id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.211 Rolnummer: A. 95491/VII-22800 Zaak: Arrest 166211 - Milieuvergunningen - 21/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-16 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-01 12:05 Fiche Arrest nr 166.211 van 21 december 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.211 van 21 december 2006 in de zaak A. 95.491/VII-22.
- In zake : Josephus BOLS, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat H. LANGE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Schermersstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Josephus BOLS op 11 september 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 8 juli 2000 waarbij zijn beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 1 juli 1993 houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning om een varkensbedrijf te Ravels, Kijkverdriet 7, uit te breiden, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 94.218 van 22 maart 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; VII-22.800-1/23 Gelet op de beschikking van 9 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor verzoeker; Gehoord het advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Op 18 oktober 1976 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oud-Turnhout aan verzoeker een vergunning voor het uitbaten van twee varkensstallen gelegen te Oud-Turnhout, Kijkverdriet, voor een termijn van twintig jaar. 1.
- Op 4 februari 1993 neemt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen akte van de aangifte door verzoeker van de exploitatie te Ravels (Oud-Turnhout), Kijkverdriet 7, van de exploitatie van : - stallen voor 600 gespeende varkens; - stallen voor 1.100 niet-gespeende biggen; - opslag van 1.030 m³ dierlijke mest; - elektromotoren van samen 11,8 kW. De aktename geldt als vergunning tot exploiteren. VII-22.800-2/23 In het besluit van 4 februari 1993 wordt geen vergunningstermijn voorzien. Men mag aannemen dat, overeenkomstig artikel 70, §2, van Vlarem I, de vergunning twintig jaar geldig is. 1.
- Op 1 maart 1993 dient verzoeker bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de milieuvergunningsaanvraag in die zal leiden tot de thans bestreden beslissing, en die ertoe strekt het voormelde varkensbedrijf uit te breiden met : - 1.300 mestvarkens tot in totaal 1.900 varkens, waarvan 200 zeugen en 1.700 mestvarkens; - opslagplaatsen voor 4.023 m³ dierlijke mest; - silo's voor 36 ton veevoeders; - ondergrondse opslagplaats van 5.000 liter gasolie; - lozing van huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewateren. 1.
- Met een besluit van 1 juli 1993 wordt de aanvraag grotendeels geweigerd. Er wordt met name geen vergunning verleend voor de uitbreiding met 1.300 mestvarkens en bijkomende opslag van 4.023 m³ dierlijke mest; de rest van de aanvraag wordt wel ingewilligd. 1.
- Verzoeker gaat tegen dit weigeringsbesluit in beroep bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu, die evenwel met een besluit van 18 januari 1994 het deputatiebesluit van 1 juli 1993 bevestigt. 1.
- Tegen dit ministerieel besluit stelt verzoeker bij de Raad van State een vordering tot schorsing en een annulatieberoep in. De vordering tot schorsing wordt verworpen met het tussenarrest nr. 48.539 van 12 juli 1994, doch met het arrest nr. 84.673 van 13 januari 2000 wordt het annulatieberoep gegrond bevonden, waarna de procedure van het administratief beroep hernomen wordt. 1.
- Tijdens deze beroepsprocedure wordt verzoeker gehoord door de provinciale milieuvergunningscommissie, en bij die gelegenheid overhandigt hij een nota waarin hij een omvorming vraagt van zijn vergunningsaanvraag. Hij vraagt thans een vergunning voor in totaal 180 zeugen en 1.300 mestvarkens (in plaats van 200 zeugen en 1.700 mestvarkens), teneinde te kunnen voldoen aan de vigerende wetgeving. VII-22.800-3/23 1.
- Met het ministerieel besluit van 8 juli 2000 wordt het beroep van verzoeker ongegrond verklaard en wordt het beroepen besluit bevestigd. De weigering voor de uitbreiding met 1.300 mestvarkens en bijhorende mestopslag van 4.023 m³ is gestoeld op de strijdigheid van de vergunningsaanvraag met artikel 33ter, § 1, 1/, c, van het meststoffendecreet. 1.
- Terwijl het annulatieberoep tegen het ministerieel besluit van 18 januari 1994 hangende was, diende verzoeker een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in, die ertoe strekte het aantal zeugen te wijzigen en het aantal varkens uit te breiden met 599 stuks, tot een totaal van 1.199 gespeende varkens waarvan 149 zeugen en 1.050 mestvarkens. Bij besluit van 13 juli 1995 willigde de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen deze aanvraag in, voor een termijn verstrijkend op 1 september
- Weliswaar stelde de Vlaamse Landmaatschappij beroep in, doch met een ministerieel besluit van 25 januari 1996 werd dit beroep verworpen, waardoor de vergunning die de bestendige deputatie verleende definitief werd. Verzoeker beschikt aldus over -wat betreft de dierenaantallen- een aktename geldend als vergunning, op 4 februari 1993 verleend door de bestendige deputatie en een vergunning die op 13 juli 1995 werd verleend door de bestendige deputatie, op basis van dewelke hij volgende dierenaantallen mag houden : - 1.199 gespeende varkens, waarvan 149 zeugen en 1.050 mestvarkens; - 1.100 niet-gespeende biggen. 1.
- Met de vergunningsaanvraag die thans in het geding is -zoals gewijzigd tijdens de administratieve beroepsprocedure- vraagt verzoeker 180 zeugen en 1.300 mestvarkens (naast de 1.100 niet-gespeende biggen), dus 31 zeugen en 250 mestvarkens meer;
- De gegrondheid van het beroep 2.1.
