaarden voor antennestraling die op federaal niveau in aanmerking worden genomen ter normering van zendmasten voor electromagnetische golven tussen de 10 Mhz en 10 Ghz, vier maal strenger zijn dan die welke op vraag van de WHO werden opgesteld; dat niet wordt betwist dat uit het technisch antennedossier dat werd ingediend bij het BIPT, op grond van de toepasselijke regelgeving zou blijken dat de betrokken antennes voldoen aan deze blootstellingslimieten; dat de tussenkomende partij ter zake stelt dat de stralingswaarden 0,00 tot 0,03 % bedragen van de toegelaten waarden; dat in de gegeven omstandigheden kan worden aangenomen dat de mogelijke gezondheidsschade voldoende in ogenschouw werd genomen; dat in deze concrete omstandigheden het gevaar voor de gezondheid derhalve niet zozeer volgt uit de tenuitvoerlegging van de bestreden stedenbouwkundige vergunning, maar veeleer uit de tenuitvoerlegging en naleving van de normen die ter zake zijn bepaald door het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 houdende de normering van zendmasten voor electromagnetische golven tussen de 10 Mhz en 10 Ghz; dat de omstandigheid dat verzoekende partijen thans op grond van artikel 159 van de Grondwet de onwettigheid inroepen van het voornoemde X-12.912-5/7 koninklijk besluit aan deze vaststelling geen afbreuk doet; dat de aangevoerde nadelen door het niet aanvechten van dit besluit zijn verwerkt en thans niet meer dienstig kunnen worden ingeroepen; dat hoe dan ook de verzoekende partijen geen concrete elementen aanvoeren die aantonen dat, betrokken op hun eigen persoonlijke situatie, ingevolge de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, de naleving van deze federale referentiewaarden voor antennestraling in hun hoofde een persoonlijk nadeel betekent en dat dit ernstig nadeel niet volgt uit de naleving van de normen, maar uit de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning; dat een algemene verwijzing naar gespecialiseerde literatuur alsook mededelingen via de media het persoonlijk karakter van dit nadeel niet aantonen; dat de uiteenzetting in het verzoekschrift tot schorsing geen afdoende en concrete gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals bedoeld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de stad GENT in de vordering tot schorsing wordt afgewezen. Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de nv NMBS HOLDING in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- X-12.912-6/7 De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomsten in de schorsingsprocedure, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de nv NMBS HOLDING en de stad GENT, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december 2006, door : de H. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-12.912-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.188 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.638 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div