← België

Arrest 166214 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 21/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.214 Rolnummer: Zaak: Arrest 166214 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 21/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-29 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-01 12:06 Fiche Arrest nr 166.214 van 21 december 2006 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Vernietiging Samenvoeging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.214 van 21 december 2006 in de zaken A. 95.581/VII-22.859 100.610/VII-23.

  1. In zake : I. + II. de n.v. OPTIBEL en C/, die woonplaats kiest bij advocaat T. PEETERS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27 tegen : I. + II. de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ), die woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te BRUSSEL, Boomstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. OPTIBEL en C/ op 15 september 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 14 juli 2000 van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid met betrekking tot haar verzoek tot het bekomen van ontheffing van de burgerlijke sancties voor het vierde kwartaal van 1999; (zaak A. 95.581) Gezien het verzoekschrift dat dezelfde verzoekende partij op 19 februari 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 20 december 2000 van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid met betrekking tot haar verzoek om toepassing van artikel 55, §1, van het koninklijk besluit van 28 november 1969; (zaak A. 100.610) Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; VII-22.859-1/19 Gelet op de beschikkingen van 20 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij; Gelet op de beschikkingen van 15 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. PEETERS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat T. DE KETELAERE die, loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Feitelijke gegevens Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaken als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij is voor het vierde kwartaal van het jaar 1999 een sociale zekerheidsbijdrage verschuldigd van 12.009.154 Bfr., betaalbaar tegen 31 januari
  5. 1.
  6. Zij geeft haar bankinstelling de opdracht om dit bedrag aan de verwerende partij te betalen tegen 28 januari 2000, op het rekeningnummer 000-02661811-
  7. 1.
  8. Op 3 februari 2000 keert dit bedrag evenwel terug naar de rekening van de verzoekende partij, omdat het op een onbestaande rekening was gestort. VII-22.859-2/19 1.
  9. De verzoekende partij neemt onmiddellijk contact op met de bevoegde inningsdienst van de verwerende partij. Aldaar verneemt zij dat de verwerende partij een nieuw rekeningnummer heeft. 1.
  10. Zij verricht via haar bank op 8 februari 2000 een nieuwe betaling ten belope van 12.024.585 Bfr op het nieuwe rekeningnummer. 1.
  11. De verwerende partij beschouwt de betaling van 8 februari 2000 evenwel als laattijdig, vermits de verzoekende partij met een rekeninguittreksel van 21 juni 2000 door haar ervan op de hoogte was gebracht dat er een bijdrageopslag van 1.202.458 Bfr. en een intrest van 18.704 Bfr. verschuldigd was, hetzij in totaal 1.221.162 Bfr. 1.
  12. De verzoekende partij reageert hierop met een brief van 10 juli 2000, gericht aan de verwerende partij : "Betreft : Bijdragen opslagen en intresten betaling R.S.Z. 04/
  13. Inschrijvings nummer 892563-92, doc. :

(39)Hierbij vragen wij u een kwijtschelding van bijdrageopslag en intresten in verband met de betaling van de R.S.Z. voor het 4de kwartaal 1999. Op 25/01/2000 hebben wij een overschrijvingsopdracht aan de Bank Van Breda doorgegeven voor de betaling van de R.S.Z. bijdragen 4/1999. Dit bedrag werd overgeschreven op het R.S.Z. - nummer 000-0261811-08. Daar wij door de R.S.Z. op geen enkele wijze op de hoogte gebracht waren van een wijziging van het PCR-nummer hebben wij nietsvermoedend, zoals reeds meer dan 17 jaar, de bijdragen op het bovenvermelde nummer gestort. Na enkele dagen kregen wij echter het bedrag teruggestort op onze rekening en hebben wij direct contact opgenomen met jullie diensten waar ons werd medegedeeld dat de R.S.Z. een nieuw PCR-nummer had. Diezelfde dag nog hebben wij een nieuwe overschrij- ving gemaakt op het correcte rekeningnummer. Zoals blijkt op bijgevoegd rekeninguittreksel hebben jullie het bedrag op 08 februari 2000 ontvangen. Door een persoonlijk schrijven van uwentwege te richten aan de R.S.Z.-plichtigen over, deze toch niet onbelangrijke wijziging, had zulk een fout kunnen vermeden worden. Tevens vestigen wij u de aandacht op het feit dat de firma Optibel N.V. sinds 1982 haar R.S.Z.-bijdragen nooit te laat betaald heeft en dat het zeker niet de bedoeling was de R.S.Z.-bijdragen 04/1999 laattijdig te betalen. De aangerekende bijdragen en intresten vinden wij in deze omstandigheden toch onredelijk. Ingesloten vindt u de copies van de gedane overschrijvingen. Wij hopen op een gunstig en snel antwoord gezien de hoogdringendheid van deze zaak en verblijven, (...)". 1.8. Met een brief van 14 juli 2000 wordt de in de zaak A. 95.581 bestreden beslissing medegedeeld. Deze luidt als volgt : VII-22.859-3/19 "BETREFT : VERZOEK TOT HET BEKOMEN VAN ONTHEFFING VAN DE BURGERLIJKE SANCTIES. MIJNE HEREN. Wij delen u hierbij mede dat, ingevolge de in uw verzoekschrift aangehaalde redenen een gedeeltelijke (50%) vermindering van de aangerekende bijdrageop- slag(
  1. en)aan u werd toegekend, conform artikel 55, paragraaf 2 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 voor : 1999: vierde kwartaal. Ingeval u meent dat de met dit schrijven meegedeelde beslissing een onjuiste toepassing van de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen zou inhouden, kan een beroep tot nietigverklaring worden aangetekend bij de Raad van State. Het verzoek tot nietigverklaring moet in voorkomend geval aangetekend worden verstuurd aan de Raad van State, Wetenschapsstraat 33 te 1040 BRUSSEL, binnen 60 dagen na deze kennisgeving. Op 10/07/2000, het eerste kwartaal 2000 inbegrepen, vertoonde uw rekening een debetsaldo van 1.711.426 BEF, onderverdeeld als volgt : Bijdragen : 0 BEF Bijdrageopslag(
  2. en): 1.682.456 BEF lntresten : 28.970 BEF Gerechtskosten : 0 BEF Het volgende bedrag werd verrekend: ontheffing bijdrageopslag(