- Overwegende dat verzoeker een eerste middel neemt "uit de schending van de artikelen 5, 33bis en 33ter van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, zoals laatst gewijzigd door de decreten van 11 mei 1999 en 3 maart 2000; uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en uit de schending van de artikelen 50, 3/ en 52, 3/ van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de Milieuvergunning (VLAREM I); tevens uit de schending van het motiveringsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, VII-22.800-4/23 doordat de bestreden beslissing het beroep van verzoeker als ongegrond afwijst, nu volgens de op het moment van beoordeling geldende reglementering geen vergunning zou kunnen worden toegekend die een stijging van de mestproductie met zich brengt en de door verzoeker gevraagde vergunning in alle gevallen een stijging van de mestproductie inhoudt; terwijl, de minister in de bestreden beslissing uitgaat van een verkeerde berekening van de reeds vergunde mestproductie, want niet volgens de thans geldende bepalingen van het Mestdecreet, zodat de in het middel genoemde bepalingen van het mestdecreet geschonden zijn en de bestreden beslissing tevens zowel inhoudelijk als formeel gebrekkig is gemotiveerd, waaruit de onzorgvuldigheid en de onredelijkheid van het optreden van de vergunningverle- nende overheid in casu blijkt"; dat hij het middel als volgt toelicht : "
- Het decreet van 11 mei 1999 voegt de artikelen 33bis en 33ter in in het decreet van 23 januari 1991 (hierna : het mestdecreet). Door het decreet van 3 maart 2000 worden deze artikelen lichtjes gewijzigd, echter niet op essentiële punten : de wijzigingen aan de artikelen 33bis en 33ter dienen alleen maar om deze bepalingen aan te passen aan de vertraagde inwerkingtreding van het decreet van 11 mei
- Als geheel zijn de door het decreet van 11 mei 1999 aan het mestdecreet aangebrachte wijzigingen in werking getreden op 1 januari
- Artikel 33ter, §1, 1/, c) van het mestdecreet is echter pas in werking op de dag dat het decreet van 3 maart 2000 in het Belgisch Staatsblad is verschenen, namelijk op 30 maart
- Artikel 33ter, §1, 1/, c) luidt als volgt : 'Met betrekking tot de exploitatie van veeteeltinrichtingen gelden de volgende regels : Tot en met 31 december 2004 : kan met betrekking tot de diersoorten, bedoeld in artikel 5, geen milieuvergunning als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning worden verleend voor nieuwe veeteeltinrichtingen, noch voor veranderingen van bestaande veeteeltinrichtingen die een verhoging van de vergunde mestproductie te berekenen volgens artikel 33bis, § 2 van de bestaande veeteeltinrichting tot gevolg hebben, behoudens wanneer het gaat om een herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting voortvloeiende uit ruilverkavelingen, landinrichting, natuurinrichting en/of onteigeningen om openbaar nut en de nieuwe of bijkomende mestproductie niet hoger is dan deze van de definitief stopgezette bestaande veeteeltinrichting'. (...) Deze bepaling voert dus een stand-still-principe in op bedrijfsvlak voor wat betreft het afleveren van milieuvergunningen. Dit stand-still-beginsel is cumulatief met het stand-still-beginsel op gemeentelijk vlak, zoals dat werd ingevoerd door het decreet van 20 december
- Op te merken valt dat de vergunningsstop zich ent op een regeling die is uitgewerkt om de op bedrijfsvlak bestaande mestproductie te handhaven op het hoogste niveau van de productiejaren 1995, 1996 en
- Dit is wat de nutriëntenhalte genoemd wordt. De artikelen 33bis en 33ter geven de regels voor de berekening van de nutriëntenhalte. Daarbij wordt uitgegaan van de bestaande mestproductie, zoals die blijkt uit de bij de Mestbank gedane aangiften van de referentieproductiejaren 1995, 1996 en
- Voor de berekening van de nutriëntenhalte is het niet vereist om de vergunde mestproductie te kennen : artikel 33bis, §4 bepaalt wel dat het gedeelte van de nutriëntenhalte dat betrekking heeft op de vergunningsplichtige dieren, nooit meer mag bedragen dan de vergunde productie van de veeteeltinrichting, maar daar wordt in één ruk aan toegevoegd dat de producent zelf verantwoordelijk is om ervoor te zorgen VII-22.800-5/23 dat zijn bedrijf niet meer dierlijke mest produceert dan de hoeveelheid die overeenstemt met de vergunde dieren. De nutriëntenhalte die door de Mestbank aan de producenten wordt meegedeeld, wordt dus louter berekend op basis van mestbankaangiften van de referentiejaren. De artikelen 33bis en 33ter bevatten enkel regels die bedoeld zijn om deze berekening te kunnen volvoeren.
- Het is dan ook niet verwonderlijk dat de toepassing van de artikelen 33bis en 33ter op de door artikel 33ter, § 1, 1/, c) ingevoerde vergunningsstop niet van een leien dakje verloopt, ja waarlijk problematisch is. In essentie bepaalt artikel 33ter, § 1, 1/, c) dat geen milieuvergunning kan worden verleend voor veranderingen van bestaande veeteeltinrichtingen die een verhoging van de vergunde mestproductie met zich zouden brengen. Op te merken valt dat er voor de toepassing van deze regel geen rekening moet worden gehouden met de mestproductie zoals zij uit de mestbankaangiftes blijkt : niet de reële maar de vergunde mestproductie dient als referentiepunt te worden genomen. In dat opzicht moet er verwezen worden naar de regel van artikel 28 van het decreet van 28juni 1985 betreffende de milieuvergunning, volgens dewelke de milieuvergunning van rechtswege vervalt o.m. wanneer de inrichting gedurende 2 opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd. Deze regel is voor wat veeteeltinrichtingen betreft op een terechte manier geïnterpreteerd door de Omzendbrief van 19 december 1996 betreffende de toepassing van het mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. In deze omzendbrief wordt als principe vooropgesteld dat een bezetting van één of meer vergunde stallen onder de vergunde maximumcapaciteit geen verval en ook geen inperking van de milieuvergunning tot gevolg heeft. Met andere woorden, zolang er voldoende dieren gehouden worden zodat minstens elke stal in gebruik is gebleven, blijft de milieuvergunning volledig geldig. Enkel indien er meerdere stallen zijn en indien het reëel gehouden aantal dieren minder dan 50% van het vergunde aantal bedraagt, kan er een beperking van de milieuvergunning plaatsvinden. In casu is er geen sprake van verval of inperking van de vergunning waar het hier om draait, met name het besluit van 4 februari 1993 van de bestendige deputatie waarbij akte werd genomen van de op 3 oktober 1990 gedane aangifte voor een bedrijf met 600 gespeende varkens en 1.100 overtallige biggen.
- Hoe moet de vergunde mestproductie worden berekend volgens artikel 33ter, § 1, 1/, c)? Er wordt in deze bepaling uitdrukkelijk verwezen naar artikel 33bis, §2 : 'te berekenen volgens artikel 33bis, §2'. Er staat in het decreet dus niet dat de vergunde mestproductie berekend dient te worden volgens de tabel van artikel 33bis, §2 : heel het artikel 32bis, §2 dient in aanmerking te worden genomen. Voor wat varkensbedrijven betreft, luidt de betrokken bepaling als volgt : '§
- Voor de bepaling van MPBp97, MPBp96, MPBp95, MPBn97, MPBn96 en MPBn95 wordt gerekend met volgende uitscheidingsnormen per dier en per jaar : VII-22.800-6/23 Diersoort Difosforpentoxyde (P2O5) - Stikstof (N)- uitscheiding uitscheiding (kg/dier, jaar) (kg/dier, jaar)
(6)
(6)(...) II. VARKENS : biggen minder dan 10 weken 2,02 2,46 beren en zeugen exclusief biggen 9,87 16,75 zeugen inclusief biggen 14,5
(2)24
(2)andere varkens 5,33
(3)
(4)13
(3)(...)
(2)Voor de berekening van de nutriëntenhalte mag, in geval bij de aangifte van 1998,1997 of 1996 de diersoort 'zeugen inclusief biggen' werden aangegeven en de biggen niet werden aangegeven onder 'biggen minder dan 10 weken', de P2O5-uitscheiding voor de zeugen per dier en per jaar worden verhoogd van 14,5 tot 22,58 kg P2O5 en de N-uitscheiding per dier en per jaar van 24 tot 33,84 kg N. De producent die van deze berekeningsmethode gebruik maakt, moet gedurende de eerstvolgende drie aanslagjaren na de berekening van de nutriëntenhalte een aantal zeugen en biggen houden dat gelijk is aan : - 'zeugen inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg' : hetzelfde dierenaantal binnen een nauwkeurigheid van 10 percent als in de aangifte ter bepaling van de nutriëntenhalte werd aangegeven onder de diersoort 'zeugen inclusief biggen'; en - 'biggen met een gewicht van 7 tot 20 kg' : een dierenaantal van maximum 8 maal het aantal aangegeven zeugen.
(3)In geval bij de aangifte van 1998,1997 of 1996 de diersoort zeugen, hetzij inclusief hetzij exclusief biggen, werd aangegeven, wordt ter compensatie van de opfokzeugen en de moederdieren die nog niet hebben geworpen en die als andere varkens werden aangegeven, de nutriëntenhalte verhoogd als volgt : - voor de P2O5-uitscheiding : met een hoeveelheid gelijk aan het aantal aangegeven zeugen x 2,375 kg P2O5; - voor de N-uitscheiding : met een hoeveelheid gelijk aan het aantal aangegeven zeugen x 3,5225 kg N. De producent die van deze berekeningsmethode gebruik maakt, moet gedurende de eerstvolgende drie aanslagjaren na de berekening van de nutriëntenhalte een aantal 'andere varkens' houden dat ten aanzien van de aangifte ter bepaling van de nutriëntenhalte is verminderd met het overeenkomstige aantal opfokzeugen en moederdieren.
