← België

Arrest 166213 - Milieuvergunningen - 21/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.213 Rolnummer: A. 75768/VII-15950 Zaak: Arrest 166213 - Milieuvergunningen - 21/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-29 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 12:05 Fiche Arrest nr 166.213 van 21 december 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.213 van 21 december 2006 in de zaak A. 75.768/VII-15.950. In zake : Jeanne VAN MUYLEM, wonende te HOEGAARDEN, Nerm 84 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat 92 tussenkomende partij : Roger BAEKEN, die woonplaats kiest bij advocaat B. BEELEN, kantoor houdende te LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 20A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jeanne VAN MUYLEM op 22 september 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 10 juli 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant "houdende de gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep ingesteld door de heer R. BAEKEN tegen de beslissing d.d. 01.02.1997 van het college van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Hoegaarden waarbij aan de heer BAEKEN de vergunning wordt geweigerd om een rundveehouderij gevestigd te 3300 Tienen, Mulkstraat te verplaatsen naar 3320 Hoegaarden, Nerm, z.n. en tevens uit te breiden"; Gelet op het arrest nr. 71.809 van 12 februari 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekster; VII-15.950-1/21 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 2 maart 1998; Gelet op de beschikking van 11 maart 1998 die de tussenkomst van Roger BAEKEN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 6 maart 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 31 maart 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 28 april 2005, op welke datum de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld; Gelet op de beschikking van 7 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van de verzoekster, die verschijnt in persoon, van advocaat K. VAN ALSENOY, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. VANSTIPELEN die, loco advocaat B. BEELEN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-15.950-2/21 1. Feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De tussenkomende partij exploiteert een landbouwbedrijf aan de Mulkstraat 166 te Tienen. De inrichting is gelegen in een woongebied en de exploitatie ervan is vergund bij besluit van 20 februari 1992 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant voor een termijn van twintig jaar. Met dit vergunningsbesluit werd destijds het houden van 108 grote zoogdieren en de opslag van 500 m3 dierlijke mest vergund en de exploitatie van een stal met 48 varkens geweigerd. 1.2. Op 15 juni 1996 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hoegaarden een bouwvergunning aan de tussenkomende partij voor het oprichten van een rundveestal, twee loodsen en een sleufsilo, op percelen gelegen aan de Nerm te Hoegaarden. De aanvraag daartoe werd ingediend met het oog op de herlocalisatie van het in Tienen gevestigde bedrijf van de tussenkomende partij. 1.3. Op 4 november 1996 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hoegaarden een milieuvergunnings- aanvraag in voor de exploitatie van de nieuwe inrichting, gelegen op het voormelde adres in Hoegaarden. Met de aanvraag beoogt de exploitant in eerste instantie de verplaatsing van zijn bestaand landbouwbedrijf te Tienen naar de nieuwe locatie die gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Bovendien wordt een uitbreiding met 48 varkens gevraagd, en wordt de vergunning gevraagd voor de verhoging van de mestopslagcapaciteit en voor een aantal voorheen niet vergunde aanhorigheden. 1.4. Ingevolge het openbaar onderzoek worden er een vijftal bezwaren ingediend door omwonenden, waaronder de verzoekster. 1.5. Met een besluit van 1 februari 1997 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hoegaarden de gevraagde milieuver- gunning. VII-15.950-3/21 1.6. Op 9 maart 1997 stelt de tussenkomende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant beroep in tegen het voormelde besluit van 1 februari 1997. Het beroep wordt op 17 maart 1997 ontvankelijk verklaard. 1.7. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen uitgebracht. a. Het initieel ongunstige advies van de Vlaamse Landmaatschappij van 7 april 1997 luidt als volgt : "1.7. Betreffende de huidige inrichtingsplaats 1.7.1. Betreffende inrichtingen gelegen in een ander dan agrarisch gebied of woongebied met landelijk karakter - Overwegende dat deze inrichting gelegen is in een ander dan agrarisch gebied of in woongebied met landelijk karakter; dat deze inrichting dus gelegen is in een gebied waar ze stedenbouwkundig thuishoort; dat deze aanvraag bijgevolg niet voldoet aan artikel 3, § 2, 2/,

  1. b)van het Vergunningenbesluit. (...); Besluit : advies van de Vlaamse Landmaatschappij : Overwegende dat deze aanvraag : - (...); - niet verenigbaar is met artikel 5.9.6.1. § 2, 1/, 2/ en 3/ van VLAREM II, aangezien de bestaande veeteeltinrichting gelegen is in woongebied en ze daar bijgevolg thuishoort"; b. Het advies van 18 april 1997 van het bestuur Milieuvergunningen is gunstig over de aanvraag, behoudens voor wat betreft de uitbreiding met 48 varkens. c. De administratie voor Gezondheidszorg verleent op 20 mei 1997 gunstig advies over de aanvraag. d. Door de Provinciale Milieuvergunningscommissie wordt op 18 juni 1997 voorgesteld om het beroep deels in te willigen, het beroepen besluit op te heffen en de gevraagde vergunning te verlenen, behoudens voor de uitbreiding met 48 varkens. 