  3. en)50% : 601.229 BEF Bijgevolg blijft u de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, een bedrag schuldig, groot 1.110.197 BEF (27.521,06 EUR). Deze som dient u onmiddellijk te betalen op P.R.K. 679-0261811-08. Als bijlage vindt u, per kwartaal, gedetailleerde informatie over de bij deze toegekende ontheffing". 1.9. Hierop richt de raadsman van de verzoekende partij op 27 juli 2000 volgend schrijven tot de verwerende partij : "Geachte heer, Wij zijn de raadslieden van de NV. Optibel & C/, met maatschappelijke zetel te 2900 Schoten, Edisonplein 8. Cliënte verzoekt ons u aan te schrijven in verband met de bijdrageopslag die in rekening werd gebracht voor de R.S.Z.-bijdragen van het vierde kwartaal 1999. Cliënte heeft deze bijdrage tijdig betaald op het rekeningnummer dat ze daartoe 17 jaar lang heeft aangewend. Buiten haar weten om is dit rekeningnum- mer echter gewijzigd. Zij heeft dan onmiddellijk op 8 februari 2000 de betaling opnieuw uitgevoerd. Desalniettemin ontving zij een rekeninguittreksel van 15 juni 2000 waarin haar een bijdrageopslag van 10% ten belope van 1.221.162 BEF in rekening werd gebracht. Cliënte heeft onmiddellijk om de kwijtschelding daarvan gevraagd. In het schrijven van 14 juli 2000 verkreeg cliënte van u reeds een gedeeltelijke toezegging tot kwijtschelding van 50% van deze bijdrageopslag. Nadien zijn er nog telefonische contacten geweest. Tijdens deze telefonische contacten is gebleken dat uw diensten deze zaak nog verder onderzoeken en dat cliënte alvast de mogelijkheid gekregen heeft om te wachten met betaling van dit bedrag tot eind augustus, vermits het beheerscomité hierover nog een nieuwe beslissing zou kunnen nemen. Cliënte noteerde alvast deze toezegging. In afwachting daarvan dien ik u uitdrukkelijk te verzoeken om tevens de mogelijkheid van de toepassing van artikel 55, §1 in plaats van enkel artikel 55, §2 van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 te onderzoeken. Naar VII-22.859-4/19 mijn oordeel is aan de voorwaarden van §1 voldaan en bestaat uitdrukkelijk de mogelijkheid om te voorzien in een volledige kwijtschelding. Met het oog daarop kan u uiteraard dit schrijven voorleggen aan het beheerscomité. Voor de goede orde meld ik u dat dit schrijven geen betrekking heeft op de problemen die gerezen zijn voor de bijdragen voor het eerste kwartaal 2000. Het betreft hier de verantwoordelijkheid respectievelijk vergissing bij de bank van cliënte. Daarmee wordt onmiddellijk contact opgenomen om de problemen voor dat kwartaal op te lossen. Als bijlage zend ik u daartoe een kopie van het schrijven van cliënte van 17 mei 2000 aan de bank J. Van Breda & C/". 1.10. Met een brief van 25 oktober 2000 deelt de verwerende partij aan de raadsman van de verzoekende partij mee wat volgt : "Meester, Ingevolge uw verzoek om ontheffing van de aangerekende bijdrageopslagen en intresten deelt de administratie u mede dat zij van oordeel is dat de door u ingeroepen reden niet beantwoordt aan het begrip overmacht. Overeenkomstig de rechtsleer en rechtspraak terzake, verstaat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid namelijk onder overmacht, het overkomen van een gebeurtenis die volledig vreemd is aan de persoon van de schuldenaar en onafhankelijk van zijn wil, redelijkerwijze niet te voorzien en menselijk onoverkomelijk, en die het hem volstrekt onmogelijk maakt zijn verplichtingen binnen de opgelegde termijn na te komen; bovendien mag de schuldenaar zich geen enkele fout te verwijten hebben in de gebeurtenissen, die het overkomen van de vreemde oorzaak zijn voorafgegaan, hebben voorbereid of vergezeld. De Rijksdienst maakte reeds in december 1998 het nieuwe postrekening nummer bij middel van een bericht aan alle werkgevers en sociale secretariaten bekend. Deze wijziging werd ook opgenomen in de bijwerking van de 'Algemene onderrichtingen ten behoeve van de werkgevers' versie eerste kwartaal 1999 die eveneens aan alle werkgevers en sociale secretariaten werd overgemaakt. Kopie van deze documenten vindt u in bijlage. Eerdere betalingen van deze werkgever gebeurden wel correct (bijvoorbeeld de betaling van 8.856.334 fr. op 29.10.1999). De aangehaalde reden kan dan ook niet als onoverkomelijk worden beschouwd. Derhalve zal de administratie uw huidige aanvraag niet aan het Beheersco- mité van de Rijksdienst voorleggen. Indien u alsnog meent te kunnen bewijzen dat het door u aangevoerde feit wel degelijk een situatie tot stand bracht die beantwoordt aan het hierboven uiteengezette begrip van overmacht, kan u ons een nieuw verzoekschrift laten geworden. In dit verzoekschrift dient u aan te tonen dat het door u aangehaalde feit beantwoordt aan ieder facet van de hierboven vermelde definitie. Ingeval u meent dat de met dit schrijven meegedeelde beslissing een onjuiste toepassing van de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen zou inhouden, kan een beroep tot nietigverklaring worden aangetekend bij de Raad van State. Het verzoek tot nietigverklaring moet in voorkomend geval aangetekend worden verstuurd aan de Raad van State, Wetenschapsstraat 33 te 1040 BRUSSEL, binnen 60 dagen na deze kennisgeving". VII-22.859-5/19 1.11. Op 2 november 2000 richt de raadsman van de verzoekende partij volgend schrijven tot de verwerende partij : "Geachte mevrouw, Ik verwijs naar uw schrijven van 25 oktober 2000. Ik neem er akte van dat u weigert mijn eerder schrijven aan het beheersco- mité voor te leggen. In die zin maakt uw schrijven geen nieuwe beslissing uit. U gelieve echter te noteren dat ik mij in mijn vraagstelling niet had beroepen op overmacht. Uw schrijven is derhalve volledig naast de kwestie. Intussen is deze zaak aanhangig voor de Raad van State". 