(4)Voor de berekening van de nutriëntenhalte, wordt voor de diersoort 'andere varkens', ongeacht de vordering die werd gespecificeerd bij de aangifte van 1998,1997 of 1996, de uitscheidingsnorm van 5,33 kg P2O5 per dier en per jaar gebruikt, zijnde de waarde van het productconvenant laag-fosforvoeder van 1 september 1995. (...)
(6)In geval een nieuwe productconvenant voor fosfor wordt afgesloten, wordt de nutriëntenhalte ambtshalve op basis hiervan herberekend in gaand op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin het productconvenant is afgesloten'. 4. Het blijkt dus dat artikel 33bis, §2 bestaat uit enerzijds een tabel en anderzijds een aantal 'voetnoten' waarin afwijkende regels worden voorzien. Deze afwijkende regels zijn toegespitst op de berekening van de nutriëntenhalte, maar er bestaat geen enkel principieel bezwaar om deze regels ook toe te passen bij de berekening van de vergunde productie in het kader van de toepassing van artikel 33ter, § 1, 1/, c). Waar het woord 'nutriëntenhalte' staat, moet dan 'vergunde productie' worden gelezen. Deze regels die afwijkingen voorzien op de tabel, zijn onder andere ingevoerd als compensatie voor de nieuwe berekeningswijze van het bedrijfsmatig mestoverschot, zoals aangegeven in het VII-22.800-7/23 nieuwe artikel 5 van het mestdecreet. Zie in dit verband de brochure Mestbankinfo nr. 7 : 'Bij de bepaling van de nutriëntenhalte wordt omwille van het verschil in de vroegere manier van opsplitsing van de varkens en de nieuwe opsplitsing volgens MAP II, in bepaalde gevallen een extra compensatie toegekend voor de biggen en voor de opfokzeugen'. En in dezelfde brochure, meer bepaald in verband met voetnoot
(3)van artikel 33bis, §2 : 'Ter compensatie van de opfokzeugen en moederdieren die nog niet geworpen hebben en die in het verleden als andere varkens werden aangegeven, wordt de nutriëntenhalte verhoogd in functie van het aantal aangegeven zeugen (zeugen inclusief biggen én zeugen exclusief biggen)'. Belangrijk is dat de toepassing van de bijzondere regels uit de voetnoten van artikel 32bis, §2 automatisch is. De producent die niet wil dat deze bijzondere regels op zijn nutriëntenhalte worden toegepast, dient dit te melden aan de Mestbank, en wel ter gelegenheid van de mogelijkheid om de herberekening te vragen van de door de Mestbank meegedeelde nutriëntenhalte. Artikel 5, §1, tweede lid, 6/ van het besluit van de Vlaamse regering van 3 maart 2000 ter uitvoering van de artikelen 11, §1, 13/ en §7, 33 en 33bis van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door Meststoffen bepaalt als volgt : 'De producent kan in de volgende (combinaties van) gevallen een herberekening vragen : 6/ de producent wenst geen gebruik te maken van de bepalingen in voetnoten
(2)en
(3)van artikel 33bis, § 2 van het decreet en komt hierdoor op een lagere nutriëntenhalte dan de door de Mestbank berekende nutriëntenhalte'. (...)
- In het bestreden besluit berekent de minister de vergunde mestproductie van het bedrijf van verzoeker volgens verschillende hypothesen die de minister meent te kunnen afleiden uit de vergunning van 4 februari
- Pro memorie : het gaat om een vergunning voor 600 gespeende varkens en 1.100 overtallige biggen. Op het moment dat verzoeker de aangifte deed, overeenkomstig de ARAB-reglementering, gelet op de verandering van de indelingslijst door het van kracht worden van het besluit van de Vlaamse Executieve van 21 maart 1990, werd er door de reglementering nog geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende soorten varkens : de enige vergunningsplichtige categorie was deze van de gespeende varkens, wat dan zowel beren, zeugen als mestvarkens, opfokdieren en moederdieren inhield. Bij zijn berekening houdt de minister echter geen rekening met de 1.100 biggen die toch ook vergund waren. Dit is ten onrechte, aangezien het hier om overtallige biggen gaat, ttz. biggen die niet uit eigen kweek afkomstig zijn, maar aangekocht worden. Dit is een praktijk die ertoe strekt de stalcapaciteit optimaal te benutten. In ieder geval maakt de minister bij zijn berekeningen enkel gebruik van de cijfers die door de eigenlijke tabel van artikel 33bis, §2 worden aangeboden, zonder zich te bekommeren om de voetnoten, waarvan - zoals we gezien hebben - de toepassing automatisch is. In de hypothese 200 zeugen + 400 mestvarkens komt de minister tot een vergunde P2O5-productie van 5.032 kg, hetzij 200 x 14.5 = 2.900 en 400 x 5.33 = 2.132, samen 5.032 kg. In de hypothese van 400 zeugen komt de minister tot een vergunde P2O5-productie van 5.800 kg, hetzij 400 x14.
- In de hypothese tenslotte van 600 zeugen (die trouwens de enige juiste is, zij het dat er nog dient rekening gehouden met de 1.100 overtallige biggen) komt hij tot een vergunde P2O5-productie van 8.700 kg, hetzij 600 x 14.5 = 8.700 kg.
- De te vergunnen P2O5-productie berekent de minister in de bestreden beslissing volgens het nieuwe artikel 5 van het mestdecreet. Daarmee kan ingestemd worden, aangezien artikel 33ter, § 1, 1/ c) enkel de berekening van de reeds vergunde mestproductie volgens artikel 33bis, §2 oplegt. Aangezien VII-22.800-8/23 verzoeker in zijn toelichtende nota die hij heeft neergelegd ter gelegenheid van de hoorzitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, zijn vergunningsaanvraag herleid heeft tot 180 zeugen en 1.300 mestvarkens, komt de minister tot een totale P2O5-productie van 11.060 kg, hetzij 180 x 14.5 = 2.610 en 1.300 x 6.5 = 8.450, samen 11.060 kg. Hierbij dient wel opgemerkt dat de minister enkel rekening houdt met de tabel van artikel 5, § 1 en niet met het bepaalde in artikel 5, §2 in verband met het nutriëntenbalansstelsel. Inderdaad heeft verzoeker de convenant betreffende de vaststelling van maximumgehalten aan totaal fosfor in volledige voeders voor varkens en kippen die aangeduid zijn als 'laag-fosfor-voeder' ondertekend, zodat voor wat de mestvarkens betreft er rekening diende gehouden met een jaarlijkse P2O5-productie van 5,33 kg in plaats van 6,5 kg.