1.8. Met het bestreden besluit van 10 juli 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant wordt het door de tussenkomende partij ingestelde beroep gedeeltelijk ingewilligd. Er wordt vergunning verleend om te Hoegaarden, Nerm z.n., een landbouwinrichting te exploiteren, omvattende stallen voor 108 grote zoogdieren, een opslagplaats voor 1.024 m3 VII-15.950-4/21 dierlijke mest, een stalplaats voor 18 voertuigen in een loods, een melkkoelinstallatie met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW, de opslag van 11.000 liter gasolie in twee bovengrondse houders, van 240 m3 losse granen en 1.380 m3 groenvoeder, van 750 liter motor- en hydraulische olie en van 20 ton kunstmest. De vergunning voor het houden van 48 varkens wordt evenwel geweigerd; 2. Ontvankelijkheid 2.1.1. Overwegende dat de verzoekster in het verzoekschrift tot nietigverklaring haar belang als volgt omschrijft : "Verzoekster kocht de woning gelegen te Hoegaarden, Nerm 84 aan in 1975 en bewoont deze sindsdien. Als licentiate plantkunde heeft verzoekster speciale aandacht voor de natuur en de schoonheid van het haar omringende landschap. Precies daarom heeft ze dit huis aldaar gekocht. Het landschap is er prachtig glooiend, ongerept, met heuvels die naar de vallei van de Nermbeek hellen. Tal van typisch Brabantse holle wegen doorsnijden dit landschap. In deze holle wegen heerst een eigen microklimaat : door de luwte, beschermd tegen de wind en derhalve ook tegen de koude, vindt men er dan ook een eigen flora en fauna. Indien de milieuvergunning ten uitvoer zal worden gelegd, zal dit mooie stukje natuurgebied definitief ontsierd worden door een rundveehouderij. Daar verzoekster slechts op ongeveer 120 m van het betrokken rundveebedrijf woont, is de kans op hinder, in het bijzonder op de met een dergelijk bedrijf gepaard gaande reukhinder zeer reëel. Tevens dreigt een belangrijke waardevermindering van haar eigendom. Het belang van verzoekster bij de huidige vordering staat derhalve ontegensprekelijk vast"; dat zij in haar memorie van wederantwoord herhaalt dat haar woning in de "onmiddellijke nabijheid", "op een 100 tal meter" van de plaats van exploitatie gelegen is en dat ze door de betrokken exploitatie hinder zal ondervinden; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord en in haar laatste memorie het belang van de verzoekster in vraag stelt, in essentie omdat "de argumentatie van verzoekende partij (...) in feite enkel (gaat) over de bouwvergunning, nu zij het heeft over de bouwwerken, het uitzicht en de waardevermindering van haar eigendom”, terwijl zij deze bouwvergunning niet heeft aangevochten, en omdat het “in casu duidelijk (
  2. is)dat er geen abnormale geurhinder is, los van de overweging dat de tolerantiegraad voor geuren afkomstig van een rundveebedrijf in een woongebied met landelijk karakter, alwaar bewoning en landbouw twee nevengeschikte en gelijke bestemmingen zijn, gevoelig hoger ligt (en móet liggen) dan in een woongebied”; dat zij voorts nog stelt dat “in het nieuwe art. VII-15.950-5/21 9.5.3.1 VLAREM II, wordt voor het bekomen van een milieuvergunning verwezen naar het Mestdecreet van 23 januari 1991, dat in art. 33ter, 1/,
  3. c)wel degelijk ook de mogelijkheid van een herlocalisatie voorziet in geval van ruilverkaveling”; 2.1.3. Overwegende dat ook de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst aanvoert, en in haar memorie herhaalt, dat de vordering niet ontvankelijk is omdat de verzoekster geen rechtmatig nadeel kan ondervinden van de geplande inrichting; dat zij hieromtrent stelt dat de verzoekster, “gelet op het feit dat de inrichting zal worden ingeplant in agrarisch gebied en de woning van verzoekster gelegen is in woongebied met een landelijk karakter, (...) aldus normaliter enige hinder zou moeten kunnen verdragen”, en de in de milieuvergunning opgelegde voorwaarden de eventuele reukhinder tot een aanvaardbaar niveau kunnen beperken voor een woning, zoals die van de verzoekster, die is gelegen op 120 meter van de inrichting; dat voorts nog wordt aangehaald dat “ten tijde dat de verzoekster haar woning kocht (...) er zelfs nog een actief landbouwbedrijf naast haar woning (was) gevestigd (en zij) dus geenszins aannemelijk (kan) maken dat zij precies wegens haar speciale aandacht voor de natuur en de schoonheid van het haar omringende landschap aldaar is gaan wonen”, “dat de inrichting het reliëf ongemoeid laat en geenszins enige schade toebrengt aan de schoonheidswaarde van het bedoelde gebied” en het volslagen onduidelijk is waarom de woning van de verzoekster een waardevermindering zou ondergaan en zij daarover geen nadere uitleg verstrekt; 2.1.4. Overwegende dat niet wordt betwist dat de verzoekster op ongeveer 120 meter van de geplande exploitatie woont; dat, rekening houdend met de aard van de vergunde veeteeltinrichting, het aannemelijk is dat deze inrichting geurhinder kan teweegbrengen in de omgeving; dat het evenzeer aannemelijk is dat die hinder zich kan voordoen tot op een afstand van 120 meter van de plaats van exploitatie; dat in het sub 1.7 vermelde advies van het bestuur Milieuvergunningen overigens kan worden gelezen dat "rekening houdend met de beperkte bedrijfsgrootte, de ligging van de stallen en de overheersende windrichting op bepaalde ogenblikken geurhinder kan optreden voor de nabijgelegen woningen langs de Nerm(straat)"; dat de verzoekster voldoende aantoont dat ze beschikt over het rechtens vereiste belang om de verleende milieuvergunning te bestrijden; dat de loutere omstandigheid dat in het woongebied met landelijk karakter, waar de verzoekster woont, alsook in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, waar het betrokken rundveebedrijf zal worden opgericht, agrarische activiteiten in principe toegelaten zijn door het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de VII-15.950-6/21 toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen aan deze vaststelling geen afbreuk doet; dat immers, ook al zijn de genoemde gebieden planologisch bestemd voor onder meer landbouwinrichtingen, de verzoekster, om van een voldoende belang te getuigen, niet moet aantonen dat er “abnormale” (geur)hinder zal zijn; dat de verzoekster bovendien woont in woongebied, weliswaar met landelijk karakter, waar wonen één van de hoofdfuncties is, en niet in agrarisch gebied; dat het belang niet teniet wordt gedaan door het gegeven dat op het ogenblik dat de verzoekster zich ter plaatse is komen vestigen er reeds een ander landbouwbedrijf in exploitatie was; dat, ten slotte, de gebeurlijke decretale mogelijkheid tot herlocalisatie de verzoekster haar belang niet ontneemt; dat de in de processtukken aangevoerde excepties niet kunnen worden aangenomen; 2.2.1. Overwegende dat de verwerende en de tussenkomende partij ter terechtzitting nog doen gelden dat de verzoekster heeft nagelaten later verleende vergunningen -met name een milieuvergunning van 23 december 1999 tot verandering van de inrichting, een vergunning van 29 januari 2000 voor een grondwaterwinning en verschillende stedenbouwkundige vergunningen- aan te vechten en dat zij daardoor haar belang bij de onderhavige vordering heeft verloren; 2.2.2. Overwegende dat met het bestreden besluit het in het geding zijnde rundveebedrijf wordt vergund voor een termijn van twintig jaar; dat die vergunning de basisvergunning uitmaakt voor de betrokken exploitatie, en niet is opgeheven door de latere vergunningen waarnaar de verwerende en de tussenkomende partij verwijzen, zodat de verzoekster haar belang behoudt bij de onderhavige vordering; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 3. Gegrondheid 3.1. Standpunten van de partijen 3.1.1. Overwegende dat het eerste middel luidt als volgt : "Eerste middel : schending van art. 5.9.3.1 van het besluit van 1 juni 1995 (Vlarem II), schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de materiele motiveringsplicht. 