1.12 Met een brief van 20 december 2000, bestreden in de zaak A. 100.610, deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij mee wat volgt : "Meester , Ingevolge uw brief van 2 november 2000 delen wij u mede dat ons schrijven van 25 oktober 2000 betrekking heeft op uw verzoek d.d. 27.7.2000 en derhalve wel een beslissing uitmaakt. In uw brief van 27.7.2000 verzocht u om toepassing van artikel 55, § 1 van het Koninklijk besluit van 28.11.1969. Lid 3 van dit artikel behandelt de mogelijkheid tot ontheffing van de aangerekende bijdrageopslagen en intresten op grond van overmacht. In artikel 55, § 1, lid 1 en 2 van het Koninklijk besluit van 28.11.1969 wordt bepaald : 'De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid mag, onder de voorwaarden bepaald door zijn Beheerscomité, en goedgekeurd door de Minister van Sociale Voorzorg, afzien van de toepassing van de bijdrageopslagen en de verwijlintresten, bedoeld bij artikel 54, eerste lid, wanneer de bijdragen betaald werden voor het einde van het kwartaal volgend op dat waarop zij betrekking hebben. Onder dezelfde voorwaarden kan hij afzien van de vaste vergoeding bedoeld in artikel 54bis. Onder dezelfde voorwaarden kan hij afzien van de toepassing van de vergoeding, bedoeld bij artikel 54, tweede lid, wanneer de kwartaalaangifte en haar bijlagen ingediend werden voor het einde van het kwartaal volgend op dat waarop ze betrekking hebben'. Ingevolge dit artikel nam het Beheerscomité op 22 februari 1974 volgend reglement : Artikel 1 : 'De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid mag de bepalingen van artikel 54 van het Koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders niet toepassen : 1. wanneer de bijdragen betaald werden vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarop zij betrekking hebben, op voorwaarde dat de werkgever zijn bijdragen niet gewoonlijk buiten de termijnen vastgesteld bij de artikelen 34, 35bis, eerste lid, en 41, § 1, lid 3 van genoemd koninklijk besluit van 28 november 1969 betaald heeft en dat het niet- betalen binnen de vastgestelde termijn, der voor bedoeld kwartaal aangegeven bijdragen de regelmatige financiering van de sociale zekerheidsregeling niet schaadt; 2. wanneer de kwartaalaangifte en haar bijlagen ingediend werden vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarop ze betrekking hebben, op voorwaarde dat de werkgever zijn aangiften niet gewoonlijk buiten de VII-22.859-6/19 termijnen vastgesteld bij de artikelen 33 en 35bis, eerste lid, van genoemd Koninklijk besluit van 28 november 1969 heeft laten gewor- den en dat het niet-indienen, binnen de vastgestelde termijn, van de op bedoeld kwartaal betrekking hebbende aangifte de goede werking van de instelling niet schaadt'. Artikel 2 t.e.m. 5 : niet dienend voor deze procedure. Artikel 6 : 'Dit reglement heeft uitwerking met ingang van1 januari 1974'. Uit de bijlagen 1 en 2 blijkt dat de NV OPTIBEL & CO voor de twee kwartalen voorafgaand aan het vierde kwartaal 1999 geen, dan wel te weinig voorschotten betaalde, waardoor zij het recht op de reglementaire termijn verloor voor de betaling van de bijdragen voor het vierde kwartaal 1999. Ingeval u meent dat de met dit schrijven meegedeelde beslissing een onjuiste toepassing van de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen zou inhouden, kan een beroep tot nietigverklaring worden aangetekend bij de Raad van State. Het verzoek tot nietigverklaring moet in voorkomend geval aangetekend worden verstuurd aan de Raad van State, Wetenschapsstraat 33 te 1040 BRUSSEL , binnen 60 dagen na deze kennisgeving. (...)"; 2. Rechtspleging Overwegende dat de beide zaken dermate verknocht zijn dat het in het belang van een goede rechtsbedeling is ze samen af te doen; 3. Wettelijk en reglementair kader Overwegende dat de zaak dient gesitueerd te worden binnen de hierna geschetste ten tijde van de bestreden beslissing geldende wettelijke en reglementaire context : 3.1 De artikelen 21 tot en met 27 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders hebben betrekking op de aangifte en betaling van sociale zekerheidsbijdragen. Artikel 23, §§1 en 2 van deze wet bepalen : "§ 1. De bijdrage van de werknemer wordt door de werkgever bij iedere betaling van het loon ingehouden. Deze is aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid die bijdrage verschuldigd, samen met de zijne. § 2. Die bijdragen moet de werkgever binnen de door de Koning vastgestelde termijnen, om de drie maanden aan gezegde Rijksdienst overmaken, onder voorbehoud van het bepaalde bij § 3. De Koning kan de werkgevers of bepaalde categorieën van werkgevers verplichten een deel van de verschuldigde bijdragen, op een door Hem te bepalen wijze, als voorschot te storten vóór de driemaande- lijkse vervaldag. De modaliteiten van berekening van het voorschot kunnen VII-22.859-7/19 verschillen volgens de categorie waartoe de werkgevers behoren of volgens hun activiteit". Uit deze bepalingen blijkt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de bijdragen enerzijds en de voorschotten anderzijds. Artikel 24 van deze wet bepaalt : "De door de werkgevers voor het nakomen van hun verplichtingen jegens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan te wenden wijze van betaling wordt bij koninklijk besluit vastgesteld". 3.2. De artikelen 28 tot en met 30 van deze wet stellen een aantal "burgerlijke sancties" in voor de werkgever die zijn verplichtingen jegens de R.S.Z. niet nakomt. Artikel 28 bepaalt : "§ 1. De werkgever die de bijdragen niet binnen de door de Koning vastgestel- de termijnen stort, is aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een bijdrageop- slag en een verwijlinterest verschuldigd, waarvan het bedrag en de voorwaarden van toepassing bij koninklijk besluit worden vastgesteld. De bijdrageopslag mag evenwel niet meer bedragen dan 10 pct. van de verschuldigde bijdragen en de op deze bijdragen berekende verwijlinterest mag niet hoger zijn dan de wettelijke rentevoet. § 1bis. De werkgever die de voorschotten van bijdragen niet binnen de door de Koning vastgestelde termijn stort, is aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid een vaste vergoeding verschuldigd, waarvan het bedrag en de voorwaarden van toepassing bij koninklijk besluit worden vastgesteld. § 2. De Koning bepaalt ook de voorwaarden waaronder de Rijksdienst voor sociale zekerheid de werkgever vrijstelling of vermindering mag verlenen van de vaste vergoeding, de bijdrageopslag en de verwijlinteresten". Uit deze bepaling blijkt dat er een verschillende sanctie kan worden opgelegd naar gelang de bijdragen dan wel de voorschotten laattijdig werden betaald. 3.3. De wet van 27 juni 1969 werd verder uitgevoerd door het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Artikel 34, eerste lid, bepaalt dat het bedrag van de bijdragen door de werkgever verschuldigd is op 31 maart, 30 juni, 30 september en 31 december van elk jaar. Het vijfde lid schrijft voor dat de bijdragen die voor het verstreken kwartaal verschuldigd zijn, alsook het saldo van die bijdragen, door de werkgever uiterlijk de laatste dag van de maand volgend op dit kwartaal dienen te worden betaald. VII-22.859-8/19 Artikel 34, tweede lid bepaalt dat, wanneer de werkgever voor een bepaald kwartaal bijdragen heeft aangegeven ten belope van meer dan 250.000 Bfr., hij ertoe gehouden is voor het daarop volgende kwartaal, uiterlijk de 5de van iedere maand volgend op elk van de maanden van dat laatste kwartaal, een voorschot te betalen, gelijk aan 30% van het bedrag van de bijdragen, verschuldigd voor het voorlaatste vervallen kwartaal. Ook uit artikel 34 blijkt dus dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de bijdragen en anderzijds de voorschotten. 