- Er zijn dus verschillende onjuistheden aan te halen voor wat betreft de door de minister gemaakte berekeningen. Wat echter het meeste klemt, is dat hij bij zijn berekening van de bestaande P2O5-produktie geen gebruik maakt van de regel van voetnoot
(2)van artikel 33bis, §2, op basis waarvan de P2O5-productie van zeugen mag worden verhoogd van 14,5 kg tot 22,58 kg. Verzoeker voldoet aan de voorwaarde gesteld in voetnoot
(2), aangezien hij in de referentiejaren de diersoort 'zeugen inclusief biggen' heeft aangegeven. Aangezien zijn niet-vervallen vergunning betrekking heeft op 600 gespeende varkens (+ 1.100 overtallige biggen) en verzoeker van oudsher een zeugenhouderij uitbaat, dient ervan uitgegaan dat hij een vergunning heeft voor maximaal 600 zeugen (er zij aan herinnerd dat tot begin de jaren 1990 het toegelaten was om zeugen te houden in openlucht; er is dienaangaande een verbod gekomen in het kader van de bestrijding van de varkenspest; dit verbod, zoals alle maatregelen inzake de bestrijding van varkenspest, was in oorsprong van tijdelijke aard, zodat er geen theoretisch beletsel is om ervan uit te gaan dat verzoeker, op het moment dat hij aangifte deed bij de bestendige deputatie van zijn varkensbedrijf, voldoende plaats had om 600 zeugen te houden). De vergunde P2O5-productie van verzoeker kan dan ook als volgt worden berekend : 600 zeugen x 22.58 kg P2O5 = 13.548 kg P2O5 . Dit is meer dan de 11.060 kg P2O5 te vergunnen productie, waarvan de minister in het bestreden besluit uitgaat. Dit is al, nog zonder rekening te houden met de 1.100 overtallige biggen, die een vergunde P2O5-productie met zich brengen van 1.100 x 2.02 = 2.222 kg P2O5 . Zelfs in de hypothese dat de vergunning van het bedrijf van verzoeker zou slaan op 400 zeugen en 200 andere varkens (met name opfokzeugen), dan nog overstijgt de vergunde P2O5-productie de te vergunnen productie, op voorwaarde dat rekening wordt gehouden met de P2O5-productie van de vergunde overtallige biggen: 400 x 22.58 = 9.032 en 200 x 5.33 = 1.066 en 1.100 x 2.02 = 2.222, samen 12.320 kg P2O5 (en dit nog zonder rekening te houden met de regel van voetnoot
(3)van artikel 33 bis, §2). Concluderend kan dus gesteld dat de minister de bestaande mestproductie verkeerd heeft berekend, namelijk niet volgens de regels voorgeschreven door artikel 5, artikel 33bis en artikel 33ter van het mestdecreet. Hierdoor is de bestreden beslissing aangetast door een gebrekkige inhoudelijke motivering op een doorslaggevend, want zowat enig, motief. Minstens is er een schending van de uitdrukkelijke motiveringsplicht, aangezien de minister geenszins verantwoordt waarom hij enkel rekening houdt met de P2O5-produktie zoals die blijkt uit de tabel van artikel 33 bis, §2 en nergens zegt of aangeeft waarom hij geen gebruik maakt van de bijzondere regels van de voetnoten, die een integrerend deel uitmaken van deze tabel, terwijl de in de aanhef van het eerste middel opgeworpen bepalingen inzake de verplichting tot uitdrukkelijke motivering van de bestreden beslissing vereisen dat in deze beslissing zelf een juiste, pertinente en afdoende motivering wordt weergegeven. De gebrekkige berekening die de minister maakt schendt duidelijk de zorgvuldigheidsplicht, VII-22.800-9/23 terwijl dit tevens bijzonder onredelijk is ten opzichte van een aanvrager die reeds meer dan 7 jaar op de definitieve beslissing over zijn aanvraag moet wachten"; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord volgend verweer voert : "In essentie verwijt verzoeker de Minister dat deze de bestaande vergunde mestproductie foutief zou berekend hebben. In de stelling van verzoeker komt het er op neer dat de bestaande vergunde mestproductie van dien aard is, dat, ondanks de bijkomende productie die een gevolg zou zijn van de uitbreiding van het bedrijf ingevolge de ingediende aanvraag, de mestproductie van het bedrijf daardoor niet zou verhogen. Afgezien van het volstrekt ongerijmde van deze stelling weze toch benadrukt dat verzoekende partij helemaal niet verduidelijkt in welke zin de Minister zich zou hebben vergist, en daarentegen de berekening door verzoeker gemaakt in zijn verzoekschrift wel zou moeten aanvaard worden, daar waar verzoeker zelf slechts mits een aantal kunstgrepen tot zijn conclusies komt. Zo maakt verzoeker een volstrekt kunstmatig onderscheid tussen de werkelijke en de vergunde mestproductie, wat helemaal niet gerechtvaardigd of gestaafd wordt door de relevante teksten, zo wordt ook zonder meer geponeerd dat voor het woord 'nutriëntenhalte' in art. 132bis (sic) en 33ter eigenlijk 'vergunde productie' zou moeten gelezen worden, zo gaat verzoekende partij er zonder meer van uit dat het verbod om zeugen in open lucht te houden, zou opgehouden hebben te bestaan, terwijl niets een dergelijke veronderstelling toelaat, zo wordt beweerd zonder zulks te bewijzen dat de 1.100 biggen waarvoor vergunning, allen overtollige biggen zouden zijn ... Verzoeker bouwt m.a.w. een ganse theorie op een reeks van beweringen en veronderstellingen die volstrekt onbewezen zijn, zodat niet ten genoegen van recht aangetoond is dat de Minister zich inderdaad in haar berekening zou hebben vergist. Het middel is ongegrond"; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord in essentie herhaalt wat reeds in het verzoekschrift werd naar voor gebracht; dat hij nog aanstipt dat het woord "nutriëntenhalte" in artikel 33bis, § 2, als "vergunde productie" moet gelezen worden en dat hij nog benadrukt dat op het moment van de aangifte van het bedrijf, de reglementering toeliet om zeugen in open lucht te houden, hetgeen nog steeds mogelijk is, alsook dat de 1.100 biggen geen biggen uit eigen kweek zijn; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie in essentie nog stelt dat de vergunde mestproductie enkel kan gebaseerd zijn op de aktename van 3 februari 1993 en dat wel degelijk toepassing dient gemaakt van de correctie vervat in voetnoot 2 van artikel 33bis, § 2, van het meststoffendecreet zodat de P2O5- productie van zeugen mag worden verhoogd van 14,5 kg tot 22,58 kg; VII-22.800-10/23 2.1.5.
- Overwegende dat blijkens de bestreden beslissing, en wat door verzoeker niet wordt betwist, na de verandering van de inrichting, rekening houdend met een beperking van 180 zeugen en 1.300 mestvarkens (zie punt 1.7.), er een mestproductie zou zijn van 11.060 kg P2O5; 2.1.5.
- Overwegende dat, ten tijde van het bestreden besluit, artikel 33ter, § 1, van het meststoffendecreet van 23 januari 1991 luidde als volgt : "Art. 33ter. §
- Met betrekking tot de exploitatie van veeteeltinrichtingen gelden de volgende regels : 1/ (tot en met 31 december 2004) : (...) c) kan met betrekking tot de diersoorten, bedoeld in artikel 5, geen milieuvergunning als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning worden verleend voor nieuwe veeteeltinrichtingen, noch voor veranderingen van bestaande veeteeltinrichtingen die een verhoging van de vergunde mestproductie (te berekenen volgens artikel 33bis, § 2) van de bestaande veeteeltinrichting tot gevolg hebben, behoudens wanneer het gaat om een herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting voortvloeiende uit ruilverkavelingen, landinrichting, natuurinrichting en/of onteigeningen om openbaar nut en de nieuwe of bijkomende mestproductie niet hoger is dan deze van de definitief stopgezette bestaande veeteeltinrichting"; dat daaruit voortvloeit dat er geen stijging van de vergunde mestproductie mag zijn; dat, op de onderhavige zaak toegepast, de reeds vergunde mestproductie minstens even groot moet zijn als de te vergunnen mestproductie van 11.060 kg P2O5; 2.1.5.
- Overwegende dat te dezen de kernvraag is of kan aangenomen worden dat verzoeker over een reeds vergunde mestproductie van 11.060 kg P2O5 beschikte; dat in ontkennend geval er een stijging van de mestproductie is en dat alsdan artikel 33ter, § 1, 1/, c) van het meststoffendecreet belet dat er een vergunning zou worden verleend; dat uit het weergegeven feitenrelaas blijkt dat ten tijde van de bestreden beslissing -hetgeen de situatie is waarmee de verwerende partij wel degelijk rekening diende te houden- de vergunningssituatie van verzoeker de volgende is : - een aktename geldend als vergunning, op 4 februari 1993 verleend door de bestendige deputatie; - een vergunning die op 13 juli 1995 werd verleend door de bestendige deputatie, op basis waarvan verzoeker volgende dierenaantallen mag houden : - 1.100 niet-gespeende biggen; - 1.199 gespeende varkens, waarvan 149 zeugen en 1.050 mestvarkens; dat verzoeker bij zijn berekening ten onrechte uitgaat van 600 zeugen om de eenvoudige reden dat hij daarvoor geen vergunning heeft; VII-22.800-11/23 2.1.5.
