id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.201 Rolnummer: A. 141839/XIV-16832 Zaak: Arrest 166201 - Dienst Vreemdelingenzaken - 20/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-15 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 12:03 Fiche Arrest nr 166.201 van 20 december 2006 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.201 van 20 december 2006 in de zaak A. 141.839/XIV-16.832 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat M. DE RAEDEMAKER, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Augustijnenstraat 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 18 september 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 31 juli 2003 waarbij een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) niet-ontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking van 29 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 26 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-16.832-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. NAVASARTIAN, die loco advocaat M. DE RAEDEMAKER verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat L. BRACKE, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij samen met haar vader, Vahag Khachatryan, op 9 juni 1999 België binnenkomt en zich op dezelfde dag vluchteling verklaart; dat op 16 mei 2000 de asielaanvraag van de vader de verzoekende partij definitief wordt afgesloten met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf; dat met het arrest nr. 100.563 van 7 november 2001 de Raad van State het beroep tot nietigverklaring tegen de voornoemde beslissing verwerpt; Overwegende dat de verzoekende partij op 17 december 2001 samen met haar vader een aanvraag indient tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 31 juli 2003 die aanvraag niet-ontvankelijk verklaart; dat dit de bestreden beslissing is waarvan de motivering luidt als volgt: “(...) Reden(en) : Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat betrokkenen volledig geïntegreerd zijn in de Belgische samenleving, zeer goed buren zijn, niet in aanraking kwamen met het gerecht omwille van ordeverstoring, duurzame sociale bindingen hebben, de heer XXX hier school heeft gelopen, leider is van de Chiro, een cursus Nederlands volgde, sport in verenigingsverband, de heer K., V. zijn zoon volledig steunt in zijn sociaal, cultureel en sportief engagement, en zelf graag wilt werken, is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag tot regularisatie op grond van art. 9 van de wet van 1980 in België wordt ingediend. Betrokkenen wisten dat hun verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van de asielprocedure en dat ze bij een negatieve beslissing het land zouden dienen te verlaten. De duur van de procedure (namelijk 1 jaar) was ook zeker niet van die aard dat ze als onredelijk lang kan beschouwd worden. Tot slot, de problemen in hun land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. (...).”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: XIV-16.832-2/8 “Doordat de bestreden beslissing stelt dat "er geen uitzonderlijke omstandigheden werden aangehaald waarom betrokkene de aanvraag tot machtiging tot verblijf niet kan doen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat betrokkenen volledig geïntegreerd zijn in de Belgische samenleving, zeer goede buren zijn, niet in aanraking kwamen met het gerecht omwille van ordeverstoring, duurzame sociale bindingen hebben, de heer XXX hier school heeft gelopen, leider is van de Chiro, een cursus Nederlands volgde, sport in verenigingsverband, .... is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag tot regularisatie op grond van art. 9 van de wet van 1980 in België wordt ingediend Betrokkenen wisten dat hun verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van de asielprocedure en dat ze bij een negatieve