← België

Arrest 166208 - Politie - 21/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.208 Rolnummer: A. 175663/IX-5391 Zaak: Arrest 166208 - Politie - 21/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-22 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 12:03 Fiche Arrest nr 166.208 van 21 december 2006 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.208 van 21 december 2006 in de zaak A. 175.663/IX-

  1. In zake : Yvôn VERKOYEN, die woonplaats kiest bij advocaat P. LAHOUSSE, kantoor houdende te MECHELEN, Leopoldstraat 64 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij advocaten D. D’HOOGHE en L. SCHELLEKENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE RAAD VAN STATE, IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Yvôn VERKOYEN op 8 augustus 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het koninklijk besluit van 14 juli 2006 waarbij voortijdig een einde wordt gesteld aan zijn mandaat van korpschef van de lokale politiezone Lovendegem/Nevele/Waarschoot/Zomergem; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van dezelfde beslissing; Gelet op de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door auditeur H. COLIN, op grond van artikel 94 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door auditeur H. COLIN; IX-5391-1/6 Gelet op de beschikkingen van 13 september 2006, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 oktober 2006; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. LAHOUSSE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat L. SCHELLEKENS die, loco advocaat D. D’HOOGHE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de auditeur-generaal;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Bij koninklijk besluit van 4 maart 2002 wordt verzoeker, commissaris van politie, aangesteld tot korpschef van de lokale politiezone Lovendegem/Nevele/Waarschoot/Zomergem. Het betreft een zogenaamde “eerste aanstelling” in een mandaatfunctie of een “primo-mandaat”, waarvan de voorwaarden en de modaliteiten geregeld zijn in het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden en modaliteiten van de eerste aanstelling in bepaalde betrekkingen van de lokale politie (hierna : het koninklijk besluit van 31 oktober 2000). Blijkens artikel 6, eerste lid, van dit koninklijk besluit loopt het mandaat over vijf jaar en is het eenmaal hernieuwbaar. IX-5391-2/6 Artikel 7 van hetzelfde besluit voorziet in de mogelijkheid dat de mandaathouder die op het ogenblik van zijn aanstelling niet de vereiste graad van hoger officier bezat, tot hoger officier wordt benoemd “na afloop van het derde jaar dat hij deze betrekking uitoefent, indien hij een gunstige evaluatie kreeg”. Die bepaling is licht gewijzigd -de betrokkene mag “geen ongunstige evaluatie” gekregen hebben- overgenomen in artikel 33 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten (hierna: de wet van 26 april 2002). 1.
  5. Verzoeker legt op 21 maart 2002 de wettelijk voorgeschreven eed af. Niet betwist wordt dat verzoeker op dat ogenblik zijn mandaat effectief opgenomen heeft. 1.
  6. Artikel VII.III.89 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: het RPPol) bepaalt dat de titularis van een mandaatfunctie geëvalueerd wordt in de loop van het derde jaar van het lopende mandaat. Die bepaling is door het koninklijk besluit van 19 april 2002 houdende specifieke statutaire bepalingen met betrekking tot personen aangesteld in bepaalde betrekkingen van de federale politie, de lokale politie en van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie (hierna: het koninklijk besluit van 19 april 2002) uitdrukkelijk van toepassing gemaakt op de personen aangewezen voor een primo-mandaat van korpschef bij de lokale politie. 1.
  7. Blijkens de door de partijen neergelegde stukken : - heeft verzoeker op 8 januari 2005 gevraagd om tussentijds geëvalueerd te worden met het oog op zijn bevordering tot hoofdcommissaris van politie en heeft hij op 22 maart 2005 zijn synoptisch verslag ingediend; - heeft de evaluatiecommissie, na een aantal instanties bevraagd en de reactie van verzoeker daarop ingewonnen te hebben, het voorstel geformuleerd dat verzoeker geen voldoening schenkt in het ambt; - heeft verzoeker daarop gerepliceerd en is er een evaluatiegesprek gehouden, maar heeft de evaluatiecommissie op 7 juni 2005 haar voorstel bevestigd; de evaluatiecommissie achtte zich, hoewel reeds drie jaar mandaat verstreken waren, toch nog bevoegd omdat het een “primo-promo evaluatie” betrof (een tussentijdse IX-5391-3/6 evaluatie met het oog op de bevordering tot hoofdcommissaris van politie) die niet hetzelfde is als een tussentijdse evaluatie “en regime”; - heeft de evaluatiecommissie, na een tweede verweerschrift van verzoeker, op 29 juni 2005 haar eindoordeel “herbevestigd”; - hebben de procureur-generaal, de provinciegouverneur (die wel een voorbehoud formuleert aangaande de termijnen), het politiecollege en de politieraad in het kader van de vraag naar het al dan niet voortijdig beëindigen van het mandaat van verzoeker, een ongunstig advies uitgebracht over zijn wijze van werken; - is verzoeker op 15 december 2005 gehoord in het kader van het voortijdig beëindigen van zijn mandaat; 1.