3.4. De artikelen 54 en 55 van hetzelfde koninklijk besluit hebben betrekking op de burgerlijke sancties. Artikel 54, eerste lid, bepaalt dat een bijdrageopslag en een verwijlintrest verschuldigd is voor wie de bijdragen niet binnen de voorgeschreven termijn betaalt. Artikel 54, tweede lid, bepaalt ook dat het niet tijdig doen van de aangiften aanleiding geeft tot een forfaitaire vergoeding. 3.5. Artikel 55 van hetzelfde koninklijk besluit voorziet in een aantal mogelijkheden om van de hierboven vermelde sancties af te zien of ze te verminderen. De tekst van deze bepaling luidt als volgt : "Art. 55. § 1. De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid mag, onder de voorwaarden bepaald door zijn beheerscomité, en goedgekeurd door de Minister van Sociale Voorzorg, afzien van de toepassing van de bijdrageopslagen en de verwijlintresten, bedoeld bij artikel 54, eerste lid, wanneer de bijdragen betaald werden vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarop zij betrekking hebben. Onder dezelfde voorwaarden kan hij afzien van de toepassing van de vergoeding, bedoeld bij artikel 54, tweede lid, wanneer de kwartaalaangifte en haar bijlagen ingediend werden vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarop ze betrekking hebben. Hij mag afzien van de betaling van de burgerlijke sancties bedoeld bij de voorgaande leden en bij artikel 54, vijfde lid, wanneer de werkgever aantoont dat hij wegens behoorlijk bewezen overmacht, onmogelijk zijn verplichtingen heeft kunnen nakomen binnen de vastgestelde termijn. § 2. Wanneer de werkgever het bewijs levert dat de niet-betaling van de bijdragen binnen de reglementaire termijnen aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, kan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid het bedrag van de bijdrageopslagen met ten hoogste 50 pct. en het bedrag van de nog verschuldigde verwijlintresten met ten hoogste 25 pct. verminderen. Dit kan hij nochtans enkel nadat de werkgever alle vervallen sociale zekerheidsbijdragen heeft betaald. § 3. De vermindering van het bedrag van de bijdrageopslagen met 50 pct. kan door de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid op 100 pct. worden gebracht : VII-22.859-9/19 1/ wanneer de werkgever, ter verantwoording, het bewijs levert dat op het ogenblik dat de schuld eisbaar werd, hij een vaste en eisbare schuldvordering bezat ten opzichte van het Rijk, een provincie of provinciale openbare instelling, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een gemeentelijke of intercommu- nale openbare instelling of een instelling van openbaar nut beoogd bij artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut of een maatschappij beoogd bij artikel 24 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 88 van 11 november 1967; 2/ wanneer zijn beheerscomité bij een met eenparigheid van stemmen getroffen gemotiveerde beslissing, aanvaardt dat zulke vermindering, wegens dwingende billijkheidsredenen of wegens dringende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang, bij wijze van uitzondering, verantwoord is". 3.6. Op 22 februari 1974 heeft het Beheerscomité van de R.S.Z. een reglement genomen met toepassing van artikel 55, § 1, gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 januari 1974, en van artikel 61 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Artikel 1 van dat reglement luidt als volgt : "De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid mag de bepalingen van artikel 54 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders niet toepassen: 1/ wanneer de bijdragen betaald werden vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarop zij betrekking hebben, op voorwaarde dat de werkgever zijn bijdragen niet gewoonlijk buiten de termijnen vastgesteld bij de artikelen 34, 35bis, eerste lid, en 41, § 1, lid 3 van genoemd koninklijk besluit van 28 november 1969 betaald heeft en dat het niet-betalen binnen de vastgestelde termijn, der voor bedoeld kwartaal aangegeven bijdragen de regelmatige financiering van de sociale zekerheidsregeling niet schaadt; 2/ wanneer de kwartaalaangifte en haar bijlagen ingediend werden vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarop ze betrekking hebben, op voorwaarde dat de werkgever zijn aangiften niet gewoonlijk buiten de termijnen vastgesteld bij de artikelen 33 en 35bis, eerste lid, van genoemd koninklijk besluit van 28 november 1969 heeft laten geworden en dat het niet-indienen, binnen de vastgestelde termijn, van de op bedoeld kwartaal betrekking hebbende aangifte de goede werking van de instelling niet schaadt"; VII-22.859-10/19 4. Gegrondheid van het beroep A. 95.581 4.1. Standpunten van de partijen 4.1.1. Overwegende dat het eerste middel, in zijn eerste onderdeel als volgt wordt geformuleerd : "Genomen uit de schending van de wet, m.n. artikel 28 van de wet van 27 juni 1969, artikel 55 van het K.B. van 28 november 1969, artikel 1 van het Reglement van 22 februari 1974, en artikel 2.1.316 van de algemene onderrich- tingen ten behoeve van de werkgevers 20. Doordat de RSZ de beslissing heeft genomen om een gedeeltelijke vermindering van de aangerekende bijdrageopslagen toe te kennen conform artikel 55 §2 van het K.B. van 28 november 1969 terwijl, eerste onderdeel, de RSZ nagelaten heeft om ambtshalve te onderzoeken of geen volledige kwijtschelding kon worden toegekend overeenk- omstig artikel 55 §1, eerste lid, van het KB van 28 november 1969; Toelichting eerste onderdeel 21. In eerste instantie diende de RSZ zelf en ambtshalve, zonder dat verzoekster daartoe enige aanvraag had moeten indienen, af te zien van enige bijdrageopslag en intresten, of minstens onmiddellijk de oplegging daarvan ambtshalve moeten intrekken. In uitvoering daarvan wordt in artikel 1 van het reglement van 22 februari 1974 voorgeschreven dat de RSZ de sancties niet mag opleggen, onder de dubbele voorwaarde
(1)dat de bijdragen in het daaropvolgende kwartaal wel werd(en) betaald, en
(2)dat de betroffen werkgever gewoonlijk steeds stipt heeft betaald. In randnummer 2.1.316 van de algemene onderrichtingen ten behoeve van de werkgevers, wordt daar nog uitdrukkelijk aan toegevoegd dat de werkgever daartoe geen enkel initiatief moet nemen.