1. Het bedrijf van de heer Baeken is momenteel gevestigd in een woongebied te Tienen. Het gebied waarnaar het bedrijf zou verplaatst worden indien de bestreden beslissing ten uitvoer zou worden gelegd, is een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. VII-15.950-7/21 Overeenkomstig art. 5.9.3.1 § 2 van het Vlarem I is het verplaatsen van een bestaande inrichting naar een andere locatie slechts toegestaan voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan : - de bestaande inrichting is gelegen op een plaats waar het ingevolge de op dat moment geldende regelgeving niet thuishoort of waar strengere beperkingen worden opgelegd dan algemeen geldend. - de exploitant moet bij de vergunningsaanvraag een ondertekende en gedateerde verklaring voegen waarin hij zich ertoe verbindt, binnen de twee jaar na het van kracht worden van de nieuwe vergunning, de vergunning horende bij de te verplaatsen bestaande inrichting in te trekken. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de VLM zich terecht de vraag heeft gesteld of in casu aan de beide voorwaarden voldaan werd. Volgens de indelingslijst bij het Vlarem I (
  4. is)een bedrijf tot 200 gespeende dieren (de heer Baeken beschikt 'slechts' over 108 koeien) toegelaten in een woongebied. Dergelijk bedrijf wordt beschouwd als een klasse II - inrichting ongeacht het feit of het in een woongebied dan wel in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied is gelegen. Aangezien bovendien de mate van hinder deels kan afgeleid worden uit de klasse waarin het betrokken bedrijf wordt ondergebracht en het bedrijf van de heer Baeken na de verplaatsing een klasse II inrichting blijft, volgt hieruit dat het bedrijf op de plaats waar het momenteel gevestigd is (te Tienen) aldaar niet in mindere mate zou thuishoren. Bovendien voorziet Vlarem II geen enkele verbods - of afstandsbepaling waardoor de vestiging van het bedrijf van de heer Baeken in Tienen in gevaar zou kunnen gebracht worden. Er kan derhalve moeilijk gesteld worden als zou het bedrijf op de plaats waar het momenteel gevestigd is, ten gevolge van de op dit moment geldende regelgeving, niet thuishoren. Evenmin zullen strengere maatregelen opgelegd moeten worden dan algemeen geldend. De eventuele maatregelen die zouden vereist zijn in het woongebied en die tot doel zouden hebben de hinder te beperken, zullen eveneens vereist zijn in het gebied waar de heer Baeken zinnens is zijn bedrijf te vestigen. In de nabije omgeving zijn er immers ook een aantal woningen gevestigd die aanzienlijke hinder van het bedrijf zullen ondervinden. De dichtst bijgelegen woning bevindt zich op slechts 50 meter afstand en niet zoals de bestreden beslissing aangeeft op 150 meter. Gelet op het voorgaande, schendt de bestreden beslissing o.m. art. 5.9.3.1 § 2 van het Vlarem II. 2. In de bestreden beslissing motiveert de Bestendige Deputatie het voldaan zijn van de beide voorwaarden voorzien door art. 5.9.3.1 § 2 van het Vlarem II als volgt : Evaluatie : 1) ... 2) om een rundveehouderij milieu-technisch verenigbaar te maken met een woongebied (zeker met een verstedelijkt gebied) zouden gelet op het intrinsiek hinderlijk karakter van de uitbating st rengere beperkingen/maatregelen moeten opgelegd worden. Derhalve voldoet de aanvraag wel aan de voorwaarde om in aanmerking te komen voor verplaatsing. De bestreden beslissing specifieert op geen enkele manier welke maatregelen of beperkingen dan wel zouden moeten opgelegd worden. Zij geeft de inhoud van art. 5.9.3.1 § 2 bijna woordelijk weer zodat dit bezwaarlijk kan beschouwd worden als een behoorlijke motivering. VII-15.950-8/21 De motivering van de Bestendige Deputatie is in casu een loutere standaardformule zonder inhoud zodat zij hierdoor zowel de formele als de materiele motiveringsplicht schendt"; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert als volgt : "In het auditoraatsverslag werd het eerste deel van dit middel (art.5.9.3.1. § 2 van Vlarem I (en niet II) prima facie ernstig leek, en dit op basis van een redenering die bij nader onderzoek niet gehandhaafd kan worden (zie verslag auditoraat hlz. 32) (sic) In dit verslag stelt de auditeur inderdaad in vraag of het hier in feite niet gaat om het principieel verbod van nieuwe veehouderijen zodat de uitzonderingsregel sowieso beperkend moet worden geïnterpreteerd. De argumentatie, die de verwerende partij terzake in haar nota tijdens de schorsingsprocedure naar voor werd gebracht, behoudt echter volkomen haar geldingskracht. Verwerende partij had inderdaad laten gelden : Art.5.9.3.1. § 2 voorziet inderdaad : '- De bestaande inrichting is gelegen op een plaats waar het ingevolge de op dat moment geldende regelgeving niet thuishoort of waar strengere beperkingen worden opgelegd, dan algemeen geldend. - De exploitant moet bij de vergunningsaanvraag een ondertekende en gedateerde verklaring voegen waarin hij zich ertoe verbindt, binnen de twee jaar na het van kracht worden van de nieuwe vergunning, de vergunning horende bij de te verplaatsen inrichting in te trekken. Het voldoen aan deze voorwaarden moet blijken uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij'. In de ontwikkeling van het middel wordt het advies van de VLM vertekend weergegeven en stemt zij trouwens niet overeen met de gegevens van het dossier. Het is inderdaad correct dat in het schriftelijk advies van de VLM gesteld werd dat de bestaande inrichting (in het woongebied) aldaar stedenbouwkundig thuishoort, zodat de aanvraag niet zou voldoen aan art.3, §2, 2/ B van het vergunningsbesluit. In het bestreden besluit wordt nochtans duidelijk, - met verwijzing naar de nota van de PVMC, en met overname van het feit dat de VLM instemde met het unaniem gunstig advies van de PVMC, - inderdaad, samengevat, gesteld dat : om een rundveehouderij milieutechnisch verenigbaar te maken met een woongebied (zeker met een verstedelijkt gebied) zouden, gelet op het intrensieke innerlijke karakter van de uitbating, strengere beperkingen - maatregelen moeten opgelegd worden. Derhalve voldoet de aanvraag wel aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor verplaatsing. Het vergevorderde