beslissing het land zouden dienen te verlaten. De duur van de procedure (namelijk 1 jaar) was ook zeker niet van die aard dat ze als onredelijk lang kan beschouwd worden. Tot slot, de problemen in hun land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. " Terwijl, de aanvraag om gemachtigd te worden tot voorlopig verblijf op grond van art. 9 § 3 van de Vreemdelingenwet, ingediend op 18 december 2001 bij de Burgemeester van de Stad Mechelen stelt dat de heer XXX bij zijn aankomst in België 16jaar was. Ondertussen, op datum van het negatief arrest van de raad van State dd. 7.11.2001 aangaande de asielprocedure, is de heer XXX 18 jaar. Dit impliceert dat bij terugkeer naar Armenië de heer XXX het zeer ernstige risico loopt als deserteur gestraft te worden met een langdurige gevangenisstraf De heer XXX is immers volgens de Armeense wetgeving meerderjarig en dienstplichtig. Wegens de voortdurende oorlog tussen Armenië en Azerbeidzjan wordt aan de dienstplicht groot belang gehecht en wordt desertie effectiefgestraft. ... en de heer XXX verzoeken u met aandrang dit ernstig risico op gevangenschap als een buitengewone omstandigheid te aanzien, die het absoluut onmogelijk maakt een machtiging tot verblijf van meer dan 3 maanden in te dienen in hun land van herkomst. " Dat de bestreden beslissing geen enkele overweging wijdt aan het probleem dat verzoeker heeft opgeworpen aangaande het feit dat hij naar België is gekomen als minderjarige, dat hij inmiddels meerderjarig is en dat hij vreest als dienstweigeraar in Armenië zwaar gesanctioneerd te worden. Dat het precies deze feitelijke en objectieve gegevens zijn (leeftijd, meerderjarigheid, desertie) die werden ingeroepen als buitengewone omstandigheid om de aanvraag in België in te dienen. Dat de andere gegevens werden aangevoerd als elementen om een verblijf in België te motiveren en dus als elementen ten gronde. Dat de bestreden beslissing ten onrechte de gegevens die ten gronde werden aangevoerd, gebruikt om de beslissing onontvankelijk te verklaren, en het gegeven van de dienstplicht in hoofde van verzoeker volledig miskent.!" ' Dat het gegeven van de dienstplicht evenmin begrepen is in de overweging Dat de problemen in hun land reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen". Dat, aangezien verzoeker ten tijde van het onderzoek in het kader van de asielaanvraag nog mindeijarig was, enkel onderzoek werd gedaan naar problemen in hoofde van de vader van verzoeker en het probleem van de dienstplicht zich toen nog niet stelde (stuk 6). Dat de vrees voor sanctionering omwille van dienstweigering in Armenië evenwel zeer reëel is (stuk 4). Dat de bestreden beslissing bijgevolg niet afdoende gemotiveerd is, aangezien er op het probleem van de dienstplicht met geen woord wordt ingegaan en dus de afgevaardigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid onmiskenbaar heeft overschreden. Zodat, de bestreden beslissing art. 9 § 3 van de Vreemdelingenwet miskent, en de arl 2 en 3 van de wet op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen dd. 29.07.1991 schendt. Dat het middel gegrond is.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt : Verzoeker beroept zich in zijn enige middel op een schending van art. 9,3/ van de wet van 15.12.1980 en van de art 2 en 3 van de wet op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen dd. 29.07.
- XIV-16.832-3/8 Betreffende de opgeworpen schending van artikel 9§3 van de wet van 15.12.
- Verzoeker stelt dat art. 9,3/ van de wet van 15.12.1980 geschonden werd omwille van het feit dat de vrees van de meerder jarige zoon van verzoeker om in zijn land van herkomst gestraft te worden voor desertie, wegens het niet vervullen van zijn dienstplicht, niet werd in aanmerking genomen als buitengewone omstandigheid in de zin van art. 9,3' van de wet van 15.12.