  1. De RSZ heeft duidelijk nagelaten zulks te doen, terwijl verzoekster aan de daartoe gestelde voorwaarden voldoet. A fortiori wanneer verzoekster een vraag tot volledige kwijtschelding stelt, diende de RSZ daartoe over te gaan"; 4.1.
  2. Overwegende dat de verwerende partij hier in haar memorie van antwoord op repliceert : "
  3. De verzoekende partij beweert dat ambtshalve moest worden afgezien van de toepassing van bijdrageopslagen en verwijlintresten. Artikel 55 §1 alinea 1 van het K.B. van 28 november 1969 zou hiervoor een voldoende rechtsgrond zijn.
  4. De verwerende partij stelt vast dat artikel 55 §1 alinea 1 van het K.B. van 28 november 1969 moet worden samengelezen met de overige bepalingen van voormeld artikel. Uw Raad heeft in het arrest nr. 40.501 dd. 28 september 1992 - na citaat van het hele artikel 55 - een overzicht gegeven van de gevallen waarin de burgerlijke sancties geheel of gedeeltelijk kunnen worden kwijtgescholden. Vastgesteld wordt 'dat er verschillende gradaties in artikel 55 kunnen onderkend worden : 1) overmacht (artikel 55, §1, derde lid), 2) uitzonderlijke omstandighe- den (artikel 55, §2), 3) het bestaan van een vaste en eisbare schuldvordering ten opzichte van een openbare overheid (artikel 55, §3, 1/) 4) dwingende billijk- heidsredenen of dringende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang (artikel 55, §3, 2/)'. VII-22.859-11/19 In dit overzicht wordt geen melding gemaakt van de ambtshalve ontheffing van de sancties indien de voorwaarden van artikel 55 §1, alinea 1 zijn nageko- men. Zodoende werd deze bepaling niet geschonden.
  5. Hoewel de verzoekende partij in haar schrijven van 27 juli 2000 hiervan geen gewag heeft gemaakt, steunt zij zich thans op artikel 1 van het reglement van het beheerscomité dd 22 februari
  6. Krachtens deze bepaling kunnen de voormelde burgerlijke sancties niet worden toegepast indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. (...) De verwerende partij stelt vast dat deze bepaling niet kan worden toegepast aangezien de verzoekende partij 'voor de twee kwartalen voorafgaand aan het vierde kwartaal 1999 geen, dan wel te weinig voorschotten betaalde, waardoor zij het recht op de reglementaire termijn verloor voor de betaling van de bijdragen voor het vierde kwartaal 1999'. Bijgevolg is het eerste onderdeel van het eerste middel ongegrond"; 4.1.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord dupliceert : "
  8. De RSZ reageert op dit middel door te verwijzen naar het arrest nr. 40.501 van uw Raad van 28 september 1992, waarin de ambtshalve ontheffing niet wordt vermeld als ontheffingsgrond. Dergelijke reactie is onbegrijpelijk. In het vermelde arrest is het kennelijk nooit de bedoeling geweest om een limitatieve lijst van ontheffingsgronden op te sommen. Het is nog minder de bedoeling geweest dat de Raad van State in het genoemde arrest de ontheffingsgrond, waarop verzoekster zich beroept, zou nietig verklaren. Tenslotte is de RSZ hier ook radicaal tegenstrijdig met zichzelf, wanneer hij op 20 december 2000 een beslissing heeft genomen op grond van de mogelijkheid tot ambtshalve ontheffing, en enkel tot een (verkeerde) negatieve beslissing komt omdat de voorwaarden daartoe niet zijn voldaan, niet omdat dergelijke ontheffingsgrond niet zou bestaan.
  9. De RSZ meent verder dat verzoekster niet in aanmerking komt voor een ambtshalve ontheffing, zoals voorzien in artikel 1 van het reglement van het beheerscomité van 22 februari
  10. Volgens de RSZ is aan de voorwaarden daartoe niet voldaan, aangezien verzoekster 'voor de twee kwartalen vooraf- gaand aan het vierde kwartaal 1999 geen, dan wel te weinig voorschotten betaalde, waardoor zij het recht op de reglementaire termijn verloor voor de betaling van de bijdragen voor het vierde kwartaal 1999'. Deze tegenwerping heeft geen enkele grondslag. De verplichting tot betaling van voorschotten is niet gekoppeld aan de sanctie van bijdrageopslagen t.b.v. 10% en verwijlintrest t.b.v. 7% zoals voorgeschreven in artikel 54 eerste lid van het K.B. van 28 november
  11. De sanctie van de bijdrageopslagen en intresten heeft enkel te maken met de niet-naleving van de betalingstermijn voorzien in art. 34 voorlaatste lid van het K.B. van 28 november 1969, d.w.z. de laatste dag van de maand volgend op het kwartaal waarvoor de bijdragen verschuldigd zijn, maar niet met de naleving van de termijnen voor de betaling van voorschotten.
  12. Het principe van een sanctie voor de niet-betaling of laattijdige betaling van voorschotten werd ingevoerd door artikel 64, 1/ van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen. Krachtens die wetswijziging werd er (...) in artikel 28 van de wet van 27 juni 1969 een §lbis ingevoerd. Deze bepaling stelt dat er bij gebrek aan betaling van voorschotten een vaste vergoeding verschuldigd is (dus geen percentage op de verschuldigde bijdrage), waarvan het bedrag en de voorwaarden bij koninklijk besluit zouden vastgesteld worden. VII-22.859-12/19
  13. Dergelijk koninklijk besluit kwam er pas op 18 juli
  14. Pas in dit besluit werden er forfaitaire tarieven bepaald die als sanctie zouden moeten worden betaald indien een werkgever niet of laattijdig voorschotten zou betalen. Dit besluit trad pas in werking op de eerste dag van het kwartaal volgend op dat gedurende welke het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, d.i. 1 oktober
  15. Voor 1 oktober 2000 bestond er aldus geen sanctie op de niet-betaling of laattijdige betaling van voorschotten. Er bestonden enkel sancties op de niet-betaling of laattijdige betaling van de bijdragen zelf. Evenmin kan de RSZ dergelijke sancties dan toch nog via een omweg toepassen, door te weigeren om de ambtshalve ontheffingsgrondslag uit zijn eigen reglement niet toe te passen. Dit reglement heeft geen enkele wijziging ondergaan, ook niet naar aanleiding van de invoering van de verplichting tot betaling van voorschotten en de daaraan verbonden sancties. Dit reglement heeft met de betaling van voorschotten niets te maken. Het volstaat bovendien niet om te verwijzen naar slechts twee kwartalen om te stellen dat verzoekster haar bijdragen 'gewoonlijk' buiten de voorziene termijn zou betalen, zoals in het reglement is bepaald. Tenslotte kan de RSZ niet stellen dat aan de voorwaarden voor dergelijke vrijstelling niet is voldaan, terwijl de RSZ nochtans wel bereid was om een gedeeltelijke vrijstelling t.b.v. 50% te verlenen"; 4.1.