stadium van de ruilverkaveling maakt het realistisch de gevraagde uitbating te aanvaarden. Verzoekende partij beweert ten onrechte dat deze strikt enkel in casu toepasselijke motivering toch een standaardformule zou zijn, daar waar precies het tegendeel waar is. Het blijkt inderdaad uit het dossier dat het geschreven advies van de VLM ongunstig was omdat het uitbaten van minder dan 200 runderen in woongebied noch volgens VLAREM, noch volgens het mestdecreet verboden is. De huidige uitbating ligt echter in een sterk verstedelijkt gebied (agglomeratie Tienen) zodat het toestaan van een verdere uitbating voor een volle termijn van VII-15.950-9/21 twintig jaar niet anders zou kunnen dan met het opleggen van zeer strenge vergunningsvoorwaarden. Bij dit alles mag niet vergeten worden dat reeds op 20.02.1992 (zie administratief dossier - bijlage 5 van de milieuvergunningsaanvraag) de uitbreiding met varkens reeds geweigerd werd, wat een onrechtstreekse aanwijzig is voor het feit dat de veehouderij op lange termijn aldaar niet meer thuishoort. Bovendien is het in casu gebleken dat de veehouder met de dieren over druk bereden wegen moet terwijl er in de ruilverkaveling mogelijkheid is om de dieren te laten grazen in de weide rond het bedrijf. Dit (...) alles werd correct weergegeven in de bestreden beslissing, zodat het middel voorzeker niet ernstig is. Enigszins onduidelijk is de ontwikkelijk van het middel wanneer het gaat over het aantal woningen dat zich in de nabije omgeving bevindt, nu dergelijke woningen hetzij in agrarisch gebied, ofwel in woongebied met landelijk karakter liggen. Het spreekt vanzelf dat de hinder van het bedrijf ook daar tot een aanvaardbaar minimum beperkt moet worden, zodat er geen extra voorwaarden moeten opgelegd worden. Dat bovendien bij dit alles niet mag vergeten worden dat in de bestreden beslissing (zie blz. 3, evaluatie van de aanspraak, punt 4), de VLM tijdens de vergadering van de PVMC medegedeeld werd (zie derhalve het unaniem advies) (sic) dat de verplaatsing van dit bedrijf inderdaad verantwoord is, gelet op de zeer gevorderde onderhandelingen van de ruilverkaveling. In de verdere behandeling kan benadrukt worden dat in de betrokken overwegingen van de bestreden beslissing trouwens verwezen wordt naar stedebouwkundige bepalingen én naar de milieutechnische redenen. De auditeur stelt derhalve in zijn verslag van 2 december 1997, prima facie, ten onrechte (zie verslag blz.33) vast dat : 'Evenmin lijkt de bestaande inrichting wegens zijn ligging in woongebied te worden gehinderd de maximale bedrijfsgrootte aan te nemen ...' Het tegendeel blijkt echter uit het dossier. Men mag inderdaad niet vergeten dat de huidige uithating gelegen is in een stad, een woongebied, en dat de uitbreiding nooit zou kunnen toegestaan worden omdat de hinder voor de omgeving niet op een aanvaardbaar niveau zou kunnen worden gebracht. Trouwens een uitbreiding met 48 varkens werd reeds eerder geweigerd. In tegenstelling met wat in het auditoraatsverslag aangegeven wordt, was het in deze zaak duidelijk dat een uitbreiding van 92 runderen tot een niveau van 200 dieren, toegelaten in een woongebied, alhier geen schijn van kans zou maken. Bij dit alles mag bovendien niet vergeten worden dat art.5.9.3.l § 2 van Vlarem II drie uitgangspunten heeft : enerzijds de ligging op een plaats waar ze niet thuis(hoort) (cfr. in casu het woongebied) of anderzijds waar strengere beperkingen worden opgelegd aan algemeen gelden (wat in casu bewezen is gelet op de weigering in het verleden om een uitbreiding toe te staan, of ondergetekende verklaring.(sic) Ook in het op dezelfde blz. aangehaalde art. 3 § 2.2.B en art. 3 § 4 van het vergunningenbesluit staat niets anders, nu (...) dit laatste artikel de 'of' bepaling bevat, te weten : 'of waar in gevolge de bepalingen van Vlarem II een uitbreiding tot het bepaalde maximum (cfr. art. 3 § 4) overschrijdt'. (sic) Zoals hoger reeds herhaald benadrukt werd, kan de uitbreiding op de huidige vestigingsplaats nooit verenigbaar worden met Vlarem II, omdat de hinder voor de stedelijke omgeving niet op een aanvaardbare wijze kan beperkt worden. VII-15.950-10/21 Verwerende partij handhaaft derhalve haar standpunt dat dit middel volkomen ongegrond is"; 3.1.3. Overwegende dat de verzoekster in haar memorie van wederantwoord het volgende doet gelden : "(...) Het bedrijf van de heer Baeken is momenteel gevestigd in een woongebied te Tienen. Het gebied waarnaar het bedrijf zou verplaatst worden indien de bestreden beslissing ten uitvoer zal worden gelegd is een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Overeenkomstig art. 5.9.3.1 van het Vlarem II is het verplaatsen van een bestaande inrichting naar een andere locatie slechts toegestaan voor zover de bestaande inrichting gelegen is op een plaats waar ze niet meer thuishoort ingevolge de geldende regelgeving of wanneer er strengere maatregelen zouden moeten opgelegd worden en de exploitant een gedagtekende verklaring bijbrengt waarin hij zich verbindt binnen de 2 jaren de vergunning horende bij de te verplaatsen inrichting in te trekken. Daar de tweede voorwaarde in casu niet ter discussie staat, dient inderdaad enkel de eerste voorwaarde besproken worden. In de eerste plaats is er geen enkele bepaling waaruit zou blijken dat het betrokken bedrijf niet meer thuishoort waar het gevestigd is. Het kan derhalve niet voldoende zijn dat de betrokken inrichting misschien 'beter' op zijn plaats zou zijn in een ander gebied dat daarom aan deze voorwaarde is voldaan. De wet is immers formeel en stelt dat de betrokken inrichting volgens de huidige wetgeving niet meer thuishoort waar ze gevestigd is. Integendeel volgens de indelingslijst van het Vlarem II is een rundveehouderij perfect toegelaten in een woongebied. Het criterium is in art. 5.9.3.1 Vlarem II duidelijk en ondubbelzinnig gesteld en het staat eveneens vast dat de heer Baeken aan dat criterium niet voldoet. Het argument van verwerende partij (pag 4 van haar memorie van antwoord) in dit verband dat 'niet mag vergeten worden dat reeds op 20.02.1992 de uitbreiding met varkens geweigerd werd wat een onrechtstreekse aanwijzing is voor het feit dat de veehouderij op lange termijn aldaar niet meer thuis hoort' gaat niet op. Het kan immers niet de bedoeling geweest zijn van de wetgever om de verplaatsing toe te staan enkel en alleen omdat de exploitant in kwestie zijn bestaande veestapel anders niet zou kunnen uitbreiden. Het is overigens de vraag of de heer Baeken überhaupt nog zal kunnen uitbreiden, ongeacht waar hij