id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.210 Rolnummer: Zaak: Arrest 166210 - Milieuvergunningen - 21/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-16 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 12:04 Fiche Arrest nr 166.210 van 21 december 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.210 van 21 december 2006 in de zaken A. 112.026/VII-24.905 112.027/VII-24.906 112.872/VII-25.073. In zake : I. + II. + III Marc OBIN, die woonplaats kiest bij advocaten M. DENYS en Ph. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : I. + II. + III het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan 20. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc OBIN op 26 oktober 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 22 augustus 2001 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 2 april 1992 houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan verzoeker, om een varkensfokkerij te Hooglede, Grote Stadenstraat 6, uit te breiden (zaak A. 112.026); Gezien het verzoekschrift dat dezelfde verzoeker op dezelfde datum heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 22 augustus 2001 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 16 juli 1987 waarbij aan verzoeker vergunning wordt geweigerd om zijn op het hogervermelde adres gelegen varkensfokkerij uit te breiden (zaak A. 112.027); VII-24.905-1/7 Gezien het verzoekschrift dat dezelfde verzoeker op 16 november 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 17 september 2001 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 8 maart 2001 houdende het gedeeltelijk verlenen van een vergunning aan verzoeker voor de exploitatie van de meervermelde varkensfokkerij (zaak A. 112.872); Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 15 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van verzoeker; Gelet op de beschikkingen van 23 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 november 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. HULPIAU die, loco advocaat Ph. VAN WESEMAEL verschijnt voor verzoeker, en van advocaat S. BEECKMAN die, loco advocaat I. LAUREYS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-24.905-2/7 1. De rechtspleging Overwegende dat de drie verzoekschriften telkens de weigering van een uitbreiding inzake het houden van varkens in dezelfde inrichting betreffen; dat de zaken dermate verknocht zijn dat in het belang van de rechtspleging het wenselijk is deze samen te voegen; 2. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. Verzoeker exploiteert te Hooglede, Grote Stadenstraat 6 een varkensfokkerij, gelegen in agrarisch gebied. Hij beschikt daartoe over een (ARAB-)vergunning van 9 mei 1985 voor het houden van 3.060 varkens, voor een termijn die verstrijkt op 3 september 2001. 2.2. Op 12 augustus1986 dient verzoeker een aanvraag tot uitbreiding van de varkensfokkerij in, zodat de inrichting voortaan 4.860 varkens (+ 1.800) zou omvatten. Deze aanvraag wordt op 16 juli 1987 door de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen geweigerd. Hiertegen tekent verzoeker administratief beroep aan bij de bevoegde minister. Dit beroep wordt ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing dient verzoeker een annulatieberoep in dat bij arrest nr. 74.123 van 4 juni 1998 wordt ingewilligd. Het besluit wordt vernietigd, in essentie op grond van de overweging dat de beslissing te vaag gemotiveerd is. De adviezen ingewonnen naar aanleiding van de herneming van de beroepsprocedure zijn ongunstig, behoudens het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen. Op 22 augustus 2001 beslist de minister het beroep ongegrond te verklaren, in essentie op grond van de overweging dat de inrichting niet voldoet aan de overgangs- maatregel zoals bepaald in artikel 31 van het decreet van 20 december1995 tot wijziging van het mestdecreet en omdat de uitbreiding een verhoging van de mestproductie tot gevolg zou hebben, hetgeen strijdig is met artikel 33ter, § 1, 1/,
- c)van het meststoffendecreet. Dit is de tweede bestreden beslissing (zaak nr 112.027/VII- 24.906). 2.3. Intussen had verzoeker de afloop van de hierboven vermelde procedure niet afgewacht en op 3 juli 1991 een nieuwe aanvraag ingediend, ertoe strekkende de inrichting om te vormen en uit te breiden tot 682 zeugen, 19 beren en VII-24.905-3/7 3.720 mestvarkens tot in totaal 4.421 dieren. Deze aanvraag tot omvorming en uitbreiding wordt op 2 april 1992 door de bestendige deputatie geweigerd. Hiertegen tekent verzoeker administratief beroep aan bij de minister bevoegd voor het Leefmilieu. Dit beroep wordt ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing dient verzoeker een annulatieberoep in dat bij arrest nr. 84.775 van 20 januari 2000 ingewilligd wordt, omdat de beslissing gesteund was op het vernietigde Vlarem II. De adviezen ingewonnen naar aanleiding van de herneming van de beroepsprocedure zijn ongunstig, behoudens het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergun- ningen. Op 22 augustus 2001 beslist de minister het beroep ongegrond te verklaren, in essentie op grond van de overweging dat de inrichting niet voldoet aan de overgangsmaatregel zoals bepaald in artikel 31 van het decreet van 20 december 1995 tot wijziging van het mestdecreet. Dit is de eerste bestreden beslissing (zaak nr. 112.026/VII-24.905) . 2.4. Aangezien de oorspronkelijke basisvergunning voor 3.060 varkens verstreek op 3 september 2001 heeft verzoeker op 4 september 2000 een aanvraag tot hernieuwing ingediend, waarin tevens opnieuw de uitbreiding met 682 zeugen, 19 beren en 660 mestvarkens werd gevraagd, zodat het totaal aantal dieren 4.421 zou bedragen. Op 8 maart 2001 heeft de bestendige deputatie beslist de hernieuwing te vergunnen, evenwel voor wat de varkens betreft voor een termijn verstrijkende op 31 december 2003. De gevraagde uitbreiding van het aantal varkens werd geweigerd. Hiertegen tekent verzoeker administratief beroep aan. Naar aanleiding van dit beroep worden de vereiste adviezen ingewonnen. Op 17 september 2001 beslist de bevoegde minister het beroep ongegrond te verklaren en de beslissing van de bestendige deputatie te bevestigen. Dit is de derde bestreden beslissing (zaak nr. 112.872/VII- 25.073). Zij is in essentie gebaseerd op het motief van de ontoelaatbare verhoging van de mestproductie hetgeen strijdig is met artikel 33ter, § 1, 1/,