- Ten eerste merkt verwerende partij op dat er terecht werd gesteld dat de problemen in het land reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de afgewezen asielaanvraag, zodat die problemen niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Bovendien werd voornoemde asielaanvraag afgewezen als zijnde bedrieglijk. De buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 9,3/ zijn deze die verzoeker verhinderen een aanvraag in te dienen via de gewone procedure, zijnde via de diplomatieke of consulaire post in het land van verblijf of oponthoud in het buitenland. Uit art. 9 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, blijkt duidelijk dat de regel zoals gesteld in artikel 9, lid 1 de algemene regel is, waarop (slechts zeer restrictief) de uitzondering is voorzien zoals bepaald in lid 3 van dit artikel. Lid 3 van artikel 9 van de wet werd geenszins ingevoerd om illegaal in het Rijk verblijvende vreemdelingen de mogelijkheid te bieden als dan nog een verblijfsvergunning voor langer dan drie maanden te bekomen. Gezegd artikel werd ingevoerd om vreemdelingen, die in hun land van herkomst of plaats van oponthoud in het buitenland geen Belgische diplomatieke overheid ter beschikking hebben of om een buitengewone omstandigheid de aanvraag niet kunnen doen bij die overheid, alsnog de aanvraag kunnen indienen van op Belgisch grondgebied. Artikel 9,3/ kan ook niet oneigenlijk aangewend worden als een beroep tegen een definitieve negatieve beslissing inzake de asielprocedure. De buitengewone omstandigheid kan niet bestaan uit een feit of gegeven dat zich tijdens het verblijf in België heeft voltrokken, in casu de meerderjarigheid van de zoon van verzoeker. Het feit dat verzoekers zoon meerderjarig is geworden en in zijn land van herkomst onderworpen is aan de militaire dienstplicht, kan niet weerhouden worden als een buitengewone omstandigheid waarop verzoeker zich kan beroepen om een aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9,3' in te dienen in België. De vrees om gesanctioneerd te worden omwille van het zich ontrekken aan de militaire dienstplicht bij terugkeer in het land van herkomst kan niet in aanmerking genomen worden als buitengewone omstandigheid ter rechtvaardiging van het indienen van de aanvraag in België. Het staat zelfs niet vast dat die vrees reëel is, hoogst waarschijnlijk verzoekers zoon indien hij terugkeert naar zijn land van herkomst zich alsnog dienen te onderwerpen aan de dienstplicht. Bovendien verplicht de bestreden beslissing geenszins verzoeker en zijn zoon om terug te keren naar hun land van herkomst. Verzoeker beroept zich op een gegeven, zijnde het meerderjarig worden van zijn zoon, dat zich pas voltrokken heeft toen verzoeker reeds geruime tijd op het grondgebied verbleef. Dit gegeven, die vrees was niet voorhanden toen verzoeker zijn land verliet om naar België te komen. Verzoeker had de aanvraag moeten indienen via de normale procedure van artikel 9, 1 van de wet van 15.12.
- Dit eerste onderdeel van verzoekers enige middel kan niet aangenomen worden. Betreffende de opgeworpen schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29.07.
- In zijn enig middel beroept verzoeker zich verder op een vermeende schending van de artt. 2 en 3 van de Wet dd. 29.07.199
- Betreffende de vermeende schending van de artt. 2 en 3 van de Wet dd. 29.07.1991 dient er op te worden gewezen dat de door verzoeker bedoelde wetsartikelen verband houden met de verplichting om bestuurshandelingen formeel te motiveren, en als zodanig tot doel hebben om de bestuurde toe te laten te achterhalen waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen, derwijze dat hij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, kan verweren tegen die beslissing door aan te tonen dat de in de motivering tot uitdrukking gebrachte motieven juridisch niet opgaan (R.v.St. nr. 45.899, 31.1.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). In casu is aan deze vereiste terdege voldaan. De door verzoeker kennelijk als gebrekkig gemotiveerde overwegingen die, (tezamen met de vermelding van de toepasselijke wetsbepaling) de motivering van de bestreden beslissing uitmaken, volstaan derhalve om de bestreden beslissing ten genoege van recht met motieven te onderbouwen. De overwegingen laten verzoeker immers toe om te achterhalen om welke redenen zijn aanvraag tot verblijfsmachtiging door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk wordt geacht, zodat het doel is bereikt dat met het bestaan van de betrokken formele motiveringsverplichting wordt beoogd. XIV-16.832-4/8 Immers, nu hij o.b.v. de in de bestreden beslissing opgenomen overwegingen weet dat de door hem in het