ook moge gevestigd zijn, gelet op het algemene 'stand still' principe op grond waarvan geen uitbreidingen (of toename van de mestproductie) meer mogelijk zijn. De voorheen geweigerde uitbreiding kan dan ook geen argument zijn om het zogenaamd 'niet thuishoren' van het bedrijf en de verplaatsing ervan te verantwoorden. In de tweede plaats stelt zich de vraag in welke mate strengere maatregelen hadden moeten opgelegd opdat het bedrijf in de configuratie zoals die zich voordeed voordat de bestreden beslissing genomen werd, zou kunnen blijven bestaan waar het nu nog steeds gevestigd is. De bestreden beslissing is wat dit punt betreft vrij vaag geweest en heeft op geen enkele mate gespecifieerd welke maatregelen om welke redenen zouden moeten opgelegd worden. Zeer algemeen wordt gesteld 'dat op het vlak van de huidige activiteiten aan de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied een VII-15.950-11/21 bedrijf als het kwestieuze, wegens zijn intrinsieke hinderlijke en storend karakter niet in een woonzone kan aanvaard worden'. Niettemin acht de wetgever dergelijke bedrijven blijkbaar perfect mogelijk in een woongebied (zie indelingslijst) hetgeen in se reeds betekent dat dergelijke exploitaties voor dergelijke gebieden niet hinderlijk worden geacht. Tenslotte stelt de heer auditeur terecht dat bij de overwegingen van de bestendige deputatie vooral met het stedenbouwkundig aspect werd rekening gehouden terwijl het niet horen op een bepaalde plaats van het bedrijf moet blijken uit het advies van de VLM. Mochten stedenbouwkundige aspecten in dergelijke gevallen doorslaggevend geweest zijn, dan zou wellicht een andere instantie, en zeker niet de VLM, advies dienen te verlenen. Verzoekster sluit zich dan ook aan bij het verslag van de heer Auditeur daar waar deze stelt dat de bestreden beslissing de artikelen 5.9.3.1 van het Vlarem II besluit en 3 § 2, 2/ van liet verguningenbesluit heeft miskend door een andere toepassing te geven anders dan vooropgesteld door deze bepaling. Het eerste middel dient dan ook als ernstig beschouwd te worden"; 3.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst aanvoert wat volgt : "(...) Verzoekster is de mening toegedaan dat het landbouwbedrijf van verzoeker in tussenkomst 'op de plaats waar het momenteel gevestigd is (te Tienen) aldaar niet in mindere mate zou thuishoren'; Verzoekster meent dat er derhalve moeilijk kan gesteld worden 'als zou het bedrijf op de plaats waar het momenteel gevestigd is, ten gevolge van de op dit moment geldende regelgeving, niet thuishoren'; Aldus poogt verzoekster aan te tonen dat de voorwaarden van artikel 5.9.3.1. § 2 van het Vlarem II niet vervul(
  5. d)zijn; Verzoekster is aldus de mening toegedaan dat een landbouwbedrijf minder of in gelijke mate hinder zal veroorzaken aan de directe omgeving wanneer dit gelegen is in een stedelijke woonkern (STAD TIENEN) dan wel in een hiertoe geëigend agrarisch gebied alwaar de woning van verzoeker ligt in een aan het agrarisch gebied grenzend woongebied met landelijk karakter op ruim 120 meter (?); Artikel 5.9.3.1 § 2 bepaal(
  6. t)dat 'in afwijking van §1 en onverminderd de bijkomende voorwaarden van de afdelingen 5.9.4, 5.9.5 en 5.9.6., is het verplaatsen naar een andere locatie van een bestaande inrichting die is ingedeeld in de rubrieken 9.3, 9.4, 9.5 en 9.8 toegestaan voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan : # de bestaande inrichting is gelegen op een plaats waar het ingevolge de op dat moment geldende regelgeving niet thuishoort of waar strengere beperkingen worden opgelegd dan algemeen geldend; # de exploitant moet bij de vergunningsaanvraag een ondertekende en gedateerde verklaring voegen waarin hij zich ertoe verbindt, binnen de twee jaar na het van kracht worden van de nieuwe vergunning, de vergunning horende bij de te verplaatsen bestaande inrichting in te trekken (...) '; In het aanvraagdossier zit inderdaad een verklaring van verzoeker in tussenkomst overeenkomstig artikel 5.9.3.1 § 2, tweede lid; Blijft aldus de vraag of een gemengd veeteeltbedrijf thuis hoort in woongebied met stedelijk karakter en of er op een aldaar gelegen gebied strengere normen zouden dienen te worden toegepast; VII-15.950-12/21 Het lijkt mij evident te zijn alsdat een landbouwbedrijf met meer dan 100 dieren met bijhorende opslagruimten niet thuishoort in een verstedelijkt woongebied. De wetgever heeft dienaangaande duidelijk bepaald dat landbouwbedrijven kunnen in woongebied, doch slechts op voorwaarde dat deze 'verenigbaar zijn met omgeving'; Zoals de visu kan worden vastgesteld op de door verzoeker in tussenkomst bijgebrachte luchtfoto is het een gegeven alsdat verzoeker zijn inrichting met de bijhorende intrinsieke hinder, het drukke wegverkeer, de onmogelijkheid tot uitbreiding en de directe nabijheid van tientallen woningen, stedenbouwkundig, volgens de thans aldaar geldende normering, niet thuishoort op bedoelde plaats; Dat de Bestendige Deputatie dienaangaande uitdrukkelijk heeft gesteld dat aan de eerste voorwaarde voldaan is om reden dat op het vlak van de toetsing van de huidige bedrijfsactiviteiten aan de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied, een bedrijf als het kwestieuze, wegens zijn intrinsieke hinderlijk en storend karakter niet in een woonzone kan worden aanvaard; dat een reorganisatie van de bestaande infrastructuur en een uitbreiding van de mestopslagcapaciteit, teneinde aan de vigerende milieuvergunningsvoorwaarden te voldoen, om stedenbouwkundige en milieutechnische redenen wegens de ligging in een woonzone, niet zal aanvaard worden. In woongebieden zal de tolerantiedrempel op het vlak van geurhinder, voortkomend van agrarische activiteiten als die van veehouderijen, lager worden gelegd dan in andere gebieden. Dat rekening houdend met het feit dat het enerzijds gaat om een veebedrijf dat thans 108 grote zoogdieren telt en anderzijds de ligging in de nabijheid van een aantal woningen met in redelijkheid vermag te oordelen (sic) dat zelfs met het opleggen van st rengere (bijzo ndere) milieuvergunningsvoorwaarden, geur- en geluidhinder niet tot een aanvaardbaar niveau voor de woonomgeving kan worden beperkt. Dat de inrichting aldus tevens voldoet aan de tweede mogelijkheid (de wetgever heeft beide mogelijkheden echter niet cummulatief bedoeld - lees in het besluit 'of'). Dat daarenboven de inrichting tevens voldoet aan de bepalingen van artikel 3 §2, 2/
