← België

Arrest 166215 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 21/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.215 Rolnummer: A. 89560/VII-20484 Zaak: Arrest 166215 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 21/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-29 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-01 12:06 Fiche Arrest nr 166.215 van 21 december 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : afvoering Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.215 van 21 december 2006 in de zaak A. 89.560/VII-20.

  1. In zake : de n.v. SAMBRE IMMO, die woonplaats kiest bij advocaat D. MATTHIJS, kantoor houdende te GENT, Sint-Annaplein 34 tegen : de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM), die woonplaats kiest bij advocaten P. LUYPAERS en H. DERDE, kantoor houdende te HEVERLEE-LEUVEN, Industrieweg 4, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. SAMBRE IMMO op 14 februari 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 14 december 1999 van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest waarbij niet wordt ingegaan op het verzoek dat zij had ingediend om op grond van artikel 31, §2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering vrijgesteld te worden van de verplichting tot bodemsanering van een terrein gelegen te Landen, Industriezone 1, kadastraal gekend onder afdeling 1, sectie A, perceelnr. 419n ; Gelet op het arrest nr. 93.658 van 1 maart 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON ; VII-20.484-1/5 Gelet op de beschikking van 2 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast en houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op de openbare terechtzitting van 18 mei 2006, op welke datum de behandeling van de zaak in verderzetting wordt uitgesteld; Gelet op de beschikking van 23 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. MATTHIJS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat H.-K. CARÊME die, loco advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het faillissement van de verzoekende partij werd uitgesproken bij vonnis van de rechtbank van koophandel van Charleroi van 26 november 2003; dat in het auditoraatsverslag werd vastgesteld dat het geding niet werd hervat door de curator en de zaak dienvolgens van de rol moet worden afgevoerd; dat ter terechtzitting van 18 mei 2006 de raadsman van de verzoekende partij stelde dat een gedinghervatting in casu niet vereist was om de procedure haar verdere verloop te doen kennen, en de verwerende partij zich tegen deze stelling heeft verzet; dat de behandeling van de zaak werd uitgesteld om de partijen toe te laten hierover schriftelijk standpunt in te nemen; dat de verzoekende partij daarop een stuk heeft ingediend, genaamd “Verzoekschrift gedinghervatting”, waarin zij, namens de curator, stelt wat volgt : “(...) Dat de faillissementswet evenwel de verplichting tot gedinghervatting niet voorschrijft. Dat immers de curator in zijn hoedanigheid namens de gefailleerde vennootschap de door deze laatste gevoerde procedures gewoon verder zet. Dat dit standpunt volledig in overeenstemming is met de inhoud van art. 24 van de faillissementswet van 08.08.1997, en helemaal niet strijdt met de inhoud van art. 58 van het regentsbesluit van 23.08.1948, houdende het procedurere- glement voor de Raad van State. Immers, art. 58 handelt enkel over de gevallen waarin grond bestaat tot hervatting van het rechtsgeding, wat in dezen niet het geval is. VII-20.484-2/5 M. Verougstraete (Manuel des curateurs de faillite, uitgave 2003, blz. 395, nr. 656) stelt dat de curator gehouden is standpunt in te nemen aangaande de lopende rechtsvorderingen, zowel als eiser als in zijn hoedanigheid van verweerder, hierbij verwijzend naar art. 24 van de faillissementswet van 08.08.
  3. De curator is dus alleen bevoegd, zonder hierover enige toelating te moeten vragen, om een procedure in te spannen of verder te zetten. De keuze hiervoor wordt aan zijn volledige vrije beoordelingsmacht overgelaten, met dien verstande dat het de curator toekomt in de mate van het mogelijke nutteloze kosten te vermijden. Dat evenwel de curator van de vraag van het Auditoraat nooit werd in kennis gesteld, zodat dit standpunt aan het Auditoraat al evenmin kon worden medegedeeld. Dat evenwel -voor alle zekerheid en zonder nadelige bekentenis daaromtrent- de curator bereid is het geding te hervatten en te dien einde onderhavige verzoekschrift indient. (...)”; Overwegende dat de verwerende partij daarop repliceert dat waar de verzoekende partij vraagt “akte te verlenen van de voor zoveel als nodig bij dezen geformuleerde gedinghervatting namens de curator qualitate qua” zij het aan de Raad van State overlaat om te bepalen in welke mate zij het geding al dan niet moet hervatten en zij terzake geen ondubbelzinnig standpunt inneemt, hoewel dat nochtans vereist is; Overwegende dat het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State (hierna : “het algemeen procedurereglement”) inderdaad niet expliciet oplegt dat de curator na faillissement desgewenst het geding moet hervatten; dat artikel 58 van het algemeen procedurereglement alleen voorschrijft dat “in de andere gevallen (dan overlijden) waarin er grond bestaat tot hervatting van het rechtsgeding”, zulks geschiedt door een verklaring ter griffie; dat het verslag aan de Regent voorafgaand aan het algemeen procedurereglement in zijn commentaar bij artikel 58 met betrekking tot die “andere gevallen” wel verwijst naar “de faillissementscurator”; dat hieruit blijkt dat dit reglement wel een verklaring van voortzetting van het geding door de curator oplegt; Overwegende dat, ook al zou de faillissementswet de verplichting tot gedinghervatting niet voorschrijven, in geval van faillissement hoe dan ook steeds de vraag rijst of de curator het opportuun vindt het geding voor te zetten; dat het derhalve ook in het belang van een vlotte rechtsbedeling noodzakelijk is dat de curator na de faillietverklaring binnen een redelijke termijn aan de Raad van State meedeelt of hij het geding al dan niet wenst te hervatten of voort te zetten; VII-20.484-3/5 Overwegende dat in casu het faillissement van de verzoekende partij werd uitgesproken op 26 november 2003; dat op het ogenblik van de neerlegging van het auditoraatsverslag op 29 december 2005 het geding nog niet was hervat, noch werd medegedeeld dat de curator het geding wenste voort te zetten, zodat de auditeur-verslaggever besloot tot de afvoering van de zaak van de rol en de zaak voorts niet heeft onderzocht; dat in die omstandigheden de verklaring tot voortzetting of hervatting van het geding door de curator, eerst mondeling tijdens de terechtzitting van 18 mei 2006, daarna schriftelijk, “voor alle zekerheid en zonder nadelige bekentenis daaromtrent”, bij schrijven van 12 juni 2006, onredelijk laat komt, en het verloop van de procedure op onredelijke wijze vertraagt, nu de aanvaarding ervan tot gevolg zou hebben dat de zaak opnieuw naar het auditoraat zou moeten worden gestuurd voor onderzoek van de ontvankelijkheid en gegrond- heid van het beroep; dat de zaak van de rol moet worden afgevoerd, BESLUIT: Artikel
  4. De zaak wordt van de rol afgevoerd. Artikel
  5. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de failliete boedel van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de failliete boedel van de verzoekende partij. VII-20.484-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig december tweeduizend en zes, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. R. STEVENS. VII-20.484-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.215 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.93.658 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.