- Overwegende dat de tabel die is opgenomen in artikel 33bis, § 2, van het meststoffendecreet ten tijde van de bestreden beslissing het volgende weergaf : "§
- Voor de bepaling van MPBp97, MPBp96, MPBp95, MPBn97, MPBn96 en MPBn95 wordt gerekend met volgende uitscheidingsnormen per dier en per jaar : Diersoort Difosforpentoxide Stikstof (N)- (P2O5)-uitscheiding uitscheiding (kg/dier, jaar) (kg/dier, jaar) (...) II. VARKENS biggen (minder dan 2,02 2,46 10 weken) beren en zeugen 9,87 16,75 (exclusief biggen) zeugen (inclusief 14,5
(2)24
(2)biggen ) andere varkens 5,33
(3)
(4)13
(3)(...)
(2)Voor de berekening van de nutriëntenhalte mag, in geval bij de aangifte van 1998, 1997 of 1996 de diersoort 'zeugen inclusief biggen' werden aangegeven en de biggen niet werden aangegeven onder 'biggen minder dan 10 weken', de P2O5-uitscheiding voor de zeugen per dier en per jaar worden verhoogd van 14,5 tot 22,58 kg P2O5 en de N-uitscheiding per dier en per jaar van 24 tot 33,84 kg N. De producent die van deze berekeningsmethode gebruik maakt, moet gedurende de eerstvolgende drie aanslagjaren na de berekening van de nutriëntenhalte een aantal zeugen en biggen houden dat gelijk is aan : - 'zeugen inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg' : hetzelfde dierenaantal binnen een nauwkeurigheid van 10 percent als in de aangifte ter bepaling van de nutriëntenhalte werd aangegeven onder de diersoort 'zeugen inclusief biggen'; en - 'biggen met een gewicht van 7 tot 20 kg' : een dierenaantal van maximum 8 maal het aantal aangegeven zeugen.
(3)In geval bij de aangifte van 1998, 1997 of 1996 de diersoort zeugen, hetzij inclusief, hetzij exclusief biggen, werd aangegeven, wordt ter compensatie van de opfokzeugen en de moederdieren die nog niet hebben geworpen en die als andere varkens werden aangegeven, de nutriëntenhalte verhoogd als volgt : - voor de P2O5-uitscheiding : met een hoeveelheid gelijk aan het aantal aangegeven zeugen x 2,375 kg P2O5; - voor de N-uitscheiding : met een hoeveelheid gelijk aan het aantal aangegeven zeugen x 3,5225 kg N. De producent die van deze berekeningsmethode gebruik maakt, moet gedurende de eerstvolgende drie aanslagjaren na de berekening van de nutriëntenhalte een aantal 'andere varkens' houden dat ten aanzien van de aangifte ter bepaling van de nutriëntenhalte is verminderd met het overeenkomstige aantal opfokzeugen en moederdieren.
(4)Voor de berekening van de nutriëntenhalte, wordt voor de diersoort 'andere varkens', ongeacht de vordering die werd gespecificeerd bij de aangifte van 1998, 1997 of 1996, de uitscheidingsnorm van 5,33 kg P2O5 per dier en per jaar gebruikt, zijnde de waarde van het productconvenant laag-fosforvoeder van 1 september 1995. (...) VII-22.800-12/23
(6)In geval een nieuwe productconvenant voor fosfor wordt afgesloten, wordt de nutriëntenhalte ambtshalve op basis hiervan herberekend ingaand op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin het productconvenant is afgesloten"; 2.1.5.5. Overwegende dat, uitgaande van de vergunde situatie zoals hierboven geschetst, en rekening houdend met de tabel in artikel 33bis van het meststoffendecreet, men komt tot de volgende vergunde meststoffenproductie voor P2O5 : P2O5 149 zeugen 1.485,53 1.050 mestvarkens 5.596,5 1.100 niet gespeende biggen 2.222 TOTAAL 9.304,03 ; dat daarbij moet worden opgemerkt dat verzoeker zelf beklemtoont dat de 1.100 biggen "overtallige" biggen zijn die van buitenaf komen, zodat mag worden aangenomen dat het geen biggen zijn van de zeugen zelf en er dan ook geen reden is om de berekening te maken voor "zeugen inclusief biggen", waarvan sprake in voetnoot 2 bij de tabel, zoals verzoeker in zijn laatste memorie beklemtoont; 2.1.5.6. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat, uitgaande van de vergunde mestproductie -hetgeen het criterium is-, verzoekers aanvraag geenszins voldoet aan de vereiste van artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet, vermits er een stijging is van de vergunde mestproductie; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert wat volgt : "Genomen uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet en van het gelijkheidsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en tevens uit de schending van het beginsel dat wettelijke normen grondwetconform dienen geïnterpreteerd te worden. Doordat, de bestreden beslissing de weigering van de gevraagde vergunning baseert op de nieuwe bepalingen van het mestdecreet en op het verbod om nog milieuvergunningen te verlenen die een stijging van de mestproductie inhouden, dat door deze nieuwe bepalingen wordt ingevoerd, terwijl, de aanvraag van verzoeker waarover de bestreden beslissing uitspraak doet, reeds dateert van 1 maart 1993 en het niet redelijk is dat deze nieuwe bepalingen zonder enige overgangsmaatregel zouden van toepassing zijn op deze aanvraag, en terwijl een grondwetconforme lezing van de nieuwe bepalingen van het mestdecreet had toegelaten om de vergunning toch toe te kennen, zodat een VII-22.800-13/23 discriminerende behandeling van verzoeker zonder enige verantwoording had kunnen vermeden worden. Toelichting van het middel : 1. Op het moment dat verzoeker de milieuvergunningsaanvraag die tot de bestreden beslissing heeft geleid, indiende, namelijk op 1 maart 1993, was er nog geen stand-still-beginsel inzake milieuvergunningen voor veeteeltinrichtingen van kracht. Het toenmalige mestdecreet schreef alleen maar regels voor inzake een op milieugebied verantwoorde mestafzet, maar kende nog geen vergunningsstop voor aanvragen die een verhoging van de mestproductie inhielden, noch op gemeentelijk vlak zoals ingevoerd door het decreet van 20 december 1995, noch op bedrijfsvlak zoals ingevoerd door de decreten van 11 mei 1999 en 3 maart 2000. Toen het stand-still-beginsel op gemeentelijk vlak werd ingevoerd, nam de decreetgever de terechte beslissing om deze nieuwe belemmeringen niet van toepassing te maken op de reeds ingediende milieuvergunningsaanvragen. Artikel 33 van het mestdecreet, zoals vervangen door artikel 27 van het decreet van 20 december 1995 bepaalde uitdrukkelijk dat de vergunningsstop niet van toepassing was op aanvragen ingediend vóór de publicatie van het besluit van de Vlaamse regering dat de in het eerste lid gestelde maxima inzake mestproductie voor het Vlaamse Gewest overschreden waren : 'De Vlaamse Regering stelt vast dat één van de twee hierboven vastgestelde maxima bereikt of overschreden zullen worden. Vergunningsaanvragen, met uitzondering van hernieuwing van vergunningen en volledige verplaatsing zoals voorzien in artikel 34, § 3,1/ en 2/, ingediend in toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning na de datum van publicatie van deze vaststelling mogen niet meer verleend worden'. (...) Door het decreet van 11 mei 1999 werd artikel 33 van het mestdecreet volledig vervangen. De overgangsmaatregel die in het tweede lid een plaats had gevonden, werd niet overgenomen. Belangrijk is echter wel dat de indieners van het voorstel van decreet nergens een verantwoording geven voor het verdwijnen van deze overgangsmaatregel die zich in toepassing van het vertrouwensbeginsel nochtans opdringt. Ook in de verdere parlementaire bespreking van het decreet van 11 mei 1999 wordt met geen woord gerept over het van toepassing maken van het nieuwe vergunningsverbod op reeds hangende aanvragen. Evenmin wordt aan deze kwestie aandacht besteed tijdens de parlementaire voorbereiding van het decreet van 3 maart 2000, waardoor nochtans ook artikel 33 van het mestdecreet gewijzigd werd (zij het slechts marginaal). Er is dus geen enkele aanwijzing voorhanden dat de decreetgever zich bewust was van het (eventueel) probleem dat hij voor verzoeker creëerde door de nieuwe bepalingen, met inbegrip van de vergunningsstop op bedrijfsvlak, op zijn bedrijf van toepassing te maken. De overgangsbepaling die door het decreet van 20 december 1995 was ingevoegd in artikel 33 van het mestdecreet, stond daar niet echt op zijn plaats (vanuit legistiek oogpunt zou deze bepaling misschien beter bij de slot- en overgangsbepalingen van het mestdecreet opgenomen zijn). Er kan dus redelijkerwijs verondersteld worden dat de decreetgever de situatie van verzoeker uit het oog is verloren en dat hij niet gewild heeft dat verzoeker na al die jaren zou onderworpen worden aan deze nieuwe strenge bepaling houdende het stand-still-beginsel inzake mestproductie. 