kader van zijn aanvraag tot verblijfsmachtiging aangebrachte gegevens door het bestuur niet als uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in de daarin vermelde wetsbepaling worden aangezien, en dat dit aan de basis ligt van het als onontvankelijk beschouwen van die aanvraag, moet verzoeker worden geacht voldoende te zijn ingelicht om zich te kunnen realiseren dat hij tegen de te zijnen opzichte genomen beslissing kan opkomen door aan te tonen dat de daarin tot uitdrukking gebrachte motieven juridisch niet opgaan, wat in casu concreet wil zeggen, door aan te tonen dat het niet opgaat de voormelde omstandigheden, niet te beschouwen als zijnde uitzonderlijk als bedoeld in de laatst vermelde wetsbepaling. Er is in casu wel degelijk afdoende geantwoord op de door verzoeker in het kader van zijn aanvraag tot verblijfsmachtiging voorgelegde elementen door in de bestreden beslissing te vermelden dat verzoeker met deze elementen geen uitzonderlijke omstandigheden heeft aangehaald als bedoeld in art. 9, lid 3 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Verzoekers kritiek (welke feitelijke grondslag mist, nu in de in casu bestreden beslissing wel degelijk is uiteengezet waarom de mate van integratie van verzoeker en zijn zoon niet kunnen worden aanzien als uitzonderlijke omstandigheden) kan aan bovenstaande geen afbreuk doen. Dienaangaande kan bovendien worden opgemerkt dat bij lezing van verzoekers inleidend verzoekschrift blijkt dat deze daarin niet alleen inhoudelijke kritiek levert, maar er ook in slaagt de motieven vervat in de beslissing dd. 31.07.2003 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken uitdrukkelijk weer te geven, en daarbij blijk geeft kennis te hebben van de motieven vervat in de bestreden beslissing. Het is volgens de verwerende partij dan ook ten overvloede dat kan worden vastgesteld dat verzoeker zichzelf tegenspreekt als hij stelt de motivering van de door hem bedoelde akte gebrekkig te achten, terwijl hij perfect bij machte blijkt om de motieven vervat in de bestreden akte weer te geven in zijn inleidend verzoekschrift en daarin uit te leggen waarom hij de motivering beschouwt als "niet afdoende". De verwerende partij is dan ook van oordeel dat o.b.v. deze vaststelling dient te worden besloten dat verzoeker het vereiste belang ontbeert bij de betrokken kritiek (cf R.v.St. nr. 47.940, 14.6.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.P.). Dit onderdeel van verzoekers enige middel kan niet aangenomen worden.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “Dat verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift schreef "dat de bestreden beslissing geen enkele overweging wijdt aan het probleem dat verzoeker heeft opgeworpen aangaande het feit dat hij naar België is gekomen als minderjarige, dat hij inmiddels meerderjarig is en dat hij vreest als dienstweigeraar in Armenië zwaar gesanctioneerd te worden. Dat het precies deze feitelijke en objectieve gegevens zijn (leeftijd, meerderjarigheid, desertie) die werden ingeroepen voor verzoeker als buitengewone omstandigheid om de aanvraag in België in te dienen". Dat uit de memorie van antwoord duidelijk blijkt dat de aanvraag van verzoeker op grond van art. 9 § 3 van de vreemdelingenwet niet behoorlijk is onderzocht en dientengevolge onrechtmatig is verworpen. Dat de problematiek van de vader (afgewezen asielaanvrager) moet onderscheiden worden van de problematiek van de zoon (deserteur in Armenië, student in België). Dat de beslissing van verweerder dd. 31.07.2003 tot onontvankelijk verklaring van de machtigingsaanvraag het eigen en persoonlijke belang van verzoeker miskent en de overwegingen die betrekking hebben op verzoeker gewoon terzijde heeft gelaten. Dat de memorie van antwoord hierin volhardt. Dat de memorie van antwoord, zoals hiervoor gezegd, volledig is opgesteld als ware verzoeker de vader. Doch verzoeker is de zoon. Dat de overwegingen niet staande kunnen gehouden worden ten aanzien van de zoon. Dat de memorie van antwoord hiermee bevestigt dat de beslissing dd. 31.07.2003 niet behoorlijk is gemotiveerd, blijk geeft van machtsafwending en machtsoverschrijding, en art. 9 § 3 van de vreemdelingenwet effectief schendt. Dat verzoeker nogmaals benadrukt dat hij in vergelijking met zijn vader een eigen persoonlijk belang heeft bij het indienen van de machtigingsaanvraag. Dat verzoeker immers nog steeds in België met succes studeert en er dan ook alle belang bij heeft deze opleiding zonder onderbreking te kunnen voltooien. Dat verzoeker anderzijds voor Armenië een deserteur is waarvoor hij aldaar zal gesanctioneerd worden. Verzoeker verwijst in dit verband opnieuw naar de rapporten