- c)van het meststoffen- decreet); 3. De ontvankelijkheid van de beroepen 3.1. Overwegende dat, aangezien de basisvergunning waarop de geweigerde uitbreidingen die het voorwerp uitmaken van de drie verzoekschriften betrekking hebben, verstreek op 31 december 2003, de raadsman van verzoeker op 9 maart 2006 door het bevoegd lid van het auditoraat werd aangeschreven met de volgende vraag : VII-24.905-4/7 "Alvorens verslag aan te vatten vernam ik graag of uw cliënt meent nog belang te hebben bij bovenvermelde vorderingen. De vorderingen hebben betrekking op dezelfde inrichting, met name een varkensfokkerij gelegen aan de Grote Stadenstraat te Hooglede. De vorderingen hebben eveneens gemeen dat ze telkens de geweigerde uitbreiding en omvorming van het varkensbedrijf tot voorwerp hebben. Uit de eerste twee zaken nrs. 112.026 en 112.027 blijkt dat wat betreft het houden van varkens er een basisvergunning voor 3600 (lees : 3.060) dieren was die verstreek op 03.09.2001. Uit de derde zaak, nr. 112.872, blijkt dat deze basisvergunning hernieuwd werd voor een termijn tot 31.12.2003. Indien deze intussen verstreken basisvergunning niet hernieuwd werd, kan er uiteraard ook geen uitbreiding of omvorming van de inrichting vergund worden. Kunt u mij meedelen of de basisvergunning na 31.12.2003 nog hernieuwd werd ? Indien de basisvergunning niet hernieuwd werd, rijst de vraag welk actueel belang uw cliënt nog kan hebben bij bovenvermelde vorderingen waarin slechts de geweigerde uitbreiding en omvorming wordt aangevochten"; 3.2. Overwegende dat bij brief van 8 mei 2006 de raadsman van verzoeker het volgende laat weten : "(...) Bijgaand vindt u een copie van het Ministerieel Besluit d.d. 13 december 2003 waarbij de basisvergunning werd hernieuwd voor een termijn van 20 jaar. (...) Cliënt behoudt zodoende zijn actueel belang bij onderhavige procedures, zeker gelet op het feit dat alle dierplaatsen die thans zijn vergund op het bedrijf zijn gesteund op de intussen hernieuwde basisvergunning voor 3.060 mestvarkens"; 3.3. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog stelt dat wanneer hij op 13 december 2003 een vergunning heeft bekomen, dit alleen te danken is aan het feit dat hij ook een inrichting had verworven aan de Grote Stadenstraat nr. 1 te Hooglede, zodat deze inrichting met de inrichting aan de Stadenstraat nr. 6 een gesloten inrichting kon vormen, en dat hij die vergunning niet heeft aangevochten nu dit de vergunning was die hij beoogde; dat hij betoogt dat het actueel belang bij de onderhavige procedure erin bestaat dat alsdan komt vast te staan dat de minister op onwettige wijze de uitbreidingen heeft geweigerd, waarna de minister op een zorgvuldige manier een beslissing zal moeten nemen, wat ook de stand van de wetgeving op het moment van de beslissing moge zijn; 3.4. Overwegende dat uit het feit dat de basisvergunning waarop de gevraagde omvorming betrekking had verstreken is, noodzakelijkerwijze voortvloeit dat, na een gebeurlijke vernietiging door de Raad van State, de verwerende partij alleen de aanvraag zou kunnen afwijzen bij gebrek aan een voorwerp; dat dit principe met betrekking tot de milieuvergunning wordt verwoord in artikel 30, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I), dat bepaalt dat de VII-24.905-5/7 vergunning voor de verandering van een inrichting verleend wordt voor een bepaalde duur waarvan de einddatum deze van de lopende vergunning niet mag overschrijden; dat een vernietigingsarrest er niet toe kan leiden dat aan verzoeker alsnog de gevraagde vergunning wordt verleend; dat verzoeker dan ook niet op goede gronden stelt dat een gebeurlijke vernietiging van het bestreden besluit ertoe zou moeten leiden dat de minister "ditmaal op een zorgvuldige manier een beslissing (zou moeten) (...) nemen" met betrekking tot de gevraagde uitbreiding; dat, zo verzoeker de door hem gewenste verandering van zijn vergunning wenst te verkrijgen, het noodzakelijk is dat hij daartoe een nieuwe vergunningsaanvraag indient; dat dienvolgens verzoeker niet meer over het vereiste actueel belang bij de gevorderde vernietigingen beschikt; Overwegende dat, gelet op de omstandigheden van de zaken, en gelet op het feit dat de beroepen initieel niet kennelijk onontvankelijk of ongegrond waren, het gepast voorkomt de kosten van de beroepen ten laste van de verwerende partij te leggen, BESLUIT: Artikel 1. De zaken nrs. A. 112.026/VII-24.905, 112.027/VII-24.906 en 112.872/VII-25.073 worden gevoegd. Artikel 2. De beroepen worden verworpen. Artikel 3. De kosten van de beroepen, bepaald op 520,59 euro, komen ten laste van de verwerende partij. VII-24.905-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig december tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, voorzitter van de VIIe kamer, de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-24.905-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.210 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div