2. Toen hij de bestreden beslissing nam, had de minister zich ervan kunnen vergewissen of het wegvallen van de overgangsbepaling van artikel 33, tweede lid van het mestdecreet, wel door de decreetgever bedoeld was. Het stilzwijgen van de decreetgever ten tijde van de parlementaire voorbereiding van het decreet van 11 mei 1999 had dan voor de minister voldoende aanwijzing moeten zijn dat het hier een vergetelheid betreft. Minstens had hij zich ervan moeten vergewissen of de overgangsbepaling van artikel 33, tweede lid, zoals ingevoegd door het VII-22.800-14/23 decreet van 20 december 1995, niet van toepassing diende te blijven op onderhavige casus, gelet op het feit dat de vergunningsaanvraag van verzoeker lang voor het van kracht worden van het decreet van 20 december 1995 was ingediend. Ook had de minister moeten nagaan of de wetteksten, zoals zij voorlagen, niet voldoende interpretatieruimte boden om het vertrouwensbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, die toch aan de basis moeten liggen van elk optreden van de overheid, tot welke van de drie machten deze overheid ook behoort, niet te schenden. Een dergelijke handelswijze drong zich des te meer op, aangezien op die manier een manifeste schending van het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel kon worden vermeden. 3. In de mate de minister in het huidige mestdecreet niet de beleidsruimte kon vinden om een beslissing te nemen die in overeenstemming zou zijn met het redelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, is er duidelijk sprake van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 33ter, §1, 1/,
- c)van het thans geldende mestdecreet. Immers wordt verzoeker, zonder enige redelijke verantwoording en buiten alle proportionele maatstaven anders behandeld dan de milieuvergunningsaanvrager wiens aanvraag niet door een onwettige beslissing van de minister zou zijn afgewezen, terwijl de situatie van beiden aan de bron gelijk is. Tevens wordt verzoeker anders behandeld dan de vergunningsaanvrager, wiens aanvraag door de minister op onwettige manier was afgewezen, maar waarvan het annulatieberoep enkele maanden eerder door de Raad van State zou zijn ingewilligd, terwijl deze situaties toch wel zeer dicht bij elkaar liggen. Tenslotte, en vooral, is er een schending van het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel doordat verzoeker wiens aanvraag dateert van 1 maart 1993 op dezelfde manier behandeld wordt als een aanvrager die pas zeven jaar later eenzelfde aanvraag had ingediend, nadat reeds het decreet van 11 mei 1999 door het Vlaams parlement was goedgekeurd maar nog niet in werking getreden. Het betreft in dit laatste geval twee situaties die manifest verschillend zijn, omdat verzoeker op het moment dat hij zijn aanvraag indiende, nog niet het minste weet had van de toekomstige wetswijzigingen, terwijl een exploitant van een veeteeltinrichting in 1999 en zelfs in 2000 nog een aanvraag tot uitbreiding van zijn veestapel met stijging van de mestproductie had kunnen indienen en bekomen, nog snel speculerend op het uitstel dat inzake de inwerkingtreding van het decreet van 11 mei 1999 was bepaald. Twee verschillende situaties zonder enige redelijke verantwoording gelijk behandelen schendt evenzeer het gelijkheidsbeginsel als het verschillend behandelen zonder redelijke verantwoording van gelijke situaties. Verzoeker vraagt dan ook dat de Raad van State aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag zou stellen om te achterhalen of artikel 33ter, § 1, 1/
- c)van het mestdecreet het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schendt. Indien dat het geval is, dan is meteen ook de bestreden beslissing onwettig, aangezien zij volop steunt op deze wetsbepaling"; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord volgende repliek geeft : "Verzoeker werpt op dat het vertrouwensbeginsel zou zijn geschonden doordat de nieuwe bepalingen van het mestdecreet worden toegepast op deze aanvraag dan wanneer bij het indienen ervan het stand still principe nog niet bestond. 1. de tekst van het decreet is nochtans duidelijk : indien de wetgever zou gewenst hebben dat er een overgangsperiode zou zijn, voor dossiers waarin de aanvraag VII-22.800-15/23 dateerde van voor het decreet, dan zou hij zulks uitdrukkelijk hebben gezegd, zoals dit voor andere bepalingen in het verleden wel gebeurde. Dat dit nu niet werd gedaan, maakt het duidelijk dat de wetgever dit uitdrukkelijk niet wenste. 2. het behoort niet aan de Minister om een bepaalde wettelijke regeling niet toe te passen op grond van de overweging dat de decreetgever zich zou vergist hebben of een vergetelheid begaan hebben. De Minister zou zich werkelijk in de illegaliteit begeven indien zij aldus op eigen initiatief zou weigeren duidelijke wettelijke bepalingen toe te passen. 3. Tenslotte vraagt verzoeker dat een prejudiciële vraag zou worden gesteld aan het Arbitragehof en meer bepaald of art. 33ter § 1/ C van het mestdecreet verenigbaar is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Het is nochtans prima facie duidelijk dat er van schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake kan zijn, nu elke aanvraag die nog niet definitief was beslecht, wanneer het decreet van 11 mei 1999 in werking trad, op precies dezelfde wijze behandeld wordt. Het middel is ongegrond"; 2.2.3. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker in ruime mate herhaalt wat reeds in het verzoekschrift was uiteengezet, en nog onderstreept dat er geen enkele aanwijzing voorhanden is dat de decreetgever zich bewust was van het feit dat de ontstentenis van overgangsbepalingen een probleem creëerde voor bedrijven zoals dat van verzoeker; dat hij betoogt dat de minister had moeten nagaan of de overgangsregeling neergelegd in artikel 33, tweede lid, van het meststoffendecreet niet van toepassing had moeten zijn in voorliggende zaak, en of de teksten niet voldoende interpretatieruimte boden om het vertrouwensbeginsel en het redelijkheidsbeginsel niet te schenden; dat verzoeker nog beklemtoont dat hij zonder redelijke verantwoording anders behandeld wordt dan de milieuvergunningsaanvrager wiens aanvraag van 30 december 1992 niet door een onwettige beslissing van de minister zou zijn aangewezen, terwijl de situatie van beiden aan de bron gelijk is, dat twee verschillende situaties op een gelijke manier behandelen eveneens het gelijkheidsbeginsel schendt; dat hij van oordeel is dat desbetreffend aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag zou moeten worden gesteld; 2.2.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie er bij blijft dat aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag moet worden gesteld; dat hij die vraag als volgt formuleert : “Schendt art. 28 (lees 29) van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, de art. 10 en 11 van de Gec. Gw., en art. VII-22.800-16/23 6 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, inzoverre het de overgangsregeling zoals vervat in art. 33 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en ingevoerd bij artikel 26 van het decreet van 20 december 1995 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen opheft, en (A) zodoende