  8. Op 29 mei 2006 richt de Algemene directie Veiligheids- en Preventiebeleid een nota aan de minister van Binnenlandse Zaken, waarin wordt voorgesteld het mandaat van verzoeker vroegtijdig te beëindigen. In een hoofdstuk 4.4., “Formele aspecten” wordt gesteld wat volgt : “Hoewel de aanvraag van de heer VERKOYEN ingediend werd in de loop van het derde jaar van zijn mandaat, werd hij pas na afloop van het derde jaar geëvalueerd. De heer VERKOYEN besluit, op basis van het Arrest BERRENDORF en het artikel VII.III.89 RPPol dat de evaluatie buiten termijn heeft plaats gehad en dus niet geldig is. De evaluatieprocedure zou volgens de dienst statuten van de federale politie niet buiten termijn zijn op basis van onderstaande redenering (naar analogie met de evaluatieprocedure van de heer DE WALSCHE die ook na afloop van het derde jaar mandaat plaats vond) : ‘De heer VERKOYEN is een primo-promo en is dus een mandaathouder waarvoor de bevordering in de graad van HCP gelinkt is aan een gunstige evaluatie en die dus moet worden geëvalueerd op basis van drie verstreken jaren van zijn mandaat. Dit blijkt uit artikel 7 van het koninklijk besluit van 31-10-2000 dat bepaalt dat ‘de politieambtenaar bekleed met een graad van officier, aangesteld met toepassing van dit besluit in een betrekking waarvoor een graad van hoger officier vereist is, wordt benoemd in de graad van hoger officier na afloop van het derde jaar dat hij deze betrekking uitoefent, indien hij een gunstige evaluatie kreeg’. Dit betekent dus dat de evaluatie moet gebaseerd zijn op de drie verstreken jaren, niet meer en niet minder. Deze interpretatie wordt trouwens bevestigd door de GPI 41 die in punt 6 bepaalt dat de voorzitter van de evaluatiecommissie de nodige maatregelen neemt opdat de evaluatie zo snel mogelijk zou kunnen plaatsvinden, éénmaal het mandaat drie jaar werd uitgeoefend. Het is dus duidelijk de wil van de overheid om de mandaathouder te evalueren op basis van een periode van drie volle jaren en om slechts vervolgens, in geval van een gunstige evaluatie van de betrokken mandaathouder, de bevordering tot de graad van HCP toe te staan.” 1.
  9. Bij koninklijk besluit van 10 juni 2006 wordt met ingang van de eerste dag van de maand na de kennisgeving van het besluit, een einde gesteld aan zijn mandaat van korpschef omdat hij geen voldoening geeft in het ambt. IX-5391-4/6 Bij koninklijk besluit van 14 juli 2006, dat het voorwerp vormt van onderhavig geding, wordt het koninklijk besluit van 10 juni 2006, omdat het een verkeerde vermelding bevat van het mandaat waarmee verzoeker belast werd, ingetrokken en wordt opnieuw een einde gesteld aan zijn mandaat met ingang van de eerste dag van de maand na de kennisgeving van het besluit.
  10. Overwegende dat blijkens een bericht in het Belgisch Staatsblad van 20 november 2006, een koninklijk besluit van 10 november 2006 het bestreden besluit van 14 juli 2006 ingetrokken heeft; dat er reden is om de debatten te heropenen teneinde na te gaan of het voorwerp van het onderhavig annulatieberoep en de bijhorende vordering tot schorsing daardoor niet teloorgegaan is, BESLUIT: Artikel
  11. De debatten worden heropend. Artikel
  12. De zaak wordt opnieuw opgeroepen op de openbare terechtzitting van 22 januari 2007, om 10.00 uur. IX-5391-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig december 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-5391-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.208 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.477 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.