van XIV-16.832-5/8 Amnesty International die hij bij zijn inleidend verzoekschrift toevoegde en die door verweerder niet tegengesproken werden. uit het jaarboek 2003: 1r bleven berichten binnenkomen over marteling en mishandeling door wetshandhavers, evenals klachten over wrede pesterijen van dienstplichtigen. De autoriteiten bleven gewetensbezwaarden tegen militaire dienst gevangennemen". Dat het persoonlijk en eigen belang van verzoeker voor het indienen van een machtigingsaanvraag in België bijgevolg miskend werd door te stellen dat er in zijn hoofd geen buitengewone omstandigheden zouden aanwezig zijn. Dat het trouwens niet proportioneel is, het nadeel dat het voor verzoeker zou hebben om de machtigingsaanvraag in Armenië in te dienen, tegenover de aanvaarding door verweerder van de aangehaalde omstandigheden als zijnde buitengewoon, die verzoeker toelaten de aanvraag in België in te dienen. Volledigheidshalve werpt verzoeker op dat verweerder zichzelf tegenspreekt waar enerzijds wordt gesteld: "Bovendien verplicht de bestreden beslissing geenszins verzoeker en zijn zoon om terug te keren naar hun land van herkomst", doch anderzijds "Verzoeker had de aanvraag moeten indienen via de normale procedure van artikel 9,1/ van de wet van
- 12.1980."; 2.
- Overwegende dat artikel 9, tweede lid van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet bepaalt dat het hem in buitengewone omstandigheden wordt toegestaan die aanvraag in te dienen via de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat hieruit volgt dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat deze buitengewone omstandigheden niet verward mogen worden met de argumenten die ten gronde worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; Overwegende dat de toepassing van het voornoemde artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt, nl. wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft en wat de gegrondheid van de aanvraag betreft; dat betreffende de gegrondheid de minister van Binnenlandse Zaken over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt; dat, vooraleer echter te onderzoeken of er voldoende grond is om de verzoekende partij een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de minister van Binnenlandse Zaken moet nagaan of de aanvraag wel regelmatig is ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden worden ingeroepen om de aanvraag van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de bevoegde diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waarin het ingeroepen beletsel precies bestaat; XIV-16.832-6/8 Overwegende dat de verzoekende partij de minister van Binnenlandse Zaken verwijt dat “De bestreden beslissing geen enkele overweging wijdt aan het probleem dat verzoeker heeft opgeworpen aangaande het feit dat hij naar België is gekomen als minderjarige, dat hij inmiddels meerderjarig is en dat hij vreest als dienstweigeraar in Armenië zwaar gesanctioneerd te worden.” en “Dat het precies deze feitelijke en objectieve gegevens zijn (leeftijd, meerderjarigheid, desertie) die werden ingeroepen als buitengewone omstandigheid om de aanvraag in België te doen.” Overwegende dat, de verwerende partij er in de memorie van antwoord lijkt van uit te gaan dat dit gegeven in overweging werd genomen door de verwijzing naar het diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag moet de verzoekende partij moet worden bijgetreden; dat uit de bestreden beslissing immers blijkt dat enkel onderzoek werd gedaan naar de problematiek van de vader; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord van oordeel is dat het element van desertie en de vrees voor eventuele vervolging geen buitengewone omstandigheden zijn; dat dit geen afbreuk doet aan het feit dat zij heeft nagelaten in haar beslissing op de duidelijk door de verzoekende partij in haar aanvraag aangevoerde buitengewone omstandigheid aangaande haar vrees voor vervolging omwille van desertie te antwoorden; dat niet blijkt dat zij met dit element rekening heeft gehouden; dat aldus de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is; dat bijgevolg de formele motiveringsplicht, als vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, is geschonden; dat het middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 31 juli 2003 waarbij een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) niet- ontvankelijk wordt verklaard. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro komen ten laste van de verwerende partij. XIV-16.832-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-16.832-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.201 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div