(1)een ongelijke behandeling invoert tussen een administratieve beslissing omtrent milieuvergunningsaanvragen klasse 1 en 2 die ontvankelijk en volledig verklaard zijn vóór 1 januari 1996 waartegen geen beroep tot vernietiging diende te worden ingesteld voor de Raad van State, enerzijds, en een administratieve beslissing omtrent milieuvergunningsaanvragen klasse 1 en 2 die ontvankelijk en volledig verklaard zijn vóór 1 januari 1996 waartegen wel een beroep bij de Raad van State werd aanhangig gemaakt, anderzijds, en tevens
(2)een ongelijke behandeling invoert tussen een administratieve beslissing omtrent milieuvergunningsaanvragen klasse 1 en 2 die ontvankelijk en volledig verklaard zijn vóór 1 januari 1996 en waarvan uw Raad de vernietiging heeft bevolen vóór de inwerkingtreding van art. 28 van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, enerzijds, en een administratieve beslissing omtrent milieuvergunningsaanvragen klasse 1 en 2 die ontvankelijk en volledig verklaard zijn vóór 1 januari 1996 en waarvan uw Raad de vernietiging heeft bevolen na de inwerkingtreding van art. 28 van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, anderzijds, en (B) zodoende tevens elke effectieve rechtsbescherming door de Raad van State tegen onwettig overheidshandelen onmogelijk maakt, zonder dat hiervoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat ?"; 2.2.5.1. Overwegende dat artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet werd ingevoegd door artikel 29 van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning; dat de slotbepalingen van dit decreet van 11 mei 1999, neergelegd in de artikelen 36, 37, en 38 luiden als volgt : "Art. 36. Bij wijze van overgangsregeling gelden de volgende afwijkende regels : 1/ voor 1998 (aanslagjaar 1999) wordt de mestproductie op basis van de aangifte 1999 berekend overeenkomstig de regels van kracht in het jaar 1998 met inbegrip van de regels inzake aanwending van nutriëntenarm veevoeder; voor 1999 (aanslagjaar 2000) wordt de mestproductie op basis van de aangifte 2000 berekend overeenkomstig de regels van het gewijzigde decreet, met dien verstande dat, in voorkomend geval, de mestuitscheidingsbalans voor het hele jaar 1999 in aanmerking wordt genomen onder de volgende voorwaarden :
- a)de kennisgeving dat geopteerd wordt voor de mestuitscheidingsbalans moet vóór 15 maart 2000 aan de Mestbank zijn gedaan; VII-22.800-17/23
- b)met betrekking tot het tweede semester van 1999 moeten de nodige bewijsstukken worden voorgelegd, conform het gewijzigde decreet; 2/ de overeenkomsten inzake mestafname en/of mestvervoer die met toepassing van artikel 7 en 8 voor de datum van bekendmaking van dit decreet in het Belgisch Staatsblad zijn afgesloten en door de Mestbank worden aanvaard, blijven van kracht tot uiterlijk 1 januari 2000; 3/ de bepalingen van artikel 33ter met betrekking tot de nutriëntenhalte gelden met ingang van 1 januari 2000; 4/ de heffingen voor het aanslagjaar 1999 worden berekend overeenkomstig de regels van toepassing in 1998; 5/ milieuvergunningen voor paardenstallen behorende bij maneges die in 1996, 1997 en 1998 in exploitatie waren kunnen worden verleend inzoverre de milieuvergunning voor 31 december 1999 wordt aangevraagd; 6/ de Vlaamse regering kan voor de sector van de kalvermesterij een tijdelijke regeling treffen die afwijkt van de bepalingen van artikelen 8 en 9 voor een overgangsperiode die maximaal tot 31 december 2000 mag duren. Art. 37. Wanneer de milieubeleidsovereenkomst, resulterend uit het ontwerp van milieubeleidsovereenkomst 'Mestactieplan 1999-2003' dat overeenkomstig het decreet van 15 juni 1994 betreffende de milieubeleidsovereenkomsten op 27 oktober 1998 door de Vlaamse regering werd goedgekeurd voor een termijn van vijf jaar, onafhankelijk van de wil van de organisaties betrokken bij deze milieubeleidsovereenkomst niet definitief kan worden goedgekeurd of na definitieve goedkeuring wordt vernietigd of moet worden aangepast, zal de Vlaamse regering in overleg met voormelde organisaties onverwijld de procedure overeenkomstig het voormelde decreet van 15 juni 1994 inzetten tot goedkeuring van de aangepaste milieubeleidsovereenkomst. Art. 38. De bepalingen van dit decreet treden in werking op de data die de Vlaamse regering vaststelt nadat uit de eindbeslissing, bedoeld in artikel 93, 3/, van het EG-Verdrag, is gebleken dat de aangemelde voorgenomen vergoedingenregeling op basis van dit decreet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt"; dat uit bovenstaande bepalingen wel blijkt dat de bepalingen van artikel 33ter van het meststoffendecreet met betrekking tot de nutriëntenhalte gelden met ingang van 1 januari 2000, maar dat de bepalingen betreffende de vergunningenverlening in werking treden op de data die de Vlaamse regering vaststelt nadat uit de eindbeslissing, bedoeld in artikel 93, 3/, van het EG-Verdrag, is gebleken dat de aangemelde voorgenomen vergoedingenregeling op basis van dit decreet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt; dat artikel 18 van het decreet van 3 maart 2000 houdende wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen onder meer bepaalt wat volgt : "In artikel 33ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 11 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1. in § 1, 1/, worden de woorden 'gedurende de periode van 1 januari 1999 tot 31 december 2004' : 'vervangen door de woorden tot en met 31 december 2004'; 2. in § 1, 1/, c), worden aan de woorden 'vergunde mestproductie' de woorden 'te berekenen volgens artikel 33bis, § 2' toegevoegd; (...) 4. een § 4 toevoegen, die luidt als volgt : VII-22.800-18/23 '§ 4. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de bepalingen van artikel 33ter, § 1. Tevens kan de Vlaamse regering voor volgende categorieën van veeteeltinrichtingen, vanwege hun specifieke aard, afwijkingen toestaan op de bepalingen van § 1 : veeteeltinrichtingen onlosmakelijk verbonden aan kinderboerderijen; veeteeltinrichtingen onlosmakelijk verbonden aan onderwijsinstellingen en opvoedingsinstellingen. De Vlaamse regering bepaalt de regels waaraan die inrichtingen moeten voldoen. De Vlaamse regering bepaalt tevens in welke mate die inrichtingen onderworpen zijn aan de bepalingen van artikel 33bis inzake de nutriëntenhalte en de wijze waarop de nutriëntenhalte moet toegekend worden'"; dat de slotbepalingen van het decreet van 3 maart 2000, neergelegd in de artikelen 19 tot en met 22, luiden als volgt : "Art. 19. Artikel 36 van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning wordt vervangen door wat volgt : 'Artikel 36 Bij wijze van overgangsregeling gelden de volgende afwijkende regels : 1/ voor het productiejaar 1999 (aanslagjaar 2000) wordt de mestproductie op basis van de aangifte 2000 berekend overeenkomstig de regels van kracht in het jaar 1999 met inbegrip van de regels inzake de aanwending van nutriëntenarm veevoeder; voor het productiejaar 2000 (aanslagjaar 2001) wordt de mestproductie op basis van de aangifte 2001 berekend overeenkomstig de regels van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, zoals laatst gewijzigd door dit decreet en het decreet van 20 december 1995 houdende wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, met dien verstande dat, in voorkomend geval, de uitscheidingsbalans voor het hele productiejaar 2000 in aanmerking wordt genomen onder de volgende voorwaarden :
- a)de kennisgeving dat geopteerd wordt voor de mestuitscheidingsbalans moet voor 1 juli 2000 aan de Mestbank zijn gedaan;