  16. Overwegende dat de laatste memorie van de verzoekende partij geen nieuwe argumenten bevat; 4.1.
  17. Overwegende dat, hoewel het auditoraatsverslag het middelonder- deel gegrond acht, de verwerende partij geen laatste memorie heeft ingediend; 4.
  18. Bespreking Overwegende dat uit het feitenrelaas blijkt dat de verzoekende partij haar bijdragen voor het vierde kwartaal van 1999 betaalde op 8 februari 2000, dit is ruim voor het einde van het eerste kwartaal van 2000; dat derhalve de verwerende partij, met toepassing van artikel 1, 1/, van haar eigen reglement van 22 februari 1974, in principe niet vermocht de sancties neergelegd in artikel 54, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, voor de laattijdige betaling van bijdragen op te leggen; dat zij om aan dit principe te ontsnappen niet vermag voor het eerst voor de Raad van State, in plaats van in de motivering van de bestreden beslissing, in te roepen dat de verzoekende partij voor de twee kwartalen vooraf- gaand aan het vierde kwartaal van 1999 "geen, dan wel te weinig voorschotten betaalde"; dat de verwerende partij zich daarop bovendien zelfs niet in de motivering van de bestreden beslissing had kunnen beroepen, nu alleen het gewoonlijk laattijdig betalen van de bijdragen (en dus niet van de voorschotten) tot het alsnog toepassen VII-22.859-13/19 van de sanctie van de bijdrageopslag had kunnen aanleiding geven; dat het middelonderdeel gegrond is;
  19. Gegrondheid van het beroep A. 100.610 5.
  20. Standpunten van de partijen 5.1.
  21. Overwegende dat het enig middel als volgt wordt geformuleerd : "ENIG MIDDEL Genomen uit de schending van de wet, meer bepaald artikel 28 van de wet (van) 27 juni 1969, uitgevoerd door (artikel) 55 §1 eerste en tweede lid van het K.B. van 28 november 1969, en verder het reglement van het beheerscomité van de RSZ van 22 februari 1974, en verduidelijkt in randnummer 2.1.316 van de algemene onderrichtingen van de RSZ ten behoeve van de werkgevers, en tevens genomen uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel.
  22. Doordat de RSZ de volledige kwijtschelding van bijdrageopslag en intresten op de bijdragen voor het vierde kwartaal 1999 weigert, omdat verzoekster voor de twee kwartalen voorafgaand aan het vierde kwartaal 1999 geen, dan wel te weinig voorschotten betaalde, waardoor verzoekster volgens de RSZ het recht op de reglementaire termijn voor de betaling van de bijdragen voor het vierde kwartaal 1999 verloor. Terwijl, eerste onderdeel, de sanctie opgelegd bij artikel 54 van het K. B. van 28 november 1969, en de mogelijkheden tot kwijtschelding daarvan overeenk- omstig artikel 55 van het K.B. van 28 november 1969, zoals toepasselijk op het ogenblik van de feiten, en verder gespecifieerd in het reglement van 22 februari 1974 en randnummer 2.1.316 van de algemene onderrichtingen ten behoeve van de werkgevers, geen betrekking hebben op de niet-betaling of laattijdige betaling van voorschotten; En terwijl, tweede onderdeel, verzoekster bij gebrek aan tijdige betaling aan voorschotten geenszins het voordeel van die kwijtschelding kon verliezen. Toelichting van het eerste onderdeel
  23. Krachtens artikel 55 §1 van het K.B. van 28 november 1969 mag de RSZ onder de voorwaarden bepaald door zijn beheerscomité afzien van de toepassing van de bijdrageopslagen en verwijlintresten. Die voorwaarden zijn vastgelegd in artikel 1 van het Reglement van 22 februari 1974 en verder geconcretiseerd in randnummer 2.1.316 van de algemene onderrichtingen ten behoeve van de werkgevers. Volgens die voorwaarden is het de RSZ zelfs verboden om de sancties wegens laattijdige betaling toe te passen, wanneer de verschuldigde bijdragen minstens in het volgend kwartaal werden betaald en de werkgever niet gewoonlijk te laat betaalt, terwijl de regelmatige financiering van de RSZ niet in het gedrang is gekomen. De werkgever moet daartoe dan zelfs geen aanvraag indienen.
  24. Daar waar artikel 55 §1 van het K.B. van 28 november 1969 aan het beheerscomité toelaat om de voorwaarden van een kwijtschelding uit te werken, heeft het beheerscomité die voorwaarden aldus geformuleerd, dat er bij de vervulling van die voorwaarden eigenlijk geen beleidsoordeel meer mogelijk is, en de RSZ zelfs ambtshalve moet afzien van de toepassing van de sancties. De rechtszekerheid gebiedt dat de RSZ zich naar deze uitgestippelde beleidslijnen richt. VII-22.859-14/19 26.Verzoekster heeft in casu hoogstens een vergissing begaan, zonder enige kwade trouw, die reeds in de eerstvolgende dagen werd rechtgezet met een onmiddellijke nieuwe betaling, terwijl zij niet geboekt staat als een slechte betaler en de RSZ bezwaarlijk kan voorhouden dat hierdoor haar financiering in het gedrang is gekomen. In die omstandigheden mocht verzoekster erop vertrouwen dat de RSZ zou handelen volgens de voorwaarden die door zijn eigen beheersco- mité zijn uitgewerkt en ook worden bevestigd in de algemene onderrichtingen ten behoeve van de werkgevers. Deze voorwaarden wekken immers het vertrouwen dat de RSZ in de genoemde voorwaarden onmiddellijk en ambtshal- ve afziet van de burgerlijke sancties. De RSZ kan, wanneer aan de gestelde voorwaarden is voldaan, daarvan niet afwijken, zonder het daardoor gewekte vertrouwen te schenden.