  7. b)van het mestdecreet waarin wordt gesteld dat de bestaande te verplaatsen inrichting moet gelegen zijn op een plaats waar zij ingevolge titel II van het Vlarem niet thuishoort, of waar ingevolge de bepalingen van titel II van het Vlarem een uitbreiding tot het in artikel 3, § 4 van bedoeld besluit bepaalde maximum onmogelijk is; De deputatie stelt tendieneinde dat een eventuele uitbreiding van de huidige veeteeltinrichting enerzijds omwille van de onverenigbaarheid met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften (een agrarisch bedrijf kan in woongebied slechts toegestaan worden op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening van het gebied niet in het gedrang gebracht wordt; gelet op het stedelijk karakter van de omgeving de uitbreiding van het bedrijf daadwerkelijk de woonfunctie storen) en anderzijds omwille van milieutechnische redenen (verhoging van het bestaande hinderniveau) niet zal verleend worden; Dat er aldus geen sprake kan zijn van de in dit middel genoemde bepaling; In een tweede onderdeel van het eerste middel haalt verzoeker een citaat aan uit het bestreden besluit waaruit aldus zou dienen te blijken dat de motiveringsplicht geschonden zou zijn; Dat wat de inhoud betreft (materiële motivering) verzoeker in tussenkomst meent te mogen verwijzen naar al hetgeen hierboven reeds werd uiteengezet; Dat bestendige deputatie (...) dus wel degelijk op grondige wijze uit(legt) waarom de verplaatsing kan worden ingewilligd overeenkomstig artikel 5.9.3.1, §2 van VLAREM II; Wat betreft de formele motiveringsverplichting verzoekster meent hier dat er louter 'standaard formules' werden gebruikt; VII-15.950-13/21 Ook hier meent verzoeker in tussenkomst te mogen verwijzen naar de bepalingen van het zeer uitvoerig bestreden besluit zelve; Dat daarenboven de bedoeling van de motiveringswet klaarblijkelijk het verhoopte gevolg heeft bewerkstelligd verzoeker heeft met kennis van zaken beroep kunnen aantekenen bij de Raad van State. Dat het tweede onderdeel van het eerste middel als niet ernstig dient te worden afgewezen"; dat zij deze argumentatie woordelijk herhaalt in haar memorie; 3.1.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog repliceert : "Verwerende partij bevestigt terzake haar standpunt, zoals dat in de bestreden beslissing vertolkt en in de memorie van antwoord verdedigd wordt. Het is immers uit het onderzoek gebleken dat de onderneming van tussenkomende partij op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit niet meer thuishoorde op de plaats waar die voorheen gelegen was. Het landbouwbedrijf van tussenkomende partij was immers niet meer verenigbaar met de onmiddellijk omgeving, die een sterk verstedelijkt woongebied is, met lintbebouwing langs weerszijden van de exploitatie. De exploitant heeft de noodzaak van een herlocalisatie trouwens omstandig toegelicht in de milieuvergunningsaanvraag (zie bijlage 3 : preventieve voorzieningen). Het verplaatsen van de dieren over de openbare weg en de zeer onregelmatige en zelfs nachtelijke activiteiten zijn maar enkele voorbeelden waarom de exploitatie niet (meer) verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving, en daarom dan ook om redenen van goede ruimtelijke ordening in het geëigend bestemmingsgebied moet worden ondergebracht. Het argument dat de B.D. naar aanleiding van de milieuvergunning van 20 februari 1992 nog anders besliste, is niet terzake dienend, nu de omstandigheden gewijzigd zijn in die zin, dat er nu concreet een meer passende locatie voorhanden is en dat de onmiddellijke omgeving van de exploitatie mee geëvolueerd is (drukker verkeer, ...). Het is dan ook een volkomen logische vaststelling dat de inrichting van tussenkomende partij te Tienen daar niet meer thuishoort. Er is dan ook wél voldaan aan de bepalingen van het (oude) art. 5.9.3.1 § 2 VLAREM II, zodat de verwijzing naar de rechtspraak van Uw Raad (auditoraatsverslag p.34 voetnoot 15 - arrest DE MOL e.a. waarin eveneens vastgesteld werd dat de nieuwe vestigingsplaats geschikter
  8. is)niet relevant is. Daarnaast (zie reeds hoger) moet thans de vraag gesteld worden naar het actuele belang bij het middel, nu sedert het inleiden van de vordering het art. 5.9.3.1 VLAREM II, bij besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 (art. 108), gewijzigd werd. In het nieuwe art. 9.5.3.1 VLAREM II, wordt voor het bekomen van een milieuvergunning verwezen naar het Mestdecreet van 23 januari 1991, dat in art. 33ter, 1/,
  9. c)wel degelijk ook de mogelijkheid van een herlocalisatie voorziet in geval van ruilverkaveling. Het is derhalve duidelijk dat de herlocalisatie zowel onder de oude en in elk geval onder de nieuwe regeling mogelijk was en is. Het middel is derhalve niet langer ontvankelijk en in elk geval ongegrond"; VII-15.950-14/21 3.2. Beoordeling 3.2.1. Overwegende dat artikel 5.9.3.1. van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II) ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing als volgt luidde : "Art. 5.9.3.1. § 1. Onverminderd de bijkomende voorwaarden van de afdelingen 5.9.4., 5.9.5. en 5.9.6. is het exploiteren en/of veranderen van een inrichting die is ingedeeld in één of meer van de subrubrieken 9.3., 9.4., 9.5. en 9.8. uitsluitend toegelaten indien het een bestaande veeteeltinrichting betreft of het omvormen inhoudt van een bestaande landbouwinrichting tot een inrichting die is ingedeeld in één of meer van de subrubrieken 9.3., 9.4., 9.5. en 9.8. Het voldoen aan deze voorwaarden moet blijken uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij. § 2. In afwijking van § 1 en onverminderd de bijkomende voorwaarden van de afdelingen 5.9.4., 5.9.5. en 5.9.6. is het verplaatsen naar een andere locatie van een bestaande inrichting die is ingedeeld in de rubrieken 9.3., 9.4., 9.5. en 9.8. toegestaan voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan : - de bestaande inrichting is gelegen op een plaats waar het ingevolge de op dat moment geldende regelgeving niet thuishoort of waar strengere beperkingen worden opgelegd dan algemeen geldend; - de exploitant moet bij de vergunningsaanvraag een ondertekende en gedateerde verklaring voegen waarin hij zich ertoe verbindt, binnen de twee jaar na het van kracht worden van de nieuwe vergunning, de vergunning horende bij de te verplaatsen bestaande inrichting in te trekken. Het voldoen aan deze voorwaarden moet blijken uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij". 