- b)met betrekking tot het tweede semester van 2000 moeten de nodige bewijsstukken worden voorgelegd, conform het gewijzigde decreet; 2/ de overeenkomsten inzake mestafname en/of mestvervoer die met toepassing van artikelen 7 en 8 vanaf 1 december 1999 zijn afgesloten en door de Mestbank worden aanvaard, blijven van kracht tot uiterlijk 31 december 2000; 3/ de kennisgeving dat geopteerd wordt voor het nutriëntenbalansstelsel zoals bepaald in artikel 20bis, § 3, moet, wat het productiejaar 2000 betreft, aan de Mestbank worden gedaan voor volgende data : vóór 1 juli 2000 wat betreft de uitscheidingsbalans, vóór 15 maart 2000 wat betreft de bodembalans en de bedrijfsbalans; 4/ de heffingen met betrekking tot het productiejaar 1999 worden berekend overeenkomstig de regels van het in 1999 geldende Meststoffendecreet; 5/ de heffingen met betrekking tot het productiejaar 2000 worden berekend overeenkomstig de regels van het in 2000 geldende Meststoffendecreet; 6/ milieuvergunningen voor paardenstallen behorende bij maneges en paardenfokkerijen die in 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren, VII-22.800-19/23 kunnen worden verleend in zoverre de milieuvergunning voor 1 december 2000 wordt aangevraagd; 7/ de Vlaamse regering kan voor de sector van de kalvermesterij een tijdelijke regeling treffen die afwijkt van de bepalingen van artikelen 8 en 9, voor een overgangsperiode die maximaal tot 31 december 2000 duurt'. Art. 20. Artikel 37 van hetzelfde decreet wordt ingetrokken. Art. 21. Artikel 38 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : 'Artikel 38 Dit decreet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2000, met uitzondering van : 1/ de bepalingen van artikel 20, voorzover die de artikelen 15quinquies, § 3, 15sexies, § 4, 15septies en 15octies invoegen, die in werking treden op de datum die de Vlaamse regering vaststelt; 2/ de bepalingen van artikelen 22, 23, 29 met betrekking tot het invoegen van artikel 33ter, § 1, 1/, c), en artikel 32, die in werking treden op de dag dat het decreet van 3 maart 2000 houdende wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt'. Art. 22. Dit decreet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2000, met uitzondering van : 1/ de bepalingen van artikel 10 die in werking treden op de datum die de Vlaamse regering vaststelt; 2/ de bepalingen van artikelen 11 en 18, 2/, die in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad"; dat uit bovenstaande bepalingen blijkt dat het ten overstaan van het decreet van 11 mei 1999 licht gewijzigde artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet in werking is getreden op 30 maart 2000, de datum van publicatie van het decreet van 3 maart 2000 in het Belgisch Staatsblad; dat wat betreft het artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet -zoals dat ook het geval was met deze bepaling in de versie van het decreet van 11 mei 1999, cfr. artikel 29- niet in overgangsbepalingen werd voorzien; dat vermits de bestreden beslissing dateert van 8 juli 2000 de verwerende partij dus in principe artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet diende toe te passen; dat de beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel niet kunnen primeren op een decretale bepaling; dat het middel in zoverre het de schending van die beginselen aanvoert niet gegrond is; 2.2.5.2. Overwegende dat verzoeker er zich in essentie over beklaagt dat artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de mate dat voor de toepassing van deze bepaling niet in een overgangsregeling is voorzien voor vergunningsaanvragen die reeds geruime tijd in het verleden werden ingediend, en waarbij ingevolge een onwettig handelen van de overheid pas uitspraak kon worden gedaan over de vergunningsaanvraag nadat artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet reeds in werking was getreden; dat in VII-22.800-20/23 vergelijking met vergunningaanvragers die op ongeveer hetzelfde ogenblik als verzoeker een aanvraag hebben ingediend, en over wiens aanvraag op een wettige wijze is beslist, waardoor een definitieve beslissing werd bekomen ruim voor het in werking treden van artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet, verzoeker zich gediscrimineerd acht; dat, immers, verzoeker zijn aanvraag afgewezen ziet op grond van artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet, daar waar anderen die hun aanvraag ongeveer op hetzelfde ogenblik als verzoeker hebben ingediend, zich niet geconfronteerd zagen met deze bepaling; dat dit volgens verzoeker des te meer klemt nu artikel 33, tweede lid, van het meststoffendecreet, zoals destijds ingevoegd door het decreet van 20 december 1995, en dat eveneens betrekking heeft op de vergunningverlening, wél in een overgangsregeling voorziet; 2.2.5.3. Overwegende dat inderdaad artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet zonder meer toepasselijk is vanaf 30 maart 2000, ongeacht het tijdstip van de vergunningsaanvraag; dat of de vergunningsaanvraag op 1 maart 1993 werd ingediend, zoals het geval bij verzoeker, dan wel op 29 maart 2000 geen verschil uitmaakt : artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet is toepasselijk; dat artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet geen onderscheid maakt naargelang het tijdstip waarop de vergunningsaanvraag werd ingediend; dat de Raad van State krachtens artikel 26, § 2, eerste lid van de bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 in casu ertoe gehouden is het Hof te verzoeken op deze vraag uitspraak te doen; dat dienvolgens er grond is om het Arbitragehof te adiëren zoals gevorderd, VII-22.800-21/23 BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Aan het Arbitragehof wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld : "Schendt art. 28 (lees 29) van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, de art. 10 en 11 van de Gec. Gw., en art. 6 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, inzoverre het de overgangsregeling zoals vervat in art. 33 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en ingevoerd bij artikel 26 van het decreet van 20 december 1995 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen opheft, en (A) zodoende
(1)een ongelijke behandeling invoert tussen een administratieve beslissing omtrent milieuvergunningsaanvragen klasse 1 en 2 die ontvankelijk en volledig verklaard zijn vóór 1 januari 1996 waartegen geen beroep tot vernietiging diende te worden ingesteld voor de Raad van State, enerzijds, en een administratieve beslissing omtrent milieuvergunningsaanvragen klasse 1 en 2 die ontvankelijk en volledig verklaard zijn vóór 1 januari 1996 waartegen wel een beroep bij de Raad van State werd aanhangig gemaakt, anderzijds, en tevens
(2)een ongelijke behandeling invoert tussen een administratieve beslissing omtrent milieuvergunningsaanvragen klasse 1 en 2 die ontvankelijk en volledig verklaard zijn vóór 1 januari 1996 en waarvan uw Raad de vernietiging heeft bevolen vóór de inwerkingtreding van art. 28 van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, enerzijds, en een administratieve beslissing omtrent milieuvergunningsaanvragen klasse 1 en 2 die ontvankelijk en volledig verklaard zijn vóór 1 januari 1996 en waarvan uw Raad de vernietiging heeft bevolen na de inwerkingtreding van art. 28 van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, anderzijds, en (B) zodoende tevens elke effectieve rechtsbescherming door de Raad van State tegen onwettig overheidshandelen onmogelijk maakt, zonder dat hiervoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat ?". VII-22.800-22/23 Artikel 3. Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak na ontvangst van de uitspraak van het Arbitragehof. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig december tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, voorzitter van de VIIe kamer, de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-22.800-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.211 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.94.218 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.073 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div