  25. Ten onrechte poogt de RSZ aan dit gegeven te ontsnappen door verzoekster te verwijten dat zij geen of onvoldoende voorschotten zou betalen. De sanctie voor het niet-betalen of onvoldoende betalen van voorschotten bestaat immers niet in de bijdrageopslag t.b.v. 10% en verwijlintrest t.b.v. 7% zoals voorge- schreven in artikel 54 eerste lid van het K.B. van 28 november
  26. Die sanctie heeft enkel te maken met de niet-naleving van de betalingstermijn voorzien in (art. 34) voorlaatste lid van het K.B. van 28 november 1969, d.w.z. de laatste dag van de maand volgend op het kwartaal waarvoor de bijdragen verschuldigd zijn, maar niet met de naleving van de termijnen voor de betaling van voorschot- ten.
  27. Het principe van een sanctie voor de niet-betaling of laattijdige betaling van voorschotten werd ingevoerd door artikel 64, 1/ van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen. Krachtens wetswijziging werd er (...) in artikel 28 van de wet van 27 juni 1969 een §1bis ingevoerd. Deze bepaling stelt dat er bij gebrek aan betaling van voorschotten vaste vergoeding verschuldigd is (dus geen percentage op de verschuldigde bijdrage), waarvan het bedrag en de voorwaar- den bij koninklijk besluit zouden vastgesteld worden.
  28. Dergelijk koninklijk besluit kwam er pas op 18 juli
  29. Pas in dit besluit werden er forfaitaire tarieven bepaald die als sanctie zouden moeten worden betaald indien een werkgever niet of laattijdig voorschotten zou betalen. Dit besluit trad pas in werking op de eerste dag van het kwartaal volgend op dat gedurende welke het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, d.i. 1 oktober
  30. Voor 1 oktober 2000 bestond er aldus geen sanctie op de niet-betaling of laattijdige betaling van voorschotten. Er bestonden enkel sancties op de niet-betaling of laattijdige betaling van de bijdragen zelf. Toelichting van het tweede onderdeel
  31. Gelet op het voorgaande, kon de RSZ m.b.t. dergelijke voorschotten aan verzoekster geen verwijten formuleren, sancties opleggen of de kwijtschelding van sancties weigeren, in de mate waarin het in casu gaat over het laatste kwartaal 1999, waarop de voornoemde nieuwe bepalingen onder geen enkel beding van toepassing waren. Evenmin kan de RSZ het reglement van 22 februari 1974 of de onderrichtingen ten behoeve van werkgevers in die richting forceren.
  32. Evenmin kan de RSZ voorhouden dat verzoekster haar bijdragen gewoonlijk buiten de termijnen zou betalen, of de niet-betaling van bijdragen de regelmatige financiering van de sociale zekerheidsbijdragen zou schaden. Het is nochtans daaraan dat de RSZ door de verwijzing naar de twee kwartalen voorafgaand aan het laatste kwartaal 1999 refereert.
  33. Deze voorwaarden zijn opgenomen in het voornoemde reglement van 22 februari
  34. Zij hebben enkel betrekking op de bijdragen zelf, en niet op de voorschotten. Van voorschotten is in die tekst helemaal geen sprake. VII-22.859-15/19
  35. Bovendien volstaat het niet om slechts te verwijzen naar slechts twee kwartalen om te stellen dat verzoekster haar bijdragen 'gewoonlijk' buiten de voorziene termijn zou betalen.
  36. Tenslotte kan verzoekster evenmin voorhouden dat de financiering van de RSZ in het gedrang komt, wanneer gedurende twee kwartalen geen of onvoldoende voorschotten zouden zijn betaald, maar de bijdragen zelf wel tijdig werden betaald. In die redenering komt de RSZ tot de absurde conclusie dat de financiering van de RSZ in het gedrang komt, zelfs wanneer de bijdragen tijdig worden betaald"; 5.1.
  37. Overwegende dat de verwerende partij hier in haar memorie van antwoord op repliceert : "De verwerende partij stelt vast dat krachtens artikel 55 van het K.B. van 28 november 1969 en de vaste rechtspraak van Uw Raad (o.a. het arrest nr. 40.501 van 28 september 1992) er verschillende gradaties moeten worden onderkend tussen het kwijtschelden en verminderen van de opgelegde administratieve sancties. De opheffing of de aard van vermindering hangt af van de aard van de ingeroepen omstandigheid: 1) overmacht, 2) uitzonderlijke omstandigheden, 3) het bestaan van een eisbare schuldvordering ten opzichte van een openbare overheid en 4) dwingende billijkheidsredenen. De verzoekende partij houdt ten onrechte voor dat de R.S.Z. de laattijdige betaling van maandelijkse voorschotten op zich zou hebben bestraft. De verzoekende partij erkent dat de kwartaalbijdrage voor het laatste kwartaal van 1999 laattijdig was. Niet de laattijdige betaling van de maandelijkse voorschotten maar wel de laattijdigheid van de kwartaalaangifte op zich heeft aanleiding gegeven tot de betwiste boetes. Indien de huidige reglementering zou zijn toegepast dan zou de verzoekende partij bovenop de hem opgelegde procentuele boetes bovendien ook forfaitaire boetes moeten hebben betaald wegens de laattijdige betaling van de voorschotten. De verzoekende partij kan de verwerende partij bijgevolg niet verwijten de betaling van de voorschotten niet te hebben gesanctioneerd. Om volledige kwijtschelding van de procentuele boetes te bekomen moest krachtens voornoemd artikel 55, § 1 overmacht bestaan en aan de voorwaarden voldaan zijn ter uitvoering van dit artikel. Een van die voorwaarden is precies het tijdig kwijten van de maandelijkse voorschotten. Het blote feit dat de maandelijkse voorschotten binnen het bedoelde kwartaal niet waren betaald verbood verwerende partij tot de automatische opheffing van de boetes wegens laattijdige kwijting. De verwerende partij heeft het hierbij echter niet gelaten en heeft het uitzonderlijk karakter erkend van de omstandigheid waarin de verzoekende partij haar kwartaalbijdrage heeft betaald. De verwerende partij heeft per kerende post de vraag van verzoekende partij van 10 juli 2000 op 14 juli 2000 ingewilligd en de boete gehalveerd conform artikel 55, §
  38. Hiernaast heeft de verwerende partij, verzoekster nog bij brief van 25 oktober 2000, nadat intussen reeds een verzoekschrift was ingediend op 10 september 2000 bij de Raad van State, de kans geboden om bijkomende elementen aan te reiken om vooralsnog eventuele overmacht te verantwoorden. Dit is zondermeer door de verzoekende partij op 2 november 2000 als 'volledig naast de kwestie' afgewezen. Hierop is desalniettemin nog op 20 december 2000 geantwoord met een uitvoerige beschrijving van de geldende voorschriften. In de gegeven omstandigheden kan verwerende partij moeilijk verweten worden het gewekte vertrouwen te hebben geschonden. VII-22.859-16/19 Zowel alle betrokken voorschriften van de wet als van de uitvoeringsbepalingen zijn derhalve nageleefd in strikte eerbied van zowel het rechtszekerheids- als het vertrouwensbeginsel. Bijgevolg is het eerste onderdeel van het enig middel ongegrond. 5.