3.2.2. Overwegende dat paragraaf 2 van de voorgeciteerde bepaling een afwijking vormt op het algemeen verbod, ingesteld bij paragraaf 1, om nieuwe inrichtingen te exploiteren die aanleiding geven tot de productie van dierlijke mest; dat het verplaatsen van een bestaande inrichting naar een andere locatie slechts toegelaten is wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan : 1. de bestaande inrichting is gelegen op een plaats waar ze ingevolge de op dat moment geldende regelgeving niet thuishoort of waar strengere beperkingen worden opgelegd dan algemeen geldend; 2. bij de vergunningsaanvraag wordt een ondertekende en gedateerde verklaring houdende de verbintenis om binnen een bepaalde periode de vergunning horende bij de te verplaatsen bestaande inrichting in te trekken, gevoegd; dat de vaststelling dat niet is voldaan aan één van de in paragraaf 2 gestelde voorwaarden om tot het verlenen van de vergunning voor de bedrijfsverplaatsing te kunnen overgaan, volstaat om de vergunning te weigeren; dat het voldoen aan de tweede voorwaarde in casu niet ter discussie staat, zodat de betwisting kan worden teruggebracht tot de vraag of de verwerende partij terecht tot de conclusie kon VII-15.950-15/21 komen dat de bestaande, te verplaatsen inrichting te Tienen gelegen is op een plaats waar ze "ingevolge de op dat moment geldende regelgeving niet thuishoort of waar strengere beperkingen worden opgelegd dan algemeen geldend", en dat die conclusie uit formeel oogpunt afdoende is gemotiveerd; 3.2.3. Overwegende dat, met betrekking tot de toetsing van de aanvraag aan de eerste voorwaarde van artikel 5.9.3.1., § 2, van Vlarem II, in het bestreden besluit het volgende wordt overwogen : "Overwegende dat aan de eerste essentiële voorwaarde met betrekking tot de ligging van de bestaande inrichting eveneens is voldaan om volgende redenen: - op het vlak van de toetsing van de huidige bedrijfsactiviteiten aan de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied, een bedrijf als het kwestieuze, wegens zijn intrinsieke hinderlijk en storend karakter niet in een woonzone kan aanvaard worden; dat een reorganisatie van de bestaande infrastructuur en een uitbreiding van de mestopslagcapaciteit, teneinde aan de vigerende milieuvergunningsvoorwaarden te voldoen, om stedenbouwkundige en milieutechnische redenen wegens de ligging in een woonzone, niet zal aanvaard worden; - in woongebieden zal de tolerantiedrempel op het vlak van geurhinder, voortkomend van agrarische activiteiten als die van veehouderijen, lager worden gelegd dan in andere gebieden; dat rekening houdend met het feit dat het enerzijds gaat om een veebedrijf dat thans 108 grote zoogdieren telt en anderzijds de ligging in de nabijheid van een aantal woningen men in redelijkheid vermag te oordelen dat zelfs met het opleggen van strengere (bijzondere) milieuvergunningsvoorwaarden, geur- en geluidshinder niet tot een aanvaardbaar niveau voor de woonomgeving kan worden beperkt; - de inrichting voldoet eveneens aan artikel 3 § 2, 2/
  10. b)van het Vergunningenbesluit waarin gesteld wordt dat de bestaande te verplaatsen veeteeltinrichting moet gelegen zijn op een plaats waar zij ingevolge titel II van het Vlarem niet thuishoort, of waar ingevolge de bepalingen van titel II van het Vlarem een uitbreiding tot het in artikel 3, § 4 van dit besluit bepaalde maximum onmogelijk is; dat een eventuele uitbreiding van de huidige veeteeltinrichting enerzijds omwille van onverenigbaarheid met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften (een agrarisch bedrijf kan in woongebied slechts toegestaan worden op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening van het gebied niet in het gedrang gebracht wordt; gelet op het stedelijk karakter van de omgeving de uitbreiding van het bedrijf daadwerkelijk de woonfunctie storen) en anderzijds omwille van milieutechnische redenen (verhoging van het bestaande hinderniveau) niet zal verleend worden"; dat voorts wordt overwogen : "Overwegende dat de VLM instemt met het unaniem gunstige advies van de PMVC; dat het advies van de VLM ongunstig was om twee redenen : 1) de aanvraag gaat gepaard met de uitbreiding van de mestproductie (cfr. 48 varkens) hetgeen in strijd is met art. 13 van het Vergunningenbesluit (aanvraag ingediend in 1996); 2) Vlarem II verbiedt de uitbating van een rundveehouderij van minder dan 200 dieren in woongebied niet. Evaluatie : VII-15.950-16/21 1) kan opgelost worden door alleen de verplaatsing van de 106 runderen en 2 paarden toe te staan en de uitbreiding met 48 varkens te weigeren. 2) Om een rundveehouderij milieu-technisch verenigbaar te maken met een woongebied (zeker een verstedelijkt gebied) zouden gelet op het intrinsiek hinderlijk karakter van de uitbating strengere beperkingen/maatregelen moeten opgelegd worden. Derhalve voldoet de aanvraag wel aan de voorwaarde om in aanmerking te komen voor verplaatsing. Het ver gevorderd stadium van de ruilverkaveling maakt het realistisch de gevraagde uitbating te aanvaarden"; 3.2.4. Overwegende dat de geciteerde motieven er in hoofdzaak van uitgaan dat de bestaande inrichting die te Tienen geëxploiteerd wordt is gelegen op een plaats waar ze niet thuishoort; dat in dat verband argumenten worden aangevoerd die gebaseerd zijn, eensdeels, op de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen -de bestaande inrichting zou onbestaanbaar zijn met de bestemming woongebied waarin ze gelegen is- en, anderdeels, op een milieutechnische beoordeling van de inrichting die erop neerkomt dat de ongemakken voor de woonomgeving, zelfs mits het opleggen van bijzondere vergunningsvoorwaarden, niet binnen aanvaardbare grenzen zouden kunnen worden gehouden; 3.2.5. Overwegende dat terloops weze opgemerkt dat die motieven haaks staan op het gegeven dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant bij besluit van 20 februari 1992 aan de tussenkomende partij vergunning heeft verleend voor het verder exploiteren van haar inrichting te Tienen, omvattende stallen voor 108 grote zoogdieren en de opslag van 500 m3 dierlijke mest, voor een termijn van twintig jaar, en in dat vergunningsbesluit werd overwogen dat "de hierna opgelegde voorwaarden van aard is (sic) de gevaren en de hinder eigen aan de betrokken inrichting te verhelpen", zodat het bevreemdend overkomt dat bij het beoordelen van de thans in het geding zijnde gevraagde bedrijfsverplaatsing -op een ogenblik dat de voorheen verleende vergunning nog maar enkele jaren lopende is- diezelfde inrichting met identieke dierenaantallen onvergunbaar wordt geacht, gelet op haar ligging in woongebied; 3.2.6. Overwegende, meer fundamenteel echter, dat de verwerende partij de in het bestreden besluit opgegeven stedenbouwkundige en milieuhygiënische beschouwingen als dusdanig niet mocht betrekken bij de beoordeling van het al dan niet voldaan zijn aan de eerste voorwaarde van artikel 5.9.3.1., § 2, van Vlarem II voor de gevraagde bedrijfsverplaatsing; dat immers artikel 3, § 2, van het besluit van VII-15.950-17/21 de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (vergunningenbesluit) ten tijde van het bestreden besluit bepaalde wat volgt : "De bevoegde vergunningverlenende overheid mag alleen een vergunning verlenen met betrekking tot de rubrieken 9.3. tot en met 9.8. van de indelingslijst in de volgende gevallen : 1/ (...); 2/ De vergunningsaanvraag heeft betrekking op de exploitatie van een nieuwe inrichting, gekoppeld aan de volledige stopzetting van een bestaande veeteeltinrichting die door de aanvrager van de vergunning in de aangifte van het aanslagjaar 1995 werd aangegeven. Bij de vergunningsaanvraag dient aan elk van de volgende voorwaarden te worden voldaan :