  39. Tweede onderdeel. Voortbouwend op de door haar voorgehouden bewering dat de niet- of niet tijdige betalingen van maandelijkse voorschotten zouden zijn bestraft, is de verzoekende partij van mening dat ook de uitvoeringsbepalingen enkel zouden betrekking hebben op kwartaalbijdragen en niet op de voorschotten, dat bovendien niet zou mogen worden teruggegrepen op de voorschotten van vroegere kwartalen, dat het hiervoor niet volstaat twee kwartalen te nemen en dat tenslotte niet zou kunnen worden voorgehouden dat de financiering van de RSZ in het gedrang komt. Zoals in het eerste onderdeel is aangetoond zijn de niet- of niet-tijdige betalingen van de maandelijkse voorschotten hoegenaamd niet bestraft, hetgeen onder de huidige reglementering wel het geval had moeten zijn. De tijdige betaling van de maandelijkse voorschotten zijn een voorwaarde voor het automatisch kwijtschelden van procentuele boetes wegens laattijdige kwartaalaangiftes. Dit is uitdrukkelijk vermeld in de betrokken teksten. Cfr. nr. 2.1.316 van de algemene onderrichtingen: 'Wanneer de werkgever de niet binnen de wettelijke termijnen betaalde bijdragen betaalt voor het einde van het kwartaal dat volgt op dat waarvoor zij verschuldigd zijn en de werkgever de bijdrage voor de vroegere kwartalen, eventueel met inbegrip van de betaling van de maandelijkse voorschotten, gewoonlijk binnen de wettelijke termijnen betaalt, ...' Ook de betaling van de maandelijkse voorschotten van vroegere kwartalen komen hiervoor in aanmerking. In onderhavig geval heeft verzoekende partij in 1999 systematisch haar maandelijkse voorschotten niet of niet tijdig betaald. De verzoekende partij miskent de zin van de maandelijkse voorschotten. Zij zijn in het bijzonder opgelegd aan de belangrijkste werkgevers voor een gelijkmatige permanente verzekering van de financiering van de sociale zekerheid. Ter bekrachtiging van deze doelstelling is het trouwens nodig gebleken vanaf 1 oktober 2000 bovenop de procentuele straffen wegens laattijdige kwartaalbijdragen ook nog forfaitaire straffen op te leggen wegens laattijdige maandelijkse aangiften. Door tenslotte enkel belang te hechten aan de tijdige kwartaalbijdragen en de maandelijkse betalingen te verwerpen wordt een pervers mechanisme gepromoot waarin buffers de maandelijkse uitgavenstromen moeten verzekeren. Om de overbrugging veilig te stellen tussen twee kwartalen moeten hetzij de kwartaalbijdragen worden verhoogd of nog duurdere kaskredieten worden aangesproken die uiteindelijk moeten worden terugbetaald met belastinggelden of met nog hogere bijdrageverhogingen. Voor een instelling als de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid die jaarlijks meer dan 1000 miljard BEF herverdeelt is een korrekt kasbeheer een dagelijkse plicht voor een zo effectief, efficiënt en economisch mogelijke aanwending van de gelden van alle bijdrageplichtigen. Het belang van de tijdige betaling van de maandelijkse voorschotten kan bijgevolg door de verzoekende partij moeilijk 'absurd' worden genoemd. Ook het tweede onderdeel van het enige middel is derhalve ongegrond"; VII-22.859-17/19 5.1.
  40. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord nog benadrukt dat de sanctie voor het laattijdig betalen van de voorschotten niet bestaat uit bijdrageopslagen en verwijlintresten; 5.1.
  41. Overwegende dat de laatste memorie van de verzoekende partij geen nieuwe argumenten bevat; 5.1.
  42. Overwegende dat, hoewel het auditoraatsverslag het middel gegrond acht, de verwerende partij geen laatste memorie heeft ingediend; 5.
  43. Bespreking Overwegende dat uit het feitenrelaas blijkt dat de verzoekende partij haar bijdragen voor het vierde kwartaal van 1999 betaalde op 8 februari 2000, dit is ruim voor het einde van het eerste kwartaal van 2000; dat derhalve de verwerende partij, met toepassing van artikel 1, 1/, van haar eigen reglement van 22 februari 1974, in principe niet vermocht de sancties neergelegd in artikel 54, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 voor de laattijdige betaling van bijdragen op te leggen; dat zij om aan dit principe te ontsnappen niet vermag in te roepen dat de verzoekende partij voor de twee kwartalen voorafgaand aan het vierde kwartaal van 1999 "geen, dan wel te weinig voorschotten betaalde", nu alleen het gewoonlijk laattijdig betalen van de bijdragen (en dus niet van de voorschotten) tot het alsnog toepassen van de sanctie van de bijdrageopslag had kunnen aanleiding geven; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  44. De zaken gekend onder de nummers A. 95.581/VII-22.859 en A. 100.610/VII-23.181 worden gevoegd. Artikel
  45. Vernietigd worden :
  46. de beslissing van 14 juli 2000 van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid met betrekking tot het verzoek van de n.v. OPTIBEL en C/ tot het bekomen van ontheffing van de burgerlijke sancties voor het vierde kwartaal van
  47. VII-22.859-18/19
  48. de beslissing van 20 december 2000 van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid met betrekking tot het verzoek van de n.v. OPTIBEL en C/ om toepassing van artikel 55, §1, van het koninklijk besluit van 28 november
  49. Artikel
  50. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde besluiten. Artikel
  51. De kosten van de beroepen, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig december tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, voorzitter van de VIIe kamer, de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-22.859-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.214 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.