  11. a)(...);
  12. b)de bestaande te verplaatsen, veeteeltinrichting moet gelegen zijn op een plaats waar zij ingevolge titel II van het VLAREM niet thuishoort, of waar ingevolge de bepalingen van titel II van het VLAREM een uitbreiding tot het in artikel 3, § 4 van dit besluit bepaalde maximum onmogelijk is; (...)"; dat deze bepaling de uitvoering vormt van artikel 34, § 3, 2/, a), van het meststoffendecreet van 23 januari 1991, zoals vervangen door het decreet van 20 december 1995, dat bepaalt dat onder meer met betrekking tot veeteeltinrichtingen alleen een milieuvergunning kan worden verleend in (onder meer) het volgende geval : "de volledige verplaatsing van een bestaande landbouwinrichting horende bij een gezinsveeteeltbedrijf en voorzover aan volgende bijkomende voorwaarden voldaan wordt :
  13. a)de bestaande landbouwinrichting is gelegen op een plaats waar het ingevolge de op dat moment geldende regelgeving niet thuishoort of waar het strengere beperkingen wordt opgelegd dan algemeen geldend;
  14. b)-
  15. d)(...)"; dat een samenlezing van de bovenstaande bepalingen met zich brengt dat de beperkingen inzake de exploitatie van de te verplaatsen inrichting, bedoeld in artikel 5.9.3.1., § 2, van Vlarem II, dienen voort te vloeien uit de Vlarem II-reglementering; dat met deze beperkingen in eerste instantie de verbods- en afstandsregels van Vlarem II worden bedoeld die de exploitatie van een veeteeltinrichting op een bepaalde plaats verbieden; dat in casu in het bestreden besluit geen concrete rechtsregel van Vlarem II wordt aangehaald waardoor de inrichting op haar huidige locatie niet thuishoort of waarin specifieke, strengere beperkingen worden gesteld; dat, integendeel, in het advies van de Vlaamse Landmaatschappij wordt gesteld dat "Vlarem II (...) de uitbating van een rundveehouderij van minder dan 200 dieren in woongebied niet VII-15.950-18/21 (verbiedt)"; dat die vaststelling in het bestreden besluit niet concreet wordt tegengesproken; 3.2.7. Overwegende dat bovendien moet worden vastgesteld dat de verwerende partij bij haar beoordeling ten onrechte toekomstige veranderingen en uitbreidingen (o.a. op het vlak van de mestopslagcapaciteit) van de te verplaatsen inrichting betrekt; dat luidens de tekst van artikel 3, § 2, 2/, b), van het vergunningenbesluit het aspect "toekomstige uitbreiding" strikt begrensd is tot de maximum bedrijfsgrootte bedoeld in artikel 3, § 4, van hetzelfde besluit; dat noch uit het aangevochten besluit noch uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij blijkt dat de Vlarem-regelgeving de bestaande inrichting verhindert de maximale bedrijfsgrootte aan te nemen zoals bepaald in artikel 3, § 4, van het vergunningenbesluit; dat met de in fine van het bestreden besluit vermelde overwegingen waarin gesteld wordt dat om "een rundveehouderij milieu-technisch verenigbaar te maken met een woongebied (...) strengere beperkingen/maatregelen moeten opgelegd worden" en de aanvraag derhalve wel voldoet aan de in artikel 5.9.3.1. van Vlarem II gestelde voorwaarden voor bedrijfsverplaatsing, evenmin afdoende wordt aangetoond dat de aanvraag voldoet aan de gestelde voorwaarden om de nieuwe inrichting te vergunnen in afwijking van het principieel verbod van artikel 5.9.3.1., § 1 van Vlarem II; dat geenszins wordt aangetoond dat in de lopende vergunning van de te verplaatsen inrichting zulke strengere beperkingen of maatregelen dan algemeen geldend zijn opgenomen of welke strengere beperkingen zouden moeten worden opgelegd; 3.2.8. Overwegende dat, ook al is in principe een landschappelijk waardevol agrarisch gebied geschikter dan een woongebied voor de vestiging van een rundveebedrijf, dit niet impliceert dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 5.9.3.1., § 2, van Vlarem II; 3.2.9. Overwegende dat het argument dat de verwerende partij in haar laatste memorie ontwikkelt waarbij zij verwijst naar een latere wijziging van Vlarem II niet kan worden aangenomen; dat zij immers niet aanvoert, laat staan aantoont, dat die nieuwe regeling de tussenkomende partij een subjectief recht op een vergunning oplevert; dat zij zelfs geen elementen naar voor brengt die concreet zouden kunnen aantonen dat de tussenkomende partij voldoet aan alle voorwaarden om desgevallend een vergunning te bekomen; dat een loutere bewering in dit verband niet volstaat; 3.2.10. Overwegende dat het middel gegrond is, VII-15.950-19/21 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 10 juli 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij het beroep ingesteld door Roger BAEKEN tegen de beslissing van 1 februari 1997 van het college van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Hoegaarden houdende weigering van de vergunning om een rundveehouderij gevestigd aan de Mulkstraat te Tienen, te verplaatsen en uit te breiden, gedeeltelijk wordt ingewilligd, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend, behoudens voor wat betreft het houden van 48 varkens. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst in het administratief kort geding, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. De kosten van de tussenkomst in het annulatieberoep, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-15.950-20/21 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig december tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, voorzitter van de VIIe kamer, de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-15.950-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.213 Gerelateerde publicatie(
  16. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.71.809 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.